Twijfelachtige journalistiek

Verslaggeving door Het Parool is beter

Wat is het verschil tussen stemmingmakerij en goede journalistiek? Door middel van feiten, aanwijzingen en getuigen wordt een gebeurtenis gereconstrueerd en verslagen. Maar door het gebruik van bepaalde woorden kan er ook veel worden gesuggereerd, dat misschien mogelijkerwijze plaats zou hebben kunnen gehad, tenminste, dat zeggen ze. Een vergelijkend onderzoekje tussen Het Parool ("Agent schiet Marokkaan dood") en NRC ("Politiekogel doodt man in Amsterdam").

door Anna Windgassen


Op woensdagavond 6 augustus werd Driss Arbib doodgeschoten door een politieagent in een eethuisje in Amsterdam. De ochtend van de 7de augustus kopt het Amsterdamse dagblad Het Parool: "Agent schiet Marokkaan dood". Daags daarna brengt Het Parool een reeks artikelen waarin zij het politieoptreden in een ruimer kader plaatst. Lezers en maatschappelijke organisaties beschuldigen de krant vervolgens van "ondoordachte" verslaggeving, "riooljournalistiek" en "stemmingmakerij": zowel politie als ‘Marokkanen’ zouden worden gestigmatiseerd. Toch heeft Het Parool journalistiek juist gehandeld.

Dat laat zich het beste illustreren aan de hand van een vergelijking met de verslaggeving in NRC Handelsblad. Op donderdag 7 augustus kopt NRC:

"Politiekogel doodt man in Amsterdam". Een merkwaardig ‘vage’ kop, aangezien de ‘politiekogel’ hier als handelende ‘persoon’ optreedt. Uiteraard was de agent de handelende persoon, zoals door Het Parool netjes wordt weergegeven. Vervolgens springt het gebruik van het neutrale woord ‘man’ in het oog. Kennelijk is "Marokkaan" of "Marokkaanse man" al te stigmatiserend. De redactie heeft het gepresteerd een kop te brengen die noch de politie, noch de Marokkaanse gemeenschap mogelijkerwijs verdacht zou kunnen maken. Hiermee wordt in een klap de zeer wel bestaande mogelijkheid dat een van beiden of beiden weleens terecht verdacht wordt gemaakt uitgesloten. "Agent schiet Marokkaan dood" is feitelijker en verfrissend politiek incorrect.

Evenzo merkwaardig is het dat het stuk in NRC in eerste instantie helemaal niet over de schietpartij gaat, maar over de rellen die al dan niet zijn ontstaan na het incident. De verslaggever wijdt maar liefst 5 alinea’s aan gekissebis van politie en omstanders over de vraag of er nu wel of geen sprake was van "rellen" na afloop. (De chapeau luidt: "Politie ontkent rel na afloop").

De drie alinea’s die wél gaan over het incident getuigen daarbij van slechte journalistiek. Zo wordt de verklaring van de politie als eerste opgevoerd en onmiddellijk als betrouwbaar behandeld: "Volgens een politiewoordvoerder werden twee politiemannen in het etablissement aangevallen door een man met een mes. Nadat de man het bevel het mes neer te gooien had genegeerd, zou een agent het dodelijke schot hebben gelost". Met de politieverklaring meent de journalist het incident in drie regels afdoende te hebben gereconstrueerd. Een wonderlijk detail in deze alinea is overigens dat "de man" zonder twijfel "het bevel het mes neer te gooien had genegeerd," terwijl een agent daarna het dodelijke schot zou hebben gelost. Zou het niet omgekeerd moeten zijn?

"Ze zeggen nu dat het slachtoffer bewust is doodgeschoten, maar ik houd het er op dat het een ongeluk was."

Vervolgens wordt pas in de vijfde alinea van het artikel, na een boel geharrewar over of er nu rellen ontstonden of niet, "een Surinaamse omstander" aan het woord gelaten, die zegt dat "het verhaal gaat…" (hij heeft het dus niet zelf gezien), "…dat het slachtoffer ruzie kreeg met andere Marokkanen binnen. Hij zou toen thuis een mes hebben gehaald. De eigenaresse had inmiddels de politie gebeld en in de tussentijd hadden die andere Marokkanen de kuierlatten genomen. Toen de man met zijn mes binnenkwam was de politie ter plekke. Ja, en die zijn gerechtigd wapens te dragen en te gebruiken. Ze zeggen nu dat het slachtoffer bewust is doodgeschoten, maar ik houd het erop dat het een ongeluk was.'' Deze "getuige" heeft het nieuws dus ook alleen maar uit tweede hand. Jammer genoeg heeft de NRC-journalist geen betere getuigen gehoord; zoals bijvoorbeeld de vriendin van Driss, die naast hem stond, of een getuige die net buiten het eethuisje de gebeurtenissen heeft gadegeslagen. Het Parool heeft deze getuigen wél weten te vinden. Met het oog op een evenwichtige weergave van de gebeurtenissen lijkt me dat niet onbelangrijk.

Tot slot getuigt het volgende detail van het plaatsen van suggestieve nadruk: onze verslaggever geeft een omgevingsschets van het plaats delict: kogel door de ruit op halshoogte, glasscherven, et cetera. Dit alles in een eetgelegenheid met de naam ‘Warung Swietie’, waarvan, "volgens een man in de nabijgelegen wassalon", het terras "een hangplek voor Surinaamse en Antilliaanse jongeren" is. "Ze drinken daar en roken joints, maar er zijn voor zover ik weet geen vechtpartijen. Ik sluit om zes uur. Van de buren hoor ik dat er 's avonds wel eens overlast is'', aldus de wassende man. Waarom is het van belang te benadrukken dat het eethuisje waar Driss zijn avondeten bestelde van een onguur kaliber is? Misschien dat de verslaggever duidelijk wil maken dat Driss onguur was? Want als dat zo was, dan hoeft de daad van de agent niet met gepaste argwaan benaderd te worden?

Het openingsartikel op de voorpagina van Het Parool van 7 augustus is in alle opzichten beter dan het NRC-stuk. Ten eerste vanwege de rake kop, waarover hierboven is uitgeweid. Vervolgens omdat het artikel gaat waarover het moet gaan: het schietincident. De verslaggever handelt hierin op journalistiek integere wijze. Eerst geeft zij de feiten: wie? "Een Marokkaanse man", wanneer? "gisteravond", waar? "in een eethuis aan het Mercatorplein in Amsterdam" wat? "door een agent in zijn borst geschoten en kort daarna overleden". Dan volgen de achtergronden: "de agent voelde zich bedreigd toen hij met een collega een vechtpartij wilde beëindigen en de man hen met een mes bedreigde". Een relevante, directe ooggetuige wordt uitgebreid geciteerd met zijn versie van de gebeurtenissen. Twee à drie zinnen feitelijke mededelingen van de verslaggever staan eromheen. Daarna geeft zij pas de officiële verklaring van de politie weer. Tot slot vermeldt de verslaggever enkele feiten betreffende het verloop van de avond na het incident. Duidende woorden als "rellen" en gekissebis over hoeveel mensen van welke nationaliteit aanwezig waren, worden wijselijk achterwege gelaten. Wel prijkt naast het artikel een grote foto van een zestal agenten en twee politiebusjes op het Mercatorplein in de schemering. Dat doet al vermoeden dat Het Parool zijn spotlicht op het politiehandelen richt.

Er is nog iets waar Het Parool wel melding van maakt en NRC niet: "Het eethuis werd direct afgezet voor de rijksrecherche, die onderzoekt of de agent terecht heeft geschoten en waarom hij de man in het bovenlichaam raakte." Het is meer dan terecht dat Het Parool in de dagen na het incident in haar verslaggeving inhaakt op dat onderzoek. De Parool-journalisten menen zich namelijk te herinneren dat dit soort incidenten zich al eerder heeft voorgedaan. Dat roept uiteraard vragen op: hoe vaak heeft zich dit voorgedaan? Hoe wordt dit soort zaken onderzocht? Waarom gebruiken agenten geen pepperspray? Waarom wordt er niet in de benen geschoten? Zijn politieagenten wel goed getraind om met dergelijke geweldssituaties om te gaan? Tamelijk belangrijke vragen waarop een antwoord moet worden gezocht, immers, de politie is er toch om ons te beschermen tegen geweld?

"Waar het op uitdraait, is dat wij burgers de overheid helemaal blind moeten geloven als die zegt dat het terecht was dat diezelfde overheid iemand heeft doodgeschoten"

Zodoende kopt Parool op 8 augustus: "Recherche wil agenten sneller horen". In het artikel wordt onder andere de mededeling gedaan dat de rijksrecherche niet tevreden is over de medewerking van politiekorpsen in het onderzoek naar dergelijke dodelijke schietincidenten. Dat blijkt uit een VU-jaarverslag van een onderzoek naar het gebruik van geweld door de politie. Het getuigt van grondigheid dat de journalisten van Het Parool dit jaarverslag eens hebben doorgenomen. Op de binnenlandpagina wordt het schietincident dan ook in een ruimer kader geplaatst. De lezer krijgt een overzicht aangeboden van de overige (12) schietincidenten met Amsterdamse politiemensen van de laatste twintig jaar ("Kogels treffen soms passant"). Bovendien wordt in een diepte-artikel ingegaan op de visie van deskundigen op het gebruik van geweld door politieagenten. Wat blijkt? "Nederlandse agenten zijn geen cowboys die om de haverklap zomaar een wapen trekken (…) Toch wordt het wapen nog vaak onnodig gebruikt doordat de agent onvoldoende geleerd heeft andere oplossingen te zoeken – zoals pepperspray gebruiken" . (Overigens: De Volkskrant brengt een dag na Het Parool ook de bevindingen van het VU-onderzoek. Volgen is veiliger.).

Dat is dan wat lezers en maatschappelijke organisaties "riooljournalistiek" noemen. Zoals we hebben gezien is dat labeltje eerder van toepassing op de pseudo-verslaggeving van het NRC. Maar, hoe onterecht de verontwaardiging jegens Het Parool ook is, het is wel begrijpelijk, want de Nederlandse staatsburger wordt niet geacht te twijfelen aan het handelen van de politie. In de woorden van advocaat Gerard Hamer (die een soortgelijke zaak voor de rechtbank behandelde): "Waar het op uitdraait, is dat wij burgers de overheid helemaal blind moeten geloven als die zegt dat het terecht was dat diezelfde overheid iemand heeft doodgeschoten".

Los van de vraag of de agent al dan niet juist heeft gehandeld (dat moet worden onderzocht) of van de vraag of Driss Arbib het dodelijke schot heeft ‘uitgelokt’, is het volkomen geoorloofd twijfel als uitgangspunt te hanteren. Dat doet een goede krant. Gelukkig heeft Het Parool dat begrepen en heeft zij zich niet laten aanpraten dat zij geen vraagtekens mag zetten bij het handelen van de politie.



Terug