Oorlog als lifestyle

De beeldvorming rond de oorlog in Irak vertoont zoveel overeenkomsten met de fictieve beelden in oorlogsfilms dat het leidt tot een vermindering van realiteitszin. Hoe is deze vermindering tot stand gekomen? En hoe is, in verband hiermee, de verhouding tussen fictie en werkelijkheid?

door Astrid Willemsteijn

"Ik zag een raket op me af komen; het was net als in de film. Het leek niet echt. Ik hoorde geen harde geluiden, alleen maar gezoem." Zo sprak een Amerikaanse soldaat tijdens een persconferentie in Duitsland waar gewonde soldaten werden behandeld. Een typerende uitspraak ten tijde van de oorlog in Irak.

Oorlogsbeelden zijn zo bekend dat ze ons nauwelijks meer iets lijken te doen. Er wordt niet ingegaan op de beelden zelf, maar op de rol die de beelden spelen in termen van perceptie. Journalisten vinden het doodnormaal te praten in 'Hollywoodtermen'. Een oefenterrein van Amerikanen in Irak is te vergelijken met een Hollywooddorp en beelden van de oorlog worden voor uitzending van het NOS Journaal begeleid door een spannend filmmuziekje.

Lucette ter Borg schreef in Vrij Nederland al voor het uitbreken van de oorlog in haar artikel 'Rambo is overal': 'Het Westen mag beweren politiek, militair en geestelijk nog niet 'klaar' te zijn voor de echte strijd, maar via de beeldtaal van film, reclame, beeldende kunst en mode hebben wij ons de oorlog al eigen gemaakt. Sterker nog: we zijn er van bezeten.'

Oorlog is via allerlei media in ons leven gaan zitten, het is een ware lifestyle geworden. We doen boodschappen in grote terreinwagens, dragen legerbroeken en dansen strijdlustige passen op gabberdeuntjes.

Dit zogenaamde militainment is volgens Ter Borg begonnen na het produceren van de film Apocalypse Now in 1979. Regisseur Francis Ford Coppola schreef het scenario samen met Vietnam-oorlogsjournalist Michael Herr. Herr beschreef de oorlog in Vietnam als volgt: 'The war made so many casualties, its war and its music had run power off the same circuit for so long they didn't even have to fuse.'

En wat doet Coppola? Hij filmt Apocalypse Now als een stoere rock-'n-rollervaring waar de personages stevig op de proef worden gesteld en waar als in een Bildungsroman hun identiteit verandert. En zo werden er tot nu toe honderden oorlogsfilms gemaakt. Het is dan ook niet raar dat de gewonde soldaat in Duitsland zijn ervaring met de neerstortende raket alleen met behulp van filmtermen kon omschrijven.

Hollywood

Echte oorlogen hebben veel fictieve verhalen opgeleverd en nu helpt fictie de realiteit van oorlog te omschrijven. De verklaring voor het fenomeen dat oorlog tot een soort cult is verworden, is misschien te vinden in de werkwijze van de filmindustrie in Hollywood. Zoals bekend heeft de Amerikaanse regering altijd gebruik gemaakt van de grote invloed die Hollywood met zijn films op het publiek uitoefent.

Auke Hulst beschrijft in Vrij Nederland in haar artikel 'Rekruut Hollywood' de geschiedenis van dit gegeven. Al in het eerste decennium van de vorige eeuw maakte de politicus Woody Wilson gebruik van het medium film. Zo legde hij via bioscoopjournaals zijn interventiepolitiek aan het publiek uit.

Volgens Hulst wankelt de houding van Hollywood tussen kritisch en meegaand. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog liet het toespraken zoals die van Wilson toe, maar later liet het zijn eigen politieke standpunt zien. Voordat de Tweede Wereldoorlog een zaak van de Amerikanen werd, waren er vanuit Hollywood al aardig wat anti-nazistische films gemaakt. Als reactie vanuit de regering werden hier maatregelen tegen genomen.

Pas toen Amerika zelf betrokken raakte bij de oorlog, werden de anti-nazistische films als effectief propagandamiddel beschouwd. Vanaf dat moment kreeg The Office of War Information een vinger in de pap bij Hollywood. Het bureau publiceerde handboeken met richtlijnen voor de filmindustrie en ambtenaren schoven aan bij het schrijven van de scenario's. Hollywood liet het toe, totdat de oorlog in Vietnam een vies Amerikaans spelletje leek te worden. Met Apocalypse Now toonde de filmindustrie zich daarom volgens Hulst juist weer kritisch.

Oorlogscult

Waar Ter Borg in deze film de cultivering van oorlog ziet, denkt Hulst dat met deze film kritiek werd geleverd op de Amerikaanse regering. De jaren zestig en zeventig omschrijft zij als 'de dageraad van een tijdperk van wantrouwen, ironie en cultuurpessimisme, dat tot 11 september een factor van belang zou blijven in Hollywood'. Vanaf toen nam de filmindustrie het weer op voor de Amerikaanse regering.

Maar waar Hulst zelf de afhankelijkheid die er nu bestaat tussen het maken van een succesvolle oorlogsblockbuster en de hulp van het ministerie van Defensie aangeeft, ziet zij tegelijkertijd niet dat die afhankelijkheid geen kritiek kán toelaten. Volgens haar is het studiosysteem nu zo 'afgebrokkeld' dat het smeden van een alliantie tussen regering en filmindustrie veel moeilijker is geworden: 'De macht van de regisseurs en sterren is dermate toegenomen dat je de industrie niet een-twee-drie in het gelid krijgt. Daarbij is Hollywood minder interessant geworden voor propaganda doeleinden.'

Maar hoe zit het dan met de uitwisseling van technische informatie over oorlogsstrategieën in ruil voor artistieke controle? Het voortbestaan van de oorlogscult vindt zijn voedingsbodem waarschijnlijk in die afhankelijkheid tussen Hollywood en de regering. Politiek en entertainment beïnvloeden het dagelijkse leven. Wanneer deze hand in hand gaan kan dit uitgroeien tot een navolgbare levenswijze.

Als de Amerikaanse regering controle uitoefent op alles wat een commerciële achtergrond met zich meedraagt, dan zal ook in geval van oorlog hun strategie opgepikt worden door het grote publiek. En zo, zo stellen cultuursociologen Tom Holert en Mark Terkessidis in 'Rambo is overal', 'vervagen grenzen en vervloeien overgangen; het onderscheid tussen werkelijkheid en fictie wordt dan steeds moeilijker te trekken zeker voor een publiek dat in meerderheid de beelden van oorlog alleen nog kent van het celluloid, van glossy advertenties en uit de popmuziek.'

Retoriek

Wat ten slotte onbesproken blijft in beide artikelen is het gebruik van beeldmanipulatie dat zowel door de regering Bush als door Saddam Hussein voor hun politieke strategie wordt ingezet. Dit gegeven heeft een enorme invloed op het publiek en stuurt gedachten over oorlog in één bepaalde richting.

De fascinatie voor oorlog is niet een vorm van nieuwsgierigheid naar het onbekende einde (zoals Ter Borg dat als verklaring naar voren brengt), maar wordt bewust naar voren gebracht en in stand gehouden door verschillende regimes.

Er zijn al vaker vergelijkingen gemaakt over de retoriek van Bush en Saddam. En ook op dit punt hebben beide heren, weliswaar met inhoudelijke verschillen, de oorlog als iets goeds en onoverkomelijks weten te presenteren. Hun strategie is in allerlei facetten van het dagelijks leven terug te vinden en heeft de oorlog tot een 'way of life' gemaakt.



Terug