Kunnen vrouwen hard zijn?

In augustus 2003 publiceerde het Sociaal en Cultureel Planbureau een rapport over een onderzoek naar het aandeel van vrouwen in de journalistieke media, onder de titel Midden in de media; meer vrouwen in de journalistiek. Ook boven het hoofd van journalistes blijkt een glazen plafond te hangen.

door Suzanne Rademaker

Het rapport presenteert voornamelijk de cijfermatige uitkomst van het onderzoek. Merens geeft geen adviezen en heeft ook geen diepgaand onderzoek verricht naar de redenen achter de uitkomsten, wat jammer is, want op deze manier wordt nog steeds weinig duidelijk.

Volgens het rapport (en andere genoemde onderzoeken) is het aandeel van vrouwen in de journalistiek zonder meer toegenomen. ‘Verwacht mag worden dat de groei van vrouwen in de media zich in de jaren negentig (verder) heeft doorgezet, zeker omdat al geruime tijd de meerderheid van de afgestudeerden van journalistieke (hbo- en universitaire) opleidingen vrouw is.’ Toch bestaat volgens het rapport ook de indruk onder ‘deskundigen en betrokkenen uit het veld’ (gevraagd naar hun mening in aanvullende interviews) dat binnen de media over de hele breedte geen sprake is van evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in belangrijke functies. Dit is het belangrijkste uitgangspunt van het rapport.

Binnen het onderzoek werd gekeken naar journalistieke media die zich richtten op ‘opinievorming in de brede zin van het woord’. Dit betekent concreet landelijke en regionale dagbladen, persbureaus, bladen met een algemeen nieuws- of opiniërend karakter, nieuws- en actualiteitenprogramma’s en andere programma’s met een opiniërend karakter.

Het rapport maakt een onderverdeling tussen bepaalde functies binnen de journalistiek, en dan met name op de besluitvormende niveaus. In de laagste besluitvormende laag van de meeste media is nog niet zoveel aan de hand. Het aantal vrouwen is binnen die laag meestal niet zoveel lager dan het aantal mannen, en evenredig aan het procentuele aantal vrouwen werkzaam binnen de sector. De enige sector waar dit niet voor geldt is de dagbladjournalistiek. Het aantal vrouwen in lagere leidinggevende functies is daar wel evenredig met het aantal vrouwen werkzaam bij dagbladen, maar dat aantal is veel lager dan het totale aantal mannen (25%).


Eenzaam aan de top

Op de hogere besluitvormende niveaus gaat het mis. Hier zijn vrouwen zwaar ondervertegenwoordigd, en blijkt de journalistieke sector weinig tot niets te verschillen van het bedrijfsleven. In de media, net als in het bedrijfsleven, is het ongetwijfeld voor iedereen ‘eenzaam aan de top’ maar voor vrouwen in het bijzonder. Dames aan het hoofd zijn uitzonderingen, verre van een regel. Hoe hoger je komt, hoe schaarser de vrouwen. Heel jammer, maar helaas niet echt een verrassing. De enige uitzondering is de opiniërende tijdschriftenbranche. Hier is het aantal vrouwen in topfuncties procentueel gezien bijna net zo hoog als het totale aantal vrouwen werkzaam bij de tijdschriften.

Het rapport geeft een aantal mogelijke redenen voor het gebrek aan vrouwen aan de top. Een van die redenen is dat de vrouwelijke journalisten voor het grootste gedeelte jonger dan veertig jaar zijn. Dit betekent dat zij over het geheel genomen jonger zijn dan hun mannelijke collega’s. Aangezien de journalistiek een praktijkvak is en het doorstromen naar topfuncties voor een groot deel afhankelijk is van ervaring zou dit inderdaad een geldige reden kunnen zijn. In het rapport zelf staat echter dat ‘het verschil in ervaring tussen mannen en vrouwen in de media nu ook weer niet zo groot [is] dat dit het grote verschil in vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in hoofdredacties rechtvaardigt’. Merens geeft een verklaring die ze vervolgens weer teniet doet zonder dat verder uit te leggen.

Verschillen in opleiding zijn volgens het rapport allang geen afdoende verklaring meer, aangezien deze niet meer bestaan. Zoals al eerder gezegd is de meerderheid van afgestudeerden aan journalistieke opleidingen vrouw. Andere factoren moeten dus een rol spelen. Bijvoorbeeld de organisatiecultuur en de ‘gendered’ opvattingen over de ideale journalist. Vooral bij de dagbladen was volgens het onderzoek begin jaren tachtig sprake van een uiterst masculiene cultuur gekenmerkt door harde omgangsvormen, discriminerende praktijken en dominante opvattingen over de 24-uursbeschikbaarheid van een journalist. Dat discriminerende praktijken nadelig kunnen zijn voor vrouwen kan ik nog begrijpen, als zij het zijn die gediscrimineerd worden.


Vrouwen zijn jonger

Het rapport lijkt er echter vanuit te gaan dat vrouwen per definitie niet met harde omgangsvormen om kunnen gaan en niet 24 uur per dag beschikbaar kunnen zijn. Deze aanname wordt verder niet verdedigd. Kunnen vrouwen niet hard zijn? Of 24 uur per dag beschikbaar? Dat hoeft alleen een probleem te zijn als de zorg voor kinderen meespeelt, iets waar het rapport geen cijfers over heeft en dus geen uitspraak over doet. Dit geldt ook voor werken in deeltijd, wat volgens het rapport als problematisch gezien wordt waar het topfuncties in de media betreft (zoals ook in het bedrijfsleven vaak nog het geval is, alhoewel daar een kentering zichtbaar begint te worden). Ook dat hangt meestal samen met de zorg voor kinderen.

Zoals eerder gezegd is er goede hoop voor de toekomst. Bijna de helft van de journalisten onder de veertig jaar is vrouw. Sterker nog, vrouwelijke journalisten tot veertig jaar bekleden bijna net zo vaak een leidinggevende positie als mannelijke journalisten. Het gaat dan wel (voor de vrouwen) om leidinggevende functies op het lagere besluitvormende niveau. Dit is een gunstige uitgangspositie. In de jaren tachtig was echter sprake van een vrij grote uitstroom onder vrouwelijke journalisten. Hoe het daar nu mee gesteld is, is niet te zeggen, aangezien daarover geen gegevens beschikbaar zijn. Evenmin is duidelijk waarom deze grote uitstroom onder vrouwen plaatsvond, alhoewel dat volgens het rapport aan de jongere leeftijd van vrouwen in de journalistiek zou kunnen liggen. Vrouwen hebben namelijk gemiddeld 5.5 jaar minder ervaring dan mannen, en zijn ook gemiddeld 5.5 jaar jonger. Ze stromen dus uit voordat ze ervaring op kunnen doen en er komen jongere en minder ervaren journalistes voor in de plaats. Dat is echter geen afdoende verklaring, omdat nu nog steeds niet duidelijk is waarom de vrouwen wel vertrokken en de mannen bleven.

Er blijkt met betrekking tot dat onderwerp nog een addertje onder het gras te zitten. Vrouwen hebben minder vaak een vast contract dan mannen. Dit geldt niet alleen voor de jongere, minder ervaren journalistes, maar ook voor de meer en zelfs zeer ervaren vrouwen. Het aantal banen in de media loopt momenteel flink terug en inkrimpingen worden vaak eerst gerealiseerd door tijdelijke contracten niet te verlengen. De kans is dus groot dat procentueel gezien meer vrouwen dan mannen hun baan zullen verliezen.


Toekomst

De toekomst lijkt theoretisch gezien een rooskleurig beeld te bieden, maar we zullen moeten afwachten. Dit onderzoek biedt noch een concreet noch een volledig beeld van de redenen waarom vrouwen niet of moeilijk doorstoten naar topfuncties binnen de media. De onderzoekers gissen naar een aantal redenen, maar ze onderbouwen deze niet. Er zou een groter en meer inhoudelijk onderzoek gedaan moeten worden onder vrouwelijke journalisten om een beter beeld te krijgen van de belemmeringen waar vrouwen tegenaan lopen in deze sector.

Om te bewijzen dat vrouwen wel degelijk hard kunnen zijn: dit rapport bevestigt wat iedereen al wist maar verklaart niets. Een verspilling van tijd en moeite.



Ans Merens, Midden in de media. Meer vrouwen in de journalistiek, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, 2003



Terug