Lessen uit Panama: hoe de VS de media in het gareel hielden

De brochure Drugs, dollars en kazernes biedt een belangwekkend - zij het onsystematisch en te bondig – overzicht van de manieren waarop de Amerikaanse regering er in slaagde de westerse pers tijdens de invasie van Panama (1989) in het gareel te houden. Zoek de overeenkomsten met recente gebeurtenissen in Irak.

door Tabe Bergman

Een van de vele voordelen van het herlezen van een niet-recent boek is dat je je realiseert dat zogenaamd recente verschijnselen regelmatig ouder zijn dan je (onbewust) had aangenomen. Zo blijkt uit Drugs, dollars en kazernes (1991), een uitgave in de Ravijn-reeks, dat embedded journalism een nieuwe term is voor een oud gebruik: ‘Kort voor de invasie in Panama werden enkele uitverkoren journalisten bij elkaar gehaald [door de Amerikaanse regering] en ingelicht. Zij mochten de invasie meemaken onder begeleiding van speciale eenheden van het leger. Hen werd duidelijk gemaakt dat ze niet op eigen houtje konden werken.’ (pag.68)

De nadelen van verslag doen vanuit deze zogenaamde Pentagon Pool werden achteraf door een van de uitverkorenen, journalist Fred Francis, als volgt beschreven: ‘(Hij) verklaarde later dat hij en zijn collega’s geen enkel idee hadden van het aantal Panamese slachtoffers omdat ze met het VS-leger meetrokken. Alle foto’s die in kranten en bladen werden afgedrukt zijn dan ook vanaf de kant van de Verenigde Staten geschoten. Met de kogels mee, zou je kunnen zeggen.’ (pag. 71) Peter Arnett, die later beroemd zou worden als de enige westerse journalist in Bagdad tijdens de Golfoorlog, klaagde dat hij geen kans kreeg om beelden te maken van gewonde soldaten, lijdende burgers of gevechten in het algemeen. Slechts een paar journalisten deden onafhankelijk verslag van de invasie.

Het aantal Panamese slachtoffers bleek achteraf, nadat Panama allang geen nieuws meer was, veel hoger te zijn dan tijdens en vlak na de invasie werd geschat. De te lage schattingen in de pers waren gedeeltelijk het gevolg van de vervalsing van de statistieken door de Amerikanen, zoals blijkt uit de verklaring van een Panamese arts: ‘De meeste doden en gewonden arriveerden gedurende de eerste drie dagen en werden geregistreerd door de ziekenhuisautoriteiten. Toen de Amerikanen op de 23ste de controle over het ziekenhuis overnamen, brachten zij een nieuwe directie mee. De lijsten en registers verdwenen en kwamen nooit meer terug. Zo kon de nieuwe directeur van het kinderziekenhuis publiekelijk verklaren dat er maar één gewond kind was binnengebracht.’ (pag.40) Het Rode Kruis bevestigde dat het Amerikaanse leger vlammenwerpers gebruikte om honderden doden te verbranden.

Slechts een paar journalisten deden onafhankelijk verslag van de invasie.

Volgens de Amerikanen stierven 220 Panamese burgers als gevolg van de invasie maar verschillende mensenrechtenorganisaties schatten dat het dodental minimaal tien keer zo hoog ligt. De organisaties concludeerden verder dat de VS op grote schaal wetten en mensenrechten hebben geschonden tijdens de bezetting door illegale arrestaties, ongrondwettelijke huiszoekingen, willekeurige ontslagen en een strikte controle over de Panamese media.

Over de westerse media gesproken: zij namen over het algemeen de Amerikaanse schattingen van het dodental over. In diezelfde periode gingen veel toonaangevende media de fout in toen ze meldden dat tijdens de opstand in Roemenië tegen het regime van Ceaucescu maar liefst 70 duizend mensen zouden zijn omgekomen. Het bleken er later 689 te zijn. Hoewel Drugs, dollars en kazernes deze feiten noemt, blijft een mogelijke verklaring achterwege, hoewel deze voor de hand ligt. In het geval Panama voeren de media blind op de statistieken die ze kregen van het Amerikaanse leger en in het geval van Roemenië, waar misdaden werden begaan door een communistisch regime, de officiële vijand van de VS en de westerse wereld in het algemeen, werd de omvang van de misdaad opgeblazen, hoewel overtuigend bewijs niet voor handen was. Drugs, dollars en kazernes biedt nog een kleiner maar opvallend voorbeeld van de manier waarop de VS er in slaagden in de pers een beeld van Noriega te schetsen dat hen goed uitkwam. Het bericht werd verspreid dat er cocaïne in Noriega’s huis was gevonden: Noriega was immers afgeschilderd als een dictatoriale drugsdealer. Maanden later, toen het er niet meer toe deed, bleek het witte poeder maïsmeel te zijn.

De reden voor de Amerikaanse invasie was, zoals bekend, het gevangen nemen van de militaire leider van Panama, generaal Noriega, destijds ook wel liefkozend rent-a-general genoemd op het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken. De relatie tussen Washington en Noriega was lange tijd uitstekend geweest. Zoals de Amerikaanse senator Kelly het verwoordde: ‘Noriega besefte heel goed dat zolang hij de Verenigde Staten hielp bij wat haar grootste politieke prioriteiten waren… de Verenigde Staten een oogje dicht zouden knijpen wat betreft activiteiten waarvan de bestrijding minder prioriteit had.’ De VS hadden Noriega nodig als bondgenoot in de onderhandelingen over het nieuwe Kanaalverdrag en later als belangrijke schakel in de illegale oorlog in Nicaragua: de VS steunden de zogenaamde contra’s in hun opstand tegen de sandinisten.

"Het ging Washington slechts om controle over een land."

Pas wanneer Noriega zich vanaf 1985 begint te verzetten tegen de Amerikaanse politiek ten aanzien van Nicaragua, verslechtert de relatie met Washington. Er werd een propagandacampagne gestart met het doel Noriega af te schilderen als een door en door corrupte, in drugs handelende dictator, die volgens de Duitse krant Die Zeit "van alles werd beschuldigd behalve kinderhandel."’ De brochure geeft de volgende verklaring waarom de pers over het algemeen de Amerikaanse versie van het verhaal slikten: ‘Een groot deel van de media draait op oppervlakkig nieuws en goedkope – dus goed te verkopen – emoties. Voor de Amerikaanse pers gaat dit zeker op.’ Dat kan wel zo zijn, maar de verklaring waarom dit zo is, of zou moeten zijn, blijft achterwege.

De brochure haalt een onderzoek aan van FAIR, de Amerikaanse ‘mediawaakhond’ waaruit bleek dat de Amerikaanse media alleen aandacht hadden voor het aantal Amerikaanse slachtoffers: als het over het aantal casualties ging, werden exclusief Amerikaanse slachtoffers bedoeld. De leden van de Organisatie van Amerikaanse Staten die tegen de invasie stemden (die inderdaad illegaal was) werden door NBC Nightly News gekarakteriseerd als ‘lynch mob’.

Het Amerikaanse blad Extra!, uitgegeven door FAIR, belde redacties van nieuwsprogramma’s met de vraag waarom ze geen kritiek op de invasie toelieten in hun programma’s. Het antwoord van een producente van CBS: ‘Als er Amerikaanse soldaten bij betrokken zijn en hun levens op het spel staan, dan is dat niet het moment om kritische commentaren uit te zenden. Het Amerikaanse publiek zal zich rond de vlag scharen.’ (pag. 75)

Ook voor de Nederlandse media heeft deze brochure nauwelijks een goed woord over. Zonder dat dit overtuigend wordt aangetoond, stellen de auteurs: ‘Veel van het chauvinisme, de Westerse vooringenomenheid en simpele voorstelling van zaken zijn zonder veel moeite ook in de Nederlandse pers terug te vinden.’ (pag. 76) De neutrale Volkskrant-kop ‘Troepen Verenigde Staten verdrijven bewind Noriega’ interpreteren de auteurs alsof de Volkskrant de invasie zou ‘begroeten’. Achteraf, dat wil zeggen maanden later, verspreidden de Nederlandse media welsiwaar wat ‘tegeninformatie’, maar veel te weinig aldus de auteurs. Wel neemt de Volkskrant een column over van Tom Wicker in de New York Times met de kop ‘Bloedige invasie blijkt niet te rechtvaardigen’. Maar dat was een half jaar na de invasie en dus al te laat, aldus de auteurs.

Van de beloften Panama weer op te bouwen is weinig terechtgekomen, melden de auteurs. Hun conclusie luidt dan ook: ‘Het ging Washington slechts om controle over een land. En toen dat geregeld was, verdween de aandacht van de Verenigde Staten voor Panama.’ (pag. 65) De Irakezen doen er verstandig aan zich geen illusies te maken.



Terug