‘De oorlog slaat terug’: journalistendebat in De Balie

“Waar zijn de Irakezen? Waar is de oppositie?”

De Nederlandse Vereniging voor Journalistiek (NVJ) organiseert iedere maand een debat onder de naam Media en Migranten. Zoals de afgelopen keren werd het debat geleid door Frènk van de Linden. “Verstandig of stemmingmakerij?” was de treffende titel en dit sloeg op de relatie tussen (oorlogs)verslaggeving en opinievorming in Nederland. Extra! was er bij.

door Anna Windgassen en Martin Hulsing


Of het er iets mee te maken heeft is niet geheel duidelijk. Maar wij stonden voor de deur van de Balie om ons “licht opruiende blaadje” aan de journalisten-man/vrouw te brengen. Ons eerste slachtoffer was Frènk van der Linden. Gehaast kwam hij aanlopen. Keurig gekleed, zijn haar in een snelle coupe, probeerde hij ongemerkt langs ons promoteam te glippen. Hij was echter niet voorbereid op onze inmiddels tot in de puntjes geperfectioneerde technieken om ‘onschuldige’ journalisten te confronteren met die andere werkelijkheid. Terwijl hij zijn exemplaar bij zich stak en zijn bril niet voor de laatste maal die avond in de perfecte positie bracht, maskeerde hij zijn onmacht en jachtigheid met de opmerking: “Waar doe je het toch allemaal voor jongen?”

“Ik begrijp je gewoon niet, wees eens duidelijk.”

Frènk was al begonnen aan zijn inleiding toen we binnenslopen, de jas over de arm en een halfleeg kopje koffie in de hand, en in de volle zaal een plekje wisten te bemachtigen. Hij benadrukte dat het debat niet inhoudelijk zou gaan over Irak, Bush, Israel, de Palestijnen of relschoppende moslimjongeren. Het zou uitsluitend gaan over de wijze waarop de media deze onderwerpen behandelen. Duidelijk. En aan die opdracht heeft hij zich nauwgezet gehouden. Hij hield het onderwerp centraal, alle debattanten kregen goed de ruimte om hun verhaal te doen en waar ze zich verloren in duistere formuleringen riep hij ze tot de orde: “Ik begrijp je gewoon niet, wees eens duidelijk.”


Straatjes schoonvegen

De eerste twee gasten waren Toine Heijmans, een uit de Hollandse klei getrokken knul met blozende wangen die voor de Volkskrant de redactie voert over de multiculturele onderwerpen, en de flamboyante Ahmet Olgun, voor NRC met diezelfde taak belast. Ahmet: “Het probleem is niet zozeer de verslaggeving, maar de beeldvorming wordt bepaald door de opiniestukken, (…) door slechte journalistiek.” Toine heeft voor de avond zelfs nog tien jaargangen Volkskrant doorgenomen. Volgens hem is er geen verschil tussen de verslaggeving van nu en van tien jaar geleden. Die was toen evenwichtig, en dat is nog steeds het geval: “Je moet het niet te veel problematiseren.” Vasthouden aan de journalistieke basics: vragen stellen, blijven vragen, checken en praten.

Toine, die gedurende de gehele avond vol overtuiging de straatjes van de verantwoordelijke dagbladjournalisten aan het schoonvegen bleef, geeft evenwel al snel toe dat de basisregels voor de journalistiek niet meer voldoen: “Zelf ervaar ik nu: hoe meer ik weet, hoe moeilijker ik het vind.” Ahmet geeft hiervan een treffend voorbeeld, want moet je in een nieuwsverslag nu vermelden dat het handelend subject of het lijdend voorwerp een ‘Turkse Nederlander’, een ‘Turk’ of een ‘Nederlander’ is? Het redactiebeleid van NRC is tegenwoordig om de culturele achtergrond van de persoon wel te vermelden, “behalve als er zwaarwegende redenen zijn dat niet te doen.” Wat hij daarmee bedoelt is ons niet duidelijk geworden.Toine herhaalt dat we ‘vroeger’ ook al kampten met dezelfde journalistieke problemen: “Vroeger stond er ook al in de krant dat er sprake was van polarisatie, dat het slecht gesteld is met de integratie. Al in 2000 schreef de Volkskrant daarover.” Frènk: “ Ja, en Bolkestein had het daar 9 jaar geleden in Oostenrijk al over, dus 2000 is niet echt een primeur, nietwaar?” Als het aan Toine en Ahmet had gelegen dan was het hierbij gebleven. Zelfs de Amerikaanse oorlog in voorbereiding kon de heren van Volkskrant en NRC niet bewegen tot een diepgaande opmerking over de rol van de media.

“ Reactie media op Abou Jahjah
mateloos bekrompen en
ongehoord agressief ”

De knuppel in het hoenderhok

Tijd voor een ander geluid. Frènk introduceert een derde gast. De socioloog en publicist Shervin Nekuee, met dikke bos donker gekruld haar tot op de schouders van zijn seventies pak, is verontrust. Hij heeft een knuppel in het hoenderhok gegooid met een opiniestuk in NRC waarin hij betoogt dat het van het grootste belang is dat moslimjongeren in Europa een stem krijgen, vooral bij een mogelijk langdurige oorlog tegen Irak. Abou Jahjah, de leider van de Arabisch Europese Liga (AEL) in België, kan de kloof tussen gedepriveerde moslimjongeren en Europeanen versmallen en dient daarom serieus genomen te worden. Shervin vindt de reactie van de Nederlandse media op Abuou Jahjah “mateloos bekrompen”. In een aantal tv-uitzendingen is Abou Jahjah door onder andere Andries Knevel, Felix Rottenberg en Matthijs van Nieuwkerk “ongehoord agressief” benaderd. Hij wordt afgeschilderd als een fundamentalistische griezel. En inderdaad, zelfs SP-er Agnes Kant is niet zo onbeschoft behandeld door de goeroes van de publieke omroep. Stemmingmakerij dus. Shervin: “De media doen alsof ze een boef hebben gevangen. Het is vergelijkbaar met de verslaggeving over Pim Fortuyn: eerst was het een enge kale man die extreemrechtse denkbeelden verkondigde, toen werd hij spokesman voor een leeuwendeel van de bevolking. Het beeld en de benadering verschuiven, dat gebeurt ook bij Abou Jahjah.” Kalm maar dringend legt Shervin uit waarom deze mediareactie naar zijn gevoelen kwalijk is: “Er is nu eenmaal een grote groep jonge moslimmannen die zich associëren met de onderdrukking in het Midden-Oosten. Zij zijn een lading springstof. Als de oorlog in Irak Vietnam-achtige proporties aanneemt, zal deze gedepriveerde groep van zich laten horen.”

Frènk: “ Zijn de media dan verantwoordelijk voor het exploderen van die springstof? Dat zeg jij eigenlijk, toch?”

Shervin: “Nee, het is genuanceerder. Er is geen podium voor hun meningen, dat moet er komen. Abou Jahjah kan een woordvoerder zijn. Hij moet dan ook eerlijk gehoord worden. Dat is van groot belang. Door ze steeds als dreiging te benaderen, raken zij nog gefrustreerder. Vooral de TV speelt hierin een grote rol.” Toine kan een “heel eind mee” in de visie van Shervin dat bepaalde groepen niet serieus worden genomen op “alle, eh…nou ja, veel niveaus”. Maar dat geldt natuurlijk niet voor de serieuze dagbladen zoals de Volkskrant en de NRC. Al met al vindt Toine dat de media het best goed doen: “het probleem ligt in de politiek”. “Kan wel zijn Toine, maar daar gaan we het vanavond niet over hebben”, zegt meester Frènk. Ahmet blijft bij de les en signaleert dat journalisten vaak vanuit hun angst voor de Islam redeneren, “en ook scoringsdrift natuurlijk”. “De nuance wordt zodoende weggelaten. Neem bijvoorbeeld het geval El Moumni. Hij heeft in een opname expliciet gezegd dat hij elke vorm van geweld tegen homo’s afkeurt. Maar juist dat stuk wordt geknipt. Resultaat: we horen alleen zijn opmerking dat homoseksualiteit een ziekte is. Dat heeft hij inderdaad gezegd, maar snap je dat de nuance wegvalt?” Het is jammer dat Ahmet zijn meest relevante bijdrage aan de discussie gelijk weer teniet doet door een tang op een varken te laten slaan met de kreet dat je hoe dan ook “niet zomaar alles in de krant mag zetten”. En dat nota bene terwijl hij een week daarvoor een blunder heeft gemaakt door in een artikel te vermelden dat Zaghboubi de Nederlandse leider van de AEL wordt.

“Het is gewoon onkundigheid:
veel, snelle hot issues,
de inhoud wordt
losgelaten.”

Een ander kaliber

Na de confrontatie van de stratenmakers op zee met de relschopper is het tijd voor de introductie van nog twee heren, die van een geheel ander kaliber zijn. Fouad Sidali, een kleine jongensachtige intellectueel in een te groot jasje, redacteur van het NOS-journaal, en de imposante Mehmet Ulger, medewerker van ANP, Contrast en Wordt Vervolgd. Vergisten wij ons, of waaide er een licht verfrissend briesje van het podium langs de gezichten van de vertegenwoordigers van links-intellectueel Amsterdam in de zaal? Frènk vraagt Fouad naar zijn visie op de vermeende invloed van de televisie op het ‘multiculturele drama’. Hij valt aan: “Nova is sinds Rik Rensen bezig een serie over islamtopics te maken, waaraan werkelijk alles mis is. De nuance is ver te zoeken. Ze laten bijvoorbeeld constant sprekers aan het woord die niet in staat zijn hun groep behoorlijk te vertegenwoordigen”. Door de hijgerige aanpak van scoren met behulp van controversiële, gewaagde items wordt volgens hem de bangigheid (om het maar geen angst te noemen) voor de islam gevoed. Mehmet springt Fouad bij: “Het is gewoon onkundigheid: veel, snelle hot issues, de inhoud wordt losgelaten. Er is een groot gebrek aan kennis en diepgang.” En dan richt hij zich geagiteerd tot Shervin: “Wie zijn die moslimjongeren? Zijn er soms geen verschillen? Men gooit ze op één hoop, allemaal generalisaties. Dat is kwalijk.” De discussie is begonnen. Shervin weert zich: “Je moet het er wel over hebben, over de frustraties en dreiging van die groep.”

“Shit, er zitten hier sleepers“

Iedereen in het panel is het er al snel over eens dat er in de media veel meer aandacht moet komen voor de verschillende personen en achtergronden die nu gemakshalve worden gevangen onder de noemer ‘allochtonen’ of ‘islamieten’. Dat dat nu niet gebeurt ligt volgens Ahmet aan “onkundigheid”, volgens Mehmet komt het omdat de redacties “witter dan wit” zijn. Frènk: “Maar, als jullie dan in die redacties zitten, als er nu allochtonen in de redacties zitten, waarom is er dan onkunde? Is dat geen expertise dan?” Mehmet: “Dat is onzin. Waarom zou een allochtoon alleen over allochtonen moeten schrijven, waarom zou alleen hij dat kunnen? Elke journalist moet dat kunnen.”

Frènk: “Maar waarom moeten jullie dan gevraagd worden? Waarom lukt het een blanke redactie niet?” Volgens Toine heeft het alles te maken met de wereld na 11 september; het toegenomen bewustzijn over het mogelijke moslimterrorisme in Nederland: “Shit, er zitten hier sleepers.” Volgens Ahmet is er een strijd gaande om “tough on Islam” te zijn: “Met name publicisten als Paul Cliteur hebben hier een voortrekkersrol in genomen.”

Zhagboubi, de vermeende nieuwe leider van de AEL in Nederland (de misser van Ahmet in NRC) , en Ayaan Hirsi Ali komen ter sprake als voorbeelden hoe een hype in gang wordt gezet zonder dat het representatief is voor de islam in Nederland. Als er berichten over “mogelijke Nederlandse islamterroristen” binnenkomen op de redactie van de Volkskrant, gaat er volgens Toine “een elektrische siddering door de redactie.” Daarmee wordt in ieder geval de gretigheid verklaard, en gedeeltelijk ook de ‘fouten’, ‘blunders’ en ‘eenzijdigheid’ in de verslaggeving.

“de macht van de media
wordt niet of nauwelijks democratisch
gecontroleerd“

“Hoe kunnen we het dan beter doen?”, vraagt Frènk aan de debaters. Fouad en Ahmet, die tenminste volmondig erkennen dat er een probleem is, vinden dat er geprobeerd moet worden om “meer kanten te belichten”. Fouad: “Nu hoor je op dag één het ene uiterste en op dag twee het andere.” Ahmet: “Sommige invalshoeken zijn niet relevant of te geforceerd. Namens wie spreken Abou Jahjah en Zaghboubi? We moeten meer individueel sprekende mensen aan het woord laten.” Toine, alsof hij de afgelopen minuten heeft zitten dutten: “Er zijn nauwelijks goede woordvoerders te vinden.” Frènk: “Ja, dat zeggen ze ook over vrouwen in de politiek: er zijn geen goede vrouwen te vinden”.

Shervin is geheel in de lijn van zijn functie als onafhankelijk publicist de enige die tijdens het debat refereert aan “de macht van de media”. Hij vraagt zich af of er na 9/11 dan geen enkel bewustzijn onder journalisten is ontstaan van de macht die ze hebben, “en dat ze dus het grote nieuws kunnen genereren.” Met oog voor de meer fundamentele kwestie merkt hij op: “de opinie wordt steeds meer bepaald door de media dan door vaste ideologische denkkaders. En de macht van de media wordt niet of nauwelijks democratisch gecontroleerd.”

Toine: “Wel, er is de NVJ [Nederlandse Vereniging voor Journalistiek].”

Iedereen: “Ja…pffff.”

Jammer genoeg blijft het hierbij en is Shervin niet in staat zijn punt bij te zetten met krachtige voorbeelden.

Als laatste komt het panel van wijze mannen op het onderwerp redactiebeleid en migranten. Ahmet zegt dat er op de redactie van NRC wel afspraken zijn, maar die zijn niet op papier gezet. Verder wil hij er niets over vertellen. Frènk: “Waarom niet? Het lijkt wel of je in de politiek zit, Ahmet.” Op de Volkskrant-redactie wordt er ook veel over gediscussieerd en schijnt er zelfs een werkgroepje mee bezig te zijn, maar ook Toine wil er niets over loslaten. Fouad vertelt dat er bij het NOS-journaal een werkgroep is aangesteld die zich gericht bezighoudt met het redactioneel beleid. Eén van de bevindingen van de werkgroep is dat in de verslaggeving over de op handen zijnde oorlog tegen Irak bepaalde onderwerpen nauwelijks aan de orde komen: “geen Irakezen, geen oppositie, alleen vertalingen van het BBC-nieuws.”


Het publiek

Dan is het tijd voor reacties uit de zaal. Er wordt opgemerkt dat het er op de burelen van de krantenredacties veel solistischer aan toe gaat dan bij het NOS-journaal. Iemand stelt dat er weinig samenhang en weinig beleid is aangaande de beroepsethiek. Volgens Toine en Ahmet valt dat allemaal best mee. Ahmet: “We bellen regelmatig met de redactie. We hebben van tijd tot tijd wel contact over de kwesties. Er wordt veel over gediscussieerd.”

“ klaargestoomde Amerikaanse
journalisten”

Er wordt geïnformeerd hoe de redacties zich voorbereiden op de oorlog. Worden Nederlandse journalisten voorbereid of wordt het nieuws van de 500 (iemand brult “1000!”) “klaargestoomde Amerikaanse journalisten” overgenomen? Er wordt door de verschillende redacteuren uitgelegd dat er niet alleen nogal wat correspondenten in het Midden-Oosten zitten, maar dat ook in het binnenland de peiling wordt gestemd “onder jongeren, de politiek, maatschappelijke instituten en verenigingen.” De enige kritische noot aangaande dit onderwerp komt van Mehmet: “Maar weten zij überhaupt waar ze naar toe gaan? Kennen ze het gebied waar ze zitten? Zijn ze voorbereid? Bijvoorbeeld het NOS-journaal geeft soms gewoonweg incorrecte informatie.”

Dan volgt een emotioneel betoog van een Irakese vrouw die een aantal avonden actualiteitenrubrieken en het NOS-journaal heeft gevolgd. Haar conclusie is dat het allemaal vertalingen zijn van de BBC en CNN. Volgens haar zijn het eenzijdige meningen die uit “deskundigenpanels” komen, die niets anders doen dan analyseren wat de Amerikanen denken. “Waar zijn de Irakezen? Waar is de oppositie?” Frènk, die de hele avond voorbeeldig heeft geleid, kan in dit geval niet het geduld opbrengen haar te laten uitspreken. Hij zegt dat hij haar punt heeft begrepen en zij zegt dat ze nog niet is uitgesproken. Dit herhaalt zich en de zaal begint zich te roeren. Frènk: “We hebben aan het begin afgesproken dat ik dit debat zou leiden.” Maar de zaal neemt het voor de vrouw op: “Frènk, laat haar uitspreken.” Het enige dat ze nog wil toevoegen is dat er volgens haar veel meer informatie is te vinden op internet: “Waarom komt dat niet ter sprake op de televisie?”

Fouad, die zelf eerder al had verteld over de werkgroep van het NOS-journaal die tot soortgelijke conclusies was gekomen, reageert kalm op de kritiek: “Ze heeft wel enigszins gelijk. Er zijn geen vaste correspondenten in Irak, alleen regelmatig een verslaggever. Dat komt omdat verslaggevers visa krijgen voor slechts 10 dagen en ze altijd worden begeleid door een mannetje van de Geheime Dienst. Maar Gerrie Eijckhof probeert wel degelijk gedegen verslag te doen van de mening en ervaring van het Irakese volk. Men heeft de oppositie in Londen ruimschoots aandacht gegeven. Het journaal heeft echter weinig tijd tot haar beschikking. Daarom geeft zij de voorkeur aan een panel met Nederlandssprekenden die in 3 à 4 minuten duidelijk kunnen maken waar het om gaat. Netwerk en Nova hebben meer tijd, zij behoren dat te doen. Geef ons tijd en we doen het.” Opvallenderwijs verzwakt Fouad zo de conclusies van de NOS-werkgroep die hij eerder nog vol trots presenteerde. Tijd is natuurlijk geen excuus. Bovendien gaf de Irakese vrouw aan dat voor informatie een reis naar Bagdad niet noodzakelijk is. Internet biedt vele mogelijkheden. Daarbij is het niet onmogelijk om een Nederlandssprekende deskundige te vinden die een andere kijk op de zaak heeft. Dat het anders kan is ook wel hier en daar te vinden in krantenartikelen. De informatie is er wel.

Een andere spreker beschrijft zichzelf als behorende tot een “gematigde islamitische vereniging”. Hij zegt al een aantal artikelen te hebben opgestuurd naar de Volkskrant, “maar jullie hebben mij tot op heden niet gevonden.”

Ter afsluiting komt er vanuit de zaal de vraag of het te voorkomen is dat journalisten zullen meegaan in de informatiewaan van de oorlog. Een vrome intentieverklaring volgt, die als motto kan dienen bij de ‘Eeuwige Vlam’ die gebrand wordt voor de Onbekende Journalist: “Ja, bij vorige oorlogen en conflicten bleek ook achteraf dat bepaalde info niet geheel klopte. Dat kun je niet voorkomen, maar je doet wel je best. Je probeert uiteraard kritisch te zijn, maar je bent ook afhankelijk van je bronnen.”

Conclusie

Het was boeiend om de diverse ideeën van de journalisten over de media te horen. Helaas bestond het gehele panel uit mannen, het blijft blijkbaar moeilijk om geschikte vrouwen te vinden? Het is natuurlijk niet eenvoudig om in de spiegel te kijken. Dat gold voor allemaal. Toine en Ahmet gaven blijk van de meest naïeve kijk: er is niets mis met de verslaggeving, het ligt aan de opiniestukken, de politiek, slechte journalistiek, whatever, les autres. Shervin had, misschien omdat hij zelf geen verslaggever is, veel meer het vermogen om het mediabedrijf te bezien en te bekritiseren. In zijn kritiek raakte hij ook aan de fundamentelere kwesties, zoals macht van de media, beeldvormingmechanismen en de heersende ideologie. Maar door gebrek aan duidelijke voorbeelden kwam ook zijn kritiek niet uit de verf. Fouad en Mehmet hadden zonder twijfel het meeste inzicht in het journalistieke metier. Ze kwamen met concrete kritiek, ook al betrof dat voornamelijk andere journalisten. Bovendien kwamen zij met voorstellen om verbeteringen aan te brengen in de “eenzijdige” verslaggeving.

Uiteraard is er een relatie tussen (oorlogs)verslaggeving en opinievorming. De ontkenningen van Toine en Ahmet zijn niet overtuigend. De vraag wat de verslaggeving beïnvloedt is een stuk interessanter: ter sprake kwamen angst (voor islam), scoringsdrang en onkunde. De kwesties van macht en ideologie werden jammergenoeg alleen door Shervin aangestipt. Daar had wel wat meer aandacht aan geschonken mogen worden. Misschien een idee voor een volgend debat?



Terug