Kunnen media een rol spelen voor een barmhartige samenleving?

Een verslag over het debat van het Humanistisch Vredesberaad

Op donderdag 6 februari 2003 werd in zaal De Unie te Rotterdam een debat gehouden over de vraag of de media een rol kunnen spelen in het stichten van vrede. Uitgenodigd door het Humanistisch Vredesberaad waren Bart Verkade (chef nieuwsdienst van het Rotterdams Dagblad), Hans Nijenhuis (NRC Handelsblad), Hans Krikke (filmmaker/journalist) en onze eigen Extra!-redacteur Martin Hulsing. Presentatie: directeur van de Humanistische Omroep, Jan Haasbroek.

door Astrid Willemsteijn

“Nee, de media kunnen geen rol spelen in het stichten van vrede”, stelt Hans Krikke. Zelf ooit verdacht van RARA-praktijken en volgens collega’s een terrorist, geeft Krikke zijn mening over de Nederlandse media als startsein van het debat. Hij omschrijft de media als een doorgeefluik van een door de elite geconstrueerde werkelijkheid. Nederlandse journalisten streven geen objectiviteit na, maar knappen het werk op van de politieke elite. Daarmee legitimeren zij de macht. Omdat opgedane kennis heel complex is, moeten journalisten volgens Krikke getraind zijn in het versimpelen van de verkregen informatie. En juist door dat versimpelen ontstaan er vooroordelen. De informatie wordt heel zwart-wit weergegeven, ook wel het dichotome denken genoemd. Doordat het dichotome denken van journalisten de overhand krijgt, worden alternatieve denkwijzen erg riskant. Krikke: “Zo wordt Afrika een natuurramp en de oorlog een middel voor vrede. De vraag naar gerechtigheid verdwijnt.” Daarom kan de media niet als een instrument optreden bij het stichten van vrede. “De waarheidscontrole wordt over boord gegooid en de impact van de leugen gaat over het rechtzetten van de leugen heen.”

Volgens Hans Nijenhuis worden er in de Nederlandse media wel degelijk alternatieve onderwerpen aangehaald. Hij vraagt zich af of het wel zo is dat er voornamelijk zwart-wit beelden naar voren komen. Maar ondanks dat is ook hij van mening dat de media niet voor vrede kunnen zorgen. “De media moeten niet proberen vrede te maken. Ze moeten mensen een mening kunnen laten vormen. Informeren is namelijk belangrijker dan het bevorderen van vrede.” Gek genoeg geeft deze gevestigde journalist tot slot ook te kennen dat journalisten “de leugen” doorgeven, maar, zo stelt hij hier nogmaals tegenover, het is dan aan de consument om een mening te vormen.

Martin Hulsings reactie hierop is dat dit iets te simpel is gesteld. Immers, het gaat niet om wat er in de krant staat, maar hoe. “Neem de krant van vandaag. Vannacht heeft Powell in de Veiligheidsraad voor de zoveelste maal bewijs gepresenteerd van de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak. Trouw presenteert bijvoorbeeld het ‘bewijsmateriaal’ kritiekloos op de voorpagina, met foto’s en al. Ze maken vermelding van een nieuwe vondst: ‘geheime, maar betrouwbare bewijzen’. Het is niet alleen dat dit wordt gepresenteerd zonder enige kritiek in de verslaggeving, ook in het redactioneel wordt de ‘indrukwekkende presentatie’ van Powell geprezen.” Dat is het probleem. Wanneer je de Nederlandse kranten met elkaar vergelijkt, blijken er slechts subtiele verschillen te zijn. Omdat er geen keuzemogelijkheden zijn, is het in tegenstelling tot wat Nijenhuis beweert voor de lezer moeilijk een eigen mening te vormen. Overigens is Hulsing het ook niet eens met de stelling dat de media een doorgeefluik van de elite zijn. Het gaat niet om zwart-wit denken, maar om welke vragen er aan de orde komen. In plaats van de vraag of Irak gevaarlijk is, zou misschien het “gevaar van de Verenigde Staten” centraal gesteld kunnen worden. Journalisten hebben daar vrijwel geen interesse in.

Anders dan Hulsing denkt Bart Verkade dat er wel degelijk te kiezen valt uit de berg informatie. De journalist van het Rotterdams Dagblad benadrukt dat volledige objectiviteit niet te realiseren is en dat er kritisch wordt bericht. Door het dagblad worden allerlei meningen geboden en deze zijn niet zwart-wit. Verkade: “De gevestigde orde heeft een hele horde voorlichters om zich heen. Daar komt de kunde van journalisten aan te pas. Zij moeten zoeken in het bombardement aan informatie om tegenlicht te kunnen bieden. Hier staan leugens in, maar journalisten zijn zelf geen leugenaars.” Dat de media op deze manier vrede kunnen stichten, lijkt een onmogelijke taak.

Ondertussen kwam ook het publiek aan het woord, omdat gespreksleider Jan Haasbroek menigeen zijn microfoon onder de neus duwde. De sprekers waren veelal ontevreden consumenten van de Nederlandse media. Hiermee verdween de vraag uit het debat welke rol de media spelen in tijden van (naderende) oorlog. Er werden voornamelijk suggesties gedaan om de diversiteit aan berichtgeving te vergroten. Laat bijvoorbeeld eens Arabische journalisten aan het woord, zodat ook hun visie over de kwestie naar voren komt. Of verander in elk geval de vaste ploeg journalisten in Den Haag eens. Hoe dan ook, allerlei meningen gingen over en weer waardoor er weer eens een debat ontstond over ‘de journalistiek’. De vraag werd eigenlijk: Gaat het publiek de oorlogsvoerders steunen omdat de media zo zwart-wit berichtgeven? Kan meer diversiteit in de berichtgeving deze houding veranderen? De vraag of dit leidt tot vrede is dan van veel latere orde.

In het Rotterdams Dagblad en NRC Handelsblad kwam het debat in het geheel niet aan de orde. Voor zover bekend heeft alleen Tom Knippers van de Perstribune (21 februari jl.) er aandacht aan besteed. Maar zelfs dit studentenblad draait als vanzelf om de werkelijke kwestie heen en doet liever verslag van ijdele journalistiek. Een duidelijke conclusie op de vraag of media in staat zijn bij te dragen aan een vredelievende samenleving, kwam niet echt naar voren. Op de slotvraag van Haasbroek of er nog suggesties waren om dit voor elkaar te krijgen, gaf Hans Krikke een laatste antwoord. “ Leg de media bijvoorbeeld langs een etnografische meetlat als het gaat om de berichtgeving van illegalen en integratie. Of richt een comité op die de Nederlandse media scherp in de gaten blijven houden.” Afgezien van het feit dat deze al bestaat onder de naam Extra! is dit nog steeds geen antwoord op de gestelde vraag. Een direct antwoord op die vraag is van de Nederlandse journalisten niet te verwachten.



Terug