"Het is prettig te weten dat kwaadaardige standpunten bestreden kunnen worden"
vrijheid van meningsuiting en rassendiscriminatie
LBR roept op tot "scherper" optreden en "zwaarder straffen"

Door Martin Hulsing

Uit onderzoek van het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie (LBR) blijkt dat rechters en semi-rechterlijke instellingen vrijwel altijd voorrang geven aan het vrije woord. Hoewel de onderzoekers de "vrijheid van meningsuiting" als een "groot goed" beschouwen, vinden ze dat er in bepaalde gevallen "toch scherper" zou moeten worden opgetreden en dat er "zwaarder zou moeten worden gestraft."

De twee juristen van het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie (LBR) Aranka Kellermann en Jacky Nieuwboer presenteerden op 7 maart het boek Rechtspraak Rassendiscriminatie, met daarin opgenomen 224 nieuwe uitspraken op het terrein van rassendiscriminatie in de periode 1995-2000 en behandelt het oordeel van rechtbanken (tot en met de Hoge Raad), de Raad van de Journalistiek (RvJ), de Reclame Code Commissie, de Commissie Gelijke Behandeling en de Nationale Ombudsman.

Verboden zijn het op "kwetsende wijze ontkennen" van de holocaust en van het dagboek van Anne Frank. "Met meningen an sich kan de rechter niet zoveel", meent Nieuwboer, tenzij gedaan in de "publieke arena, tijdens demonstraties" of bijvoorbeeld in de vorm van "folders die actief worden verspreid." Volgens Nieuwboer kom je met uitspraken als ''multiraciale hutspot'', ''illegale vreemdelingen'', ''asielbedriegers, rot op naar je eigen land'' en ''Holland voor de Hollanders'' bij de rechter in problemen.

"Vrijheid van meningsuiting wordt terecht als een groot goed beschouwd", zegt Kellermann. De twee onderzoekers onderschrijven in grote lijnen de uitspraken zoals opgetekend in de bundel, maar vinden dat met name de Raad van de Journalistiek scherper zou mogen optreden Het voorbeeld van schrijver/regisseur Theo van Gogh komt ter sprake die Allah een "lul" noemde. De onderzoekers vinden dat van Gogh "provoceerde" met de uitspraak: "In hoeverre moet je blijven praten met gelovigen bij wie jij als eerste in aanmerking komt om voor hun gedroomde vuurpeloton de zegeningen van Allah te ondergaan?" De RvJ oordeelde echter in augustus 1997 dat dergelijke uitspraken door de beugel kunnen, omdat ze zijn gepresenteerd in de vorm van "een satirisch opgezette column, waarin overdrijven een stijlmiddel is."

Boete en Straf
Als er gestraft wordt vinden de LBR-juristen dat er te licht wordt gestraft. Nieuwboer: "De kwetsende partij krijgt hooguit een boete opgelegd van enkele honderden euro's. Wij vinden dat zwaarder zou moeten worden gestraft. Europese wetgeving stelt dat straffen afschrikkend moeten zijn. Dat zijn ze vaak niet. Gevangenisstraf komt vrijwel niet voor, terwijl maximaal een jaar cel kan worden opgelegd."

Ook het verbieden van een politieke partij is nog niet zo eenvoudig. In 1978 is vergeefs geprobeerd de Nederlandse Volksunie tot verboden partij te verklaren. Volgens Hubert Fermina directeur van het LBR biedt de bundel een juridisch handvat, "Het is verkiezingstijd, emoties lopen hoog op. Minderheden en asielzoekers zijn doelwit. Wanneer kun of moet je ingrijpen? In deze bundel vinden stadsbestuurders en andere autoriteiten argumenten die hen kunnen helpen met kwetsende uitlatingen of afbeeldingen om te gaan."

"Heel belangrijk is het verbod van Centrumpartij'86," meent Kellerman, "In dit jaar van verkiezingen, met de opkomst van Pim Fortuyn, de nasleep van 11 september en de groeiende kloof tussen autochtonen en moslims." Kellerman en Nieuwboer zijn door de juridische praktijk zeker niet ontmoedigd: "Het is prettig te weten dat kwaadaardige standpunten bestreden kunnen worden."






Terug