Experts 'trashen' media, in het buitenland

Vijftig man, meer waren het niet. De animo voor de discussieavond in Café Europa over media was matig. De thuisblijvers kregen gelijk: de lezing noch de discussie boeiden buitenmatig. Professor politicologie aan de Utrechtse Hogeschool voor de Kunsten, Joost Smiers, hield een vurig betoog tegen de gevaren van kartelvorming in met name de Amerikaanse media, en voor culturele diversiteit. Terecht, maar niet nieuw of opmerkelijk. In Italië neemt de machtsconcentratie van de media krankzinnige vormen aan, meende NRC Handelsblad-journalist Maarten Huygen. Ook waar. Maar hoe zit het in Nederland?

door Tabe Bergman

"We hebben wel de vrijheid van meningsuiting maar niet de vrijheid gehoord te worden", zo vatte de presentator van de avond het betoog van Smiers samen. Smiers wees erop dat slechts een handvol grote mediaconglomeraten in de VS vrijwel compleet bepalen wat de Amerikanen, en ook een groot deel van de Europeanen, zien en lezen. De regering-Bush spant zich in om de mediamarkt verder te dereguleren: er dreigt nog een slag voor de culturele diversiteit, waarschuwde Smiers. Toch noteerde hij ook hoopvol dat er op lokaal niveau verzet is ontstaan tegen de wetsvoorstellen van de FCC, de Federal Communications Committee.

"Het ongelofelijke conformisme van de Amerikaanse media," zoals Maarten Huygen, ooit VS-correspondent voor NRC, het uitdrukte, is het gevolg van de aanslagen van 11 september 2001. Deze bewering ontlokte geen hoongelach aan het publiek, een aanwijzing voor het matige niveau van de bijeenkomst. Gelukkig verwierp Smiers deze stelling van Huygen: "Volgens mij is het wel wat langer gaande." Volgens ons ook. Hoe, vroegen we ons vervolgens af, zou dat in Nederland zitten? Zijn de media hier wel objectief? Of lijden ook de Nederlandse media aan conformisme?

Smiers wees de kartelvorming dus aan als grote boosdoener en als gevaar voor de culturele diversiteit. Europese films worden nog wel gemaakt (zelfs zeshonderd per jaar), maar niet meer gedistribueerd. Een relativerende noot kwam van een aanwezige Trouw-verslaggever Peter, wiens achternaam onbekend moet blijven omdat we al bijna in slaap waren gevallen. Peter meende dat kleinere media (zoals Trouw?), heel goed binnen een groot conglomeraat hun eigen identiteit kunnen behouden. "De kleintjes" kunnen juist overleven onder de bescherming van een grote vader als PCM. Dus in Nederland loopt de mediadiversiteit geen gevaar? Met de Nederlandse media is alles o.k.? We kunnen rustig gaan slapen? Dat deden we dan ook.

Na afloop, wakker wordend met een kopje koffie in de foyer, besloten we, ondanks de tegenvallende discussie, ons met de aanwezigen te vermengen. We raakten in gesprek met een groepje jongelui die heel ijverig aantekeningen hadden genomen. Niet, zoals we vernamen, uit hoofde van school dan wel werk, maar gewoon, voor zichzelf, om de gedachten beter te kunnen ordenenen. Inderdaad, onze gesprekspartner bleek goed ingelicht over Chomsky and all that. Hij was net op een zomercursus geweest, in Berkeley nog wel, en was compleet op de hoogte van de Amerikaanse media en hoe erg het wel niet was. Hij haalde, met lichte superioriteit in de stem, aan hoe kwaad de 'rednecks' in zijn klas wel niet waren geworden toen ze de professor zoveel opruiende en respectloze opmerkingen hoorden maken over de Amerikaanse media en de VS.

We keken elkaar verheugd aan: een verwante geest! We droegen aan dat we een 'licht opruiend blaadje' volschrijven. Over de Nederlandse media. Dat we ons afvroegen in hoeverre Chomsky's model ook voor ons land opgaat. Er schoot een trek van ongeloof en zelfs lichte irritatie over onze gesprekspartner. Maar hij herstelde zich snel en wees ons zelf op onderzoek over de Nederlandse media dat ons nog niet bekend was. We praatten heel plezierig een halfuurtje vol en namen afscheid van onze sympathieke nieuwe kennis. Nee, het was niet helemaal voor niets geweest.



Terug