Steun publieke omroep is achterhaalde praktijk

Het in standhouden van de landelijke publieke omroep door de overheid is volstrekt achterhaald. De vier functies die de landelijke publieke omroep heeft, zijn de afgelopen jaren ook uitgevoerd door de commerciële omroepen. Daarom is het niet langer noodzakelijk dat de overheid zorg draagt voor de financiering van de programma’s van zowel de drie publieke televisienetten als de vijf radiozenders.

door Stefan de Bruijn

Sinds het begin van de jaren negentig is er in Nederland sprake van een duaal bestel van publieke en commerciële omroepen. In de afgelopen veertien jaar is het medialandschap daardoor drastisch veranderd. Er zijn veel commerciële radio- en televisiezenders bijgekomen en ook de opkomst van internet heeft ervoor gezorgd dat de Nederlandse inwoners op meer manieren aan informatie en nieuws kunnen komen. In deze periode heeft de landelijke publieke omroep, die uitzendt op drie televisiezenders (Nederland 1, 2 en 3) en vijf radiozenders (Radio 1, Radio 2, 3FM, Radio 4 en 747AM), veel van haar aandeel in de kijktijd van het publiek moeten inleveren. In 1990 was het aandeel van de landelijke televisiezenders ongeveer 75 procent. De laatste jaren is dat afgenomen naar iets minder dan veertig procent. Dat is minder dan de zes commerciële televisiezenders (RTL4, RTL 5, Yorin, SBS6, Net5 en V8) die een gezamenlijk kijktijdaandeel van 46 procent behalen. De vijf landelijke publieke radiozenders hadden in 2001 een kijktijdaandeel van 31 procent: flink minder dan de 47 procent die de commerciële radiozenders gezamenlijk bereiken.1

Amusementsfunctie
Opmerkelijk is dat, ondanks deze flinke verschuiving, niets is veranderd aan de maatschappelijke functies van de landelijke publieke omroep: ze zijn leverancier van informatie en opinies (democratische functie), podium voor expressie en identiteitsvorming van groepen en individuen (culturele functie), een motor voor economische bedrijvigheid (economische functie) en tot slot vormt de publieke omroep voor kijkers/luisteraars/lezers een belangrijke bron van ontspanning en verstrooiing (amusementsfunctie).2
Deze functies zijn de afgelopen jaren ook door de commerciële omroepen uitgevoerd. De commerciële omroepen beschikken over kwalitatief goede nieuws- en opinieprogramma’s, zenden goede culturele programma’s uit, besteden veel aandacht aan bedrijvigheid en nog meer dan de publieke omroep zijn zij een belangrijke bron van ontspanning en verstrooiing. Duidelijk is daarom dat het niet langer nodig is dat de Nederlandse overheid door middel van het financieren van de publieke zenders zorg draagt voor deze functies.
Kijk bijvoorbeeld naar voetbalwedstrijden. Met veel belastingcenten worden door de NOS de uitzendrechten voor de Holland Casino Eredivisie en de Champions League gekocht. Het uitzenden van de programma’s levert veel reclame-inkomsten op, waarmee in het vervolg weer makkelijker de rechten voor een volgende periode gekocht kunnen worden. Het is vrijwel onmogelijk voor commerciële omroepen om daar een stokje voor te steken.
Dat is jammer, want het zou voor de belastingbetaler een stuk goedkoper zijn wanneer niet publieke maar commerciële omroepen de wedstrijden gaan uitzenden. Bijvoorbeeld rondom interlands van het Nederlands elftal hebben zowel RTL 4 en 5 als SBS 6 bewezen in staat te zijn goede uitzendingen hieromtrent te kunnen produceren.
Om concurrentievervalsing tegen te gaan, kan het niet langer zo zijn dat de overheid de publieke omroepen wel en de commerciële omroepen niet financieel ondersteunt. Commerciële omroepen lopen in de huidige situatie financiële achterstand op, waardoor het voor hen moeilijker is om kwalitatief goede programma’s te maken. Dit heeft tot gevolg dat het ook lastiger is om meer reclame-inkomsten aan te trekken. Hetzelfde geldt ook voor kranten en tijdschriften, die eveneens reclame-inkomsten mislopen doordat de overheid publieke omroep per se in stand wil houden.

Afbouwen
Wat betreft het loslaten van de publieke omroep, wil ik verder gaan dan bijvoorbeeld de VVD. De liberalen zijn van mening dat de taak van de overheid bij de zorg voor een publieke omroep kleiner dient te zijn dan nu het geval is, wat zou moeten resulteren in het terugbrengen van het aantal publieke zenders. Mijns inziens kan de rijksoverheid de omroepen compleet loslaten. Ik zeg daarmee niet dat de huidige omroepen dienen te verdwijnen. Wanneer er voor een omroep draagvlak is en het voor deze zendgemachtigde mogelijk blijkt te zijn om zonder overheidssteun in stand te blijven, is er geen enkele reden te bedenken waarom een omroep niet langer mag bestaan. Natuurlijk zullen er programma’s zijn die door het intrekken van overheidssubsidie niet langer op televisie worden vertoond. Mijns inziens betreft het hier een dusdanig klein aantal belangrijke programma’s, vooral uit de educatieve hoek, dat het niet noodzakelijk is om hiervoor een publieke zender in stand te houden. Wanneer blijkt dat een belangrijk (lees: onmisbaar) programma door vercommercialisering niet langer te zien is op de Nederlandse televisie, kan de overheid altijd besluiten om zendtijd in te kopen bij de commerciële omroep.
Het budget van ongeveer 850 miljoen euro dat ‘Hilversum’ jaarlijks van ‘Den Haag’ ontvangt, dient daarom spoedig afgebouwd te worden. Het is natuurlijk onmogelijk om dit direct te doen. De huidige omroepen dienen de kans te krijgen om eventueel te fuseren met andere omroepen, efficiënter te gaan werken en zich te ontwikkelen tot een financieel gezonde omroep met programma waar vraag naar is. Het zou goed zijn wanneer hiervoor een periode van tien jaar wordt uitgetrokken. Wanneer eenzelfde tiende deel jaarlijks op het budget wordt gekort, hebben de omroepen voldoende tijd om een besluit te nemen over de wijze waarop ze verder willen gaan en wordt het budget geleidelijk aan afgebouwd, zodat we rond 2014 slechts nog commerciële omroepen kennen. Over tien jaar zou dan sprake zijn van een volledig commercieel medialandschap waarin omroepen op basis van eerlijke concurrentie programma’s kunnen produceren.

Stefan de Bruijn studeert journalistiek aan de Hogeschool van Utrecht en politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Dit artikel verscheen eerder in de Liberale Schuimkraag, het afdelingsblad van de JOVD Amsterdam e.o.

1 Ministerie van OCW, Mediabeleid in Nederland, www.minocw.nl/cultuur/mediabeleid.html (2003)

2 Ibidem



Terug