Een foto vertelt duizend leugens

Je hebt leugens, grote leugens en… foto’s. Op elke redactie wordt tegenwoordig druk gephotoshopt: digitale manipulatie heeft de geloofwaardigheid van beeldmateriaal voorgoed aangetast. Op zoek naar de grens tussen ‘bijschaven’ en bedrog.


door Patrick van der Mee



In de jaren dertig van de vorige eeuw verzocht de Democratische regering van de VS fotograaf Arthur Rothstein om de erbarmelijke omstandigheden op het platteland van Zuid-Dakota treffend in beeld te brengen. Rothsteins meest bekende foto werd een verbleekte koeienschedel op verdorde woestijngrond. Deze foto, Skull genoemd, groeide uit tot een symbool van de Great Depression. De pers meende dat de schedel de ellende en armoede van de boerenbevolking perfect weergaf.
Tot bekend werd dat Rothstein de schedel drie meter verplaatst zou hebben - van een grasheuvel naar de woestijngrond - om het dramatische effect van de foto te vergroten. Bovendien bleek die schedel daar al jaren te liggen en helemaal niet het gevolg te zijn van de depressie. De Republikeinen beschuldigden Rothstein ervan de gevolgen van de depressie te hebben aangedikt. Rothstein ontkende, maar werd nog jaren achtervolgd met de grap dat hij altijd op pad zou gaan met zijn koffer, zijn camera, en een schedel. Voor het geval dat.
Foto’s worden al vanaf het begin van de fotojournalistiek gemanipuleerd. Tegen het einde van de negentiende eeuw, toen foto’s langzaam maar zeker in kranten verschenen, werden er al foto’s gemanipuleerd uit politieke overwegingen, door bewust gebeurtenissen weg te laten van foto’s. Berucht uit latere tijden zijn natuurlijk de strapatsen van Stalin, die zijn fotograaf Rodchenko de opdracht gaf om de complete beeldgeschiedenis te wissen van uit de weg geruimde dissidenten als Trotski.
Of neem de meest gereproduceerde foto uit de geschiedenis: van Amerikaanse mariniers die de Stars and Stripes hijsen na hun overwinning op de Japanners op het eiland Iwo Jima. Het hijsen van de vlag zou in scène gezet zijn door fotograaf Joe Rosenthal, die een Pulitzer won voor zijn foto. Rosenthal verdedigde zich door te stellen dat als hij die foto in scène had gezet, dat hij ‘m dan had verknald door de mariniers te vragen of ze zijn kant opkeken. Zodat het Amerikaanse publiek van Associated Press, waar Rosenthal voor werkte, de jongens konden herkennen. Niet ongebruikelijk in de oorlogsfotografie van die tijd.


Esthetiek
Bovenstaande voorbeelden zijn exemplarisch voor hoe het niet moet. Maar dat is niet altijd even duidelijk. Er zijn verschillende vormen van fotomanipulatie en ze worden al sinds het begin van de fotografie toegepast. Een fotograaf kan een foto in scène zetten, en hij kan de hoeveelheid licht bepalen Maar het is tegenwoordig vooral nadat de foto genomen is dat er gesjoemeld wordt met beelden. Vooral na de intrede van de digitale fotografie en computerprogramma’s is dit een stuk gemakkelijker geworden. Foto’s worden vaak geretoucheerd om vlekjes of storende elementen uit foto’s te verwijderen. Kleuren in een foto worden bijgewerkt of verschillende negatieven worden bij elkaar gevoegd om een mooier geheel te maken.
Zo werd een foto van Martin Verkerk op Roland Garros door het Algemeen Dagblad bewust bijgewerkt. Het gravel werd roder gemaakt dan het was, en omdat het erg bewolkt was op de foto werd een eerder gefotografeerde wolkenlucht die een stuk mooier was over de oorspronkelijke heengelegd. In het kader van esthetiek. Maar mag een befaamd blad als National Geographic de Egyptische piramides dichter bij elkaar zetten op de foto, omdat dat beter op de rechthoekige cover van het blad past? Of zoals de fotograaf Brian Walski van de Los Angeles Times onlangs deed, twee verschillende foto’s van een soldaat in Irak bij elkaar voegen om een betere compositie te bereiken en het dramatische effect te versterken? De L.A. Times vond van niet. Walski werd ontslagen toen lezers ontdekten dat een man in de achtergrond van de foto er twee keer opstond.
Het verschil tussen de bovenstaande voorbeelden (Verkerk, piramides, Irakese soldaat) is dat de lezer van een krant of tijdschrift erop vertrouwt dat de foto’s de werkelijkheid weergeven. Maar wat is de werkelijkheid/waarheid in bovenstaande gevallen? Je kunt ook zeggen dat die piramides wel de piramides zijn en geen fakes. De schrijvende journalistiek kan een richtlijn bieden. Artikelen worden ook bijgeschaafd, woorden geschrapt en spelling veranderd. Ook de toon is belangrijk. Het is nogal een verschil of je in een artikel over het vermoorden van een ongeboren kind spreekt of over de abortus van een foetus. Iets soortgelijks geldt voor de fotografie. Kiest een fotograaf tijdens een demonstratie ervoor om te laten zien hoeveel, of juist hoe weinig mensen er zijn? Doet hij allebei, dan kiest de eindredacteur uiteindelijk welk beeld de lezer krijgt.
De waarheid/werkelijkheid van een foto is dus altijd subjectief, zonder dat er bewust gesjoemeld wordt met een foto. Het probleem is dan ook dat je niet altijd onbevooroordeeld kán zijn. Een fotograaf die naar Sudan afreist om de gruwelen van de burgeroorlog vast te leggen maar alleen vrolijk lachende kinderen tegenkomt heeft een probleem. Hij wacht dan tot hij een foto kan maken van de werkelijke ellende, al is dat niet het overheersende beeld van zijn bezoek daar op dat moment. Maar is dat manipulatie? Fotografie is er immers ook om een statement te maken. Maar waar in de schrijvende journalistiek in de loop der jaren bepaalde kwaliteitsregels zijn opgesteld voor artikelen (meerdere bronnen, betrouwbaarheid bronnen) is dat in de fotojournalistiek in Nederland achterwege gebleven.

Stel dat iemand tijdens de moord op Kennedy de schutter had gefotografeerd, maar dat de foto onderbelicht was?
Duivels dilemma
In Amerika bestaan bij verschillende kranten inmiddels ethische guidelines voor fotojournalisten. Fotograaf Patrick Schneider kan daar over meepraten. Schneider, fotograaf voor de Charlotte Observer, werd onlangs voor drie foto’s onderscheiden door de North Carolina Press Photographers Association. Maar kon zijn onderscheidingen meteen weer inleveren toen bleek dat hij zijn prijswinnende foto’s had bewerkt. Wat had hij gedaan? Minder nog dan het AD bij de foto van Martin Verkerk. Schneider had delen van foto’s donkerder gemaakt, een andere weer lichter en bij de derde had hij wat contrast toegevoegd. En werd daarvoor afgestraft.
Maar stel dat iemand tijdens de moord op Kennedy de schutter had gefotografeerd (of het nou Lee Harvey Oswald was of niet), maar dat de foto onderbelicht was? Had een krant de foto dan maar niet moeten afdrukken, of had de fotoredactie hem juist lichter gemaakt om in de krant te laten zien wie de dader was? Elke zichzelf respecterende krant zou hem lichter hebben gemaakt en afgedrukt! Een duivels dilemma dus.
De Amerikaanse kranten proberen tenminste met richtlijnen te bepalen hoe fotografen hun werk zouden moeten doen, en wat het beleid is van de krant op het gebied van fotojournalistiek. Zo heeft de Texarkana Gazette (Texas) een dead body policy, waarin uitdrukkelijk aangegeven wordt dat het niet de bedoeling is om foto’s te maken van overleden personen, behalve als het een grote nieuwswaarde heeft. Dat geld ook voor lijken in lijkenzakken en onder lakens. En voor zwaargewonden die mogelijk kunnen sterven. Dit om vrienden en familie van de slachtoffers geen extra leed te bezorgen en de tere gevoelens van de lezer te sparen.

‘Ik wil geen gladde geretoucheerde gezichtjes. Ik wil troost door de werkelijkheid.’

Enscenering
De Herald Tribune uit Sarasota (Florida) geeft duidelijk aan wat ze op technisch gebied kunnen, en wat ze wel en niet zullen doen met foto’s. De Tribune stelt dat, hoewel het sinds de digitalisering erg gemakkelijk is geworden om met foto’s te manipuleren, de Tribune nooit de inhoud van foto’s zal veranderen met techniek uit het verleden of heden. Maar natuurlijk heeft ook de Tribune gradaties in wat mag en wat niet. Er is geen discussie over foto’s die de inhoud niet veranderen door het lichter of donkerder maken van de foto. Ook niet om technische fouten op te lossen in een foto. Gediscussieerd moet worden over foto’s die mensen kunnen shockeren, zoals foto’s waar geslachtsdelen op voorkomen of obscene gebaren. En over foto’s die gemaakt zijn door de computer en waar geen werkelijk beeld aan te pas is gekomen of waarin de werkelijkheid is aangepast. In dat geval moet gezocht worden naar een alternatieve foto. Als die niet voorhanden is moet duidelijk worden aangegeven wat er met de foto gebeurd is.
Weer een andere kranten leggen de nadruk op het voorkómen van enscenering. De Rochester Times-Union en de Democrat and Chronicle (New York) vinden dat foto’s accurate representaties moeten zijn: geen reconstructies van gebeurtenissen of in scène gezette prachtfoto’s. Eerder gemaakte foto’s mogen niet herkauwd worden en voorgesteld worden als verse foto’s. Fotografen moeten opletten dat wat ze fotograferen overeenkomt met de realiteit zoals deze zich ter plekke voordoet. Fotografen dienen zelf aan te geven welke foto’s controverse kunnen opleveren en discussiëren hierover met redacteuren.
Sommige kranten gaan wel heel ver door elk politiek gebruik van foto’s proberen te voorkomen. De St. Paul Newspaper (Minnesota) stelt: publiceer geen foto’s van de gouverneur of burgemeester als hij een proclamatie ondertekent, een plaquette ontvangt, of naar een cheque of stuk papier kijkt in de aanloop van verkiezingen. Voorkom zoveel mogelijk geposeerde foto’s van politici in aanloop naar de verkiezingen.
Richtlijnen zoals die van Amerikaanse kranten beperken de artistieke vrijheid van fotografen aanzienlijk. En sommige gaan wel heel ver. Maar het zou niet verkeerd zijn voor Nederlandse kranten om zelf eens regels op te gaan stellen voor fotojournalisten. Niet dat die journalisten zich op de letter moeten aanpassen om slaafse dienaren van de zogenaamde waarheid te worden. Maar om duidelijker aan te geven wat de grens is tussen wat wel en wat niet kan in de fotojournalistiek in Nederland. Zeker op het gebied van manipulatie met behulp van computers. De tijd waarin ‘de camera nooit loog’, een gevleugelde uitdrukking uit de fotojournalistiek, is onherroepelijk voorbij.
Fotomanipulatie: de verschuivende grens

Fotomanipulatie stond onlangs centraal tijdens het Frederik Mullercongres aan de Hogeschool van Amsterdam. Hier werd aan verschillende fotografen gevraagd hun visie te geven op het gebruik van manipulatie in de fotojournalistiek. In Nederland bestaan er, naast de algemene code voor de journalistiek, geen richtlijnen van wat wel en niet kan. De meningen waren opvallend eensgezind. Manipuleren in de kunstzinnige fotografie is één ding, manipuleren in de fotojournalistiek is uit den boze. Over de manier waarop dit voorkomen kan worden wordt wel verschillend gedacht.
Serge Ligtenberg, fotograaf voor Associated Press en Het Parool en leraar journalistieke fotografie op de kunstacademie in Den Haag was het meest uitgesproken. ‘Inhoud en de context van een foto zijn voor mij belangrijker dan alleen maar het beeld. Beter een saai beeld dan onzin.’ Ligtenberg pleit dan ook voor regelgeving voor de fotojournalistiek. ‘In Amerika is het al tijden gebruikelijk om naast een redactiestatuut voor schrijvende journalisten ook guidelines te hebben voor de fotojournalistiek.’ Een fotograaf moet wat Ligtenberg betreft zo dicht mogelijk de werkelijkheid benaderen
Beeldkunstenaar Micha Klein is weliswaar geen fotojournalist, maar gebruikt extreme vormen van fotomanipulatie in zijn werk. Hij is het eens met Ligtenberg dat de kranten zoveel mogelijk de werkelijkheid moeten benaderen, maar ziet toch een oplossing voor de voortschrijdende en steeds meer gebruikte techniek voor fotomanipulatie. ‘Waarom is het niet mogelijk aan te geven in hoeverre een foto gemanipuleerd is? Ik denk dan bijvoorbeeld aan een logo bij een foto.’
Edie Peters, voormalig chef van de fotoredactie van de Volkskrant gelooft niet zo in het vastleggen van regeltjes voor fotojournalisten. ‘Je moet niet alles willen opschrijven voor fotografen. Zelfs niet nu de digitale fotografie zijn intrede heeft gedaan. Een fotograaf hoort strenger te zijn voor zichzelf, want anders houdt hij zichzelf en de lezer voor de gek. Ik wil geen gladde geretoucheerde gezichtjes. Ik wil troost door de werkelijkheid.’



Terug