Vreemde vragen bij gijzelingsdrama

Toen Rusland in 1979 Afghanistan binnenviel, waren de mannen van het Afghaanse verzet, de moedjahedien, in Westerse ogen vrijheidsstrijders. Na de aanslagen van 11 september 2001 en de daarop volgende oorlog in Afghanistan veranderde dit beeld in sommige Nederlandse kranten een beetje. Enkele journalisten legden in achtergrondberichten een link tussen het moslimfundamentalisme van de moedjahedien en de daaruit voortgekomen Taliban, zonder overigens al te opzichtig te verwijzen naar de CIA, die deze lieden van wapens en opleidingen had voorzien. Momenteel lijkt het wel alsof de Nederlandse pers van haar vroegere ‘verkeerde inschatting’ van de moedjahedien heeft geleerd. Nu ziet zij in een eerder stadium in dat de oorlog die Rusland voert tegen de Tsjetsjeense bevolking ondanks zijn ietwat duistere zijden past in de algehele ‘oorlog tegen het terrorisme’ die wereldwijd woedt. Daarom is zij ook niet in staat de juiste vragen te stellen naar aanleiding van de recente gijzelingsactie in Moskou.

door Patrick Pubben

Voor 11 september 2001 klonk er geregeld kritiek op de manier waarop Rusland de roep om onafhankelijkheid van de Tsjetsjenen onderdrukte. Maar na de aanslagen in de VS verstomden kritiek en verontwaardiging geheel en vervloog ook de aandacht voor het gebied. Tsjetsjenië werd plots in een heel ander daglicht geplaatst, dat van het internationale terrorisme. Herhaaldelijk werd het gebied genoemd als een mogelijke schuilplaats voor uit Afghanistan gevluchte leden van Al-Qaida,1 of voor Bin Laden zelf.2 Het begrip voor Ruslands al langer durende oorlog tegen het terrorisme nam toe en uiteindelijk verdwenen de wreedheden die in Tsjetsjenië door de Russische overheid worden begaan als onderwerp geheel uit de Nederlandse pers.

De Volkskrant weet op 25 oktober van dit jaar naar aanleiding van de Moskouse gijzelingsactie te melden: "Sinds Rusland zich na 11 september aansloot bij het front tegen het terrorisme, verstomde de internationale kritiek op de oorlog die het Russische leger al bijna tien jaar voert tegen de Tsjetsjeense separatisten. Toch bombarderen Russische gevechtsvliegtuigen nog bijna dagelijks rebellenkampen in Tsjetsjenië en sterven er Russische soldaten door Tsjetsjeense bomaanslagen op legerkonvooien."3 Interessant aan dit citaat is dat het om het bombarderen van rebellenkampen gaat, niet om steden en dorpen met gewone burgers. Ook de talloze kampen waar zo’n 150.000 burgers die voor het geweld in Tsjetsjenië zijn gevlucht, onder erbarmelijke omstandigheden verblijven, verdienen geen vermelding meer. Het conflict doet door de beschrijving ervan in de Volkskrant erg denken aan dat tussen Palestijnen en Israëli’s. De krantenlezer kan zich hierdoor makkelijk een beeld vormen. Of dit met de werkelijkheid overeenstemt, is van secundair belang. Tevens is het jammer dat sinds 11 september 2001 niet alleen de "internationale kritiek" verstomde maar dat ook de Volkskrant haar aandacht voor het conflict verloor ofschoon men blijkbaar weet had van wat er gebeurde.

Ruim een week voor de recente gijzelingsactie pikt NRC cijfers op die de Duitse krant Die Welt eerder publiceerde. Volgens de Duitse Inlichtingendienst zijn sinds 1999 bijna 10.000 Russische militairen en meer dan 80.000 Tsjetsjeense rebellen (sic) omgekomen. Zonder hier verder kanttekeningen bij te plaatsen schrijft NRC dat de „rebellen" thans nog „tweeduizend man sterk zijn", aldus „de Duitsers".4 Die Welt heeft het in een artikel van 13 oktober over meer dan 80.000 Tsjetsjenen. Het artikel in de Duitse krant, die als een eerder conservatieve krant geldt, stelt in de eerste alinea dat de kernboodschap van het dossier van de Inlichtingendienst is: "Rusland kan de oorlog in Tsjetsjenië militair niet winnen, maar wil hem echter politiek niet beëindigen." Verder gaat de krant wat dieper in op de uitzichtloze situatie in Tsjetsjenië: Rusland heeft in 2002 drieduizend extra soldaten naar het gebied gestuurd en bereidt voor begin 2003 een nieuwe fase van de oorlog voor; de corruptie onder de militairen is ongekend en staat een Russisch "succes" zeer in de weg. Ook de gelden voor wederopbouw van het land zijn inmiddels volledig verdwenen.

Deze feiten zijn echter oninteressant voor NRC. De dodencijfers, daar gaat het om. En die laten op zijn minst vermoeden dat er onder de slachtoffers een heleboel burgers zitten. Maar dit zou het beeld vertroebelen dat tegenwoordig van het conflict geschilderd moet worden: een strijd tussen rebellen en een leger.

En dan is er de gijzelingsactie in Moskou en stort de hele pers zich weer even op het drama, hoewel van enig interesse voor de situatie in Tsjetsjenië nauwelijks blijk wordt gegeven. Alle kranten bieden als achtergrond over Tsjetsjenië wat hapsnap-cijfermateriaal over een uit de lucht gehaalde Russische helikopter en gesneuvelde Tsjetsjenen maar nog eens uitleggen waar het conflict eigenlijk om gaat, lijkt een overbodige luxe (zie achtergrondartikel). Tijdens de gijzeling citeert Coen van Zwol van NRC een paar ingewijden die suggesties doen voor een vreedzame beëindiging5 maar na het hardhandig optreden van de Russische Alfa-eenheid is er eigenlijk maar één prangende vraag die de gemoederen bezighoudt: welk gas is er gebruikt en mocht dit wel?

Onbeantwoorde vragen

Een paar andere vragen ligt ook voor de hand maar worden niet gesteld. Ten eerste: waarom zijn alle gijzelnemers dood? NRC geeft er in een redactioneel commentaar enigszins cryptisch blijk van te weten dat deze niet allemaal in de strijd zijn gedood. "De gewisse executie van de gijzelnemers speelde, ondanks kritische kanttekeningen van Amnesty International, in het beleidscentrum van president Poetin geen rol."6 Maar ook NRC vindt dit niet belangrijk genoeg om er een (klein) berichtje aan te wijden.

Het Algemeen Dagblad weet op 30 oktober wel te berichten dat Amnesty International een grote campagne is begonnen tegen de schending van mensenrechten in Rusland maar komt niet op het idee te berichten over "de gewisse executie".

De Volkskrant weet op 8 november te vermelden dat ondanks eerdere verklaringen over gevangengenomen gijzelnemers toch alle Tsjetsjenen "tijdens de bevrijdingsactie zijn gedood".

Maar als medewerkers van de speciale eenheden na de gijzeling zelf verklaren dat ze (bewusteloze) gijzelnemers in het hoofd hebben geschoten omdat volgens de autoriteiten ieder risico moest worden uitgesloten7 dan mag je toch verwachten dat dit ergens expliciet wordt opgeschreven. Niet in de laatste plaats omdat het een schending inhoudt van Geneefse conventies, net als het gebruik van verboden gas. Fascinerend is ook dat in de weken erna het aantal slachtoffers enkel nog lijkt te bestaan uit gijzelaars.

Een tweede mogelijke vraag die gesteld kan worden is waarom het theater niet tot ontploffing is gebracht ondanks de enorme hoeveelheden springstof. Voor Corine de Vries van de Volkskrant lijkt dit vrij eenvoudig te liggen:"En dankzij het gas konden de Tsjetsjenen hun dreigement niet waarmaken dat ze het hele gebouw zouden opblazen."8 Zij stelt zich deze vraag ten minste nog, iets waar haar collega’s blijkbaar niet aan denken. Er zijn echter ook andere antwoorden mogelijk. Die Welt citeert een van de gijzelaars: „Ze wilden ons niet gewoon doden, niet eens tijdens de bestorming. Ze hadden toch alleen maar die twee draden die ze in de handen hielden, tegen elkaar aan hoeven te houden. Deze vrouwen in hun zwarte burka’s, ze zeiden zelfs toen het gas kwam: "Meiden, maak dat jullie wegkomen, naar buiten."9 Al verliep de bestorming nog zo snel, een prangende vraag blijft waarom geen van de gijzelnemers er toe in staat is geweest hetzij de explosieven rond het lichaam hetzij de grote bom die ergens centraal in de zaal was geplaatst, tot ontploffing te brengen. Poetin heeft door zijn handelwijze uiteindelijk de levens van alle personen in het theater op het spel gezet. Dat er niet meer slachtoffers zijn gevallen, ligt toch voornamelijk aan het feit dat de gijzelnemers geen gebruik hebben gemaakt van de aanwezige explosieven. Het is zelfs denkbaar dat de Russen bijvoorbeeld door de bemiddelingspoging van de journaliste Anna Politkovskaja die enkele uren in het theater verbleef en met de Tsjetsjenen sprak, wisten dat de gijzelnemers geen bloedbad aan wilden richten en de gijzelaars niet op wilden offeren. In dat geval is de hele bestorming een zinloos machtsvertoon geweest met als resultaat 169 doden. De kans is groot dat volgende acties nog bloediger verlopen nu duidelijk is dat onderhandelen met Poetin zowel goedschiks als kwaadschiks niet mogelijk is.

De woorden van de vroegere vice-president van Tsjetsjenië, Aboemoeslimov, lijken meer dan ooit van achter een IJzeren Gordijn te komen: "Een onafhankelijk Tsjetsjenië zou naar een confederatie met Georgië kunnen streven en samen met de Georgiërs toegang tot de NATO en de EU kunnen zoeken. Het is bekend dat het NATO-lidmaatschap het belangrijkste politieke en veiligheidsdoel van de regering Sjevardnadze in Tiflis is."10

Hyper-Noten

1  NRC 22/12/2001
2  de Volkskrant 27/12/2001
3  de Volkskrant 25/10/2002
4  NRC 14/10/2002
5  NRC 26/10/02
6  NRC 02/11/02
7  Bron: Frank Hendrickx, correspondent in Rusland voor de Nederlandse regionale dagbladen
8  de Volkskrant 28/10/2002
9   Die Welt 25/11/2002; citaat van gijzelaar Maria Jarowaja
10  Die Welt 27/10/2002


Een precedent: Franse commando's in Mekka

De Russen zijn niet de eersten geweest die bij een beëindiging van een gijzelingsactie gebruik maakten van gas. Van 23 november tot 5 december 1979 was Saoedi-Arabië het toneel van een vergelijkbare aanval zoals ondernomen in het theater in Moskou. In dat geval echter waren het Franse commando's die, met instemming van de Franse regering, op verzoek van de Saoedische autoriteiten, met gas optraden tegen opstandelingen. Deze hadden zich verschanst in de grote moskee van Mekka. Het ging hierbij om leden van een clandestiene oppositiebeweging die pleitte voor een republiek in Saoedi-Arabië, het stopzetten van (politieke) vervolgingen, beëindiging van het corrupte Wahabitische regime en het vertrek van de Amerikanen uit het land. De Saoedische veiligheidstroepen waren niet bij machte om de opstand van enkele honderden tegenstanders van het regime van koning Khaled de kop in te drukken. De Franse speciale eenheden dienden, onder leiding van generaal Barril, als ondersteuning van de 3000 Saoedische troepen om de revolte de kop in te drukken. Deze commando's hadden zich in een vluchtige plechtigheid 'bekeerd' tot de islam, zodat zij het heilige gebied van Mekka konden betreden. Pas na inzet van gas konden de circa 500 opstandelingen worden overmeesterd.

Het resultaat ten aanzien van het aantal doden blijft omstreden. Waar de Saoediërs gewag maakten van bijna 200 doden (waaronder 60 Fransen), is er achteraf melding gemaakt van in totaal 4000 verdwijningen.

Ondanks de uitgebreide aandacht in de Nederlandse media voor de gebeurtenissen in Moskou, werd er van dit historische incident geen melding gemaakt. Dit artikel is dan ook een korte samenvatting van een artikel van Jacques Isnard dat verscheen in Le Monde van 30 oktober 2002.

(Met dank aan Louis Samson)

 



Terug