Het schijntaboe over minderheden en criminaliteit

"Dat mag ook wel eens worden gezegd"

Bij de herdenking van zijn dood werd Pim Fortuyn onder meer geëerd als een man die taboes doorbrak. Hij was een man van het vrije woord en liet zich de mond niet snoeren. Eén van de taboes die hij doorbroken zou hebben, is het taboe over de criminaliteit onder etnische minderheden. Jarenlang werd er gezwegen over dit onderwerp. Er zou een taboe op rusten in stand gehouden door gezagshouders en beroepsmoralisten. Totdat Pim Fortuyn langskwam en het taboe over criminaliteit onder allochtonen doorbrak. Pim Fortuyn liet zich niet intimideren door de linkse kerk en bracht ter sprake waar anderen over zwegen.

In de maatschappelijke discussie over criminaliteit onder minderheden is dit taboe een terugkerend refrein. Een refrein dat als volgt luidt: De criminaliteit onder minderheden wordt onder de tafel geveegd en iedereen die het onderwerp ter sprake brengt, wordt monddood gemaakt. Dat is jarenlang zo geweest maar nu moet daaraan een eind worden gemaakt. Er is veel criminaliteit onder minderheden en dat mag ook wel eens worden gezegd.

door Eddie Nieuwenhuizen

Hardnekkig idee over taboe

Het probleem met deze redenering is dat er helemaal geen taboe op criminaliteit onder allochtonen bestaat. Al jarenlang wordt er naar dit onderwerp onderzoek gedaan, verschijnen er artikelen over in kranten en tijdschriften en worden er beleidsnota’s over geschreven. Toch is het beeld dat er een taboe zou bestaan op allochtone criminaliteit hardnekkig. In dit artikel geef ik een beknopt overzicht over hoe vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw met het probleem van de criminaliteit onder etnische minderheden in Nederland werd omgegaan. Daarbij ga ik vooral in op hoe criminaliteit onder minderheden werd gesignaleerd in wetenschap, media en politiek.

"Criminaliteit onder etnische minderheden was in de jaren ’70 en ’80 een politiek en maatschappelijk gevoelig onderwerp"

Omzichtige benadering

Al in de jaren ’70 van de twintigste eeuw verschenen er onderzoeken naar criminaliteit onder etnische minderheden in Nederland. Zo was er het onderzoek van Buikhuizen en Timmerman naar criminaliteit onder Zuid-Molukse jongeren uit 1971 en het onderzoek van Van Amersfoort en Biervliet naar criminaliteit onder Surinamers en Zuid-Molukkers uit 1975. In beide onderzoeken werd geconcludeerd dat Surinamers en Zuid-Molukkers meer en andersoortige delicten plegen dan autochtone Nederlanders. In de jaren zeventig en tachtig verschenen er verschillende studies naar criminaliteit onder diverse etnische groepen. Criminaliteit onder etnische minderheden was in die tijd een politiek en maatschappelijk zeer gevoelig onderwerp. In de onderzoeken werd omzichtig omgesprongen met de cijfers over criminaliteit onder allochtonen. Hoge criminaliteit onder allochtonen werd vooral verklaard door de demografische samenstelling van de allochtone bevolkingsgroepen en de sociaal-economische positie van allochtonen.

Omslag

Eind jaren ’80 vond er een duidelijke omslag plaats. In 1988 ontstond er namelijk veel ophef over een uitgelekt rapport van onderzoeker Kees Loef over criminaliteit onder Marokkaanse jongeren in Amsterdam, dat in zijn geheel werd afgedrukt in Het Parool. In dit geheime rapport wordt gesproken over 200 tot 300 criminele Marokkanen die zich ophouden in het stegengebied in het centrum van Amsterdam. Er was veel kritiek op het rapport maar het zorgde er wel voor dat er een golf van publiciteit losbarstte en het vraagstuk van de criminaliteit onder jonge Marokkanen aanhoudend in het nieuws kwam. Er verschenen journalistieke reportages, wetenschappelijke rapporten en beleidsnotities. In NRC Handelsblad van 14 januari 1989 stond een groot artikel over de onhandelbaarheid van Marokkaanse jongeren. De opening van het artikel loog er niet om: "Drieëndertig procent van alle Marokkaanse jongens heeft geregistreerd politiecontact. Bijna de helft is recidivist en pleegt meer en ernstiger delicten dan jongeren uit andere etnische groepen. Niemand durft op te treden, want iedereen is doodsbenauwd om van discriminatie te worden beschuldigd".

In 1990 promoveerde cultureel-antropoloog Hans Werdmöller met een proefschrift over een randgroep van Marokkaans jongeren. Dit proefschrift was een herhaling van een onderzoek dat hij begin jaren 80 had verricht naar een Marokkaanse randgroep. Dit onderzoek werd uitgevoerd naar aanleiding van de vele klachten die autochtone bewoners van de Amsterdamse wijk De Pijp hadden over de overlast die werd veroorzaakt door Marokkaanse randgroepjongeren. In beide onderzoeken wordt een pessimistisch beeld geschetst van de positie waarin veel Marokkaanse jongeren verkeren: veel werkloosheid, lage scholing en hoge criminaliteit.

"De relatief hoge criminaliteit kan niet alleen worden verklaard uit sociale achterstand en discriminatie"

Verschil tussen etnische groepen

Een jaar eerder, in 1989, was al een kwantitatief onderzoek verschenen van Junger en Zeilstra naar de omvang van criminaliteit onder allochtone jongeren. De onderzoekers vergeleken de politie- en justitiecontacten van Turkse, Marokkaanse en Surinaamse jongens met een groep Nederlandse jongens uit een vergelijkbaar sociaal-economisch milieu. Geconcludeerd werd dat allochtonen vaker met de politie in aanraking kwamen dan de vergelijkbare Nederlandse groep jongens. De oververtegenwoordiging was onder Marokkaanse jongens groter dan onder Turkse en Surinaamse jongens. Deze taal maakt duidelijk dat rond 1990 het taboe over de criminaliteit onder etnische minderheden is doorbroken. Er wordt onderzoek naar gedaan, er zijn cijfers beschikbaar en er wordt over gepubliceerd in de media. Ook wordt de criminaliteit onder etnische minderheden minder gerelativeerd dan voorheen gebruikelijk was. De relatief hoge criminaliteit kan niet uitsluitend worden verklaard uit sociaal-economische achterstand en discriminatie. Daar zijn bijvoorbeeld de verschillen tussen de diverse etnische groepen te groot voor.

De overheid bleef ondertussen niet stilzitten. Zo werd in 1987 in Gouda een project opgezet om de criminaliteit onder Marokkaanse jongeren tegen te gaan. In 1991 kwam daar een evaluatieonderzoek over uit (Terlouw en Susanne 1991). De resultaten van het project vielen tegen: een daling van de criminaliteit onder de doelgroep werd niet geconstateerd.

Commissie Van Traa

In 1995 was het de criminoloog Bovenkerk die opnieuw het taboe over criminaliteit onder etnische minderheden doorbrak. Voor de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden verklaart hij dat de georganiseerde misdaad zich heeft genesteld in enkele grotere immigrantengroepen. Er kwam veel commentaar op de uitlatingen op Bovenkerk. Vooral de uitspraak dat "enkele tientallen procenten van de volwassen Turkse mannen in Amsterdam in enigerlei functie bij de georganiseerde misdaad betrokken zijn" stond bloot aan veel kritiek omdat Bovenkerk deze cijfers nauwelijks hard kon maken. Echter de bom was wederom gebarsten en het maatschappelijke debat over criminaliteit onder minderheden werd weer op gang gebracht. Het aantal wetenschappelijke studies over criminaliteit onder minderheden kwam in een stroomversnelling terecht. Enkele van deze onderzoeken trokken veel aandacht in de media. Zo kwam in 1998 een proefschrift uit van Marion van der San naar criminaliteit onder Antilliaanse jongeren met de titel ‘Stelen en steken’. Voor dit onderzoek trok de onderzoekster lange tijd op met Antilliaanse jongeren in de Amsterdamse Bijlmer. Van der San kwam in deze studie met een prikkelende stelling. Het criminele gedrag onder Antilliaanse jongeren is niet alleen te verklaren uit hun maatschappelijke achterstand. Het ligt ook aan de opvoeding; moeders grijpen vaak bewust niet in en zijn zo medeverantwoordelijk voor de criminaliteit van hun zonen.

In 1998 promoveerde Frank van Gemert met de dissertatie ‘Ieder voor zich’. In deze dissertatie doet Van Gemert verslag van een antropologisch onderzoek naar criminaliteit onder Marokkaanse jongeren in Rotterdam-Zuid. Oorzaak van de hoge criminaliteit zoekt Van Gemert in het onderlinge wantrouwen onder Marokkanen waar ‘ieder voor zich’ te werk gaat. Dit onderlinge wantrouwen heeft zijn oorsprong in de Marokkaanse Rif, de streek waar de meeste Marokkaanse migranten in Nederland vandaan komen. Dat is een arme en moeilijk toegankelijke streek waar de inwoners in een voortdurende onderlinge strijd zijn gewikkeld om de schaarse hulpbronnen.

Culturele factoren benadrukt

Zowel Van der San als Van Gemert zijn cultureel-antropologen. Dit geen toeval. Veel criminologisch onderzoek in Nederland is cultureel-antropologisch van aard. Culturele factoren worden dan ook vaak naar voren gebracht om criminaliteit onder etnische minderheden te verklaren. Daarbij wordt aan bepaalde cultuurelementen een dwingende kracht toegeschreven waaraan migranten zich niet kunnen onttrekken. De simpele dichotomieën waarin de Nederlandse of westerse cultuur wordt gesteld tegenover de niet-westerse cultuur staan overigens bloot aan kritiek. (Bovenkerk 2002)

"Toch blijft er om het onderwerp de waas van een taboe hangen en blijven journalisten en opiniemakers het taboe doorbreken"

CRIEM-nota

De uitlatingen van Bovenkerk voor de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden waren aanleiding voor de rijksoverheid om het CRIEM-project op te zetten. Doel van dit project was het scherper in beeld krijgen van de aard, omvang en oorzaken van de criminaliteit onder etnische minderheden en het aangeven van mogelijke oplossingen. In 1997 kwam er een nota uit over dit project. Daarin werd wederom geconstateerd dat allochtone bevolkingsgroepen zijn oververtegenwoordigd op het gebied van criminaliteit. Het aandeel van Marokkaanse en Antilliaanse jongeren is het hoogst, Surinaamse jongeren nemen een tussenpositie en Turkse jongeren scoren het laagst. Antilliaanse, Surinaamse en Marokkaanse jongeren worden vaker verdacht van diefstal door middel van geweld, vermogensdelicten en delicten tegen de Opiumwet dan Nederlandse verdachten. Turkse jongeren worden vaker verdacht van gewelddelicten en economische delicten. De oorzaken van deze bovenproportionele criminaliteit onder etnische minderheden hangen samen met factoren als sociaal-economische positie, leeftijd en woonomgeving maar deze vormen geen afdoende verklaring, aldus de nota. Aanvullende verklaringen worden vooral gezocht in de integratie- en acculturalisatieproblemen die etnische minderheden ondervinden. Bij de bestrijding van criminaliteit wordt vooral aangedrongen op meer preventie.

De resultaten van het CRIEM-project bevestigen de conclusies die Junger en Zeilstra in 1989 al hadden getrokken. Dat is opvallend omdat er geen nauwkeurig cijfermateriaal bestaat. De registratie van de etnische afkomst van verdachten door de politie is namelijk in 1974 afgeschaft. Toch bestaan er onder de diverse onderzoekers geen verschillen in inzicht wat betreft omvang en aard van de criminaliteit onder etnische minderheden in Nederland. Steeds komt het reeds geschetste beeld naar boven. De onenigheid tussen de diverse onderzoekers gaat over de oorzaken van de criminaliteit. Toch blijft er om het onderwerp de waas van een taboe hangen en blijven journalisten en opiniemakers het taboe doorbreken. De laatste jaren zijn in het dagblad Trouw de criminoloog Frank Rutenfrans en journalist Jaffe Vink voortdurend bezig met onthullingen en roepen zij de Nederlandse samenleving op om de realiteit onder ogen te zien.

Het is nu 2003. Veertien jaar geleden schreven kranten in Nederland al in duidelijke bewoordingen over criminaliteit onder etnische minderheden, maar veel journalisten schijnen daarvan niet op de hoogte te zijn. Het lijkt wel of het debat over criminaliteit en minderheden rituele trekken heeft gekregen waarbij het doorbreken van het taboe een vast onderdeel is geworden.

Dit artikel verscheen eerder in Zebra-Magazine 2 / juni 2002. En is voor Extra! licht veranderd.

-Amersfoort, J. van en W. Biervliet Criminaliteit van minderheden. In: E. Wolk (red), De bedreigde burger. (Utrecht, Spectrum 1997)

-Bovenkerk, F. ‘Essay over de oorzaken van allochtone misdaad’. In: J. Lucassen en A. de Ruijter, Nederland multicultureel en pluriform? Een aantal conceptuele studies (Amsterdam, Aksant 2002)

-Beunders, H., Lijfgericht, keihard, meedogenloos. De onhandelbaarheid van Marokkaanse jongeren in de Randstad. NRC Handelsblad (14 januari 1989)

-Buikhuizen, W. en H. Timmerman, Criminaliteit onder Ambonezen. In: Nederlands tijdschrift voor criminologie (1971)

-Criminaliteit in relatie tot de integratie van etnische minderheden, Nota, (Den Haag, Ministerie van Binnenlandse Zaken, 1997)

-Gemert, F. van, Ieder voor zich. Kansen, cultuur en criminaliteit van Marokkaanse jongens. (Amsterdam, Het Spinhuis, 1998)

-Junger, M. en M. Zeilstra, Deviant gedrag en slachtofferschap onder jongens uit etnische minderheden I. (Arnhem/Den Haag, Gouda Quint / WODC, 1989)

-San, M. van, Stelen en steken. Delinquent gedrag van Curaçaose jongens in Nederland. (Amsterdam, Het Spinhuis 1998)

-Terlouw, G.J. en G. Susanne, Criminaliteitspreventie onder allochtonen. Evaluatie van een project voor Marokkaanse jongeren. (Arnhem/Den Haag, Gouda Quint / WODC, 1991)

-Werdmöller, H. Van vriendenkring tot randgroep. Marokkaanse jongeren in een oude stadswijk. (Houten, Het Wereldvenster 1986)

-Werdmöller, H. Een generatie op drift. De geschiedenis van een Marokkaanse randgroep. (Arnhem, Gouda Quint 1990)



Terug