In de spiegel

In Nederland worden regelmatig vraagtekens gezet bij de objectiviteit van buitenlandse media. “In Italië, met die Berlusconi, daar is het erg! En in de VS natuurlijk!” Maar hoe zit het met onze eigen media? Hoe objectief zijn zij? In een serie artikelen presenteert Extra! de resultaten van een - niet aflatende - zoektocht naar de spaarzame studies over de Nederlandse media.


In deze aflevering: Pers, Propaganda en Panama, door Kees Schaak, afstudeerscriptie communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, juli 1993. Begeleider: Cees Hamelink.


Oorlog zonder zichtbare slachtoffers

Is het mogelijk - om eens iets geks te opperen – dat de berichtgeving in Nederlandse kwaliteitskranten wordt gekleurd door de propaganda van machtige, ‘bevriende’ naties? Communicatiewetenschapper Kees Schaak twijfelt er niet aan. Hij bestudeerde de berichtgeving in NRC Handelsblad en de Volkskrant over de Amerikaanse invasie van Panama in 1989. Zijn conclusie: de propaganda van de Amerikaanse regering leverde een ‘wezenlijke bijdrage’ aan het beeld dat de kranten van het conflict gaven.

door Tabe Bergman

Het gestrekte lijk van Pim Fortuyn, over de hele breedte van de voorpagina. Het naakte Vietnamese meisje, haar huid brandend van de napalm, dat over een landweggetje de camera tegemoet rent: de veelzeggendheid van beelden is niet voor niets spreekwoordelijk. Deze beroemde krantenfoto’s maakten iets duidelijk dat slechts enkelen met woorden kunnen overbrengen.


De lezers van de Volkskrant en NRC Handelsblad (‘slijpsteen voor de geest’) werden tijdens de invasie van Panama niet geconfronteerd met dode dan wel lijdende Panamezen. Slechts een paar van de geplaatste foto’s suggereerden weliswaar oorlog, maar zonder slachtoffers te tonen. Uiteraard is het mogelijk dat zulke foto’s gewoon niet voor handen waren. Maar ook in dat geval gaat Schaaks stelling op: de afwezigheid van dit soort foto’s onderstreept de greep die de Amerikanen hadden op de nieuwsvoorziening vanuit Panama. Dat blijkt ook uit de artikelen: het lukte maar één journalist beeldend verslag uit te brengen van de vernietigingen en wanhoop in Panama Stad na de bombardementen.

Wel werden, op de voorpagina’s zelfs, foto’s getoond van de arrestatie van generaal Noriega, wiens misdadigheid volgens de Amerikaanse regering de reden en rechtvaardiging van de inval was.


Historische achtergrond

Hoewel de VS in de negentiende eeuw verschillende malen Panamese opstanden tegen de Columbiaanse overheersers neersloegen, steunden ze in 1903 een opstand van Panamese onafhankelijkheidsstrijders. Reden was het voornemen van president Theodore Roosevelt om een interoceanisch kanaal aan te laten leggen. Het uiteindelijke kanaalverdrag verschafte de VS feitelijke soevereiniteit over de tien mijl brede kanaalzone. Daarnaast hadden de VS ook de Panamese economie en politiek stevig in de greep.

Tot 1968. In dat jaar kwam generaal Torrijos aan de macht. Hij voerde een aantal hervormingen door en slaagde er in 1977 in een nieuw kanaalverdrag overeen te komen met president Jimmy Carter. Het verdrag voorzag in de volledige overdracht van het kanaal in Panamese handen, in het jaar 2000. Torrijos heeft zijn grootste triomf, de overdracht van het Panamakanaal aan Panamezen, niet in vervulling zien gaan. Zijn beleid leidde tot grote fiscale tekorten en stijgende buitenlandse schulden en in 1983 kwam hij om bij een vliegtuigongeluk, onder nooit opgehelderde omstandigheden.

Het was generaal Noriega die de nieuwe leider van Panama werd. Om verschillende redenen was dit goed nieuws voor de VS. Noriega werkte al jaren voor de CIA en bleef ook als leider van Panama zijn Amerikaanse werkgever trouw. Hij verschafte geregeld nuttige informatie over ontwikkelingen in de regio. Die loyaliteit aan de VS was niet verwonderlijk, gezien Noriega’s verleden. Hij had namelijk getraind aan de door de VS opgerichte School of the Americas, het opleidingscentrum waar Latijns-Amerikaanse officieren zich bekwamen in essentiële vaardigheden als martelen en, in het algemeen, het in bedwang houden van grote groepen mensen (lees: de eigen bevolking).

Hoewel Noriega zich een nuttige bondgenoot toonde (hij hielp de Amerikanen onder meer illegale hulp naar de Contras in Nicaragua te sturen), bleek hij ook lastig. Zo verschafte hij niet alleen de CIA informatie, maar ook de Cubanen. Ook zou hij technologie hebben verkocht aan Castro; een daad waar de Amerikanen om voor de hand liggende redenen niet blij mee waren.

Vanaf 1986 begon Noriega’s eigenzinnigheid zich tegen hem te keren. De Amerikanen startten een campagne om hem af te zetten. Economische sancties werden ingesteld en tegenstanders van Noriega konden vanaf dat moment rekenen op Amerikaanse steun. Niet voor niets nam de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) in 1987 een resolutie aan waarin het de Amerikanen werd verboden zich in te laten met interne Panamese ontwikkelingen. Tevergeefs. Op 20 december 1989, om één uur ’s ochtends, vielen Amerikaanse troepen Panama binnen.


Amerikaanse rechtvaardiging

De rechtvaardigingen die Bush presenteerde voor de invasie worden in Schaaks scriptie overtuigend weerlegd. Vaststaat dat de invasie zowel het handvest van de OAS als de Kanaalverdragen van 1977 schond. “Geopolitieke aspiraties” waren volgens Schaak de werkelijke redenen om zich te ontdoen van de “onhandelbaar geworden tovenaarsleerling Noriega” (pag. 45).

Schaak bestudeerde de verslaggeving in NRC Handelsblad en de Volkskrant in de periode van 20 december 1989 tot 10 januari 1990. Hij liet alleen de achtergrondartikelen in de katernen buiten beschouwing. Hier volgen een paar van zijn bevindingen.

Paul Brill, destijds Volkskrant-correspondent in de VS, meende dat, hoewel de VS diplomatiek en politiek prestigeverlies zouden lijden als gevolg van de invasie, “Noriega zelf natuurlijk ook het nodige had bijgedragen tot de Amerikaanse interventie.” En: “Amerikaanse regeringsfunctionarissen wezen erop dat de VS feitelijk geen andere beleidsoptie ter beschikking stond” (blz. 60). Wezenlijke kritiek op de VS bleef in dit artikel afwezig.

MiddenAmerika-correspondent Jan Keulen was kritischer. Hij wees op de door de Amerikanen ingestelde perscensuur en vroeg zich af of de belofte van democratie meer zou zijn dan “oude wijn in nieuwe zakken” (blz. 60).

In de twee nieuwsanalyses in NRC Handelsblad (‘Voor wie de nuance zoekt') werd er niet aan getwijfeld dat de aanval rechtvaardig was. De MiddenAmerika-correspondent echter liet in drie artikelen zijn wantrouwen blijken ten aanzien van Amerikaanse rechtvaardiging voor de invasie.

Van de vijf opiniestukken in de Volkskrant waren er drie die de invasie veroordeelden en twee met een voornamelijk ‘pro-Amerikaanse’ inhoud. In de drie opinieartikelen in NRC Handelsblad (‘Wat u moet weten, niet wat u moet denken’) werd “nauwelijks of geen substantiële kritiek geuit op de invasie.”

Schaak concludeert dat beide kranten in hun nieuwsanalyses en opiniestukken “een zekere interne pluriformiteit [wat betreft hun spectrum van opvattingen]” aan de dag legden. Toch meent Schaak dat een unanieme veroordeling van de invasie “wellicht meer gewicht zou hebben verleend aan de reputatie van beide kranten. Volkenrechtelijke beginselen zijn immers te belangrijk om zomaar selectief toe te passen” (blz. 78).

Voor de geïnteresseerden ligt er bij Extra! op kantoor een kopie van Schaak’s scriptie ter inzage.

Terug