Studie toont gebrek aan objectiviteit bij West-Europese dagbladen

De wetenschappelijke studie Over objectiviteit, betonrot en de pijlers van de democratie legt het schrijnend gebrek aan objectiviteit bloot waarmee de West-Europese dagbladen berichtten over de verkiezingen in Nicaragua en El Salvador in 1984.

door Tabe Bergman

Toen Noam Chomsky tijdens een conferentie in Groningen in 1989 opmerkte dat de Europese pers niet is wat ze pretendeert te zijn (namelijk ‘objectief’), reageerden de aanwezigen woedend. Op één man na. Temidden van het tumult stond ene Lex Rietman op en gaf Chomsky gelijk. Ook zijn bijval bracht de aanwezigen niet op andere gedachten: niemand was zelfs maar geïnteresseerd in de conclusies die Rietman trekt in zijn doctoraalscriptie Over objectiviteit, betonrot en de pijlers van de democratie.

In het interview uit 1997 waarin Chomsky dit voorval aanhaalt, zei hij ook dat - voor zover hij wist - Rietmans scriptie de enige nauwkeurige Europese studie is naar de objectiviteit van de Europese media. Chomsky zei verder dat Europese intellectuelen een groot gebrek aan zelfkritiek hebben: "Dat is vermoedelijk de reden waarom in Europa zo weinig aan mediakritiek wordt gedaan." Genoeg reden dus om Rietmans studie nog eens aan te halen. Hopelijk zijn de Nederlandse intellectuelen (en journalisten) deze keer wél geïnteresseerd.

Om met Rietmans conclusie te beginnen: van de vijftien onderzochte kranten bleken er maar drie min of meer objectief, namelijk The Guardian, de Volkskrant en, in mindere mate, El País. Als enige berichtten zij, overeenkomstig de feiten (zie onder ‘Onderzoeksmethode’) positiever over de verkiezingen in Nicaragua dan over die in El Salvador. Dit is, voor de volledigheid, de definitie van ‘objectiviteit’ die Rietman hanteert: "De overeenkomst tussen een presentatie van de werkelijkheid en de werkelijkheid zelf." (pag. 22) De berichtgeving van de andere onderzochte dagbladen (onder meer De Telegraaf, NRC Handelsblad, Libération, Le Monde, Süddeutsche Zeitung, Frankfurter Allgemeine, Times) bleek in sterke mate ‘vertekend’, oftewel niet overeenkomend met de feitelijke situatie in beide landen. De berichtgeving in verreweg de meeste kranten reflecteerde in meer of mindere mate het officiële standpunt van de Amerikaanse regering.

Historische achtergrond

De Nicaraguaanse dictator Somoza, een bondgenoot van de VS, werd in 1979 door de hervormingsgezinde sandinisten afgezet. De sandinistische regering, die werd gesteund door de meerderheid van de bevolking, probeerde economische afhankelijkheid van zowel de VS als de Sovjet Unie te vermijden – met succes. Toch sprak het Republikeinse verkiezingsprogramma uit 1980 van "the Marxist Sandinista takeover of Nicaragua." Deze beschuldiging is nooit overtuigend bewezen. Al snel na de verkiezing van Reagan tot president in 1980 leverde de Amerikaanse regering militaire steun aan het verzet in Nicaragua: de zogenaamde contra’s, een mengeling van ex-leden van het leger van Somoza, ontevreden Nicaraguanen en enkele ex-sandinisten.

In El Salvador steunden de VS repressieve regimes met als doel een tweede revolutie in Midden-Amerika te voorkomen. Toen het FMLN, het rebellenleger, in 1980 een ‘eindoffensief’ aankondigde, werd de steun aan de regering van El Salvador hervat. Deze steun was stopgezet na de moord op vier Amerikaanse nonnen door de Nationale Garde. De opgegeven reden was dat de FMLN Sovjet-wapens uit Cuba en Nicaragua zou krijgen. Onder druk van de VS werd Magaña in 1982 interim-president tot de presidentsverkiezingen in 1984. Deze verkiezingen en die in Nicaragua werden gezien als een onverwachte kans op betekenisvolle democratie na jaren van burgeroorlog.

Rietman constateert dat Nicaragua en El Salvador in die periode sterke overeenkomsten vertoonden qua cultuur, geschiedenis en economische ontwikkelingsgraad. Bovendien had in beide landen een gewapende opstand plaats tegen de zittende regering. De verkiezingen in Nicaragua en El Salvador verdienden dus ongeveer evenveel media-aandacht. De West-Europese dagbladen schreven inderdaad ongeveer evenveel over Nicaragua als over El Salvador. Het cruciale verschil tussen de beide landen, aldus Rietman, zit hem in de jaren vlak voor de verkiezingen, oftewel, in de houding van de Amerikaanse regering ten opzichte van beide landen. De VS steunden het dictatoriale regime in El Salvador en tegelijkertijd het gewapende verzet tegen de hervormingsgezinde regering in Nicaragua.

Onderzoeksmethode

Rietman vergeleek de berichtgeving in vijftien dagbladen uit Spanje, Nederland, Engeland, Duitsland en Frankrijk vanaf een week voor de verkiezingen tot een week na de verkiezingen. Hij koos uit elk land drie kranten die samen het gehele politieke spectrum (links, centrum, rechts) vertegenwoordigen. De kranten die hij koos behoren bijna alle tot de ‘kwaliteitspers’. Hij onderzocht per krant of dezelfde criteria werden gebruikt bij de berichtgeving over de verkiezingen in Nicaragua en El Salvador. Zoals Rietman schrijft: "Wat een krant belangrijk vond bij verkiezingen in land A moet ook aan de orde komen bij het nieuws over verkiezingen in land B, tenminste als de feitelijke situatie in land B minstens zoveel aanleiding daartoe geeft." (pag. 55)

Voor een reconstructie van de ‘feitelijke situatie’ baseerde Rietman zich op rapporten van mensenrechtenorganisaties en onafhankelijke verkiezingswaarnemers. Volgens deze bronnen, die ten tijde van de berichtgeving beschikbaar waren, waren de verkiezingen in Nicaragua in alle opzichten eerlijker dan die in El Salvador. In Nicaragua was de censuur minder strikt, was minder sprake van intimidatie door de regering, waren de verkiezingen beter georganiseerd, et cetera.

"Alle kranten lieten vertegenwoordigers van de zittende regeringen vaker aan het woord dan de oppositie."

Wie in die tijd NRC Handelsblad las, kreeg een compleet andere indruk. Vooral het commentaar van NRC Handelsblad was volgens Rietman in zeer sterke mate vertekend. Hoewel het niet zo erg was als het bijna karikaturale beeld dat Telegraaf-correspondent J. Vermaat schetste vanuit Nicaragua. De Volkskrant deed het een stuk beter, vooral dankzij de redelijk objectieve berichtgeving van Jan van der Putten (tegenwoordig correspondent in China voor de Volkskrant) en Arnold Karskens. NRC-correspondenten Ferry Versteeg en Jack Serkoff schetsten een duidelijk vertekend beeld van de situatie in Nicargua en El Salvador.

Opmerkelijk is dat artikelen die de kranten zelf schreven (commentaren, kopij van correspondenten) de waarheid vaak sterker vertekenden dan de kopij afkomstig van internationale persbureaus als Reuters en Associated Press. Maar ook zij berichtten over het algemeen niet objectief. Alle kranten lieten vertegenwoordigers van de zittende regeringen vaker aan het woord dan de oppositie.

Rietmans studie is een herhaling van het onderzoek dat de Amerikaanse econoom Edward S. Herman uitvoerde naar de verslaggeving over dezelfde verkiezingen in de New York Times. Herman constateerde dat de New York Times zeer positief berichtte over de verkiezingen in El Salvador en uiterst negatief over de verkiezingen in Nicaragua – geheel in overstemming met de lezing die Washington aan de situatie gaf en, aldus Herman, tegenovergesteld aan de feiten.

Onlangs besteedde de New York Times vier pagina’s aan rectificaties van de verzinsels van hun verslaggever Blair. Op zo’n ruiterlijk mea culpa over de verslaggeving van de verkiezingen in Nicaragua en El Salvador hoeven we, jammer genoeg, niet te rekenen.

Propagandacampagne

Rietman merkt terecht op dat van de Europese pers een objectievere berichtgeving te verwachten was dan van de New York Times, gezien de rol die de Amerikaanse regering speelde in de gebeurtenissen. Hij constateert echter dat de Europese berichtgeving een soortgelijke dichotomie vertoont als de berichtgeving in de New York Times. Rietman concludeert dat het beeld dat onafhankelijke verkiezingswaarnemers en mensenrechtenorganisaties schetsten van de omstandigheden van de twee verkiezingen, sterk afweek van wat de Europese ‘kwaliteitspers’ voor waar hield.

"journalisten beschouwen de Amerikaanse regering over het algemeen als betrouwbare nieuwsbron - hoe vreemd dit ook is voor een pers die zichzelf ‘onafhankelijk’ noemt."

Als mogelijke oorzaak voor dit schrijnende gebrek aan objectiviteit noemt Rietman het feit dat geen van de dagbladen een vaste correspondent in Nicaragua dan wel El Salvador had. De journalisten die ter plaatse over de verkiezingen berichtten, haalden hun kennis over de twee landen uit de West-Europese en Amerikaanse media. Ze waren dus vooral bekend met het Amerikaanse standpunt, aangezien kleine landen als El Salvador en Nicaragua minder media-aandacht ten deel valt. In dit verband wijst Rietman op de succesvolle propagandacampagne van de regering Reagan, waarin Nicaragua en El Salvador werden afgeschilderd als bedreigd door communistische agressie.

Rietman merkt verder op dat journalisten de Amerikaanse regering over het algemeen als betrouwbare nieuwsbron beschouwen - hoe vreemd dit ook is voor een pers die zichzelf ‘onafhankelijk’ noemt. Ten slotte refereert hij aan het prestige dat bijvoorbeeld de New York Times geniet onder Europese journalisten. Kortom: de mogelijke oorzaken die Rietman noemt zijn allemaal structureel van aard. Rietmans harde conclusies rechtvaardigen dus, zou je zeggen, grondig vervolgonderzoek. Wie van de aanwezigen is geïnteresseerd?

De studie Over objectiviteit, betonrot en de pijlers van de democratie (Katholieke Universiteit Nijmegen, september 1988) is op afspraak in te zien bij de redactie.

Extra! is op zoek naar wetenschappelijke studies over de objectiviteit van de Europese en - met name - de Nederlandse media. Iedereen die een soortgelijke studie kent, wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met de redactie.

Het onderzoek van Edward S. Herman verscheen in Covert Action Information Bulletin 1984-21: "Objective" news as systematic propaganda: The New York Times on the 1984 Salvadoran and Nicaraguan elections."



Terug