Het Palestijns-Israëlisch conflict en de media

Door Jan Moerings

Extra! 2 februari 2002. Het Palestijns-Israëlisch conflict vindt niet alleen ter plekke plaats maar ook in de media. In beide situaties is Israël aan de winnende hand. Zo zijn de Palestijnen, gewapend met stenen, molotovcocktails en automatische geweren, geen partij voor de binnenrollende tanks, Apache helikopters, F-16s en een overmacht aan soldaten. Ook in de media trekt Israël aan het langste eind door middel van een geölied propaganda-apparaat waartegen de Palestijnen weinig (kunnen) inbrengen. Maar de media spelen hierbij een dubieuze rol.

Uit de vele gebeurtenissen die niet door de Nederlandse media (de diverse dagbladen, journaals) zijn gemeld, wil ik er twee beschrijven. Twee voorbeelden van daden die normaliter als oorlogsmisdaden bestempeld worden maar die in dit geval niet eens de "korte berichten" hebben gehaald.

Op 6 november 2001 werden in het dorp Tal, nabij Nablus, twee, door Israëlisch geweervuur, gewonde Palestijnen opgepakt door Israëlische soldaten. Iyad Odeh Khatib (22) en Jamal Abu Malouh (23) liepen aanvankelijk verwondingen op tijdens een gevecht dat plaatsvond nabij een Israëlische militaire post. Ook een Israëlische soldaat werd tijdens het gevecht neergeschoten. Volgens de Palestijnse Rode Halve Maan werd er een ambulance naar de plek gestuurd. Verplegers van deze organisatie werden gedwongen de Israëlische soldaat te behandelen. Ze probeerden hem tevergeefs te reanimeren. Naar verluidt zeiden de soldaten dat twee Palestijnen gewond waren en dat een derde ongedeerd was opgepakt. De verplegers vroegen toen toestemming om de gewonde Palestijnen, die vijftig meter verderop lagen, ook te behandelen maar de toegang tot hen werd geweigerd. De verplegers vertelden dat ze, kort nadat de Israëlische soldaat overleed, zeven of acht soldaten in een halve cirkel het vuur zagen openen op de drie, met het gezicht naar de grond gekeerde, Palestijnen. De soldaten informeerden de verplegers dat de Palestijnen nu dood waren. 25 minuten later mochten de verplegers bij de lichamen komen. Alledrie de mannen, Ali Ibrahim Abu Hijleh (28) inbegrepen, bleken door hun hoofd te zijn geschoten.

Volgens verscheidene mensenrechtenorganisaties zijn sinds het begin van de Intifada minstens 20 Palestijnen standrechtelijk geëxecuteerd. Het executeren van gedetineerden heeft diverse vormen aangenomen: het direct doodschieten na arrestatie, het weigeren van medische behandeling totdat de gedetineerden overlijden, en het martelen van gedetineerden tot de dood erop volgt. Ook moet vermeld worden dat het Israëlische leger de neiging heeft Palestijnse burgers te doden op momenten dat het in staat zou zijn hen zonder verzet, gewapende confrontatie of geweld te arresteren.


Vier dagen na hun vermissing werden de lichamen van Mohammed Ahmad Luban, 17 jaar, Mohammed Al Madhoun, 16 jaar, en Ahmad Banat, 15 jaar, eindelijk gevonden. Volgens dokter Muawiyeh Hassanein, directeur van de spoedafdeling van het Shifa ziekenhuis in Gaza stad wees onderzoek van de lichamen uit dat Mohammed Luban over zijn hele lichaam zwaar gemarteld was, vooral zijn hoofd dat wonden en fracturen vertoonde. Zijn hersenen ontbraken evenals zijn ogen. Slechts de huid van zijn gezicht was nog over. Zijn ledematen vertoonden lange, diepe sneden, meest waarschijnlijk door een scherp instrument als een mes of een bijl veroorzaakt. Hassanein zegt dat de jongen aan de meswonden is overleden ofschoon hij eerst was neergeschoten. De dokter zegt ook dat Luban geslagen is voordat hij werd gedood. De lichamen van de andere jongens vertoonden vergelijkbare tekenen van marteling, zoals gebroken botten en lange, diepe sneden. De drie jongens verdwenen op 30 december toen het nieuws meldde dat zes burgers in Beit Lahiya en Beit Hanoun waren gedood. Maar de identiteit van drie van hen bleef een mysterie tot vier dagen later.

Al-Quds, een Palestijns dagblad, berichtte op 2 januari dat de militaire bevelhebber van de Palestijnse Autoriteit van Noord-Gaza, kolonel Salem Darawna, de Amerikanen opriep om in te grijpen en er voor te zorgen dat Israël de lichamen zou overdragen. Darawna beschuldigde Israël ervan de zaak in de doofpot te stoppen door de overdracht te vertragen. Het Israëlische leger meldde ondertussen dat de jongens hadden geprobeerd een militaire post aan te vallen met machinegeweren en granaten.

Het mysterie werd die ochtend opgelost. Niet alleen bleek uit de lijkschouwing dat het Israëlische verhaal over de gewapende aanval niet klopte, maar ook dat er organen uit de lichamen waren gestolen. Nadat de families vier dagen lang in onzekerheid zaten over het lot van hun zonen, ervoeren ze de shock en woede over wat ze zagen.

Geen van deze twee zaken haalde de Nederlandse media, hoogstens in de vorm "…en in de Strook van Gaza zijn drie Palestijnen omgekomen". Het NOS-journaal wist zelfs te meldden dat er sinds 16 december, de dag dat Yasser Arafat een wapenstilstand afkondigde, een rustige periode was aangebroken. Er was in de drie weken na 16 december slechts 1 Israëli gedood. Inderdaad een "rustige periode" als Israëlisch geweld tegen Palestijnen niet nieuwswaardig is. In dezelfde periode kwamen 28 Palestijnen, waaronder 11 kinderen, om het leven, de drie gemartelde jongens inbegrepen.

Israëlische slachtoffers zijn voorpaginanieuws. De Palestijnse zelfmoordaanslagen worden breed uitgemeten. Palestijnse slachtoffers worden nauwelijks genoemd, laat staan de omstandigheden waaronder zij omkomen. De individuele en collectieve strafmaatregelen, zoals het afsluiten van dorpen en steden, het vernietigen van huizen, het rooien van boomgaarden, de honderden checkpoints, hebben niet alleen een rampzalige economische situatie tot gevolg maar leiden ook tot een situatie waarin sommige Palestijnen de wanhoop voorbij zijn.

Een andere trend in de verslaggeving is om de situatie zo voor te doen als zou het een conflict tussen gelijken betreffen. De ongelooflijke ongelijkheid in militair, economisch en politiek opzicht wordt genegeerd. De media hebben het over "een gevecht tussen Israëlische strijdkrachten en gewapende Palestijnen" als het Israëlische leger tanks, helikopters en soldaten inzet tegen Palestijnen met louter geweren. Als Palestijnen het met stenen opnemen tegen soldaten die met scherp schieten is het een "botsing tussen Israëlische soldaten en Palestijnen".

De desinformatie over de machtsongelijkheid vindt ook vaak zijn weg via de zogenaamde evenwichtige verslaggeving. Hierbij spelen het negeren van de militaire bezetting van de Palestijnse gebieden en alle gevolgen ervan een grote rol. Het aantal doden sinds het begin van de Intifada wordt ook vrijwel altijd in zijn totaliteit genoemd terwijl het dodental onder Palestijnen vier tot vijf keer zo hoog als onder Israëli's. Juist door dit 'evenwicht' ontstaat er een scheef beeld van de werkelijke verhoudingen. Een reden hiervoor is te vinden in het feit dat de meeste buitenlandse correspondenten hun standplaats hebben in Tel Aviv en West-Jeruzalem en van daaruit verslag doen, vaak gebruik makend van informatie van de Israëlische regering, het leger of de Israëlische media. De Palestijnse gebieden worden nauwelijks bezocht en in de ergste gevallen worden Palestijnse bronnen niet geraadpleegd voor hun reactie op bepaalde gebeurtenissen. Wat de zaak nog erger maakt, is het feit dat sinds het uitbreken van de Intifada het persbureau van de Israëlische regering geen perskaarten meer uitvaardigt of verlengt van Palestijnen die voor de buitenlandse media werken. Wat men de Palestijnse Autoriteit kan verwijten is dat zij te weinig investeert in mediarelaties en PR en hierdoor mede verantwoordelijk is voor de huidige situatie.

De huidige verslaggeving door de media houdt het conflict in stand. Een situatie waarin er daadwerkelijk objectief verslag gedaan wordt van wat er in Israël en de Palestijnse gebieden gebeurt, houdt onder meer in dat simpele en oppervlakkige uitspraken als "de Palestijnen en Israëli's verkeren in een spiraal van geweld" verbroken moeten worden en dat bepaalde mythen die dienst doen als verklarings- en rechtvaardigstrategieën (bv. "het genereuze aanbod van Barak" en "een conflict tussen gelijken") geontmythologiseerd zullen moeten worden.



Terug