En dan nu het ándere nieuws

Ontevredenheid over steeds grotere mediabedrijven stimuleert groei alternatieve nieuwsbronnen

Terwijl mediabedrijven groter en groter groeien, is er ook een ware explosie van alternatieve media waarin gewone mensen hun eigen nieuws maken.

door Marco Visser

De radiostations van mediatycoon Rupert Murdoch besteden wekelijks meer dan driehonderd uur aan de conservatieve kijk op het politieke leven, tegenover vijf uur aan een meer liberale kijk. Hoe valt dat enorme verschil te verklaren, vroeg een commissie van de Amerikaanse Senaat dit jaar aan Murdoch zélf. De 72-jarige eigenaar van zo veel bedrijven dat een opsomming tien A4’tjes zou beslaan, toverde een glimlach op zijn gezicht. ‘Blijkbaar’, sprak hij minzaam, ‘is conservatieve praatradio populairder.’

De Senaatcommissie boog zich over nieuwe wetgeving die een einde maakt aan de obstakels voor concentratie van mediabedrijven. Het betekent dat de grote spelers op de markt, waaronder Murdochs News Corporation, meer mogelijkheden krijgen om nog meer televisie- en radiostations, kranten, tijdschriften, uitgeverijen, websites en filmmaatschappijen op te kopen. Goed nieuws dus voor Murdoch, die zich met 17 miljard dollar aan inkomsten over het afgelopen jaar nog een kleintje mag noemen, vergeleken met de concurrenten Viacom, Disney en General Electric, die samen 180 miljard opbrachten.

"Blijkbaar is conservatieve praatradio populairder"

De vraag die de commissie aan Murdoch voorlegde, verdient een beter antwoord – al was het maar, omdat omvangrijke protestacties worden georganiseerd door belangenverenigingen, uiteenlopend van feministen tot christen-fundamentalisten en van de consumentenbeweging tot de associatie voor soepele regelgeving omtrent wapenbezit. Zij vrezen dat ‘controversiële minderheden’ als zijzelf nog meer zullen worden gemarginaliseerd of genegeerd door de media. Immers, beweren zij, hoe groter mediaconglomeraten worden, hoe meer marktgericht. En hoe meer marktgericht de media zijn, hoe moeilijker het zal worden om aandacht te krijgen voor afwijkende, gedurfde visies.

 

Marktwerking
Dit is niet louter een Amerikaans probleem. De Britse auteur George Monbiot benadert het op een andere manier. In New Statesman (30 juni 2003) klaagt hij, dat journalisten zich steeds meer vereenzelvigen met de politieke en maatschappelijke elite, waardoor zij steeds meer opschuiven ter rechterzijde van het midden. Doordat zij zijn opgenomen in een elite die macht vertegenwoordigt, hebben zij zich onbewust opgezadeld met de morele plicht om de mensen zonder macht (werklozen, daklozen, migranten) af te vallen.

Dat is vergelijkbaar met wat onderzoeksjournalist James Fallows beweert. De armen zijn onzichtbaar gemaakt in de Amerikaanse samenleving, zo wordt hij door een collega geciteerd in The Sun (januari 2003). De media worden op de been gehouden door adverteerders die nu eenmaal meer kunnen verkopen aan mensen die meer geld hebben te besteden. Dat is dus de groep waar journalisten zich op richten met – een andere ontwikkeling – meer economisch nieuws, meer ruimte voor beursberichten, maar ook: nieuwe katernen en nieuwe magazines bij de krant die alle zijn gericht op specifieke doelgroepen die voor adverteerders interessant zijn.

Fallows zélf beschrijft in The Atlantic Monthly (september 2003) het diepere probleem van een dergelijke ‘marktwerking’. Nieuws wordt op deze manier hetzelfde behandeld als alle andere bedrijfssectoren: minder regulering door de overheid. De verantwoordelijkheid van de pers heeft in deze visie geen betrekking op het verstrekken van degelijke informatie en uiteenlopende opinies, maar op het bedienen van een markt. Dat is het tegenovergestelde van de visie dat journalisten de verantwoordelijkheid hebben het publieke belang te dienen.

Nu is dat niet nieuw. Wat wél nieuw is, is dat deze recente ontwikkeling naar liberalisering van het medialandschap de uitdrukkelijke goedkeuring van een overheid – de Amerikaanse – heeft gekregen. Kabel- of satelliettelevisie, maar ook internet geven meer keuzevrijheid dan ooit tevoren, zo bagatelliseert de overheid het probleem. Wie andere nieuwsbronnen tot zich wil nemen, kan dus prima terecht.

"De armen zijn onzichtbaar gemaakt in de Amerikaanse samenleving"

‘Het tijdperk van Murdoch’, heeft Fallows dan ook boven zijn analyse gezet. Columbia Journalism Review (september/oktober 2003) heeft juist het tegendeel tot omslagthema uitgeroepen: ‘Het nieuwe tijdperk van alternatieve media’. Het vakblad constateert een groeiende ontevredenheid met ‘Big Media’ en tegelijk een verlangen naar eigenheid van de schrijver en een passie voor politiek. Vroeger moest je daarvoor terecht bij obscure en vaak erg strijdvaardige weekbladen, maar moderne technologie maakt het mogelijk dat iedere amateur zijn eigen alternatieve mediaproduct kan maken.

Weblog
Ziedaar de opkomst van de weblog, een website waar informatie met regelmaat wordt ververst en onder elkaar wordt gepresenteerd (nieuwe berichten bovenaan). Ieder stukje bevat één of meerdere hyperlinks naar andere verhalen die op internet te vinden zijn. Dankzij Blogger.com kunnen zelfs mensen zonder enig verstand van techniek een eigen weblog maken. Het is intussen voor zo’n drie miljoen mensen een bevrijdende manier geworden om zélf mee te draaien in het mediacircus, zonder de ingesleten conventies van de gangbare journalistiek klakkeloos over te nemen. Goede weblogs verschillen van een krant in de persoonlijke benadering van de schrijver, de interactie tussen de weblogger en zijn lezers, en de verrassende diversiteit en curiositeit van bronnen.

Een andere manier waarop gewone mensen tegenwicht bieden aan de commerciële media, is via het Independent Media Center (IMC), het internationale collectief van activisten die er genoeg van hebben, dat journalisten hun ideeën negeren, hun citaten verkeerd opschrijven en hun acties criminaliseren. Daarmee houden media de status quo in stand, beweren de vrijwilligers van het IMC, terwijl ze pretenderen neutraal en objectief te zijn. Op de websites van IMC (Indymedia.org), dat inmiddels afdelingen heeft in tientallen landen op alle continenten, kan iedereen een nieuwsbericht plaatsen. Die berichten willen doorgaans niet eens de schijn van objectiviteit wekken; ze zijn sterk politiek gekleurd.

Een nieuw – of eigenlijk heel oud – fenomeen is de verslaggever die geld inzamelt om verhalen te maken. Volgens Wired News (14 maart 2003) kan Christopher Allbritton zich ‘internets eerste onafhankelijke oorlogscorrespondent’ noemen. De voormalige redacteur van persbureau Associated Press collecteerde ruim 14 duizend dollar bij meer dan driehonderd donateurs op basis van de eenvoudige belofte, dat hij vanuit Irak originele en eerlijke verslaggeving op zijn website (Back-to-Iraq.com) zou plaatsen, vrij van commerciële en patriottische invloeden. Op het hoogtepunt haalde Allbritton 23 duizend bezoekers. Het verhaal – geschreven op een laptop, doorgestuurd via een satelliettelefoon of in een internetcafé – kregen de donateurs als eerste én ze hadden de mogelijkheid om ideeën voor artikelen aan Allbritton te melden.

Volgens Business Week (28 juli 2003) biedt deze wijze van journalistiek een ‘krachtige megafoon voor de kleine man’. De grootste toekomst zou liggen in landen waar onafhankelijke, betrouwbare informatie niet in overvloed aanwezig is. Zoals Zuid-Korea, waar OhmyNews.com een populaire website is die tachtig procent van zijn nieuws verkrijgt van ruim 25 duizend burger-journalisten die betaald krijgen wat de redactie ervoor wil geven. De site zou een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de recente verkiezingsoverwinning van Roh Moo-hyun, een mensenrechtenadvocaat die niet erg bekend was en genegeerd werd door de grotere media.

Jay Rosen, hoofddocent journalistiek aan de New York University en prominent perscriticus, maakt in Columbia Journalism Review een vergelijking om de nieuwe interesse in alternatieve media te verklaren. ‘Medische autoriteit is niet meer wat het geweest is in een wereld waar patiënten zelf onderzoek kunnen doen naar alternatieve geneeswijzen. Het zou raar zijn als de autoriteiten in de "elite-journalistiek" dezelfde blijven, wanneer lezers van The New York Times (opgeleid, welvarend, nieuwsgierig) rijk zijn in alternatieve nieuwsbronnen. Hebben internetgebruikende patiënten dan geen vertrouwen meer in hun artsen? Nee, dat niet, maar ze zijn minder geïmponeerd door hen. Iets vergelijkbaars gebeurt nu in de journalistiek, waardoor ook lezers – net als patiënten – assertiever worden.’

Dit artikel verscheen eerder in Ode, 18 november 2003.



Terug