De Persvrijheid

door George Orwell

George Orwell, De persvrijheid en de westerse cultuur.

In 1943 schreef George Orwell een voorwoord bij Animal Farm, met de naam De persvrijheid. De hierin opgetekende observaties betreffende “de censuur van de letteren in Engeland” zouden net zo’n klassieker behoren te zijn als 1984 en Animal Farm. Maar het contrast kan haast niet groter zijn, want waar Animal Farm vrijwel direct na publicatie de wereld veroverde, werd De persvrijheid eenvoudigweg niet gepubliceerd en raakte in vergetelheid.

Animal Farmis een scherpzinnige fabel over de Russische revolutie die uitloopt op een gewelddadige dictatuur. Het werd alom (meestal zeer positief) gerecenseerd en alleen al in de Verenigde Staten werden binnen 4 jaar tijd meer dan een half miljoen exemplaren verkocht. Nog steeds is het vrijwel onmogelijk om op te groeien in een westers land zonder ooit te hebben gehoord van Animal Farm, in grote lijnen het verhaal te kennen en te weten wie de schrijver is.

De persvrijheidhandelt over censuur. Niet de wrede en gewelddadige censuur van totalitaire regimes, maar over de veel effectievere “gematigde, beschaafde en verantwoordelijke” censuur van het westen. Pas in 1972 werd het voor het eerst gepubliceerd in de Times Literary Supplement door Orwell’s biograaf Bernard Crick, die het als “matig” bestempelde. Dit jaar is het honderd jaar geleden dat Orwell werd geboren. In de vele zeer lovende overzichtsartikelen wordt hij geprezen voor zijn haarscherpe analyses van totalitaire regimes, maar in geen wordt er gerefereerd aan dit essay.


In De persvrijheid beschrijft Orwell de problemen die hij ondervond om Animal Farm gepubliceerd te krijgen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Animal Farm werd door vier uitgevers afgewezen. Orwell merkt hierover op dat “slechts één van hen dit deed uit ideologische motieven,” doelend op zijn vaste uitgever Gollancz, die volgens Orwell een “proto-communist” was. De anderen dachten waarschijnlijk dat het “simpelweg ongepast” was om het te publiceren. Of zoals één van hen in een brief schreef aan Orwell: “Ik zie nu in dat het als hoogst onverstandig gezien kan worden het op dit moment uit te geven.,” wegens het bondgenootschap met de Sovjet-Unie tijdens de oorlog.

Orwell voorzag dat de “huidige consensus” ten aanzien van de Sovjet-Unie zou veranderen: “Voor zover ik weet kan tegen de tijd dat dit boek uitgegeven wordt mijn kijk op het Sovjetregime de algemeen geaccepteerde zijn.” Hij zag dat er een ander, groter probleem aan ten grondslag lag: “De ene consensus inruilen voor de andere is niet noodzakelijkerwijs een vooruitgang. De vijand is het grammofoondenken, of men het nu eens is met de plaat die op dat moment speelt of niet.”


Censuur wordt vrijwel uitsluitend geassocieerd met dictaturen. Er is echter over het “creëren van draagvlak”, zoals Frits Bolkestein het noemt in de afgelopen decennia heel veel onderzoek gedaan. Met name Noam Chomsky en Edward Herman hebben door hun uitgebreide onderzoeken naar het functioneren van de Amerikaanse media hieraan een heel belangrijke bijdrage geleverd, die zoals te verwachten is grotendeels genegeerd wordt. En hoewel de analyses van de westerse censuur, gebaseerd op het werk van Orwell en anderen, is uitgebreid, zijn de observaties die hij doet in De persvrijheid nog steeds to the point:


“Het onheilspellende van de censuur van de letteren in Engeland is dat zij grotendeels vrijwillig ontstaat. Impopulaire ideeën kunnen monddood worden gemaakt, en lastige feiten in het donker gehouden, zonder dat enig officieel verbod nodig is.”


Dit wordt deels veroorzaakt door het volgende gegeven: “De Britse pers is extreem gecentraliseerd en het grootste deel ervan is in handen van rijke mannen die alle reden hebben oneerlijk te zijn over bepaalde belangrijke onderwerpen.” Een andere oorzaak is volgens Orwell te herleiden tot een goede opvoeding. Er is een bepaalde “consensus, een stelsel ideeën, waarvan wordt aangenomen dat iedere weldenkende persoon ze zonder twijfel zal accepteren.” Als gevolg daarvan is er “een stilzwijgende algemeen aanvaarde afspraak dat het ‘simpelweg ongepast is’ bepaalde feit[en] ter sprake te brengen.” En iedereen die tegen de “heersende consensus ingaat wordt op verbazend effectieve manier monddood gemaakt.”


De enorme populariteit van Orwell is grotendeels te danken aan de Koude Oorlog. Bepaalde frasen uit Animal Farm en 1984, die beide handelen over kwaadaardige totalitaire regimes, zijn zó ingebed in de westerse cultuur, dat geen enkel ander boek (waarschijnlijk met uitzondering van de bijbel) hier aan kan tippen. De persvrijheid zal nooit in die mate populair worden. Dat komt niet doordat het een “matig” essay is, maar omdat het gaat over censuur in het gematigde, beschaafde en verantwoordelijke westen en dat is nu eenmaal not done.

Martin Hulsing

De Persvrijheid

door George Orwell

Over dit boek is, voor wat betreft het kernidee, voor het eerst nagedacht in 1937, maar het werd pas geschreven rond het eind van 1943. Tegen de tijd dat het werd geschreven was het duidelijk dat het zeer moeilijk zou worden het gepubliceerd te krijgen (ondanks het huidige tekort aan boeken waardoor alles dat een boek genoemd kan worden “verkoopt”) en het werd uiteindelijk ook geweigerd door vier uitgevers. Slechts één van hen had een ideologisch motief. Twee hadden jarenlang anti-Russische boeken gepubliceerd en de andere had geen noemenswaardige politieke kleur. Eén uitgever accepteerde het boek zelfs in eerste instantie, maar na het maken van de eerste afspraken besloot hij het Ministerie van Informatie te raadplegen, dat hem blijkbaar waarschuwde, of in ieder geval sterk aanraadde, het boek niet uit te geven. Hier volgt een fragment uit zijn brief:


“Ik had het over de reactie die ik kreeg van een belangrijke functionaris van het Ministerie van Informatie (MOI) met betrekking tot ANIMAL FARM. Ik moet toegeven dat deze meningsuiting mij serieus te denken gaf……..Ik zie nu in dat het als hoogst onverstandig gezien kan worden het op dit moment uit te geven. Als de fabel zich had gericht op dictators en dictaturen in het algemeen zou de uitgave ervan in orde zijn, maar ik zie nu in dat de fabel zo volledig het verloop van de Russische Revolutie en de twee Sovjetdictators volgt, dat het alleen maar op Rusland kan slaan, met uitsluiting van andere dictaturen. En nog iets: het zou minder aanstootgevend zijn als de overheersende kaste in de fabel niet uit varkens zou bestaan.1 Ik denk dat de keuze voor varkens als de overheersende kaste ongetwijfeld meer mensen zal beledigen, met name eenieder die een beetje lichtgeraakt is, wat de Russen zonder twijfel zijn.”


Zoiets als dit is geen goed teken. Het is duidelijk niet wenselijk dat een overheidsdepartement ook maar enige macht heeft op het gebied van censuur (behalve veiligheidscensuur, waartegen niemand bezwaren heeft in tijd van oorlog) als het gaat om boeken die niet officieel gesponsord worden. Maar het grote gevaar voor vrijheid van denken en meningsuiting op dit moment is niet de directe bemoeienis van het MOI of enige andere officiële instantie. Als uitgevers en redacteuren zich inspannen om bepaalde onderwerpen van de drukpers weg te houden is dat niet omdat ze bang zijn voor vervolging maar omdat ze bang zijn voor de publieke opinie. In dit land is intellectuele lafheid de ergste vijand waarmee een schrijver of journalist wordt geconfronteerd, en het lijkt mij dat over dat feit niet voldoende is gediscussieerd.

Iedere eerlijke persoon met journalistieke ervaring zal toegeven dat tijdens deze oorlog officiële censuur niet bijzonder ergerlijk is geweest. Wij zijn niet onderworpen aan het soort totalitaire ‘coördinatie’ dat we misschien redelijkerwijs hadden kunnen verwachten. De pers heeft een paar gerechtvaardigde grieven, maar over het algemeen heeft de Overheid zich goed gedragen en is zij verbazingwekkend tolerant geweest ten opzichte van opinies van minderheidsgroepen. Het onheilspellende van de censuur van de letteren in Engeland is dat zij grotendeels vrijwillig ontstaat. Impopulaire ideeën kunnen monddood worden gemaakt, en lastige feiten in het donker gehouden, zonder dat enig officieel verbod nodig is. Iedereen die lang in het buitenland heeft gewoond kent voorbeelden van sensationeel nieuws – nieuws dat op zichzelf de voorpagina’s zou moeten halen – dat uit de Britse pers wordt gehouden, niet vanwege inmenging door de overheid, maar vanwege een stilzwijgende algemeen aanvaarde afspraak dat het ‘simpelweg ongepast is’ dat bepaalde feit ter sprake te brengen. Wat de dagelijkse kranten betreft is dit gemakkelijk te begrijpen. De Britse pers is extreem gecentraliseerd en het grootste deel ervan is in handen van rijke mannen die alle reden hebben oneerlijk te zijn over bepaalde belangrijke onderwerpen. Maar hetzelfde soort versluierde censuur treedt ook op in boeken en tijdschriften, net als in toneelstukken, films en op de radio. Op ieder willekeurig moment is er een consensus, een stelsel van ideeën, waarvan wordt aangenomen dat iedere weldenkende persoon ze zonder twijfel zal accepteren. Het is niet zozeer verboden zus of zo te zeggen, maar het is gewoon not done het te zeggen, net als het in Victoriaanse tijden not done was om over broeken te spreken in aanwezigheid van een dame. Iedereen die tegen deze heersende consensus ingaat wordt op verbazend effectieve manier monddood gemaakt. Aan een echt onmodieuze mening wordt bijna nooit een eerlijk gehoor gegeven, noch in de populaire pers, noch in de intellectuele tijdschriften.

Op dit moment vereist de heersende consensus een kritiekloze bewondering van de Sovjetunie. Iedereen weet dit, en bijna iedereen gedraagt zich ernaar. Iedere serieuze kritiek op het Sovjetregime, iedere openbaring van feiten die de Sovjet -regering liever verborgen zou houden, is zo vrijwel onmogelijk te publiceren. En die landelijke samenzwering om onze bondgenoten te vleien speelt zich gek genoeg af tegen een achtergrond van oprechte intellectuele tolerantie. Want ook al is het niet toegestaan de Soviet Regering te bekritiseren, het staat ons tenminste wel redelijk vrij onze eigen Regering van kritiek te voorzien. Bijna niemand zal een aanval op Stalin afdrukken, maar het is redelijk veilig om Churchill aan te vallen, in ieder geval in boeken en tijdschriften. En gedurende vijf jaar oorlog, waarvan er in twee of drie door ons gevochten werd voor de overleving van ons land, werden zonder belemmering talloze boeken, pamfletten en artikelen uitgegeven die vredesonderhandelingen met de Duitsers voorstonden. Sterker nog, ze werden uitgegeven zonder veel afkeuring uit te lokken. Zolang het prestige van de USSR niet in het geding is, wordt het principe van vrijheid van meningsuiting vrij goed overeind gehouden. Er zijn andere verboden onderwerpen, die ik hier ook zal noemen, maar de overheersende houding tegenover de USSR is het meest ernstige symptoom. Die is als het ware spontaan en niet het gevolg van de acties van enige belangengroepering.


De slaafsheid waarmee het grootste gedeelte van de Engelse intelligentsia de Russische propaganda heeft geslikt en weer opgelepeld vanaf 1941 zou op zich vrij verbazingwekkend zijn, als ze zich niet bij verscheidene eerdere gelegenheden op dezelfde manier had voorgedaan. Over de ene na de andere controversiële kwestie is het Russische standpunt geaccepteerd zonder onderzocht te worden, en vervolgens gepubliceerd met complete veronachtzaming van historische waarheid of intellectueel fatsoen. Om maar één voorbeeld te noemen, de BBC vierde het 25-jarige jubileum van het rode leger zonder Trotski te noemen. Dit is ongeveer net zo accuraat als het herdenken van de slag bij Travalgar zonder Nelson te noemen, maar dit riep bij de Engelse intelligentsia geen protest op. In de interne strijd in verschillende bezette landen heeft de Britse pers bijna in alle gevallen de kant gekozen van de partij die gesteund werd door de Russen en de oppositionele partij zwart gemaakt, en soms werd essentieel bewijsmateriaal weggemoffeld om dat te kunnen doen. Een bijzonder in het oog springend geval was dat van kolonel Mihailovich, de Joegoslavische Chetnik-leider. De Russen, die met maarschalk Tito hun eigen Joegoslavische protégé hadden, beschuldigden Mihailovich van collaboratie met de Duitsers. Deze beschuldiging werd prompt overgenomen door de Britse pers: Mihailovich’ voorstanders kregen niet de kans de beschuldigingen te weerleggen, en de feiten die de beschuldiging tegenspraken werden simpelweg nooit afgedrukt

In juli 1943 loofden de Duitsers een beloning uit van 100.000 gouden kronen voor de gevangenneming van Tito, en een soortgelijke beloning voor de gevangenneming van Mihailovich. De Britse pers kopte met de beloning voor Tito, maar slechts één krant meldde (in kleine letters) de beloning voor Mihailovich; en de beschuldigingen van heulen met de vijand hielden stand. Vergelijkbare dingen gebeurden tijdens de Spaanse burgeroorlog. Toen ook werden partijen aan de Republikeinse kant waarvan de Russen vastbesloten waren hen de kop in te drukken roekeloos zwartgemaakt in de Engelse linkse pers en van elke verklaring voor hun verdediging, zelfs in briefvorm, werd publicatie geweigerd. Vandaag de dag wordt serieuze kritiek op de USSR niet alleen als laakbaar beschouwd, alleen al het feit dat zulke kritiek bestaat wordt in sommige gevallen geheim gehouden. Kort voor zijn dood schreef Trotski bijvoorbeeld een biografie van Stalin. Men mag aannemen dat dit niet een geheel onbevooroordeeld boek was, maar het was overduidelijk verkoopbaar. Een Amerikaanse uitgever had publicatie ervan gearrangeerd en het boek werd gedrukt – ik geloof dat de recensie-exemplaren al verzonden waren – toen de USSR het oorlogstoneel betrad. Het boek werd onmiddellijk teruggetrokken. Geen woord hiervan is ooit verschenen in de Britse pers, terwijl het bestaan van zo’n boek, en het verbod erop, als nieuwsitem zeker een paar alinea’s waard is.

Het is belangrijk onderscheid te maken tussen het soort censuur dat de Engelse literaire intelligentsia zichzelf vrijwillig oplegt, en de censuur die soms opgelegd kan worden door belangengroeperingen. Het is algemeen bekend dat bepaalde onderwerpen niet besproken kunnen worden vanwege “gevestigde belangen”. Nogmaals, de katholieke kerk heeft aanzienlijke invloed op de pers en kan kritiek tot op zekere hoogte zelf het zwijgen opleggen. Een schandaal waarbij een katholieke priester is betrokken haalt bijna nooit de publiciteit, terwijl een Anglicaanse priester die in moeilijkheden komt (bijvoorbeeld de dominee van Stiffkey) voorpaginanieuws is. Het komt zelden voor dat iets met een antikatholieke strekking op het toneel of in de film verschijnt. Iedere acteur kan je vertellen dat een toneelstuk of film waarin de katholieke kerk aangevallen wordt of belachelijk wordt gemaakt goede kans maakt op een boycot in de pers en waarschijnlijk een flop wordt. Maar dat soort dingen zijn onschadelijk, of op zijn minst begrijpelijk. Elke grote organisatie zal zo goed mogelijk haar eigen belangen beschermen, en openlijke propaganda is niets om bezwaar tegen te hebben. Je verwacht niet dat de Daily Worker ongunstige feiten over de USSR publiceert, net zomin als je verwacht dat de Catholic Herald de paus aanklaagt. Maar iedere weldenkende persoon weet dan ook waar de Daily Worker en de Catholic Herald voor staan.

Het verontrustende is dat als het om de USSR en haar politiek gaat je geen intelligente kritiek kunt verwachten of zelfs maar, in veel gevallen, eerlijkheid van liberale schrijvers en journalisten die niet direct onder druk staan om hun meningen te verdraaien. Stalin is onschendbaar en bepaalde aspecten van zijn beleid moeten niet serieus worden besproken. Deze regel is bijna universeel in acht genomen sinds 1941, maar werd al tien jaar eerder toegepast, en op grotere schaal dan men zich soms realiseert. Gedurende die periode vond kritiek op het Sovjetregime van links slechts met veel moeite gehoor. Er was een grote produktie van anti-Russische literatuur, maar bijna alles daarvan kwam uit conservatieve hoek en was aantoonbaar oneerlijk, gedateerd en gedreven door lage motieven. Aan de andere kant was er een even grote en bijna even oneerlijke stroom pro-Russische propaganda, en zo ongeveer een boycot van iedereen die alle belangrijke kwesties op een volwassen manier probeerde te bespreken.

Je kon anti-Russische boeken uitgeven, maar dan had je de garantie genegeerd of verkeerd weergegeven te worden door bijna de hele intellectuele pers. Zowel publiekelijk als privé werd je gewaarschuwd dat dit not done was. Wat je zei was mogelijkerwijs waar, maar het was “niet opportuun en “werkte [dit of dat reactionaire belang] in de hand”. Deze houding werd meestal verdedigd door te stellen dat de internationale situatie, en de dringende noodzaak van een Anglo-Russische alliantie, dit vereisten, maar het was duidelijk dat dit een rationalisatie was. De Engelse intelligentsia, of een deel ervan, had een nationalistische loyaliteit aan de USSR ontwikkeld, en diep in haar hart vond ze dat het ook maar enigszins twijfelen aan Stalin’s wijsheid een soort heiligschennis was. Gebeurtenissen in Rusland en gebeurtenissen elders moesten volgens verschillende maatstaven beoordeeld worden. De eindeloze executies in de zuiveringen van 1936-38 werden toegejuicht door mensen die hun leven lang tegenstander van de doodstraf waren geweest, en het werd als even gepast beschouwd om hongersnoden te publiceren als ze in India plaatsvonden en over ze te zwijgen als ze plaatsvonden in de Oekraïne. En als dit al waar was vòòr de oorlog, is de intellectuele sfeer vandaag de dag zeker niets beter.


Maar om nu terug te komen op dit boek van mij. De reactie van de meeste Engelse intellectuelen erop zal vrij simpel zijn: “Het had niet uitgegeven moeten worden.” Vanzelfsprekend zullen die recensenten die de kunst van het denigreren verstaan het boek niet aanvallen op politieke, maar op literaire gronden. Ze zullen zeggen dat het een saai, onnozel boek is en een schandelijke verspilling van papier. Dat kan best waar zijn, maar het is overduidelijk niet het hele verhaal. Je zegt niet dat een boek “niet uitgegeven had moeten worden” alleen omdat het een slecht boek is. Tenslotte worden elke dag hele stapels rommel gedrukt en er is niemand die zich er druk om maakt. De Engelse intelligentsia, of de meesten onder hen, zullen bezwaar hebben tegen dit boek omdat het kwaad spreekt over hun Leider en (zoals zij het zien) de vooruitgang schade toebrengt. Als het het tegenovergestelde deed zouden ze er niets tegen in brengen, zelfs als de literaire fouten tien keer zo in het oog zouden springen als nu. Het succes van, bijvoorbeeld, de “Left Book Club” over een periode van vier of vijf jaar toont hoezeer ze bereid zijn zowel schunnigheid als slordig schrijfwerk te tolereren, zolang het ze maar vertelt wat ze willen horen.

De kwestie waar het hier om draait is een simpele: moet iedere mening, hoe onpopulair ook – hoe dwaas ook – een kans krijgen om gehoord te worden? Giet de vraag in die vorm en bijna elke Engelse intellectueel zal vinden dat hij met “ja” moet antwoorden. Maar giet hem in concrete vorm en vraag “wat dacht je van een aanval op Stalin? Moet zo’n standpunt gehoord worden?” En het antwoord zal negen van de tien keer “nee” zijn. In dat geval wordt de huidige consensus uitgedaagd en wordt van het principe van vrijheid van meningsuiting afgedwaald. Nu, wanneer men vrijheid van de pers en van meningsuiting eist, vraagt men nooit complete vrijheid. Er moet altijd, of in elk geval zal er altijd, een zekere mate van censuur zijn, zo lang er georganiseerde samenlevingen bestaan. Maar vrijheid, zoals Rosa Luxemburg zei, is “vrijheid voor de ander.” Hetzelfde principe ligt besloten in de beroemde woorden van Voltaire: “Ik verafschuw wat u zegt; Ik zal uw recht het te zeggen met mijn leven verdedigen”. Als de intellectuele vrijheid die zonder twijfel één van de onderscheidende kenmerken is van de westerse beschaving überhaupt iets betekent, betekent het dat iedereen het recht moet hebben te zeggen en te publiceren wat hij gelooft dat de waarheid is, op voorwaarde dat dat niet op een onmiskenbare manier de rest van de gemeenschap schaadt. Zowel kapitalistische democratieën als de westerse versies van socialisme hebben tot voor kort dat principe voor waar aangenomen. Onze Regering, zoals ik al gezegd heb, houdt nog steeds de schijn op het te respecteren. De gewone man op straat – voor een deel misschien omdat hij niet genoeg geïnteresseerd is in ideeën om er intolerant over te zijn – staat nog steeds min of meer op het standpunt dat “naar ik aanneem iedereen recht heeft op zijn eigen mening”. Het is alleen, of in elk geval voornamelijk, de literaire en wetenschappelijke intelligentsia, juist de mensen die de bewakers van vrijheid zouden moeten zijn, die het begint te verafschuwen, in theorie zowel als in de praktijk.

Een van de eigenaardige fenomenen van onze tijd is de afvallige Liberaal. Naast de bekende Marxistische bewering dat “bourgeois vrijheid” een illusie is, is er nu een wijdverspreide neiging te betogen dat je een democratie alleen kan verdedigen met totalitaire methoden. Als je van democratie houdt, gaat het argument, moet je haar vijanden vernietigen met elke mogelijke middelen. En wie zijn haar vijanden? Het blijkt altijd dat dat niet alleen degenen zijn die haar openlijk en bewust aanvallen, maar diegenen die haar “objectief” in gevaar brengen door verkeerde doctrines te verspreiden. Met andere woorden, het verdedigen van de democratie brengt het vernietigen van alle onafhankelijkheid van denken met zich mee. Dit argument werd bijvoorbeeld gebruikt om de Russische zuiveringen te rechtvaardigen. Zelfs de meest fanatieke Russofiel geloofde nauwelijks dat alle slachtoffers schuldig waren aan alles waar ze van beschuldigd werden: maar door het hebben van ketterse meningen schaadden ze “objectief” het regime, en daarom was het in orde om ze niet alleen af te slachten maar vervolgens ook nog in diskrediet te brengen met valse beschuldigingen. Hetzelfde argument werd gebruikt om het uiterst bewuste liegen in de linkse pers over Trotskisten en andere republikeinse minderheidsgroepen in de Spaanse burgeroorlog te rechtvaardigen. En het werd weer gebruikt als reden om te keffen tegen het habeas corpus toen Mosley werd vrijgelaten in 1943.

Deze mensen zien niet dat als je totalitaire methoden aanmoedigt de tijd kan komen dat ze tegen je gebruikt worden in plaats van vóór je. Maak er een gewoonte van Fascisten zonder proces op te sluiten, en misschien houdt het dan niet op bij Fascisten. Kort nadat de verboden Daily Worker weer in ere hersteld was gaf ik een lezing bij een working men’s college in Zuid-Londen. Het publiek bestond uit working-class en lower-middle-class intellectuelen – hetzelfde soort publiek dat ooit bijeenkwam bij Left Book Branches. De lezing had persvrijheid aangestipt, en aan het eind, tot mijn verbazing, stonden verscheidene vragenstellers op en vroegen of ik niet dacht dat het opheffen van het verbod op de Daily Worker een grote fout was? Toen ik naar het waarom vroeg zeiden ze dat het een krant was van twijfelachtige loyaliteit die niet getolereerd zou moeten worden in tijden van oorlog. Ik zag mezelf genoodzaakt in de verdediging te gaan voor de Daily Worker, die meer dan eens haar uiterste best gedaan heeft om mij zwart te maken. Maar waar hadden deze mensen hun in essentie totalitaire kijk op de wereld geleerd? Vrijwel zeker hadden ze deze geleerd van de communisten zelf.

Tolerantie en fatsoen hebben diepe wortels in Engeland, maar ze zijn niet onverwoestbaar en moeten deels door bewuste inspanningen in leven gehouden worden. Het resultaat van het prediken van totalitaire doctrines is dat het het instinct verzwakt waarmee vrije volkeren weten wat wel en niet gevaarlijk is. Het geval van Mosley illustreert dit. In 1940 was het volkomen in orde om Mosley te interneren, of hij nu wel of niet één of andere technische misdaad had begaan. We waren aan het vechten voor onze levens en konden een mogelijke landverrader niet vrijuit laten gaan. Om hem opgesloten te houden, zonder proces, was in 1943 een grof schandaal. Het algemene falen dit te zien was een slecht symptoom, alhoewel het waar is dat de beroering tegen Mosley’s vrijlating deels kunstmatig en deels een rationalisatie van andere onvrede was. Maar hoeveel van de huidige verschuiving naar Fascistische manieren van denken is te herleiden tot het “antifascisme” van de laatste tien jaar en het gebrek aan scrupules dat dat met zich meebracht.


Het is belangrijk dat we ons realiseren dat de huidige Russomanie alleen maar een symptoom is van het algemene verzwakken van de westerse liberale traditie. Had het MOI een duit in het zakje gedaan en de publicatie van dit boek definitief haar veto gegeven, dan had het merendeel van de Engelse intelligentsia er niets verontrustends in gezien. Kritiekloze loyaliteit aan de USSR is toevallig de huidige consensus, en waar veronderstelde belangen van de USSR in het geding zijn, zijn ze bereid niet alleen censuur te tolereren maar ook de opzettelijke vervalsing van de geschiedenis. Om één voorbeeld te noemen, bij de dood van John Reed, de auteur van “Ten days that shook te world” – een verslag van de vroege dagen van de Russische revolutie uit de eerste hand – kwam het auteursrecht van zijn boek in handen van de Britse communistische partij, aan wie Reed het geloof ik had nagelaten had. Enige jaren later, nadat de Britse communisten het origineel zo compleet mogelijk vernietigd hadden, gaven ze een verminkte versie uit waarin ze elke melding van Trotski verwijderd hadden en waaruit ook de door Lenin geschreven introductie was weggelaten. Als er nog een radicale intelligentsia had bestaan in Engeland was deze daad van vervalsing openbaar gemaakt en aangeklaagd in iedere krant van de letteren in het land. Nu was er weinig tot geen protest. Voor veel Engelse intellectuelen leek het een vrij natuurlijke gang van zaken. En deze tolerantie van simpele oneerlijkheid betekent veel meer dan dat bewondering voor Rusland in de mode is op dit moment. Het is zeer wel mogelijk dat deze mode geen stand houdt. Voor zover ik weet kan tegen de tijd dat dit boek uitgegeven wordt mijn kijk op het Sovjetregime de algemeen geaccepteerde zijn. Maar wat voor nut zou dat op zich hebben? De ene consensus inruilen voor de andere is niet noodzakelijkerwijs een vooruitgang. De vijand is het grammofoondenken, of men het nu eens is met de plaat die op dat moment speelt of niet.

Ik ben zeer wel bekend met alle argumenten tegen vrijheid van denken en van meningsuiting – de argumenten die stellen dat het niet kan bestaan, en de argumenten die stellen dat het niet zou moeten bestaan. Ik antwoord simpelweg dat ze me niet overtuigen en dat onze beschaving in een periode van vierhonderd jaar is opgebouwd op precies tegenovergestelde ideeën. Meer dan tien jaar lang heb ik geloofd dat het Russische regime een voornamelijk kwaadaardig iets is en ik eigen me het recht toe dat te zeggen, ondanks dat we bondgenoten zijn met de USSR in een oorlog die ik graag gewonnen wil zien. Als ik een tekst moest kiezen om mezelf te rechtvaardigen dan koos ik de regel van Milton: “Volgens de bekende regels van eeuwenoude vrijheid”. Het woord eeuwenoud benadrukt het feit dat intellectuele vrijheid een diepgewortelde traditie is zonder welke het twijfelachtig is of onze karakteristieke westerse cultuur kan bestaan. Van die traditie keren veel van onze intellectuelen zich zichtbaar af. Ze hebben het principe geaccepteerd dat een boek uitgegeven of verboden moet worden, geprezen of vervloekt, niet op haar verdienste maar op politieke opportuniteit. En anderen die deze mening feitelijk niet zijn toegedaan stemmen ermee in uit pure lafheid. Een voorbeeld hiervan is het falen van de talrijke, mondige Engelse pacifisten om zich uit te spreken tegen de heersende aanbidding van het Russisch militarisme. Volgens deze pacifisten is alle geweld slecht en zij hebben er in elk stadium van de oorlog op aangedrongen om te geven of tenminste een vredesonderhandelingen te beginnen. Maar hoeveel van hen hebben ooit de suggestie geopperd dat oorlog ook slecht is als die wordt gevoerd door het Rode Leger? Blijkbaar hebben de Russen het recht zichzelf te verdedigen, terwijl dat voor ons een dodelijke zonde is. Deze tegenstelling kan men maar op één manier uitleggen: het is de laffe wens om het merendeel van de intelligentsia, wiens patriottisme meer gericht is op de USSR dan op Engeland, niet af te stoten.

Ik weet dat de Engelse intelligentsia redenen te over heeft voor haar bangheid en oneerlijkheid, ik ken de argumenten die ze gebruikt om zichzelf te rechtvaardigen van buiten. Maar laat ons tenminste niet nog meer nonsens horen over het verdedigen van de vrijheid tegen het Fascisme. Als vrijheid ook maar iets betekent, betekent dat het recht mensen te vertellen wat ze niet willen horen. Het gewone volk houdt zich nog min of meer aan die doctrine en handelt ernaar. In ons land – het is niet hetzelfde in alle landen: het was niet zo in republikeins Frankrijk, en het is niet zo in de Verenigde Staten vandaag – zijn het de liberalen die vrijheid vrezen en de intellectuelen die het intellect willen bevuilen. Ik heb deze inleiding geschreven om op dat feit de aandacht te vestigen.

1 Het is niet helemaal duidelijk of deze aanpassing dhr--------’s eigen idee is, of dat het aangedragen is door het Ministerie van Informatie, maar het lijkt het officiële toontje te hebben. (Orwell’s noot)




Terug