Pleidooi voor een mondiale journalistiek

De journalistiek over ontwikkelingslanden loopt ver achter bij de realiteit. Rampen en oorlogen overheersen de berichtgeving, verbanden worden nauwelijks gelegd en voor diepgang is geen tijd en geen geld. Maar bovenal kijken de meeste media nog steeds vanuit een nationaal perspectief naar ontwikkeling: hoe helpen we een arm land net zo te presteren als wij? Een dergelijke benadering heeft volstrekt geen oog de mondialisering van de economie, de civil society en andere terreinen van de wereldgemeenschap.

door Frans Bieckmann

Architect Rem Koolhaas heeft voorgesteld een nieuw Schiphol in de Noordzee te bouwen. Op het land kan de luchthaven niet serieus groeien. Het zou een totaal nieuwe Europese 'hub' moeten worden, met tal van zakelijke faciliteiten en ruimte voor entertainment en ontspanning.

Zo zou een artikel over ontwikkelingslanden kunnen beginnen.

De meeste experts uit de traditionele ontwikkelingssamenwerking zullen wat glazig gaan kijken: wat heeft zo'n futuristisch geldverslindend project in godsnaam met de armen in het zuiden te maken? Koolhaas onderbouwt zijn voorstel met een analyse van de netwerken van de wereldwijde 'kinetische elite' - een term die hij leende van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk. De leden van die elite hebben een internationale infrastructuur nodig die voldoet aan hun reizende bestaan, waarin zij honderdduizenden vliegkilometers afleggen en soms letterlijk op vliegvelden wonen. Die elite bestaat niet alleen uit rijke noordelingen, zo betoogt ook de Spaanse socioloog Manuel Castells. Hij beschrijft de internationale samenleving als een space of flows, een ruimte van informatiestromen tussen verschillende knooppunten in de wereld. Deze 'global cities' staan constant met elkaar in verbinding: New York, Londen, Frankfurt en Tokio worden altijd het eerst genoemd, vanwege hun koppositie in de internationale financiële handel. Maar vrijwel elke hoofdstad met een beetje beurs maakt onderdeel uit van dat netwerk. Het gaat vaak om kleine delen van die steden. In Amsterdam bijvoorbeeld de Zuidas. Centra die internet- en satellietverbindingen hebben met andere centra. Soms gaat het om snelle netwerken binnen multinationals. Centraal in dit alles staat de rol van kennis, professionele diensten en high tech.

Achterhoedegevechten

De Amerikaanse wetenschapper Jeremy Rifkin stelt de internationale economie van de toekomst voor als een verzameling flexibele netwerken en samenwerkingsverbanden - en niet van markten - waarin 'leasing' de concrete verkoop van producten gaat vervangen. De allianties en tegenstellingen liggen niet meer zo simpel en zwart-wit, maar steeds weer anders. Als dat zo is, dan bekijk je de wereld niet als een reeks landen die allemaal dezelfde ontwikkeling kunnen doorlopen als ze hun best maar doen (en hun markten openen), maar als een reeks knooppunten, waarvan (politieke en vooral economische) elites in derde wereldhoofdsteden net zo goed deel uitmaken als de bovenkant van de samenleving in de rijke landen.

Het negeren van dit soort inzichten bij het bepalen van economische en handelsstrategieën kan leiden tot volstrekt misplaatste en achterhaalde prioriteiten. Ontwikkelingslanden voeren dan achterhoedegevechten. Internationale handelsafspraken - in de WTO gaat het er vooral om ook de laatste achterblijvers in die internationale netwerken te betrekken - en ontwikkelingsstrategieën moeten vanuit een ander perspectief bezien te worden.

Misschien zijn dergelijke theorieën luchtfietserij, maar ze worden gedragen door tal van vooraanstaande denkers. Ze vervangen zeker niet de nationaal georiënteerde ontwikkelingsvisies. Tot nu toe worden ze echter veel te weinig in de debatten betrokken. Ze worden gezien als iets dat alleen op de 'moderne' wereld van het rijke noorden van toepassing is. Als iets dat nauwelijks van doen heeft met het zuiden, en daar al helemaal niet speelt.

De echte tegenstellingen

Het vreemde is dat ook veel leden van die internationale elite - consultants, ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken, ontwikkelingswerkers, medewerkers van internationale ngo's én buitenland- en ontwikkelingsjournalisten - hun eigen realiteit nog steeds niet vanuit een dergelijk mondiaal standpunt bezien. Wat heeft Schiphol nou te maken met de Derde Wereld? Milieugroepen zien wel die samenhang: ze zullen inbrengen dat het plan een mondiale klimaatcatastrofe naderbij brengt.

Koolhaas' pleidooi had net zo goed kunnen gelden voor een vliegveld in Hongkong of Brazilië. Er zijn tal van enclaves in het Zuiden die volledig zijn ingericht op de moderne mondiale elite. Daar zijn de modernste communicatiemiddelen beschikbaar en merk je nauwelijks verschil met noordelijke centra. Rifkin oppert dat de wereld wel eens zou kunnen toegroeien naar een op entertainment en 'ervaringen' gebaseerde economie, waarin de cultuur verregaand vercommercialiseerd wordt en de rijkste twintig procent (de elite en zijn achterban) wordt vermaakt door de resterende tachtig procent.

Al staat buiten kijf dat de armoede in het zuiden veel schrijnender en wijder verbreid is dan in het noorden, de traditionele - geografisch bepaalde - tegenstellingen tussen Noord en Zuid zijn in dergelijke scenario's grotendeels verdwenen. De echte tegenstellingen zijn die tussen de elites - niet noodzakelijkerwijs alleen de rijksten en machtigsten, maar allen die mee kunnen doen in deze wereldwijde netwerken - en al die mensen die daar geen deel van uitmaken. Voor zover er dus sprake is van ontwikkeling, betekent dat vooral dat al die armen erbij moeten worden betrokken. Maar rijkdom druppelt niet automatisch omlaag, die theorie wordt zelfs door de grootste diehards niet meer zonder blozen verkondigd.

Dit is een pleidooi voor een nieuw journalistiek perspectief. Een mondiaal en integraal perspectief. Ontwikkelingslanden en ontwikkelingssamenwerking moeten niet alleen meer geïsoleerd bezien worden, maar in samenhang met andere internationale ontwikkelingen en gebeurtenissen. Er is steeds meer één mondiale economie met een transnationaal bedrijfsleven en een niet zo transnationale vakbeweging. Er begint ook een transnationale civil society te ontstaan. Maar het lukt nog niet om ook een wereldwijd sociaal systeem in te voeren. Daarvoor moet er eerst een mondiaal politiek instituut zijn. De Verenigde Naties functioneren niet goed in dat opzicht. De best lopende multilaterale instellingen (Wereldbank en IMF) zijn vooral internationaal (dus niet transnationaal of mondiaal) en weerspiegelen de machtsverhoudingen tussen staten. Ze weerspiegelen dus de almacht van de VS en de onmacht van het zuiden (maar ook van bijvoorbeeld de EU) om daar iets tegenover te stellen. Het rudimentaire begin van een wereldwijde rechtstaat is er: verdragen en volkenrecht bestaan al heel lang, maar met de internationale tribunalen wordt nu ook een mondiale rechtspraak ingevoerd. Opnieuw enigszins gekleurd door de houding van onder meer de VS, maar toch.

De realiteit verandert, en de media?

De Nederlandse buitenlandjournalistiek loopt hopeloos achter. Zij begrijpt - uitzonderingen daargelaten - bijvoorbeeld weinig van de protesten van de wereldwijde beweging voor een ethische globalisering - die wel oog heeft voor de nieuwe mondiale dimensies en daar ook een uiting van is, zowel door grensoverschrijdende samenwerking als door organisatievorm: steeds wisselende allianties en netwerken van soms zeer verschillende groeperingen. Meewarige observaties, sympathieke maar oppervlakkige reportages of een eenzijdige focus op gewelddadige demonstraties gingen niet gepaard met dieper gravende analyses, die inzicht verschaffen in het waarom en hoe van die beweging.

De werkelijkheid is veranderd, maar dat lijkt nauwelijks te zijn doorgedrongen tot de Nederlandse media. Die nieuwe werkelijkheid kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Ook ex-minister Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking keek, zij het vanuit een heel andere invalshoek en zich hevig afzettend tegen de beweging voor een andere globalisering, soms door een mondiale bril.

Vrijwel alle Nederlandse media berichten nog op een traditionele manier over de wereld: zij kijken vanuit Nederlands perspectief naar het buitenland. Zaken worden niet in hun onderlinge samenhang bekeken, maar als op zichzelf staand. De benauwende focus op het nationale werd weer pijnlijk duidelijk rond de publicatie van het NIOD-rapport over Srebrenica. Niet alleen werd er - door de politiek maar vooral door de media - wel heel makkelijk heengestapt over de schuldhiërarchie die door het NIOD was aangebracht (1. Mladic & co; 2. de internationale gemeenschap; 3. Nederland/Dutchbat), het was nota bene de Engelse krant The Guardian die kwam met een artikel over de rol van de internationale geheime diensten in de wapenhandel naar de Bosnische moslims en het opzetten van trainingskampen voor radicale moslims uit het buitenland. De informatie putte The Guardian uit het NIOD-rapport!

Omgekeerd zagen we onlangs nog een verrassend staaltje van journalistieke onderdanigheid. The Economist had zich verwaardigd een speciaal 'survey' aan Nederland te wijden. Voor het NRC reden het op de voorpagina te zetten. Het Journaal besteedde vele minuten aan het - zeker confronterende - oordeel van een Economist-journalist over acht jaar Paars. Hoe klein kan een land zijn?!

Een mondiaal perspectief

Soms gaan kranten een stapje verder en hanteren een internationaal perspectief: een vergelijking van nationale situaties, meestal in Europese landen. Het is niet meer alleen het eigen land dat telt als maatstaf, maar ook nog geen transnationale benadering waarbij Europa of de EU als uitgangspunt wordt genomen.

Een mondiaal perspectief gaat uit van de wereld als één geheel en 'daalt af' naar het nationale niveau en verder. De Groene Amsterdammer wijdt momenteel veel pagina's aan de internationale bewegingen en beziet dingen daardoor af en toe door een mondiale bril. Maar door geldgebrek nauwelijks met eigen werk, en vooral drijvend op een paar sterren aan dat firmament, zoals Naomi Klein. Die overigens zeker iets te melden heeft, net als collega-coryfee Noreena Hertz, die in de concurrentiestrijd is opgepakt door andere bladen. De enige journalistieke exercitie die echt vanuit een mondiale optiek werkt, is De Nieuwe Wereld, het tv-programma van de VPRO. Daarvan rest echter alleen de website, want na vier jaar is het programma opgeheven.

Journalistiek bedrijven vanuit een mondiaal perspectief betekent vooralsnog veel experimenteren. Zoeken naar wegen om de zeer abstracte tendensen vorm en inhoud te geven, tastbaar te maken. Door die grote ontwikkelingen te vertalen naar het leven van mensen, en door continu verbanden te leggen tussen concrete gebeurtenissen in noord en zuid.

 

Dit artikel verscheen eerder in Vice Versa, jaargang 36, nr. 2, 2002. Het maakt onderdeel uit van een serie artikelen over dit thema van dezelfde auteur in hetzelfde nummer van Vice Versa. Vice Versa is een kwartaaltijdschrift over ontwikkelingswerk, uitgegeven door SNV Nederlandse ontwikkelingsorganisatie.



Terug