Het goede nieuws van de oorlog tegen Irak

Is de mediaconsument de domme, volgevreten angsthaas waarvoor hij zo vaak wordt gehouden? Doorzien zij het spel niet veel beter dan algemeen wordt aangenomen? Karel Glastra van Loon is optimistisch.

door Karel Glastra van Loon

I

Ten tijde van de oorlog in Afghanistan (onze oorlog in Afghanistan, de goede oorlog) was ik samen met Kader Abdollah uitgenodigd voor een literaire avond ergens in Twente. Wij hadden ons beiden publiekelijk tegen die oorlog uitgesproken, en dus stond de literaire criticus die ons die avond interviewde wat langer bij de kwestie stil dan voor zo'n soort bijeenkomst gebruikelijk is.

Ik herinner me dat Kader Abdollah toen zei dat zelfs in de diepste duisternis altijd een lichtpuntje is te vinden, een lichtpuntje dat voor hem destijds bestond uit de wetenschap dat de dagen van het Taliban-bewind waren geteld. Voor iemand als Abdollah, die in zijn vaderland Iran aan den lijve ondervond hoe het is om te leven onder een islamitisch-fundamentalistische dictatuur, was dat een vooruitzicht dat hem bijna met de oorlog verzoende.

Sindsdien heb ik mij voorgenomen om bij elke nieuwe oorlog mijn eigen kleine lichtpuntjes te zoeken. En één lichtpuntje in de duisternis van de oorlog in Irak (fase 1 van Woolsey's Vierde Wereldoorlog), is voor mij gelegen in het feit dat er enige vooruitgang lijkt te zitten in het publieke bewustzijn van de mediamanipulatie. Tijdens geen van de oorlogen uit pakweg de laatste twee decennia is zo veelvuldig geschreven en gesproken over de rol van de media in de berichtgeving en over de vele pogingen van betrokken machthebbers om de media te sturen. Niet eerder was er naast het nieuws ook zo veel meta-nieuws. Voortdurend werd gediscussieerd over de rol van de embedded verslaggevers. Regelmatig waren er reportages over de berichtgeving over de oorlog in de VS en over hoe die verschilde van die in de rest van de wereld.

En de brutale en dodelijke aanvallen van de Amerikanen op de kantoren van de Arabische nieuwszender Al Jazeera veroorzaakten dit keer aanzienlijk meer verontwaardiging dan toen iets soortgelijks gebeurde in Kaboel, Afghanistan. Dat is pure winst, want nog geen anderhalf jaar geleden was de algemene opvatting dat de grootste bedreiging voor de vrijheid van nieuwsgaring en meningsuiting uit precies dezelfde regio kwam waarop in de afgelopen weken de Amerikaanse bommenregens zijn neergedaald, en dat die Amerikaanse bommen de enige manier waren om dat gevaar te neutraliseren. Wie het toen wilde hebben over de bedreiging die het neoliberale marktfundamentalisme voor genoemde vrijheden vormde, kon op z'n best rekenen op meewarigheid. En anders wel op veel boos onbegrip.

II

In zijn essay 'The corporate takeover of news', gepubliceerd in de in 1997 verschenen bundel Conglomerates and the media, doet Richard Cohen verslag van de ondergang van het ooit eerbiedwaardige CBS News. Cohen was jarenlang senior producer van het nieuws van het Amerikaanse televisienetwerk CBS. Totdat hij op een kwade dag in de jaren tachtig een kritisch interview met toenmalig vice-president George Bush sr. produceerde.

Het interview, door anchor-man Dan Rather, ging over Bush' betrokkenheid bij het Iran-Contra-schandaal, en het ontaardde, door de vasthoudende en kritische vragen van Rather, in een ordinaire scheldpartij van de kant van Bush. Bij CBS Inc. was men not amused. In de woorden van Cohen: "Het management was niet geïnteresseerd in de journalistieke kant van de zaak. Waar het hun om ging was dat verschillende station-managers hun beklag hadden gedaan omdat de kijkers naar verluid niet blij waren met onze kritische aanpak. Vice-president Bush had gelogen dat hij niets van de Iran-Contra-deal had afgeweten. Maar de uitgezonden confrontatie was simpelweg bad for business." De controverse kostte Cohen zijn baan.

Wat Cohens essay zo interessant en belangwekkend maakt, is echter niet deze persoonlijke noot, maar veeleer de algemene analyse die hij maakt van de verschuiving die heeft plaatsgevonden in de manier waarop in Amerika over nieuws wordt gedacht een verschuiving die ook in de rest van de Westerse wereld is waar te nemen.

In de jaren twintig van de vorige eeuw, zo leren we van Cohen, definieerde de Amerikaanse schrijver en journalist Walter Lippman het begrip 'nieuws' nog als "a picture of reality on which men can act", een definitie die in later jaren wat vrouwvriendelijker werd herschreven door het woord men te vervangen door citizens. Journalisten en producenten van nieuws, zo betoogt Cohen, achten hun werk belangrijk voor het functioneren van de democratie. Hoe zouden burgers immers tot een afgewogen keuze van hun politieke vertegenwoordigers kunnen komen als zij niet of onvoldoende zouden worden geïnformeerd over de wereld om hen heen? En hoewel nieuws in de VS zowel in de krant als op televisie altijd business is geweest, was het geen business als alle andere. Voor de verkoop van nieuws golden andere wetten dan voor die van waspoeder, om de simpele reden dat nieuws van groter maatschappelijk nut en belang was.

Die opvatting over nieuws, en over het belang van het maken van journalistieke in plaats van louter commerciële afwegingen bij het verzamelen en verspreiden van nieuws, wordt inmiddels alom voor hopeloos ouderwets versleten. "Ik beweer", schrijft Cohen, "dat de inhoud van nieuws is veranderd van wat belangrijk is in wat verkoopt, wat betekent dat het meestal helemaal geen zuiver nieuws meer is". En elders: "Televisie verkoopt niet als je het publiek meer provoceert dan behaagt, meer uitdaagt dan toejuicht. Dat kan elke nieuws-manager je vertellen." En de lezer kan slechts bevestigend knikken.

Het verontrustende van Cohens essay is dan ook niet gelegen in het nieuwe van wat hij zegt. Integendeel, zou ik bijna zeggen. Het verontrustende is dat zijn woorden inmiddels zo zeer door de werkelijkheid worden bevestigd dat ze hun urgentie lijken te hebben verloren dat al te gemakkelijk het idee kan postvatten dat ze er niet meer toe doen. Want hoewel iedereen de juistheid van Cohens uitspraken zal kunnen beamen, ook hier in Nederland, blijven velen tegelijkertijd volhouden dat de kwaliteit van de nieuwsvoorziening door deze ontwikkeling niet wezenlijk is aangetast. Laat staan dat de kwaliteit en de weerbaarheid van de democratie erdoor in gevaar gebracht zouden worden.

En toen brak dus de Vierde Wereldoorlog uit.

III

De Amerikaanse minister van Defensie, Donald Rumsfeld, is wat je noemt een media-genieke man. Hij is nooit te beroerd om voor de camera's te verschijnen. Ook niet, of misschien wel: juist niet, als hij wordt geconfronteerd met tegenwind.

Dreigen de Duitsers en de Fransen de Amerikaanse pogingen te dwarsbomen om internationale goedkeuring te krijgen voor de oorlog tegen Irak? Dan is Rumsfeld er als de kippen bij om de twee landen te bestempelen tot "het oude Europa" en "oud" betekent in Amerika 'out', dat weet iedereen. Stuiten de Britse en Amerikaanse soldaten in Irak op veel grotere weerstand dan waarop gerekend was? Dan verschijnt Rumsfeld glimlachend voor de camera's om te vertellen dat alles geheel volgens plan verloopt, en dat niemand ooit heeft beweerd dat deze oorlog een makkie zou worden. En lijkt de situatie in Irak onder controle? Dan wordt het volgens Donald Rumsfeld de hoogste tijd om de aandacht te gaan richten op de volgende schurkenstaat, in casu Syrië, zodat we vooral niet te lang blijven stilstaan bij de vraag hoe het nu eigenlijk verder moet met Irak. Ja, Donald Rumsfeld kun je gerust om een boodschap sturen en dat doet Bush dan ook bij voortduring.

De vraag is nu: doet die uitgekookte omgang met de media de Amerikaanse positie nu ook werkelijk goed? Hebben mannen als Rumsfeld, maar ook Colin Powell en niet te vergeten Bush zelf, met hun zorgvuldig geregisseerde media-optredens de steun in de wereld voor de oorlog tegen Irak vergroot? Het lijkt me niet. Het tegendeel is eerder het geval: hoe vaker Bush en zijn meest naaste strijdmakkers het afgelopen jaar op televisie verschenen, des te virulenter werd het 'anti-Amerikanisme'. Naar mijn idee heeft dat twee oorzaken.

De eerste is, dat de leden van de regering Bush zó extremistisch zijn dat zij velen al tegen zich innemen als zij alleen maar simpelweg zeggen wat ze denken. Door daarnaast ook nog eens schaamteloos de meest primitieve angsten en driften van het Amerikaanse kiezersvolk te bespelen, maken zij zichzelf nog eens dubbel ongeloofwaardig in de ogen van een ieder die niet tot die doelgroep behoort.

En dat dit alles niet alleen in de huiskamer van de televisiekijker wordt gevoeld, maar ook nog eens bespreekbaar wordt gemaakt in een groot deel van de mainstream media, heeft weer alles te maken met de extremiteit van de regering-Bush. Was Clinton nog iemand die de neoliberale marktideologie aan de man bracht met quasi-idealistische jaren zestig retoriek, de hardliners van Bush kiezen voor een keiharde neoconservatieve aanpak. Wij zijn de grootste, de beste en de sterkste, roepen de mannen van Bush voor elke microfoon die hun onder de neus wordt gehouden, en dat zullen jullie weten ook!

Met een man als Donald Rumsfeld als pleitbezorger van de nieuwe neoliberale wereldorde, heb je nauwelijks nog criticasters nodig. Hij is de levende ontmaskering van elke goede bedoeling. En de zoemende camera's brengen het allemaal haarscherp in beeld. Zelfs die van Richard Cohen's CBS News.

IV

Wat wil de mediaconsument? Hij wil vertroeteld worden en behaagd. Hij wil wel opwinding, maar geen verontrusting. Het mag gerust een keertje spannend zijn, graag zelfs, maar over de uitkomst mag geen misverstand bestaan: de goeien moeten winnen en de slechten moeten verliezen en liefst ook flink vernederd, want dat is prettig voor het eigen kwetsbare ego. Dat is, kort samengevat, het beeld dat cultuurpessimisten ons voorhouden van de gemiddelde televisiekijker. Het is een beeld dat, paradoxaal genoeg, naadloos aansluit bij de manier waarop er door velen in medialand over de eigen kijkers en lezers wordt gedacht al kiest men daar vanzelfsprekend iets andere bewoordingen.

Maar klopt het beeld?

Is de mediaconsument de domme, volgevreten angsthaas waarvoor hij zo vaak wordt gehouden? Bestaat 'de' mediaconsument eigenlijk wel? Hebben 'de' kijkers en 'de' lezers niet al heel lang in de gaten hoe er over ze gedacht en gesproken wordt? Doorzien zij het spel niet veel beter dan algemeen wordt aangenomen?

Eind maart was ik in Italië, het land van Berlusconi. Waarom was de bevolking daar massaal gekant tegen de oorlog in Irak, terwijl de Grote Directeur zélf zijn vriend George Bush juist van ganser harte steunde en natuurlijk niet naliet daar op al zijn eigen tv-zender kond van te doen?

Hoe kan het dat zelfs in de Verenigde Staten, waar informatie over verre buitenlanden als Irak, welhaast volledig uit de grote media is verdwenen en waar het neoliberale marktdenken over 'nieuws als product' nog veel beangstigender vormen heeft aangenomen dan hier in Europa hoe kan het dat zelfs daar de anti-oorlogsbeweging al vóór het vallen van de eerste bommen groter was dan in de dagen van de Vietnam-oorlog?

Er is geen simpel antwoord te geven op deze vragen. Maar er zijn wel beginnen van antwoorden. En één zo'n begin is volgens mij gelegen in het simpele feit dat de mens een dier is dat leert. Toon hem tien keer hetzelfde kunstje, en de elfde keer denkt hij toch echt: seen that, been there, done that. Het is dat we inmiddels allemaal weten dat ze gek genoeg zijn om de daad bij het woord te voegen, maar anders zouden de waarschuwingen van Bush cum suis aan het adres van Syrië toch volmaakt lachwekkend zijn? Wie de mediaconsument vandaag de dag nog wil behagen, zal op z'n minst zelf blijk moeten geven van enige gezonde scepsis ten aanzien van datgene wat zo lang is doorgegaan voor 'een slimme mediastrategie', of 'goeie p.r.'

Misschien zijn 'we' wel dom, maar helemaal achterlijk zijn we inmiddels toch ook niet meer. Dat is op z'n minst ten dele te verklaren uit het enorme overaanbod aan nieuws-nieuwe-stijl: nieuws dat niet bedoeld is om beslissingen op te baseren, maar alleen maar om 'te verkopen'. In deze donkere tijden is dat, om met Kader Abdollah te spreken, toch een klein lichtpuntje.



Terug