Onderzoek: één jaar NRC, Trouw en de Volkskrant over Atjeh

Een bevolking aan het zicht onttrokken

"Het is nooit veilig in Atjeh, zelfs niet met vijftigduizend militairen en politiemensen"

"het is er om te doen om Atjin intepalmen.
Het zal dan ook geschieden, maar niet zonder moeite,
want de Atjinezen zyn strydbaar.
Ik schreef u immers reeds:
We zullen hooren van oorlog op Sumatra"

Het voorgevoel van Multatuli (1872)

Na het afbreken van de onderhandelingen hervatte op 19 mei 2003 de Indonesische regering haar strijd tegen de onafhankelijkheid van Atjeh met een militair offensief. Extra! onderwierp de verslaggeving van Trouw, NRC en de Volkskrant over de situatie in Atjeh aan een diepgaand onderzoek. Het was te weinig, te versnipperd en vooral te volgzaam.

door Anna Windgassen

De onafhankelijkheidsdrang van Atjeh kent een lange geschiedenis. Pas in 1904 lukte het generaal Van Heutz Atjeh volledig te bezetten, al slaagden de Nederlanders er nooit in haar bevolking volledig te onderwerpen. Tot aan de Tweede Wereldoorlog braken er geregeld grote opstanden uit, die slechts met geweld door de Nederlanders konden worden neergeslagen. De komst van de Japanners luidde het definitieve einde van het Nederlands kolonialisme in, het Indonesische nationalisme was niet meer te keren. De laatste daad van de Nederlanders was de overdracht van geheel Nederlands-Indië aan de Republiek Indonesië. Daarmee werd na vijf jaar bloedvergieten het Indonesische nationalisme erkend, ten koste van de onafhankelijkheid van ondermeer Atjeh, de Molukken en Irian Jaya.

Ook de Republiek Indonesië slaagde er nooit in de opstandige provincie te pacificeren. Hoewel Atjeh onderdeel van de Republiek was geworden, getuigen diverse grote opstanden ervan dat het onafhankelijkheidsstreven onverminderd bleef. In 1976 bundelde het verzet zijn krachten in de Beweging Vrij Atjeh (GAM, Gerakan Aceh Merdeka) die de gewapende strijd aanging met het Indonesische leger. Deze strijd kenmerkt zich door de afwisseling van periodes van hevig gewapend conflict en relatieve rust.

Reformasi
Met het terugtreden van president Soeharto in 1998 kwam er in Indonesië na vele jaren van dictatuur eindelijk ruimte voor democratische hervormingen. Onder president Habibie bloeide de ‘reformasi’ op. Hij schonk Oost-Timor in 1999 een referendum waarin met grote meerderheid gekozen werd voor onafhankelijkheid. Het leger waarschuwde daarop dat het niet bij de onafhankelijkheid van Oost-Timor zou blijven en dat ook andere regio’s zich zouden gaan afsplitsen. Zodoende probeerde zij Oost-Timor een laatste maal met geweld haar wil op te leggen. Hoewel de onafhankelijkheid van Oost-Timor er niet mee werd tegengehouden, brandde het leger tweederde deel van het eiland plat.

Ondanks deze ferme waarschuwing van het leger, vroeg Atjeh nog in datzelfde jaar eveneens om een referendum. Vanaf dat moment startten de Indonesische regering en de GAM met onderhandelingen, die op 12 december 2002 tot een vredesakkoord leidden. Na beschuldigingen over en weer besluit de Indonesische regering de onderhandelingen te staken. Op 19 mei 2003 begint een troepenmacht van 50.000 militairen aan een grootscheeps offensief in Atjeh.

De verslaggeving in Trouw, NRC en de Volkskrant

De Nederlandse media berichtten in het afgelopen jaar van tijd tot tijd over het conflict in Atjeh. Om een goed beeld te krijgen van de verslaggeving hebben we alle berichtgeving over dit onderwerp in Trouw, NRC en de Volkskrant verzameld en aan een onderzoek onderworpen. Een aantal dingen valt direct op.

Allereerst blijkt uit een eenvoudige telling van het aantal artikelen dat over Atjeh gaat dat alle kranten teleurstellend weinig aandacht aan de kwestie besteden. Dat is opmerkelijk, want de eventuele afscheiding van het gas- en olierijke Atjeh zou vérstrekkende gevolgen kunnen hebben. Niet alleen voor de eenheidsstaat Indonesië, maar ook voor andere gebieden waar zich zulke conflicten afspelen. Dit is een belangrijke kwestie voor de ‘internationale gemeenschap’, nog afgezien van allerlei bijzaken als mensenrechtenschendingen, die gezien de geschiedenis van het Indonesische leger te verwachten zijn. Er vielen immers alleen al in Atjeh 10.000 burgerslachtoffers in de periode 1989-1998. Men zou verwachten dat de drie kwaliteitskranten enige moeite zouden doen om de omvang en de betekenis van het conflict in Atjeh aan de dag te brengen.

Bijzaak
Het tweede dat opvalt is dat de verslaggeving zeer nauw de agenda van de Indonesische regering volgt. Zo concentreerden ze hun verslaggeving vooral rondom twee gebeurtenissen: de vredesovereenkomst van december 2002 en de beëindiging hiervan door Indonesië in mei 2003. De meeste artikelen van gewicht, achtergrondstukken, reportages, interviews en redactionele commentaren verschijnen in die periode. In de periode daartussen is de kwestie in het gunstigste geval bijzaak. Het kan geen toeval zijn dat de Indonesische regering nu juist rond die data grote persconferenties geeft. De dagbladen namen de verklaringen van de regering klakkeloos over.

Het belangrijkste is echter dat de berichtgeving die uiteindelijk wel de Nederlandse krantenlezer bereikt tekort schiet in drie opzichten: 1. Het perspectief van waaruit bericht wordt, is eenzijdig. 2. De geschiedenis van het corrupte Indonesische leger komt nauwelijks aan de orde. 3. De rol van Nederland en de internationale gemeenschap bij het conflict wordt niet uiteengezet.

1. Perspectief

Grof geschat gebeurt zo’n driekwart van alle berichtgeving in Trouw, NRC en Volkskrant naar aanleiding van verklaringen van de autoriteiten in Indonesië. Tussen het overige kwart vinden we af en toe een verklaring van een mensenrechtenorganisatie, nieuws over burgerslachtoffers en een sporadische getuigenis van een burger. Historische achtergronden zijn beperkt tot een of twee verdiepingsartikelen per krant.

Het perspectief van de Indonesische regering, dan wel het Indonesische leger is overheersend en hardnekkig. Als er iemand wordt geciteerd, is dat of de president, of een lid van de legerleiding. "De legerleiding liet weten…", "President Megawati Soekarnoputri verklaarde..." zijn zinsneden die in vrijwel elk krantenartikel een prominente plaatst innemen. Slechts in een enkel geval, bijvoorbeeld in een langer artikel van één der correspondenten, wordt aangegeven dat de verklaringen van de Indonesische macht "waarschijnlijk niet zo betrouwbaar zijn".

Het machtsvertoon van het Indonesische leger is ook het onderwerp van alle foto’s. Heroïsche plaatjes van binnenvallende parachutisten, marineschepen voor de kust en oprukkende tanks moeten ons overtuigen van de zware strijd die de mannen tegemoet zien. Zij zijn de hoofdrolspelers in het conflict. Nergens is een angstige burger te bekennen, nergens zien we mensen op de vlucht slaan. Op 26 juni, als inmiddels bekend is dat honderden scholen zijn platgebrand, toont Trouw ons een interessant plaatje: op de voorgrond zien we de torso van een Indonesische soldaat met groot machinegeweer, op de achtergrond naarstig studerende scholieren met hun lerares: "Soldaten van het Indonesische leger zijn overal aanwezig, zelfs in het klaslokaal", luidt het onderschrift. Terwijl elders honderden kinderen op de vlucht zijn, zien wij een foto van gezonde kinderen die gewoon op school zijn en –zo suggereert het beeld- worden beschermd door een soldaat. Deze foto zou zó weggegeven kunnen zijn op een persconferentie in Jakarta.

Gewone burgers
Welke zijn nu die visies die ons slechts sporadisch voorgehouden worden?

Allereerst: die andere belangrijke partij in het conflict, de GAM, wordt in de kranten nooit aan het woord gelaten. Tenzij je zeldzame zinnetjes als "De GAM beschuldigt de Indonesische strijdkrachten ervan burgerslachtoffers te maken, wat Indonesië ten stelligste ontkend" (NRC, 22/5/2003) rekent tot de wederhoor. Dit citaat is exemplarisch voor de berichtgeving, die zich beperkt tot het weergeven van het ja-nee spelletje van beide partijen. Over de GAM, waarvan de leiders overigens in het nabije Zweden gehuisvest zijn, komen we niet meer te weten dan het geweld dat ze gebruiken. Over het waarom van hun verbeten strijd tegen het leger en over de rol die zij innemen in de Atjehse gemeenschap tasten we in het duister. De GAM is altijd een "groep rebellen" die met geweld streeft naar onafhankelijkheid van Atjeh.

Maar, belangrijker nog: een goede journalist die verslag doet van een conflict als dit, tussen twee onbetrouwbare partijen, gaat op zoek naar de getuigenissen van de bevolking. In Tsjetsjenië bijvoorbeeld wisten journalisten die gewone burgers wel te vinden, want men wist: een getuigenis van een voor het oorlogsgeweld weggevluchte arme boerin aan de kant van de weg zegt meer dan duizend woorden van het leger. Alleen Trouw-correspondent Wilma van der Maten heeft begrepen dat dat ook geldt voor de kwestie Atjeh. In haar reportages spreekt zij regelmatig met leden van de grote groep belanghebbenden over wiens hoofden de strijd wordt gevoerd: de gewone burgers.

In NRC en de Volkskrant zijn dergelijke getuigenverklaringen zeldzaam. En dat terwijl talloze mensenrechtenorganisaties luid en duidelijk verklaren dat de burgerbevolking van Atjeh geteisterd wordt door militaire terreur en dientengevolge in grote getale op de vlucht is geslagen. Maar, zoals Human Rights Watch vaststelt: "This war has been taking place off the front pages of the world’s press and out of reach of human rights or even most humanitarian workers." Als journalisten dan de burgers in de vluchtelingenkampen in Maleisië niet kunnen bereiken, zouden ze wellicht een of meer mensenrechtenactivisten kunnen interviewen. Of dan tenminste eens een kijkje kunnen nemen op hun websites die vol staan met dringende oproepen en rapportages over de humanitaire crisis die zich in Atjeh afspeelt. Onze kranten beperken zich echter tot het plichtmatig melden van de officiële waarschuwingen van de organisaties in twee of drie regeltjes aan het einde van een artikel.

Aceh Kita
De journalisten zouden kunnen aanvoeren dat Indonesië sinds het begin van het militaire offensief geen buitenlandse journalisten toelaat en dat het zodoende moeilijk is die informatie te vinden. Misschien hadden ze dan wat dichter bij huis moeten blijven toen zich de mogelijkheid aandiende een groep Atjehse vluchtelingen die op bezoek was in Nederland te interviewen. Alhoewel deze mensen in ons land in zaaltjes en buurthuizen hun verhaal deden, heeft niemand van het journaille ze opgemerkt.

Ondertussen komt Wilma van der Maten aan de andere kant van de wereld dichter bij de bron als zij op 7 november een interview brengt met een van zeven ‘illegale’ journalisten die in Atjeh proberen een zo waarheidsgetrouw beeld van de gebeurtenissen aan de wereld te brengen. Op hun website www.acehkita.com, Aceh Kita betekent ‘Ons Atjeh’, publiceren zij dagelijks persoonlijke ooggetuigenverslagen en gesprekken met de bevolking. Het levert verhalen op als de volgende van een der journalisten:

The incident took place at 2 p.m. on August 5, 2003.

"Some 30 armed military troops in stripes who came down from Afdelling I & II security post intruded the village. Their unexpected arrival of military men, with rifles pointed at the villagers, had unavoidably cause panic on the local residents. They have no idea what might happen next.

What they knew was that the intruders were looking for the village chief (Pak Keuchik / Kades). "The Pak Keuchik was not at home at that hour," a villager said. After the armed men made a search around the village, they dropped by a kiosk near a watching post. Without words of greetings, the intruders ordered some 20 villagers available to gather in front a stall. "Gather up …! Gather up …!" one of them shouted roughly. 

The men who gathered at the village watch post stepped down fearfully and formed a line to approach the instruders.  "Where is Pak Keuchik?" one of them demanded arrogantly. "I do not know. Likely he went to Kuta Binja," one of the villagers replied in great fear. Not satisfied with the reply, one of the intruders who stood on the left side of the crowd spoke out. "You people have been supporting the GAM (Aceh Freedom Movement), isn’t it ? You people should not be afraid to let us know. Because GAM has caused all of the sufferings thus far."

The 20 villagers remained silent and in mute. They acknowleged there was nothing to be responded against the accusation. Bukkk… bukkkk... (punch). Fierce hits landed on the face and body of the villagers, until they dropped down to the ground.

... 

The soldiers pointed their rifles towards the crowd and ordered them to find a refuge immediately. Nobody knew the reason behind this sudden order to move out from the village. Very few of them who dared to ask. They soon gathered a number of pieces of dresses they have in available and some kitchen utilites which might be needed at the refugee camp.  

Mrs Ani, who two days ago gave birth to a baby had to join the others to the refugee camp. They left their houses in great sorrow, weeping and crying, leaving behind all of their belonging. They have no idea where they were going to go. However, a villager suggested Alue Ie Mirah as a destination, some six kilometers away. And the 800 refugees were compelled to a dreadful journey, leaving behind their home village.  

...

While awaiting for news to return homes, the refugees got inform of a bad news. Their houses had been set on fire, nothing left. Nobody knew who put the torch on those 75 houses.  

A man approached by the acehkita said the blazing occurred sometimes in the afternoon on October 23, 2003. The source said he had seen scores of soldiers in stripes and fire arms came to the deserted village by a Chevrolet pick up vehicle. Not long after, the flame and smoke flowed skyward."

(This is Emergency! Emergency!, 14 november 2003)

 

In het Trouw-interview vertelt de journaliste, die onder de schuilnaam ‘Khadija’ opereert, onder andere aan Van der Maten dat iedere dode guerrilla een Indonesische soldaat promotie oplevert. De soldaten schieten dientengevolge met regelmaat een burger dood, trekken hem een guerrillabroek aan en laten ‘embedded journalists’ berichten dat het een rebel was. Zo’n detail vertelt ons meer dan een jaar lang overgetypte persberichten in nêerlands beste kranten.

Verkiezingen
Tot slot ontbreekt de visie van de Indonesische bevolking. Wat hebben zij te zeggen over de manier waarop hun regering Atjeh aan het ‘pacificeren’ is? Gezien het feit dat er in 2004 presidentsverkiezingen zijn in Indonesië, lijkt ons dat geen verwaarloosbare informatie. Uit de berichtgeving horen wij echter slechts bij monde van de Indonesische regering dat "het militaire offensief brede binnenlandse steun geniet." Overduidelijk wordt hier dus zonder blikken of blozen de propagandistische taal van de regering overgenomen. Tussen de berichten en artikelen van 19 mei tot heden in de drie kranten hebben we welgeteld 1 uiting gevonden, van de Indonesische actrice Christine Hakim: "Ik ben een Indonesiër. Maar ik schaam me voor mijn leiders hoe onmenselijk die de Atjeërs al jaren behandelen". Het was wederom Wilma van der Maten die de tegenwoordigheid van geest bezit deze dame in een informatief achtergrondstuk aan het woord te laten ("Eeuwig oorlog in Atjeh", Trouw, 10/6/2003).

Het stuk van Van der Maten is aardig, maar je zou willen dat er bij onze dagbladen journalisten van het kaliber van BBC World’s Tim Sebastian bestonden. In een recente uitzending van ‘Hard Talk’ confronteert Sebastian de Indonesische Minister van Buitenlandse Zaken Wirahuda met het feit dat zijn eigen ministerie recentelijk een rapport heeft uitgebracht dat melding doet van grove mensenrechtenschendingen in Atjeh. Wirahuda probeert eerst nog met een stalen gezicht om dit feit heen te praten en verklaart dan: "It is the consequence of their choice to rebel". Met het oog op de kennelijk levende binnenlandse kritiek op de gebeurtenissen was het wellicht van belang geweest het opzienbarende Indonesische mensenrechtenrapport onder de aandacht te brengen. Wij blijven achter met de ontluisterende vraag: als Sebastian het rapport heeft gezien, waarom een onzer journalisten dan niet?

Typerend is de opmerking van Wirahuda aan Sebastian:"Jullie journalisten horen alleen de stem van de GAM-rebellen, die ‘indisciplined men’!", waarop Sebastian het interview afsluit met de woorden: "Well, you’ve certainly clearly represented your view in the past half hour mister Wirahuda." Zo’n slotzin stemt tot aandenken.

2. Het leger

Het is een onverteerbare paradox dat zowel NRC en Trouw als de Volkskrant in achtergrondartikelen laten doorschemeren dat het Indonesische leger tot op het bot verrot is, terwijl het perspectief van het leger in het merendeel van de berichtgeving alomtegenwoordig is. Dat is zoiets als: Pietje is niet te vertrouwen, maar Pietje vertelde me gisteren dat hij het brood niet gestolen heeft. We moeten dus maar zelf de conclusie trekken.

Iedere journalist weet dat hij voor informatie over het leger niet bij het leger zelf te rade moet gaan. In Atjeh kennen ze het Indonesische leger. Alleen al in de periode van 1989 tot aan 1998 vielen er 10.000 burgerslachtoffers. In het begin van de jaren’60 twijfelden Amerikaanse adviseurs of de geplande machtswisseling ‘goed’ zou verlopen, omdat de militaire en rechtse elementen in Indonesië "de meedogenloosheid ontberen die de Nazi’s in staat stelde de Duitse communistische partij te elimineren… Ze zijn zwakker dan de Nazi’s, niet alleen getalsmatig en voor wat betreft de steun vanuit de bevolking, maar ook qua eensgezindheid, discipline en leiderschap." Het pessimisme bleek ongegrond. Na de machtsovername van Soeharto in 1965 werd een bloedbad aangericht waarbij honderdduizenden mensen werden afgeslacht. (Zie Noam Chomsky, "De vloek van Columbus", hoofdstuk 5). Sindsdien is Indonesië in handen van het het leger, die zelfs het overgrote deel van de economie in handen hebben. Door de democratische opening staat dit onder druk, maar of dit zich zal doorzetten is nog lang niet zeker.

Zieke grap
Nog geen vijf jaar geleden toonde het leger waartoe ze in staat is na het referendum in Oost-Timor. Waarom zouden wij dan nu in Atjeh wat anders kunnen verwachten? Zes legerofficieren die betrokken waren bij de operaties in Oost-Timor (vier van hen werden zelfs veroordeeld wegens mensenrechtenschendingen) zijn bijvoorbeeld nu gewoon werkzaam in Atjeh.

Dat het leger ook vandaag de dag oncontroleerbaar haar gang kan gaan en de samenleving voortdurend gebukt gaat onder militaire terreur, chantage, afpersing, diefstal, etc. komt slechts in een aantal goede stukken naar voren. Een enkeling zet kritische kanttekeningen bij de ‘belofte’ van opperbevelhebber Sutarto dat als zijn soldaten zich misdragen zij "ter plekke zullen worden doodgeschoten". Als op 4 juni 2003 bijvoorbeeld een Duitse toerist wordt vermoord, merkt de verantwoordelijke legerleider op dat "hij zijn tentje daar maar niet op had moeten zetten" en dat de soldaat die hem doodschoot dus niet zal worden gestraft (Trouw, 6/6/03). Desondanks viert de naïviteit hoogtij , getuige Volkskrant-correspondent Michel Maas’uitspraak: "het is nooit veilig in Atjeh, zelfs niet met vijftigduizend militairen en politiemensen" (cursivering van mij). Zo’n opmerking kan haast niet anders opgevat worden dan als een zieke grap.

Atjeh: een geschiedenis van verzet

De islamitische provincie Atjeh (officieel: "Nanggroe Aceh Darussalam Province") in Noord-Sumatra kent een lange geschiedenis van verzet. In de zestiende eeuw genoot het gebied internationale status dankzij zijn handelsfunctie (Straat van Malakka) en vooral zijn pepermonopolie. Atjeh verzette zich tegen de 'ongelovige' Portugezen, die er net als Atjeh op uit waren de handel in de Straat van Malakka te monopoliseren. De twee partijen raakten verwikkeld in een langdurige strijd om de macht. De relaties tussen Portugals vijanden, Turkije en de Republiek, en Atjeh verbeterde dientengevolge. In 1641 echter slaagde de VOC erin Malakka te veroveren en het pepermonopolie van Atjeh te beëindigen. Ten gevolge van zowel intriges van de VOC als interne bestuurlijke conflicten, verzwakte de status van Atjeh in steeds grotere mate. Dat de staat bleef voortbestaan, was slechts te danken aan het feit dat noch de Britten, noch de Nederlanders erin slaagden Atjeh te annexeren. De twee Europese mogendheden sloten in 1827 het Londens Traktaat, volgens welke de Britse invloedsfeer beperkt zou blijven tot het Aziatische vasteland en de Nederlandse tot Sumatra. In het Traktaat was een nota opgenomen waarin Nederland zich verplichtte geen inbreuk te maken op de onafhankelijkheid van Atjeh.

Met het Sumatra-traktaat van 1871 liet Engeland zijn belangen in een annexatie van Atjeh varen. Nederland kreeg vrij spel. In 1873 werd de eerste Nederlandse expeditie in Atjeh bloedig neergeslagen. Een jaar later slaagde een tweede expeditie onder leiding van Van Swieten de hoofdstad Bandah Atjeh te bezetten en de sultan te verdrijven. De Atjehers verzetten zich tegen de Nederlandse ongelovigen in een langdurige guerrillaoorlog: de Atjeh-oorlog. Gedurende een periode van bijna 25 jaar lukte het de Nederlanders niet de opstandige provincie permanent en volledig te bezetten.

Pas in 1904, na het 'befaamde' militaire optreden van kolonel Van Heutsz en zijn maat de wetenschapper/spion Snouck Hurgonje (vanaf 1898), werd Atjeh in zijn geheel bezet. Uiteraard niet zonder bloedvergieten: Van Daalen trok gedurende de strijd in de Gajo en Alas Landen een 'spoor van rook en bloed.' In de periode 1908-1918 werd het bezette gebied onder gouverneur Swart min of meer tot rust en orde gebracht, maar tot eind jaren '30 waren aanslagen op Nederlanders niet van de lucht: de Atjeeërs gaven legden zich niet neer bij het koloniale bewind.

De op 11juni 1904 door generaal van Daalen veroverde kampong Koeto Reh in de Aslanden. Verliezen aan Nederlandse zijde: twee doden. Verliezen aan Atjehse zijde: 313 mannnen, 189 vrouwen en 59 kinderen gedood.


In deze periode verscherpten zich de tegenstellingen tussen de door de Nederlanders ingeschakelde bestuurders, de oeleebalangs, en de zich fel verzettende islamitische schriftgeleerden, de ulama's. Vlak voor het begin van de Tweede Wereldoorlog stichtte een van de ulama's, Daud Beureuh, samen met andere jonge ulama's het Verbond van Pan-Atjehse Ulama's dat een van de dragers van het gewapende verzet tegen het Nederlands-Indische bewind werd. Bij de onafhankelijkheidsoverdracht (1949) van het Nederlands-Indisch bestuur aan de Indonesische nationalisten, werd ook Atjeh ingelijfd bij de jonge Republiek.

Daud Beureuh leidde de Atjehse opstand tegen de Republiek Indonesie van 1953 tot 1961. Vanaf toen bleef het verzet van de onafhankelijke Atjeeërs tegen de republiek onverminderd. De opstandigen worden sinds 1976 vertegenwoordigd in de afscheidingsbeweging Vrij Atjeh (GAM) en hun strijd tegen de Indonesische eenheidsstaat escaleerde in een gewapend conflict dat tot op de dag van vandaag niet opgelost is, de roep om een referendum en de humanitaire pauze van 2000 ten spijt. De bevolking van Atjeh lijdt al decennia lang onder de Indonesische jacht op de voor onafhankelijkheid strijdende GAM.

Vele Atjeeërs en Gam-aanhangers houden Nederland historisch verantwoordelijk voor hun siuatie: de Nederlandse oorlogsverklaring aan Atjeh van 1873 is nooit formeel beëindigd en het Nederlands-Indisch bestuur had Atjeh nooit mogen overdragen aan de Republiek Indonesië.


3. Nederland en de internationale gemeenschap

Wie wat meer te weten wil komen over de relatie van Nederland en overige deel van de internationale gemeenschap tot het conflict in Atjeh, zoekt in de kranten tevergeefs naar informatie. Alleen in een NRC-stuk over wapenuitvoer naar India en Pakistan (9/7/2003) wordt kort melding gedaan van het feit dat het Nederlandse kabinet sinds 2000 ter waarde van ruim 9 miljoen euro aan vergunningen voor leveranties aan Indonesië heeft verstrekt: "Het ging in alle gevallen om onderdelen voor radarsystemen voor de Indonesische marine." Radaronderdelen mogen voor de leek wellicht ongevaarlijk klinken, maar ze kunnen gebruikt worden om vlotten met bange vluchtelingen die de terreur proberen te ontvluchten op te sporen. Dat gebeurde ook in bij de terreuracties die plaatsvonden rond het Oost-Timorese referendum in 1999. En oh ja, in Trouw wordt op 19 juni terloops vermeld dat men bombardementen heeft uitgevoerd met F16-gevechtsvliegtuigen. Het laat zich raden waar deze toestellen vandaan komen en wat voor leed ze aanrichten, want Trouw vertelt het ons niet.

Wapenembargo
Zouden de redacties het niet weten, of vinden ze het niet van belang? Op 23 mei brengt NRC op de voorpagina een foto van Indonesische marinesoldaten die in een bootje voor de kust van Atjeh patrouilleren. Op de achtergrond ligt een groot marineschip met het nummer 803. Een ijverige onderzoeker bij www.wapentuig.org heeft eens nagetrokken waar dat schip vandaan komt. Wat blijkt? Het is de "Tadok", een marineschip dat door Nederland is geleverd. Het onderschrift bij de foto maakt hiervan geen gewag. Pas in het stuk van 9 juli over wapenuitvoer geeft Jaap de Hoop Scheffer in een brief aan de Kamer toe dat er een Nederlands marineschip geleverd is. Over de Kamervragen wordt nagenoeg nergens gerept, ook niet in Trouw en de Volkskrant. Jammer, want SP-kamerlid Van Velzen heeft De Hoop Scheffer gevraagd of hij vindt dat "gezien het gebruik door de Indonesische marine van door Nederland geleverde goederen in de oorlog in Atjeh en de daaruit voortvloeiende mensenrechtenschendingen Nederland een wapenembargo moet instellen" op leveranties aan Indonesie. De Hoop Scheffer vindt van niet, omdat de regering "een embargo tegen de Indonesische regering ziet als een niet-passende reactie op een gecompliceerde situatie." En daarmee is dan de Nederlandse houding ten opzichte van het conflict exemplarisch samengevat en als het aan de media ligt, hoeft De Hoop Scheffer zich verder niet meer te verantwoorden.

Niet alleen Nederland wil Indonesië niet voor het hoofd stoten. Ook machtiger naties en unies staan de wandaden oogluikend toe. Voor sommigen is dat niets nieuws, maar de kranten lijken het nog steeds niet te hebben begrepen. De grote westerse mogendheden onder de onbetwiste leiding van de VS laten Megawati en haar boevenbende hun gang gaan in naam van de ‘behoefte aan stabiliteit.’ Alleen Australië is eerlijk genoeg geweest om expliciet de militaire aanval op Atjeh te ondersteunen, omdat er een ‘kettingreactie’ zou kunnen volgen, waarin "de volken van de regio tegen elkaar opgezet kunnen worden, mogelijk met internationale gevolgen." De verklaring hiervoor is waarschijnlijk dat sinds 1999 Australië de training van de beruchte Indonesische elite-eenheid Kopassus heeft overgenomen van de VS, nadat het Amerikaanse congres dit verbood wegens de schendingen van de mensenrechten.

Hypocriet
De toekomst van het al dan niet bij elkaar blijven van Indonesië is in belangrijke mate in handen van de internationale gemeenschap. Zij leveren de wapens, zorgen voor diplomatieke ondersteuning en hebben ook economisch het meeste te halen, én het meeste te verliezen. Want als Indonesië uit elkaar valt, wie gaat dan de Indonesische schulden betalen? Hoe kan een goed investeringsklimaat gewaarborgd worden? Wat blijft er over van de waardevolle handelscontracten met Indonesië als de olie- en gasrijke provincie Atjeh zich afscheidt? Het is daarom hypocriet dat Japan, EU en VS nu en dan Indonesië op de vingers tikken wegens mensenrechtenschendingen. Wie anders dan het leger ‘beschermt’ de installaties van Amerika’s grootste olie-exploiteur ExxonMobile en de ‘rechten’ van andere bedrijven. Uiteraard doen de militairen dit niet voor een appel en een ei. ‘Stabiliteit’ betekent: grondstoffen gaan in eerste instantie naar de internationale gemeenschap, de restjes zijn voor de bevolking. Zoals in de rest van de wereld schurkt ook Indonesië zich onder de behaaglijke warme dekmantel van de "war on terrorism". Indonesië heeft dan ook meermalen verklaard te rekenen op internationale steun voor haar offensief tegen de "GAM terroristen".

Besluit

De betreurenswaardige conclusie van dit onderzoek is dat op enkele goede uitzonderingen na NRC, Trouw en de Volkskrant, als representatieve doorsnede van de serieuze pers, ernstig te kort schieten. Men doet nauwelijks een poging om het conflict in Atjeh kritisch te volgen en verzandt in een oppervlakkig hoor-en-wederhoor. Wat er nu precies gebeurt in Atjeh en wat de bevolking daarvan vindt, blijft verhuld. Eenvoudig toegankelijke bronnen, zoals vluchtelingen in Maleisië, bezoekers uit Atjeh in Nederland en onafhankelijk journalisten ín Atjeh worden genegeerd. De regering en leger van Indonesië zijn de belangrijkste bronnen van informatie.

Hoewel er af en toe een aardig artikel verschijnt, blijft het totale beeld dat er geschetst wordt versnipperd. De Volkskrant leunt achterover en alhoewel Michel Maas af en toe de ruimte krijgt uitgebreider verslag te doen, ontbreekt fundamentele informatie. NRC besteedt iets meer aandacht aan de kwestie en brengt sporadisch relevante economische achtergronden, maar meer dan een bijzaak wordt het niet. Dankzij correspondent Wilma van der Maten weet de lezer van Trouw het meest over de humanitaire crisis die zich in Atjeh afspeelt. Al moeten worden benadrukt dat de verschillen in de verslaggeving tussen de drie kranten minimaal zijn.

Aldus wordt door de drie kranten nauwelijks moeite gedaan het verhaal van de Indonesische regering te ontkrachten. Zonder de achtergronden over het gewelddadige Indonesische leger en de steun die zij genieten van de ‘internationale gemeenschap’, zal het conflict voor veel lezers onbegrijpelijk blijven. De zoveelste ‘burgeroorlog’ tussen de onafhankelijkheidsbeweging GAM en het Indonesische leger.

Ter overdenking
De democratische opening die in Indonesië ontstond met het vertrek van Soeharto in 1998 bood de mogelijkheid om conflicten in Indonesië, en dat zijn er vele, te beslechten zonder geweld. Het leger verloor haar almacht en door de Reformasi ontstond ook voor Atjeh de mogelijkheid om haar streven naar onafhankelijkheid door middel van een referendum op de agenda te zetten. Er staat een hoop op het spel met in het vooruitzicht de verkiezingen volgend jaar. Zoals het er nu voor staat zal de ‘internationale gemeenschap’ haar kaarten zetten op het leger, om de ‘kettingreactie’ waar de Australische minister zo bang voor is te voorkomen.

Mede door aandacht in de media werd de Amerikaanse regering in 1999 gedwongen om te stoppen met haar steun aan de Kopassus. Dit betekende een belangrijke stap terug voor het leger. Zonder aandacht in de media wordt in Atjeh een bloedbad aangericht, en zullen ook allerlei andere democratische initiatieven in Indonesië in het nauw raken. Dat is een zaak van de ‘internationale gemeenschap’ en daarmee ook van de Nederlandse media. Alleen al het feit dat Indonesië journalisten weert uit Atjeh, zou het journalistieke bloed moeten doen koken. Het tegenovergestelde is het geval en daarmee lijkt wat betreft Nederland de zaak beklonken.

Volkskrant Trouw NRC
Relevante treffers
Waarvan:
34 57 45
Voorpagina 3 6 5
Reportages 5 3 2
Achtergrond 4 7 5
Interviews - 3 1
Commentaren - 2 -
Nieuwsberichten
(<400 woorden)
22 36 32

Relevante treffers op websites op trefwoord ‘Atjeh’ van november 2002 tot november 2003.

Bronnen:
Trouw 13 mei 2002 t/m 7 november 2003
Volkskrant 7 mei 2002 t/m 8 november 2003
NRC 12 mei 2002 t/m 11 november 2003

www.acehkita.com
www.humanrightswatch.com
www.rnw.nl
www.wapentuig.org
www.stopwapenhandel.org
www.antenna.nl/amokmar/
www.tapol.gn.apc.org
www.indofo.nl
www.zmag.org

Meer info over Atjeh, o.a. :
home.iae.nl/users/arcengel/NedIndie/swart.htm (historie)
acehnet.tripod.com (Atjeh link)
members.fortunecity.com/pidie/ (Atjeh link)
hem.passagen.se/freeacheh/translation.htm (site GAM)

 

 



Terug