'Na 1989 is het kind met het badwater weggegooid
Interview met Henri Beunders

Door Patrick Pubben

Henri Beunders (1953) werkte tussen 1984 en 1990 als buitenlandcorrespondent en onderzoeksjournalist voor het NRC Handelsblad. Sinds 1990 is hij hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Hij maakt zich ernstig zorgen over het gebrek aan opinie binnen de Nederlandse media.

"De kern van het hele probleem is dat kranten geen duidelijke meningen meer hebben. De lezer krijgt een golf aan informatie over zich heen, verschillende kanten van een zaak worden belicht maar de journalist vergeet een hiërarchie in de informatie aan te brengen. Je kunt de mening van iemand die onderzoek heeft verricht naar de invloed van patenten op de gezondheidszorg in de Derde Wereld niet eenvoudigweg naast de mening van een woordvoerder van de farmaceutische industrie plaatsen en het oordeel aan de lezer overlaten. Een journalist dient te begrijpen dat dit geen gelijkwaardige meningen zijn en moet dit in zijn artikelen ook aan bod laten komen. Zelfs de Griekse historicus Herodotus stelde zich al de vraag: "Wie is het die mij dit zegt?" Deze cruciale vraag wordt te vaak overgeslagen."

Volgens Beunders heeft dit alles te maken met het verdwijnen van de verzuiling en het wegvallen van ideologieën. Vanaf het einde van de jaren '60 schuiven De Volkskrant en Trouw als respectievelijk katholieke en protestantse krant meer op naar links. NRC Handelsblad is liberaal en meer rechts getint. In de jaren '70 en '80 blijft deze politieke polarisering voortbestaan maar halverwege de jaren '80 - "door de kater na Den Uyl" - maakt de geëngageerde journalistiek plaats voor de zogenaamde professionele aanpak, die objectiever en onafhankelijker is, zoals Beunders zegt.

"In 1989 is het einde van de ideologieën een feit. De Muur valt en het ideale tijdperk van een onafhankelijke, objectieve, professionele en onpartijdige journalistiek lijkt aangebroken. Kranten zijn de afgelopen decennia ongetwijfeld beter geworden, ze geven bredere en beter gefundeerde informatie en de politieke of religieuze kleuring is verdwenen. Maar ze zijn daardoor ook eenvormiger geworden. Journalisten vergeten dat ze alleen al door de keuze van hun onderwerpen een belangrijk subjectief stempel drukken op wat de lezer krijgt voorgeschoteld. Zij selecteren de persberichten, zij bepalen wat in de krant komt en waar in welke mate over wordt geschreven. Objectiviteit is alleen daardoor al een illusie, wat echter graag ontkend wordt. Door het gebrek aan ideologie en aan een kader waarbinnen de feiten geplaatst kunnen worden, degradeert de journalist zichzelf tot iemand die zo goed mogelijk beschrijft wat er gebeurt. De conclusies worden overgelaten aan de zogenaamde mondige lezer, de columnisten en de Dr. Clavans op de opiniepagina's. Het is de vraag of na 1989 het kind niet met het badwater is weggegooid want alleen als je een mening hebt, ben je in staat om te signaleren welke informatie belangrijk is bij het beschrijven van een gebeurtenis."

Bestaat er dan niet de dreiging van vooroordelen?

"Ik vind dat er een verschil is tussen vooroordelen en gefundeerde meningen. Bovendien heeft een krant, als het goed is, al een beginselverklaring waarin haar uitgangspunten staan. Bij het NRC Handelsblad staat daar bijvoorbeeld in dat het voor kapitalisme, de rechtstaat en democratie is. In de hoofdartikelen wordt eerder blijk gegeven van republikeinse dan van monarchistische sympathieën. Waarom zou de krant daar dan niet méér voor uitkomen? De Telegraaf doet dat toch ook heel duidelijk? Ik denk dat dit veel overzichtelijker is dan de schijn van objectiviteit waar de lezer zich veelal geen raad mee weet. Aan mijn studenten journalistiek in Rotterdam vertel ik dat ook: je moet in eerste instantie de feiten op een rijtje zien te krijgen. Maar je moet er vervolgens wel zelf bijblijven en je niet laten inpakken door voorlichters van ministeries en andere propagandisten die je hun meningen opdringen. Het gaat niet aan dat je als journalist blijft stilzitten en denkt dat het nieuws wel op je afkomt via de binnenrollende persberichten. Tegenwoordig worden die berichten nauwelijks nog op hun waarheidsgehalte bekeken. Kijk maar naar de beelden die vanuit Israël komen en die klakkeloos worden uitgezonden."

Over de berichtgeving rondom de Golfoorlog zei u vorig jaar in een toespraak enerzijds dat de media klaagden omdat ze niet tot de plaats van handeling werden toegelaten en anderzijds dat ze de beelden die door waaghalzerige freelancers op het slagveld waren gemaakt, niet wilden uitzenden. Hoe valt dit te rijmen?

"Dat is een moeilijke kwestie. In een tent in Saoedi-Arabië zaten al die journalisten een beetje op een kluitje te wachten op generaal Schwarzkopf die eens in de zoveel tijd een persconferentie gaf en wat vage beelden ter beschikking stelde. Dat is natuurlijk frustrerend, dan kun je net zo goed thuisblijven. Van de andere kant waren het de grote media-networks die de beschikbare gruwelbeelden niet wilden uitzenden. Maar ook journalisten zelf begrepen wel dat de eigen veiligheid en de uitkomst van de oorlog hier voorgingen. Zeker toen Irak op gegeven moment Scuds op Israël afvuurde. Als daar beelden van getoond zouden worden, zou alleen Saddam daarbij gebaat zijn, "Jongens, we moeten die raketten wat meer naar rechts afvuren en dan zitten we midden in Jerusalem." Journalisten zijn wat dat betreft net mensen en ook onderhevig aan de patriottische gevoelens die in het thuisland heersen. Zodra het 'wij tegen hun' wordt, zullen zij ertoe neigen hun berichtgeving aan te passen aan het landsbelang en vindt zelfcensuur plaats. In gevallen van leven of dood zoals de Golfoorlog of nu in Afghanistan vind ik dit ook gerechtvaardigd. Het ontslaat de media echter niet van de plicht om kritisch te blijven en de gebeurtenissen nauwgezet te volgen zodat men na de oorlog, of tijdens als het echt moet, kan berichten over eventuele overtredingen van het oorlogsrecht. Zij dienen dus zelf af te blijven wegen of de oorlog nog steeds te rechtvaardigen is. In Vietnam was dit bijvoorbeeld op gegeven moment niet meer het geval. Daar zie je een duidelijke omslag aan het einde van de jaren '60 wanneer de media steeds meer de gruwelijke kant van de oorlog beginnen te tonen."

Denkt u niet dat de media deze patriottische gevoelens van het 'thuisfront' juist sturen? Vóór de Golfoorlog of die in Afghanistan is er natuurlijk altijd nog de vraag of deze oorlog überhaupt gevoerd moet gaan worden.

"Nee, ik denk dat de media meer reageren dan dat ze sturen. Je doet nu alsof journalisten monniken zijn maar dat is natuurlijk niet zo. Ik denk dat er eerst een gebeurtenis plaatsvindt, de invasie van Koeweit, de aanslagen in de VS, en dat de bevolking, dus ook de journalist, daarop reageert. Daarna reageren de media pas. Journalisten peilen aan de hand van hun ervaring en omgeving wat onder de bevolking speelt en schrijven aan de hand daarvan hun stukken. En wanneer 'onze jongens' in een oorlog gevaar dreigen te lopen door bepaalde berichtgeving, dan moet een krant of een journalist er wel de verantwoordelijkheid voor durven nemen wanneer hij toch overgaat tot publicatie. Ik zeg niet dat dit niet mag, maar hij moet wel heel goed beseffen wat dit kan betekenen. Vrijheid van meningsuiting is namelijk geen plicht, soms is het beter informatie achter te houden om een bepaald belang te dienen."


Ik kan me toch niet aan de indruk onttrekken dat media een bevolking sturen, je kunt de publikie opinie toch niet loskoppelen van de media?

"Media kunnen een stemming versterken maar alleen als het beeld zwart/wit is en als er een oplossing voor het grijpen lijkt te liggen, zoals in Kosovo of in de Golfoorlog. Dan wordt met name in de media, maar ook door politici, alles in stelling gebracht om dit beeld te ondersteunen, ook al slaat het als een tang op een varken. Een goed voorbeeld zijn de suggestieve foto's van moslim-gevangenen achter prikkeldraad uit 1992 in Servië, die aan Auschwitz deden denken en daarmee het vijandbeeld nog zwarter maakten. Er was een sterke roep vanuit de bevolking die wilde dat men iets deed aan de moordpartijen die daar plaatsvonden, en de media deden daar aan mee. Onder druk van bevolking en media heeft de NATO toen besloten tot het grootschalig bombarderen van Servische doelen waar ik wel mee instemde maar wat op gegeven moment behoorlijk uit de hand liep. Ik heb daar destijds ook over geschreven. De ellende is dat je door de houding van de publieke opinie alleen nog kunt bombarderen: men wil enerzijds wel ingrijpen maar is niet bereid om eigen levens te riskeren in een grondoorlog.

"En als de oplossing voor het conflict niet voor het grijpen ligt, wenden we onze blik af, raken gedesinteresseerd en treedt compassion fatigue op, ons medelijden verflauwt. Kijk naar Ruanda of naar Israël waarbij in het geval van Ruanda ook rassisme een rol speelt. Niemand weet hoe men daar een oplossing had kunnen brengen en eigen bloed willen we er niet voor opofferen.

"Verder merk je toch dat de media zich vrij snel achter het regeringsstandpunt scharen wat hun onafhankelijkheid niet ten goede komt. Dit handje-klap tussen media en politiek baart me ook op een ander vlak zorgen. Debatten vinden niet meer plaats in het Parlement maar bij Barend en Van Dorp. In de Kamer wordt gereageerd op wat Thom de Graaf gisteren in NOVA zei en politici verschijnen liever voor de camera dan waar ze thuishoren omdat ze daarmee hun positie op de kieslijst garanderen. Dit is een zeer bedenkelijke ontwikkeling."


In 1999 sprak u ook over de wenselijkheid van een onafhankelijk instituut voor media-onderzoek. Hoe stelt u zich dit voor en wat zou de rol hiervan moeten zijn?

"Mijn droom is een soort Clingendael voor media-onderzoek. Op t.v. heb je al een aantal programma's, 'De leugen regeert' bijvoorbeeld, waar personen gelegenheid krijgen om zich te verweren tegen bepaalde aantijgingen. Voor kranten heb je zoiets helemaal niet. Ik kan me bijvoorbeeld een hoek in de krant voorstellen voor duidelijke rectificaties of waar kritiek kan worden gegeven op berichten uit de krant. Het instituut zoals ik me dat voorstel, zou ook onderzoek kunnen doen naar hoe nu precies bepaalde hypes ontstaan, waarom komen er opeens gehele volksstammen op de been nadat in Leeuwarden iemand is doodgeschopt? Wat is de rol van de media hierbij? Hoe ontwikkelt zo'n vuurwerkramp in Enschede zich? In dat laatste geval zie je trouwens ook weer dat journalisten de kernvraag niet stellen: wie is uiteindelijk verantwoordelijk voor die ramp? Als je het politiek bekijkt, en dat moet je in dit geval zeker doen, dan is de burgemeester hiervoor verantwoordelijk. In Engeland of de VS zou het onmogelijk zijn om vervolgens uitgerekend de burgemeester de rol van volksheld te laten spelen en hem te overladen met complimenten voor zijn doortastend optreden na de ramp terwijl het zijn politieke taak is om dergelijke rampen te voorkomen. Het besef voor politieke verhoudingen is door sommige journalisten verruild voor emotie-tv. Dit kun je ook weer doortrekken naar oorlogen. Na de Golfoorlog zijn media een oorlog toch meer en meer als media-event gaan zien. Oorlogsverslaggeving heeft dezelfde opmaak en dezelfde layout gekregen als pakweg een Europees kampioenschap voetbal. Hetzelfde materieel wordt uit de kast gehaald. We gaan full out, en de gebeurtenis ontwikkelt een eigen dynamiek waaraan de media zich niet meer kunnen of willen onttrekken. Ja, enige bescheidenheid over de verworven onafhankelijkheid en de professionalisering is wel op zijn plaats."





Terug