De geest is uit de fles

Over democratie, demonen en de vijfde macht

door Patrick Pubben

De afgelopen dagen is 'demonisering' misschien wel een van de meeste gehoorde kreten op straat en in de media. Het 'afschilderen als een duivel' heeft als doel om mensen angst in te boezemen en kan ertoe leiden dat mensen de gedemoniseerde persoon gaan haten. Er is dus wel een verschil tussen demonisering en haat-zaaien. Een belangrijk aspect van dit proces is dat de gedemoniseerde persoon of groep geen gelegenheid krijgt om zich te verweren of zich om andere redenen niet verweert. Dit laatste is in het geval van Pim Fortuyn niet van toepassing. Sterker nog, hij heeft herhaaldelijk gezegd dat hij 'gedemoniseerd' wordt, wat ook uit te leggen valt als in een slachtofferrol kruipen. Onderzoek van de Vrije Universiteit (zie o.a. Extra! #8) had aangetoond dat de meeste media-aandacht uitging naar de persoon Pim Fortuyn, niet naar de inhoud van zijn programma, dat ook pas erg laat en in boekvorm bekend werd gemaakt. Interessant is dat zijn politieke tegenstanders in de twee weken voor zijn dood juist wat meer grip op Fortuyn hadden gekregen door de debatten meer op oplossingen voor aangekaarte problemen toe te spitsen. Fortuyn repte zelf als eerste van een demoniseringscampagne die tegen hem gevoerd zou worden, en wist daardoor de aandacht toch weer te vestigen op zichzelf als persoon. Dit heeft hem in de peilingen geen windeieren opgeleverd. Nu is hij echter vermoord maar in plaats van wilde speculaties is het beter te wachten op meer feiten omtrent de motieven van de dader, waarmee de daad overigens nooit goed gepraat kan worden.

Direct na de moord op Pim Fortuyn moesten eerst 'milieu- en links activisme' het ontgelden. De Telegraaf loopt in zijn onthullingen hieromtrent wel voorop: de dag na de moord prijkt al op de voorpagina dat de dader "extreem-links" was. Zaterdag 11 mei presenteert de krant van sluimerend Nederland een lang artikel over de schietlessen die de milieumaffia krijgt. In het redactioneel commentaar van die dag waarschuwt de krant weliswaar om het "misselijkmakende dierenactivisme of ecoterrorisme" te onderscheiden van het "traditioneel milieuactivisme" maar wil over dat laatste wel nog graag kwijt dat zijn belangrijkste doelstelling het "soms op irritante wijze (...) verstoren van de openbare orde" is. Dinsdag 14 mei luidt een kop op de voorpagina van De Telegraaf: "Volkert is bekende van taartensmijters". Dit feit volgt uit drie onnavolgbare stappen: (1) verklaringen van de taarters staan op internetsites van de "radicale groeperingen" Eurodusnie en Ravage. (2) Een adres van Eurodusnie komt voor op een site van de Nederlandse Vereniging van Veganisme. (3) En aangezien een van de medewerkers van deze organisatie door veehouders en nertsenfokkers is geïdentificeerd als iemand die Van der G. regelmatig vergezelde bij het voeren van procedures, is de 'bewijsvoering' voor het feit dat de taarters en Van der G. regelmatig samen hun snode plannetjes beraamden wel rond... NRC is op 14 mei ietwat voorzichtiger maar vindt het toch de moeite waard te vermelden dat minister van Justitie Korthals niet uitsluit dat de inmiddels gearresteerde taarters Volkert van der G. "hebben gekend of eerder zijn tegengekomen."

Aan stemmingmakerij ontkomt dus ook NRC niet. De dag na de moord levert NRC de grote voorpaginakop "Fortuyn vermoord, dader milieuactivist" - dit terwijl de politie dan nog steeds van 'verdachte' spreekt. Maar in het hoofdartikel van vrijdag 10 mei laat de krant weten: "Een verdachte, van wie nog niet bewezen is dat hij de dader is, is opgepakt. Het is een man die bij een milieuorganisatie werkt. Voorkomen moet worden dat met hem de hele milieubeweging in de beklaagdenbank terechtkomt." De Volkskrant trekt deze conclusie al op woensdag 8 mei, eveneens in haar redactioneel commentaar. Toch schrijft De Volkskrant bij herhaling - net als vele andere kranten overigens - dat de taarten die bij het taartincident werden gebruikt, gevuld waren met kots en stront, soms ook met kippenmest en braaksel, een bewering die pertinent onjuist is maar die noch door kranten noch door juristen als Spong en Hammerstein wordt rechtgezet (zie Extra! nr. 8). Verweer hiertegen in de vorm van ingezonden brieven werd niet gepubliceerd.

Constante in alle redactionelen van NRC Handelsblad in de week na de moord op Fortuyn is het manen tot kalmte, rustig blijven, deëscalatie, wegnemen van spanningen, etc. NRC is opvallend stil over de verwijten van demonisering van Fortuyn, ook nadat Spong en Hammerstein onder meer de redactie van NRC officieel hebben aangeklaagd wegens het zaaien van haat. Volkskrant en Trouw gaan dieper in op de rol van de media met betrekking tot de vermeende demonisering (resp. 7 en 11 mei) waarbij beiden echter concluderen dat het begrip demonisering wat al te kras is ofschoon de media wel lessen moeten trekken uit het gebeurde.

Paars en dan met name Ad Melkert en Paul Rosenmöller worden thans aan de schandpaal genageld door de achterban van de Lijst Pim Fortuyn en door een aantal kopstukken van deze partij zonder kopstuk. Hoewel dit door alle kranten steeds weer wordt opgemerkt als een begrijpelijke of emotionele reactie van veel Nederlanders, vinden zij deze onterecht en scharen zij zich binnen de ontstane polarisatie achter de tot rust en bezinning manende Wim Kok. De woede over en het onbegrip voor de door Spong en Hammerstein ingediende aanklacht is dan ook groot. Door te wijzen op de onschuld van de thans aangeklaagde politici verklaren de media ook zichzelf onschuldig, de woordspeelse kop "media-plichtig" van De Volkskrant ten spijt (11 mei 2002). Toch zal het gebeurde zijn invloed hebben op de pers. Nu al wordt gespeculeerd over het door mediaonderzoeker Mark Deuze aan het licht gebrachte linkse stemgedrag van het merendeel der Nederlandse journalisten. "Journalisten moeten [...] meer de straat op ..." zegt hoofdredacteur Folkert Jensma van NRC in De Volkskrant (11 mei 2002). Net als de politici zijn ze ergens op weg naar objectieve berichtgeving het contact met de lezers, met de bevolking kwijtgeraakt. Tot deze relatief vrijblijvende conclusie willen de media na de gebeurtenissen wel komen.

Volgens Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS-journaal, behoren de media in de perceptie van veel mensen tot het establishment, waarover grote ontevredenheid heerst (Volkskrant 11 mei 2002). Traditioneel worden de media gezien als een vierde macht die een soort buiten-parlementaire controle op de maatschappij uitoefenen, en die de publieke opinie vorm geven. Dit maakt Laroes' punt interessant. Er is dus een grote bevolkingsgroep wier meningen in de media niet of onvoldoende aan bod komen en wier meningen niet door de media worden gevormd. Als een grote bevolkingsgroep geen waarde meer hecht aan de media rijst de vraag wie die (nieuwe?) onbekende vijfde macht is.



Terug