Debat: Jensma en Laroes in Nijmegen

Baas NOS-Journaal wil media-ombudsman

De kloof tussen de pers en het publiek is in de afgelopen jaren enorm toegenomen. Er is meer openheid en een betere bereikbaarheid van de journalistiek vereist om een hernieuwd vertrouwen van de Nederlandse bevolking in de pers te bewerkstelligen. Dat vinden Volkert Jensma, hoofdredacteur van NRC Handelsblad, en Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS-Journaal. Hans Laroes pleitte bovendien voor een onafhankelijke instantie die de media controleert.

door Judith van Empel

Op uitnodiging van het Katholiek Instituut voor Massamedia (KIM) in Nijmegen lieten Jensma en Laroes tijdens een discussieavond op 12 november in Nijmegen hun licht schijnen over de vraag in hoeverre de journalistiek in staat is zichzelf te analyseren en te bekritiseren. Met name wat oudere media-professionals bleken geïnteresseerd in dit onderwerp, aangezien zij in grote getale aanwezig waren. De jongere generatie was maar mondjesmaat vertegenwoordigd.

Jensma en Laroes betoonden zich mannen met een missie. Jensma hoopt van NRC een beter journalistiek product te maken door meer transparantie en pluriformiteit te bewerkstelligen. Dat denkt hij vooral te bereiken door het samenstellen van een gevarieerde redactie. Laroes wil de positie van het Journaal als grootste nieuwsorganisatie van Nederland ook in de toekomst kunnen garanderen. Daarom predikt ook hij pluriformiteit, waarmee hij met name een diversiteit aan standpunten bedoelt. Het is volgens Laroes niet nodig om een redactie zodanig samen te stellen dat deze leden bevat van alle rangen, standen, kleuren en afkomsten. Er moet geselecteerd worden op de kennis die een journalist bezit, zodat er geen kennislacunes bestaan binnen de redactie.

Niet alleen de mainstream-opvattingen moeten volgens Laroes verwoord worden, maar ook de minder populaire opinies die in de samenleving te horen zijn moeten aan bod komen. Het Journaal mag nooit de ambitie opgeven om het hele Nederlandse publiek te bereiken, ook al is dit een onmogelijke opdracht.

Laroes: "Ook de minder populaire opinies behoren aan bod te komen"

Opvallende standpunten, in die zin dat Laroes en Jensma pluriformiteit niet definiëren als een divers media-aanbod. Laroes gaf toe dat hij vroeger dacht dat pluriformiteit "zoveel mogelijk titels" betekende. Deze titels hebben echter de neiging om op elkaar te gaan lijken, stelde hij. Jensma vulde aan dat pluriformiteit in de realiteit nu eenmaal "niet werkt", bijvoorbeeld omdat titels verdwijnen. Dat is echter geen ramp, want interne pluriformiteit kan afdoende zijn om een hoogstaand product te vervaardigen.

Glazen paleizen

Pluriformiteit alleen is niet genoeg. Zelfkritiek én toetsbaarheid zijn tevens essentieel, zo concludeerden Laroes en Jensma eensgezind. In de praktijk blijken dagbladen en nieuwsprogramma’s op tv vaak aan beide vereisten niet te voldoen. Zelfreflectie vindt doorgaans plaats in de vorm van interne evaluatie, maar een werkelijke (her)overweging van de kwaliteit en van de maatschappelijke rol van de journalistiek komt te weinig voor. Daardoor realiseren veel nieuwsorganisaties zich niet voldoende dat hun zelfbeeld niet overeenkomt met het beeld dat de bevolking heeft. Het publiek ziet de pers niet als "waakhond van de democratie", maar als schoothond van de politiek of als "the enemy within" – een tendens die Laroes in de Verenigde Staten heeft aangetroffen en die hij ook in ons land constateert.

Aangezien de politiek op het moment niet al te populair is bij het grote publiek, worden ook de media met argwaan bekeken. Dit vermeende gebrek aan onafhankelijkheid van de media leidt tot een verlies van vertrouwen bij het publiek, aldus Volkert Jensma. De verschillende media-instituten moeten analyseren waar het mis is gegaan in de communicatie naar de burger toe: hoe het komt dat de media op één hoop worden gegooid met de politiek in Den Haag. Zelfreflectie en zelfkritiek zijn belangrijke elementen in deze analyse.

Het voorbeeld van Pim Fortuyn ligt voor de hand. Beide hoofdredacteuren gebruikten deze kwestie om hun verhaal over zelfkritiek te illustreren. Zo concludeerde Jensma met zijn redactie dat ze de onvrede in de samenleving die Fortuyn verwoordde wel degelijk hadden vastgesteld, maar dat ze Fortuyns politieke impact toch hadden onderschat.

Een vergelijkbaar verhaal gaat op voor het NOS-Journaal. Ook hier had men moeite de politieke figuur Pim Fortuyn te duiden en werd er weliswaar bericht over onderwerpen die Fortuyn aan de orde stelde, maar van een te grote afstand. Hier heeft Laroes van geleerd: journalisten moeten niet langer berichten vanuit hun "glazen paleizen", maar ze moeten de straat op, onder de mensen komen en "de onderstroom in de maatschappij proberen te benaderen". Dit alles in het belang van de kijker.

Jensma: "Niemand komt zo snel tot inzicht als wanneer men onder vuur ligt."

Waar bij het NOS-Journaal de inwaartse kritische blik een beleidsnotitie tot gevolg heeft gehad, zijn de consequenties van een dergelijke zelfbeschouwing bij NRC Handelsblad heel wat minder duidelijk. Er is over gesproken, vertelt Jensma, maar helemaal eens zijn ze het nog niet op de redactie. Hij geeft dan ook toe dat hij met zijn speech "op de troepen vooruit loopt".

Onder vuur

Een ander heikel punt dat de heren Jensma en Laroes aanstipten betreft het omgaan met kritiek van buitenaf. Ook op dit gebied is een attitude-verandering, zoals Laroes het zo mooi verwoordde, noodzakelijk. Meer openstaan voor externe kritiek is hierbij het motto. Jensma vindt het goed als de journalistiek onder vuur komt te liggen, want: "Niemand komt zo snel tot inzicht als wanneer men onder vuur ligt." Daarom is alle kritiek welkom. Daarnaast moet de afhandeling van deze kritiek publiek gebeuren, zodat de lezer zich serieus genomen voelt en zodat de media hun beweegredenen en werking kunnen toelichten. Daarmee kan dan meteen de identiteit van een medium worden verduidelijk. Dat is hard nodig om de groeiende afstand tot de mediaconsument tegen te gaan.

Laroes voegde daar aan toe dat er tevens meer begrip moet komen voor de media. Journalisten bedoelen het immers niet zo slecht, zij zijn menselijk en maken als zodanig fouten. Maar als er kritiek wordt geuit op de journalistiek, moet journalisten zich niet terugtrekken in de ‘ivoren toren’ en zich op de persvrijheid beroepen. Vrijheid van de pers betekent immers niet dat men onbeoordeeld en onbekritiseerd te werk kan gaan. Journalisten zijn niet onfeilbaar en dat moeten ze zich realiseren.

Een gastenboek op internet, zoals het NOS-Journaal dat hanteert, moet de bereikbaarheid verbeteren. Bij NRC Handelsblad gebruikt men een zogenaamde emailbus, waarmee de redactie bereikt kan worden. Dit kan de kwaliteit ten goede komen. Het publiek kan een nuttige bron van informatie blijken.

Kritiek van buitenaf hoeft niet noodzakelijk van het publiek te komen; zij kan ook van een controlerende instantie afkomstig zijn. Een instantie die de journalistieke verslaggeving toetst, zoals een Ombudsman voor de media. Laroes voelt hier wel iets voor, mits er via zo’n instituut geen invloed wordt uitgeoefend door de overheid. Jensma vindt een dergelijke instelling niet noodzakelijk. Hij denkt dat zelfkritiek en gedragscodes binnen media-organisaties voldoende kunnen zijn.


Stoelinga(links), voorzitter van het Katholieke Instituut voor Massamedia, presenteert zijn gastsprekers tijdens een discussieavond over media en zelfkritiek in Nijmegen: Folkert Jensma van NRC Handelsblad (midden) en Hans Laroes van het NOS-Journaal (rechts).

Terug