De vuile buitenlandwas van de New York Times

De ophef over Jason Blair, de leugenachtige verslaggever van de New York Times, is voorbij. De breed uitgemeten affaire schaadt de reputatie van de krant waarschijnlijk niet permanent: Blair wordt terecht beschouwd als de betreurenswaardige maar onvermijdelijke ‘rotte appel’. Veel serieuzere aantijgingen bevatten de nooit weerlegde – maar in de mainstream onbekende - studies over met name de buitenlandverslaggeving van de krant.

door Tabe Bergman

Het was overal voorpaginanieuws. De jonge verslaggever Jason Blair, al dan niet gedeeltelijk aangenomen vanwege zijn Afrikaans-Amerikaanse afkomst, bleek honderden verhalen en bronnen te hebben verzonnen. De feiten waren zo duidelijk dat er voor de krant niets anders opzat dan uit te pakken met ruiterlijke excuses en maar liefst zes pagina’s correcties.

En dat is natuurlijk nieuws, zeker als het de New York Times betreft. Slechts een enkeling zal het oneens zijn met de Amerikaanse mediacriticus Noam Chomsky, die de New York Times “wellicht de belangrijkste krant ter wereld” noemt. Waarover de krant bericht (en waarover niet) heeft invloed op toonaangevende media wereldwijd. De New York Times is wellicht de meest gelezen buitenlandse krant onder journalisten en andere opiniemakers, zowel in de VS als daarbuiten. Een definitie van ‘nieuws’ zou dus kunnen luiden: het stond in de New York Times. Zoals het in het jargon van mediacritici heet: de New York Times is een van de belangrijkste agenda setting media.

Die wereldwijde invloed van de New York Times op de publieke opinie en dus op de politiek, is al decennia aanleiding geweest voor allerlei mediacritici, journalisten en intellectuelen om te onderzoeken of de verslaggeving in de krant overeenstemt met ‘de feiten’ uit alternatieve informatiebronnen: mensenrechtenrapporten, buitenlandse media, kerkpublicaties, ooggetuigenverslagen et cetera. Een van de belangrijkste vragen die zij zich stelden is: “Is de New York Times net zo ‘lastig’ voor officiële vijanden als voor bondgenoten van de Amerikaanse regering?” Deze onderzoekers houden zich niet bezig met onfortuinlijke incidenten als de affaire-Blair, maar met de vraag of de verslaggeving in de krant structureel evenwichtig is. Of weerspiegelt de buitenlandverslaggeving vooral de officiële lezing van de Amerikaanse regering?

Die laatste vraag was het uitgangspunt van een onderzoek door de Amerikaanse econoom Edward Herman naar de verslaggeving in de New York Times over de verkiezingen in El Salvador en Nicaragua in 1984. Hij concludeerde dat de krant veel positiever berichtte over de situatie in El Salvador, waar de Amerikanen het dictatoriale regime steunden, dan over de - volgens onafhankelijke verkiezingswaarnemers en mensenrechtenorganisaties als Amnesty International – veel eerlijker verlopen verkiezingen die ongeveer tegelijkertijd plaatshadden in Nicaragua. Deze laatste verkiezingen leverden niet toevallig een overwinning op voor de enige politieke beweging die zich had weten te verzekeren van de oprechte steun van een groot deel van de Nicaraguanen: de Sandinisten. Om hieraan een einde te maken werd er door de Amerikaanse regering het contra-leger uit de grond gestampt. Het leverde de VS een veroordeling op door het Internationaal Gerechtshof in Den Haag vanwege internationaal terrorisme.

De berichtgeving in de New York Times nam het valse beeld dat de Amerikaanse regering gaf van de situatie in beide landen vrijwel kritiekloos over en lieten tegenstrijdige informatie (vrijwel) geheel weg. De verkiezingen in El Salvador werden voorgesteld als over het algemeen eerlijk, en de verkiezingen in Nicaragua als frauduleus.

Overigens: Een herhaling van dit onderzoek voor de West-Europese pers, onderwerp van de zorgvuldige doctoraalscriptie van Lex Rietman voor de Katholieke Universiteit Nijmegen, leverde vergelijkbare resultaten op. Van de vijftien onderzochte kranten in vijf landen bleek alleen de verslaggeving in de Engelse The Guardian objectief. De Volkskrant eindigde niet zo eervol op de tweede plaats; NRC Handelsblad en vooral De Telegraaf deden het nog een stuk slechter.


Leugens van onze tijd’

Herman was ook een van de oprichters van het blad Lies of Our Times, dat voornamelijk werd volgeschreven door academici en bestond uit correcties van verslaggeving in de Times. Het resultaat van het driejarig bestaan (ruwweg van 1990 tot 1993) was een vuistdikke stapel papier met correcties van de ‘leugens’ in de New York Times, leugens die “meer zijn dan letterlijke onwaarheden: zij omvatten onderwerpen die genegeerd zijn, hypocrisie, misleidende nadruk en verborgen veronderstellingen – de vooroordelen die de verslaggeving systematisch kleuren”, zoals de redactie het formuleerde.

Lies of Our Times werd door een editor van de New York Times afgedaan als “niet meer dan polemiek”. Moeilijker is het de beroemde Amerikaanse journalist Walter Lippmann te betichten van opruiende motieven. De ‘dean of American journalism’ bestudeerde samen met Charles Merz de berichten over Rusland in de New York Times van 1917 tot 1920. Hun conclusie: de krant was schuldig aan “systematische vooroordelen en onvolledige verslaggeving.” Maar liefst 91 keer meldde de krant dat de bolsjewistische regering was gevallen of op het punt stond te vallen, dat Lenin en Trotsky gevlucht waren (drie keer), op het punt stonden te vluchten (vier keer), dat Lenin gevangen was gezet (drie keer) en dat Lenin was gedood (één keer).

Wellicht het bekendste onderzoek is dat van Noam Chomky en Edward Herman naar de verslaggeving in de New York Times over Cambodja en Oost-Timor in de tweede helft van de jaren zeventig. De moordpartijen in beide landen, door respectievelijk de Rode Khmer en het Indonesische leger, waren vergelijkbaar, maar de berichtgeving over Oost-Timor viel in het niets bij de uitgebreide aandacht die de New York Times schonk aan de communistische wandaden in Cambodja. Over de cruciale diplomatieke en militaire steun die de VS gaf aan bondgenoot Indonesië was niets terug te lezen in de New York Times, ook wel de newspaper of record genoemd.

Eigen literatuuronderzoek toont dat Chomsky en Herman’s onderzoek nooit overtuigend is weerlegd, ook niet in de paar gevallen waarin een serieuze poging is gewaagd. Meestal wordt slechts kort gerefereerd aan de verslaggeving van Vietnam en Watergate als voorbeelden van de 'kritische houding' van de pers. Verder dan zulke ongefundeerde kreten reikt de verdediging van onze vrije pers niet. Overtuigende antwoorden op de weerlegging van deze leugens dan wel misverstanden door bijvoorbeeld Noam Chomsky bestaan niet. Onder meer in zijn essay Democratie en media toont Chomsky dat het beeld van een vijandige pers tijdens de Vietnam-oorlog voornamelijk gebaseerd is op één gebrekkige studie, uitgevoerd door een organisatie die zich Freedom House noemt (zie Chomsky’s Necessary Illusions). Ook op de verslaggeving van Watergate, dus van de misdaden van de regering Nixon, hebben Chomsky en anderen genoeg aan te merken.


Nooit te laat voor excuses

Ondertussen neemt het aantal kritische studies over de New York Times toe. Zo publiceert FAIR, de Amerikaanse ‘mediawaakhond’, regelmatig artikelen die geheel of gedeeltelijk gaan over verkeerde en vooringenomen verslaggeving in de Times. Een voorbeeld: de verslaggeving van Verenigde Naties-correspondent Barbara Crosette blijkt overduidelijk het standpunt van het ministerie van Buitenlandse Zaken te weerspiegelen, bijvoorbeeld aangaande de sancties die werden opgelegd aan Irak na de Eerste Golfoorlog. Een rapport van Unicef, dat er geen twijfel over laat bestaan dat de sancties aan een half miljoen Irakese kinderen onder vijf jaar het leven heeft gekost, verwordt in de handen van Crosette tot een beschuldiging aan het adres van Saddam Hoessein, omdat hij de levering van voedsel en medicijnen door de Verenigde Naties zou saboteren (zie www.fair.org).

Deze en andere vernietigende studies worden door de New York Times - en gewoonlijk ook door de rest van de toonaangevende media en intellectuelen - genegeerd in plaats van weerlegd. Toch is er nog hoop dat de krant uiteindelijk haar leven zal beteren. Dat het nooit te laat is voor excuses, beseft namelijk ook de New York Times zelf. In 1920 maakte de krant professor Robert Goddard belachelijk vanwege diens claim dat raketten ook in een vacuüm werken. Goddard, nu bekend als ‘vader van de ruimtevaart’, miste volgens de NYT kennis die “dagelijks op middelbare scholen wordt opgelepeld.” Zo’n halve eeuw later vervoerde de Apollo 11 de eerste mensen naar de maan. De krant schreef grootmoedig: “Het staat nu definitief vast dat een raket het ook in een vacuüm doet. De Times betreurt zijn fout.”


[kadertje]

Een correctie die we graag zouden zien

“De New York Times betreurt het dat vanaf de aankoop van de krant in 1896 door Adolph Ochs haar redacteuren een verkeerd beeld van Amerika en de wereldgeschiedenis hebben geschetst, omdat ze deel uitmaken van de ideologische structuur van de VS en het wereldwijde kapitalisme.

Ze hopen hun leven te beteren na de sociale revolutie en verzoeken hun lezers geduld tot aan dat moment.”

Uit: Lies of Our Times, maart 1990 (eigen vertaling)




Terug