Foutieve statistieken in mediadebat over huwelijksmigratie

De laatste jaren berichten de Nederlandse media uitvoerig over huwelijksmigratie: burgers die hun partner uit het buitenland halen. De berichtgeving over dit onderwerp is vaak eenzijdig en soms gebaseerd op foutieve gegevens.

door Eddie Nieuwenhuizen

Zelden besteden de media aandacht aan digitale huwelijksmarkten waar trouwlustige mannen een vrouw uit het voormalige Oostblok kan ontmoeten, of over mannen die ‘verdachte’ reisjes naar Thailand maken. De meeste aandacht gaat uit naar Nederlandse jongeren van Turkse en Marokkaanse afkomst die hun partner laten overkomen uit hun land van herkomst. En dat terwijl het aantal huwelijksmigranten uit Turkije en Marokko slechts 40 procent van het totale aantal huwelijksmigranten bedraagt.

Dat ongeveer 70 procent van de Turkse en Marokkaanse migranten van de tweede generatie trouwt met een partner uit het land van herkomst, wordt door politici en in de media voorgesteld als een ongewenste ontwikkeling. Het zou de integratie van deze bevolkingsgroepen remmen. Toch is hier geen enkel bewijs voor. Het is niet meer dan speculatie.

De media concentreren zich vooral op Turkse en Marokkaanse jongemannen die hun bruid uit het land van herkomst halen. Dit beeld is vertekend. Er komen ongeveer net zoveel bruiden als bruidengommen uit Turkije en Marokko. Het huidige Nederlandse beleid met betrekking tot huwelijksmigratie zou te ruimhartig zijn: het beeld dat uit de media naar voren komt is dat zo ongeveer iedereen Nederland zo maar binnen kan komen.

Elsevier maakt het wat dat betreft wel erg bont.1 Nederland wordt door Elsevier voorgesteld als het malle pietje dat zonder belemmeringen een ongelimiteerd aantal huwelijksmigranten toelaat. Dit is in tegenspraak met de feiten. Nederland stelt in vergelijking met buurlanden behoorlijk strenge eisen aan mensen die hun huwelijkspartner uit het buitenland willen halen. De regering is zelfs van plan deze eisen aan te scherpen, door het instellen van een minimumleeftijd voor de migrerende partner en door de inkomenseis aan personen die hun partner willen laten overkomen te verhogen van 100 naar 130 procent van het sociaal minimum. Deze voorstellen vormen geen breuk met het voorgaande beleid maar zijn een voortzetting daarvan. De uiteindelijke effecten van dit nieuwe beleid zijn zeer moeilijk in te schatten. De praktijk leert echter dat het sturend vermogen van de overheid beperkt is in dit soort zaken.

Het geloof in de maakbare samenleving blijkt nog springlevend.

Dat ook autochtone Nederlanders door deze strenge regels hinder ondervinden bij het halen van hun partner uit het buitenland wordt vaak onderbelicht. Een artikel in NRC Handelsblad toont aan dat veel autochtone Nederlanders met een westerse partner van buiten de Europese Unie door de regelgeving in een bureaucratisch labyrint belanden.2 Deze gevallen zijn des te schrijnender omdat deze regels niet gelden voor burgers uit andere Europese Unie-landen die in Nederland wonen.

Als gevolg van de opkomst van Pim Fortuyn proberen politici Nederland te ontdoen van overbodige bureaucratische regels. Maar op het gebied van vreemdelingenbeleid worden steeds weer nieuwe regels gemaakt: het geloof in de maakbare samenleving blijkt nog springlevend.

Een andere misvatting in de media is dat een groot deel van de importhuwelijken onder Turken en Marokkanen tot mislukken gedoemd is. Veertig procent van deze huwelijken zou binnen twee jaar stuk lopen.3 Dit onwaarschijnlijk hoge percentage is door politici en journalisten meerdere keren aangehaald. Het komt uit de in januari 2002 verschenen nota "Integratie in het licht van migratie" van de minister van Integratiebeleid. Als bron wordt genoemd een op 14 december 2001 uitgezonden aflevering van Zembla. In deze documentaire noemt een ervaringsdeskundige dit percentage als een ruwe schatting: het gaat hier dus om een voor de neus weg gedane schatting die een officiële status krijgt omdat deze in een overheidsnota is beland. Vrij verbijsterend allemaal.

Dat sommige allochtonen menen dat de laatste twee jaar in de media het jachtseizoen op hen geopend is, valt in het licht van zulk cijfergegoochel te begrijpen. Overigens publiceerde het Centraal Bureau voor Statistiek in het voorjaar van 2003 cijfers over de stabiliteit van huwelijken binnen diverse bevolkingsgroepen in Nederland. Daaruit bleek dat het scheidingspercentage het laagst lag onder autochtone Nederlanders (17%), gevolgd door Turken (20%), en Marokkanen (31%).4 Onder Surinamers en Antillianen en binnen gemengde huwelijken bleek het scheidingspercentage het hoogst. Deze cijfers hebben betrekking op migranten van de eerste generatie en hebben betrekking op echtscheidingen binnen tien jaar tijd. Het cijfer van 40 procent binnen twee jaar tijd uit de aflevering van Zembla wordt niet bevestigd.

De positie van etnische minderheden in de Nederlandse samenleving ligt gevoelig en is inzet van veel politieke discussie. De toon van dit debat is de laatste twee jaar, en vooral zeker sinds de opkomst van Pim Fortuyn, steeds schriller en hysterischer geworden: een gevaarlijke ontwikkeling. De meeste mensen halen hun kennis van andere bevolkingsgroepen uit de media en de discussies tijdens verjaardagsfeestjes. Dat deze discussies vaak niet erg betrouwbaar zijn, was al bekend. Nu blijkt dat media en overheidsnota’s net zo onbetrouwbaar kunnen zijn.

Hyper-Noten

1   G.J. Pos, Gezin zonder grenzen, Elsevier 23-05-2002
2   S. van der Zee, Hoe de overheid Nederlanders met een niet-westerse partner discrimineert, NRC Handelsblad 2-02-2002
3   H. van den Berg en G. Pas, De migratiecijfergoochelaars, De Helling winter 2002
4   M. van Huis en L. Steenhof, Echtscheidingskansen van allochtonen: specifieke groepen. Bevolkingstrends eerste kwartaal 2003



Terug