Niet spreken met de verslaggever

Uit het boek Niet spreken met de bestuurder blijkt overtuigend dat Nederland feitelijk geen democratie is. Bovendien bevat deze bundel reportages van Gerard van Westerloo sterke aanwijzingen dat de journalistiek, de zelfbenoemde ‘waakhond van de democratie’, medeschuldig is aan de gebrekkige staat van de Nederlandse democratie.

door Tabe Bergman

Als op een ochtend blijkt dat het imposante kasteel dat je jarenlang hebt beschermd is leeggeroofd en zelfs vervallen tot een ruïne, krab je je als integere waakhond ongetwijfeld eens flink achter de oren. Waar ging het mis? Kan ik mezelf nog wel met recht ‘waakhond’ noemen? En vooral: wat moet er veranderen?

Het ligt dus in de lijn der verwachting dat in menig redactielokaal de afgelopen weken vertwijfelde journalisten zichzelf achter de oren hebben gekrabd. In welke mate dit ook daadwerkelijk is gebeurd valt moeilijk te achterhalen. Duidelijk is wel dat de ‘onthullingen’ van Gerard van Westerloo nauwelijks tot een openbaar debat hebben geleid over het falen van de journalistiek wat betreft een van haar belangrijkste taken: het bevorderen en bewaken van de democratie.

Een van de redenen voor deze houding van ‘business as usual’ ligt voor de hand: Van Westerloo’s conclusies verrasten de meeste journalisten niet. Eerdere artikelen van Gerard van Westerloo over het gebrek aan democratie in Nederland verschenen al in de jaren tachtig in Vrij Nederland en later in M, het maandblad van NRC Handelsblad. Deze mogelijke verklaring pleit de ‘waakhond van de democratie’ natuurlijk niet vrij. Integendeel.

Uit Niet spreken met de bestuurder is op te maken dat de meeste journalisten dezelfde ideologie aanhangen als de ‘socialen’. Deze term, die Van Westerloo optekenende uit de mond van een Amsterdamse trambestuurder, duidt het huichelachtige, arrogante en in zich zelfgekeerde kader van het vervoersbedrijf en meer in het algemeen de politici aan. Volgens Gerard van Westerloo heeft "bijna niemand in de journalistiek, van Vrij Nederland tot Elsevier, zich aan de omfloerspraterij onttrokken." (pag. 14) Oftewel, de journalistiek sprak en spreekt over het algemeen dezelfde taal - en deelt dus dezelfde waarden - als de ‘socialen’, de heersende klasse. Geen wonder dat de meeste journalisten de wenselijkheid van verdere democratisering niet inzien.

Journalisten weten natuurlijk al jarenlang dat Nederland geen echte democratie is. De kop van het artikel in Volkskrant Magazine ter gelegenheid van het afscheid van Wim Kok verwoordde deze opvatting treffend: "Voor het volk zonder het volk". De wetenschap dat er heel wat schort aan de Nederlandse democratie ervaren de meeste journalisten niet als problematisch. De feiten worden bijna terloops opgemerkt. Gerard van Westerloo is de uitzondering die de regel bevestigt: hij is een journalist die daadwerkelijk waarschuwt voor de voortschrijdende uitholling van de democratie.

"vraag de gemiddelde hbo-student of Nederland een democratie is – ik weet het uit ervaring - en hij kijkt je verrast aan, voor hij iets sputtert als ‘natuurlijk…’"

Dit is het resultaat van een journalistiek die zijn taak verwaarloost: vraag de gemiddelde hbo-student of Nederland een democratie is – ik weet het uit ervaring - en hij kijkt je verrast aan, voor hij iets sputtert als ‘natuurlijk…’ Geen toonaangevende krant, tijdschrift of televisieprogramma heeft hem ooit iets anders verteld, of een systematische poging in die richting gedaan. Het erge is niet eens dat de gemiddelde student meent dat Nederland inderdaad een democratie is, maar dat hij hier nooit aan heeft getwijfeld. Herstel: dat hij nog nooit aan het twijfelen is gebracht.

Dat is gedeeltelijk de schuld van de journalistiek, meent ook politicoloog Paul Frissen: "Altijd als ik in Den Haag rondloop merk ik: wat ik overdag zie, daar gaat Den Haag Vandaag die avond nooit over. Het is een soort hallucinatie. Overdag zie je in Den Haag dat het publiek domein eindeloos gevarieerd is. Den Haag Vandaag brengt dat terug tot wat de politiek van belang vindt. De suggestie is, hier gaat het om, u ziet wel kijker, de politiek is leidinggevend in het publieke domein." (pag. 261)

Die suggestie, het mag nu wel duidelijk zijn, is vals. Van Westerloo toont dat overtuigend aan. De politiek is dusdanig verstrengeld met de ambtenarij dat van controle op de uitvoerende macht nauwelijks meer sprake is. De politiek is niet onafhankelijk. Niet zelden is meer dan de helft van de leden van controlerende organen als gemeenteraden voor zijn dagelijks brood afhankelijk van diezelfde overheid. Niet minder dan 53 procent van de 760 volksvertegenwoordigers in provinciebesturen is in overheidsdienst. (pag. 144)

De Eerste Kamer, zo geven veel Senatoren toe met verbluffende openhartigheid, controleert de wetsvoorstellen afkomstig uit de Tweede Kamer niet op bijvoorbeeld uitvoerbaarheid, zoals het behoort te doen, maar doet het politieke spelletje van de volksvertegenwoordiging nog eens dunnetjes over. In Arnhem wordt de gemeenteraad bevolkt door welvarende mensen die niets van de problemen van gewone Arnhemmers afweten en hun tijd verdoen met interne machtsspelletjes. De enige jongeren in Leeuwarden die lid worden van een politieke partij zijn studenten aan de Thorbecke Academie. Zo’n lidmaatschap staat nu eenmaal goed op je cv. Het is praktisch onmogelijk om een hoge ambtelijke functie uit te oefenen zonder lid te zijn van een politieke partij – dat wil zeggen, van een grote, want de kleintjes hebben te weinig invloed. Carrièrejagers verbinden hun lot liever niet aan een ‘radicale’ partij als GroenLinks.

Boeiend en ontroerend zijn de reportages over de bestuurders van de Amsterdamse tramlijn zestien, waarmee de bundel begint en eindigt. In 1984 sprak Van Westerloo hen voor het eerst. Onomwonden analyseerden de bestuurders de problemen van de ‘multiculturele samenleving en hekelden ze de huichelachtigheid van de ‘socialen’ die de bestuurders verboden om overvallers en zakkenrollers te identificeren als ‘buitenlanders’. In 2003 blijkt de situatie verslechterd: er zijn nog meer regelaars bijgekomen. Met dit verschil dan, dat wat de bestuurders twintig jaar geleden al zeiden nu wel door de ‘socialen’ wordt geaccepteerd. Behalve dat zij zich tegenwoordig netjes in het pak steken, zijn ze niets veranderd. " Dat streberige voor zichzelf" hebben ze nog steeds.

"Ze spraken er schande van dat Elma Verhey en ik ‘geheel kritiekloos’ mensen sprekend opgevoerd hadden die klachten hadden over allochtoon gedrag. Daarmee stigmatiseerde je toch hele bevolkingsgroepen? Waarom hadden we er niet bijgeschreven dat we die klachten onjuist, onterecht en politiek gevaarlijk vonden?"

De eerste reportage, die destijds verscheen in Vrij Nederland, lokte een typerende reactie uit van een aantal collega-journalisten: "Ook de Werkgroep Minderheden van de Nederlandse Journalisten Vereniging stond binnen de kortste keren bij Vrij Nederland op de stoep. Die werkgroep was gevuld met intens fatsoenlijke collega’s van gerenommeerde dag- en weekbladen. In hun vrije tijd plozen ze het werk van anderen nauwgezet na op bedenkelijke passages. Ze spraken er schande van dat Elma Verhey en ik ‘geheel kritiekloos’ mensen sprekend opgevoerd hadden die klachten hadden over allochtoon gedrag. Daarmee stigmatiseerde je toch hele bevolkingsgroepen? Waarom hadden we er niet bijgeschreven dat we die klachten onjuist, onterecht en politiek gevaarlijk vonden?" (pag. 65)

Oftewel, mensen die ‘politiek gevaarlijke’ uitspraken doen mogen niet gewoonweg aan het woord worden gelaten door journalisten. Nee, het volk moet in zulke gevallen ook worden onderwezen hoe de wereld wél in elkaar steekt. Het antidemocratische sentiment is overduidelijk en typerend. Janmaat en zijn partij werden jarenlang doodgezwegen door de ‘verantwoordelijke media’ omdat ze vreesden dat publiciteit automatisch zou leiden tot populariteit. Uit het geloof dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking zich wellicht slaafs achter Janmaat zou scharen, spreekt een diepe minachting voor de verstandelijke vermogens van ‘de gewone man’. Het tegenovergestelde standpunt is in beginsel net zo goed te verdedigen: media-aandacht zal leiden tot een snellere ontmaskering van Janmaat. Deze bevoogding is des te vreemder als je kijkt naar de geschiedenis: nooit, ook niet in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog, kon extreem-rechts in Nederland rekenen op een aanhang van enige betekenis.

Ook recensies van Niet spreken met de bestuurder in de dagbladpers weerspiegelen de elitaire houding die een belangrijk deel uitmaakt van de journalistieke cultuur. Van de landelijke dagbladen maken de ‘kranten voor de gewone man’, De Telegraaf en Algemeen Dagblad, geen melding van Van Westerloo’s bevindingen. NRC Handelsblad, de Volkskrant en Trouw doen dit wel.

"Zo gaat dat dus als je als journalist bezorgd bent om het democratisch gehalte van dit land en zoekt naar wegen om die te verhogen: dan ben je een romanticus en geen realist."

NRC Handelsblad wijst er meewarig op dat Van Westerloo een "romanticus" is omdat hij "meent dat er een ideale democratie bestaat waar iedereen volledig en tot zijn volle genoegen aan zijn trekken kan komen." Zo gaat dat dus als je als journalist bezorgd bent om het democratisch gehalte van dit land en zoekt naar wegen om die te verhogen: dan ben je een romanticus en geen realist. Van Westerloo schrijft overigens nergens "dat er een ideale democratie bestaat waar iedereen…" et cetera, en hij wekt ook niet de indruk hierin te geloven. Hij lijkt wel te geloven dat verdere democratisering mogelijk is. Je hoeft waarachtig geen romanticus te zijn om, gezien de huidige toestand van de Nederlandse democratie, te geloven dat het inderdaad mogelijk is, op welke wijze dan ook, om de Nederlandse maatschappij verder te democratiseren.

Volgens NRC Handelsblad vergist Van Westerloo zich: het zijn de burgers die de politiek hebben uitbesteed aan beroepspolitici, en niet de beroepspolitici die de burgers uitsluiten. Waar in dat geval de grote afkeer vandaan komt voor de huidige generatie politici - door het volk zelf naar voren geschoven - legt de recensent van NRC Handelsblad niet uit. O ja, toch wel: ook dat is de schuld van de geïndividualiseerde burger die "snelle, op maat gesneden oplossingen eist voor elk probleem".

Uit de vlakke recensie in de Volkskrant spreekt geen echt oordeel, maar uit de recensie in Trouw des te meer. Na veel lof volgen een paar punten van kritiek: "Hij [Van Westerloo] laat voortreffelijk zien dat de volksvertegenwoordiging nauwelijks een volksvertegenwoordiging genoemd mag worden. Maar hoe dat precies komt en wat je eraan kunt doen, komt niet uit de verf." Inderdaad draagt Van Westerloo geen oplossing aan en beperken zijn artikelen zich voornamelijk tot signaleren, de analyse blijft vrijwel achterwege. Gelukkig weet de recensent van Trouw wel een uitweg uit de benarde situatie waarin de Nederlandse democratie zich bevindt: de politiek moet bewust naar tegenspraak en tegenwicht zoeken.

Verrassend genoeg niet, zoals je zou verwachten bij de burgers, want: "De burger kan niet kiezen. De burger wil vaak alles tegelijk: drie keer per jaar op vakantie vanaf Schiphol én de luchthaven groen en geluidsarm houden. Tolerant en vriendelijk zijn tegen vreemdelingen, maar de problemen van hun aanwezigheid niet accepteren. Enzovoorts. Om in die dilemma’s een marsroute uit te stippelen is politiek leiderschap nodig."

Het is dus de verantwoordelijkheid van onze leiders om op zoek te gaan naar het broodnodige tegenwicht tegen hun eigen, op dit moment nauwelijks gecontroleerde, macht. Het doel van dit zoeken naar tegenwicht is de gebreken van de Nederlandse democratie te overkomen. Dit tegenwicht kunnen de burgers zelf, besluiteloos als ze zijn, uiteraard niet bieden.

Gerard van Westerloo, Niet spreken met de bestuurder, de Bezige Bij, 2003.

 

CDA-Senator Yvonne Timmerman-Buck meldt dat ze een column geschreven heeft voor de website van de Eerste Kamer. Dat doen alle senatoren, eens in de week, om de beurt. Men is toe aan aflevering 48.

‘De mijne ging over de euthanasiekwestie,’ zegt Yvonne Timmerman-Buck. ‘Maar hij is geweigerd.’

‘Geweigerd?’ roept de vergadering verbaasd. ‘Door wie?’

‘Door de ambtelijke leiding van de Eerste Kamer.’

‘Waarom?’

Het antwoord slaat de fractie met stomheid.

‘Omdat de inhoud te politiek was.’

Een politiek orgaan dat terugschrikt voor een politieke column: het verbijsterd CDA-gelach moet tot in de belendende VVD-vergaderzaal te horen zijn geweest.



Terug