Achtergronden van de Westerse media-hetze tegen het Zimbabwe van Mugabe

Door Nico Dekker

De laatste maanden bestaat in de Westerse, in het bijzonder de Nederlandse, nieuwsmedia ongebruikelijk veel aandacht voor de toestand in het Afrikaanse land Zimbabwe. Zowel de dagbladen als radio en tv doen mee aan wat hoe langer hoe meer een heuse campagne gaat lijken. De teneur van de bijdragen is in grote lijnen als volgt: Zimbabwe wordt geregeerd door president Mugabe die zijn positie misbruikt voor dictatoriale machtsuitoefening. Met behulp van fanatieke aanhangers probeert hij blanke boeren van hun land te beroven om dit aan zijn eigen partijleden te geven, waarbij gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Deze landhervorming, die hij 20 jaar heeft laten liggen, grijpt hij nu aan om zijn getaande populariteit op te vijzelen en zo toch nog de komende presidentsverkiezingen te winnen. Enkele voorbeelden van deze beeldvorming zijn, in de NRC van 7/12 Dick Wittenbergs artikel met als kop "Zimbabwe stinkt naar bloeddorst", respectievelijk in Trouw van 23/11 dat van Sybilla Claus met als kop "Mugabe voert waanzin en terreur op"; nogal grof geschut dus. Is dit gerechtvaardigd?

Mugabe is in de ban gedaan door Blair en Bush met gevolg dat behalve de VS en Engeland ook de Wereldbank en het IMF de samenwerking met Zimbabwe hebben verbroken. Er zijn twee hoofdredenen voor dit optreden. De eerste heeft te maken met de Westerse politiek ten aanzien van het Grote-Merengebied, Uganda, Rwanda, Burundi en Congo (ex-Zaïre), en de interventie van president Mugabe aldaar. De tweede betreft de kwestie van de landhervorming in Zimbabwe.

Laurent Désiré Kabila
De conflicten in het Grote-Merengebied gaan in wezen om het beheer van de grondstoffen van Congo zoals goud, diamant, colombo-tantaliet (grondstof voor ondermeer gsm's), koper en cobalt. Voor president Mobutu die Zaïre sinds 1965 als dictator bestuurde, waren deze grondstoffen een bron van zelfverrijking, terwijl het land bestuurlijk, sociaal en economisch verviel. In het begin van de negentiger jaren was het verval door roofbouw en verwaarlozing van de infrastructuur zover voortgeschreden dat de opbrengst sterk verminderde. Dit was één van de redenen waarom de VS en hun bondgenoten Mobutu wel wilden vervangen door een leider met "modernere" (neoliberale) ideeën. In de ogen van de regering Clinton waren de presidenten Museveni van Uganda en Kagame van Rwanda voorbeeldige leiders die meer invloed zouden moeten hebben in Centraal Afrika. Museveni en Kagame waren bondgenoten van elkaar omdat Kagame, een Rwandese Tutsi, in de tachtiger jaren Museveni geholpen had in Uganda aan de macht te komen. Vanaf 1990 begonnen Kagame en andere Rwandese Tutsi-vluchtelingen zich vanuit Uganda, met materiële steun van Museveni, terug te vechten naar Rwanda waar een Hutu-bewind onder leiding van president Habyarimana heerste.

Dit mondde in 1994 uit in een genocide door Habyarimana's achterban op de Tutsibevolking en op Hutu-intellectuelen binnen Rwanda, terwijl Kagame's troepen het land veroverden. Meer dan 2 miljoen Hutu vluchtten het land uit, waarvan ruim de helft neerstreek in Oost-Zaïre, waar zij twee jaar lang in het leven werden gehouden door de VN en een veelheid van ngo's. Deze situatie werd in 1996 voor Kagame's bewind onhoudbaar omdat gewapende Hutu-bendes vanuit de kampen in Zaïre overvallen pleegden op Rwandees grondgebied. Eind 1996 viel het Rwandese leger (RPA) de vluchtelingenkampen aan en begon een achtervolging door het Zaïrese oerwoud die de helft of meer van de Hutu-vluchtelingen het leven kostte. De operatie had niet alleen de steun van Uganda en diverse andere Afrikaanse landen zoals Angola en Zimbabwe maar ook van de VS, die ter voorbereiding van de operaties ondermeer een grote basis hadden aangelegd in Cyangugu in Rwanda waar RPA-troepen werden getraind die tevens tijdens de actie logistieke steun verleenden. De legermacht had ook een bescheiden Zaïrese component onder leiding van Laurent Désiré Kabila die tenslotte op 17 mei 1997 triomferend Kinshasa binnentrok en een einde maakte aan het tijdperk Mobutu. Weldra bleek dat Kabila als ruil voor de instemming van de VS voor zijn machtsgreep concessies had gedaan, met name aan grote Noord-Amerikaanse mijnbedrijven zoals Banro en American Mineral Fields. Eenmaal in het zadel wilde Kabila echter de contracten ter discussie stellen om met de opbrengst een deel van de wederopbouw van het land, nu weer Congo geheten, te financieren. Dit leidde tot fel verzet van deze bedrijven en daarmee tot verwijdering tussen hem en de regeringen van de VS en hun Europese bondgenoten. Het gevolg was dat de aanvankelijk goed begonnen wederopbouw van Congo stagneerde.

Tegelijk verslechterde de verstandhouding van Kabila met de Rwandese (en Congolese) Tutsi die in Kinshasa onevenredig veel politieke invloed hadden, zoals de minister van Buitenlandse Zaken Bizima Karaha en legerleider Kabarebe. Begin augustus 1998 sloeg de vlam in de pan: nadat een aanslag op zijn leven was mislukt zond Kabila zijn voormalige Tutsi-vrienden terug naar Rwanda, een stap die daar kennelijk al was verwacht. Want op 3 augustus vielen Ugandezen en Rwandezen Congo binnen, in het oosten over land en in het westen via de lucht, waarbij een oorlogsbodem van de VS voor de kust logistieke steun verleende. Omdat Congo niet beschikte over een leger van enige betekenis leken Kabila's dagen geteld, totdat Angola en Zimbabwe intervenieerden: Angola versloeg de Ugandese eenheden die vanuit het Westen optrokken, Zimbabwe grendelde Kinshasa af en belette de invallers de doortocht naar de diamantstad Mbuji-Maji en de mijnprovincie Katanga. Als vergoeding voor deze miltaire hulp verleende Kabila aan de Zimbabweanen concessies in de mijnbouw. Sindsdien is de militair-strategische situatie in Congo globaal weinig veranderd. In de oostelijke en noordelijke helft van het land hebben Uganda en Rwanda rebellenregeringen geïnstalleerd die zich vooral bezighouden met het plunderen van het land en zijn delfstoffen, een situatie die naar schatting reeds aan meer dan 2 miljoen Congolese burgers het leven heeft gekost. Het feit dat de Zimbabweanen Kabila te hulp schoten en daarmee de plannen van de VS met Congo doeltreffend doorkruisten, verklaart de druk die sinds augustus 1998 op Mugabe wordt uitgeoefend, een druk waaraan deze tot nu toe hardnekkig weerstand heeft geboden.

Onteigening
De andere reden voor de Westerse vijandschap jegens Mugabe is diens vastbeslotenheid om een einde te maken aan de uit de koloniale tijd geërfde toestand waarbij nog steeds 1/3 van de voor landbouw geschikte grond (11 miljoen hectare) in handen is van ongeveer 4000 blanke grondbezitters (commercial farmers), terwijl 6 miljoen zwarte, van de landbouw afhankelijke, Zimbabweanen leven op marginale gronden. Veel blanke grondbezitters leven niet op hun landerijen maar in het buitenland en laten de exploitatie over aan plaatsvervangers. Daarbij komt dat sommige landerijen zeer weinig intensief worden bebouwd, of geheel aan de agrarische bestemming zijn onttrokken bijvoorbeeld voor toerisme. Ook bezit een groot aantal eigenaars meer dan één bedrijf.

De regering heeft een landherverdelingsplan opgesteld dat vanaf heden nog ongeveer 5 miljoen hectare moet herverdelen onder kleine boeren. Het plan omvat 1471 bedrijven (die overigens ten dele in de handen van zwarte Zimbabweanen zijn). Slechts een kwart is in bezit van individuele boeren, de rest is eigendom van 'companies', waaronder enkele multinationals. Zo beheren 20 directeuren van Anglo American Corp. samen 4 companies met een areaal van in totaal 1 miljoen hectare! Ook andere individuen met internationale relaties zoals de Oppenheimers bezitten grote landerijen. Bij de onafhankelijkheid in 1980 was in de grondwet vastgelegd dat onteigening de eerste 10 jaar slechts op vrijwillige basis en gerelateerd aan marktprijzen mocht plaats vinden. Op die basis is ongeveer 2 miljoen hectare herverdeeld onder 71.000 boerenfamilies, dus ongeveer 30 ha per bedrijf. Dit proces is nu echter vastgelopen op onwil van de eigenaars, hoge grondprijzen en de Britse weigering om mee te betalen aan de onteigening. Wat nu aan de orde is, is gedwongen onteigening, iets dat sinds 1990 wettelijk mogelijk is maar op grote weerstand van betrokkenen stuit, niet alleen binnenslands maar, door de internationale connexies van de companies die eigenaar zijn van het land, ook van met name de VS en Engeland. Voor de Zimbabweanen is het inderdaad waarschijnlijk 'nu of nooit'. De kans is groot dat, als Mugabe in april a.s. de verkiezingen verliest, zijn opvolger het project definitief afblaast en het met Blair c.s. op een akkoordje gooit. Dan zullen de meeste zwarte Zimbabweanen nooit meer de grond bezitten die hun voorouders destijds door de blanken onder leiding van Cecil Rhodes met geweld is ontnomen.

Miljoenen landloze boeren
Dat in Zimbabwe dezer dagen een harde politieke confrontatie gaande is, valt dus niet te ontkennen, hoewel we niet voetstoots geloof moeten hechten aan journalisten die de indruk wekken dat het land in totale chaos verkeert: het is nog steeds een van de best georganiseerde landen van Afrika. Maar de lobby van blanke boeren, hun Britse en Amerikaanse vrienden en binnenlandse meelopers zetten alles op alles om Mugabe's actie te stoppen en hemzelf in april uit het zadel te wippen. Mugabe en zijn achterban verdedigen zich tot het uiterste, waarbij vooral bij landbezettingen sommigen van de oppositie het leven hebben verloren of alles zijn kwijtgeraakt. De Westerse pers richt zich vooral op deze symptomatische uitwassen maar aan de achtergrond wordt amper aandacht geschonken. Voor dit laatste moet men te rade gaan bij Afrikanen zelf zoals bij journalisten van het maandblad New African: mensen als Baffour Ankomah doorzien de Westerse bedoelingen en volgen Mugabe's strijd met spanning. Want het probleem van de landhervorming speelt niet alleen in Zimbabwe maar net zo goed elders in Afrika zoals in Zuid-Afrika, Kenya, Namibia. Zo klinkt volgens een bericht van New African van juni 2000 ook in Kenya de roep tot landbezetting. Daar is echter bij de onafhankelijkheid relatief meer land in zwarte Keniaanse handen gekomen, zij het veelal in de vorm van grootgrondbezit van enkele rijken, maar hebben ook Engelsen als Lord Delamere en Captain Barclay landerijen van meer dan 10.000 ha die vaak zeer extensief worden gebruikt. President Arap Moi van Kenya verdedigt echter de 'private property' nog met harde hand.

Spannend wordt het ook in Namibia waar nog 80% van het bouwland in handen is van blanke commerciële bedrijven. Sinds de onafhankelijkheid in 1990 is daar slechts ruim 0,5 miljoen hectare onteigend, terwijl naar schatting 9,5 miljoen hectare nodig is voor landloze boeren. De Namibische president Sam Nujoma heeft op aandrang van de vakbeweging aangekondigd tot maatregelen te willen overgaan. Als Mugabe wint, betekent dit licht aan de einder voor miljoenen landloze Afrikaanse boeren, maar tegelijk schrik voor Afrikaanse leiders die de confrontatie met hun eigen bevolking over de landkwestie vrezen, zoals Arap Moi en ook Thabo Mbeki van Zuid-Afrika waar het proces wel gaande is maar veel langzamer gaat dan de vele gegadigden wensen.

Voor het Westen heeft Mugabe dus afgedaan. In het Grote Meren Gebied belet hij de neoliberale expansie van de grootschalige mijnbouwbedrijven, en in eigen land tast hij de financiële belangen aan van multinationale ondernemingen en van blanke boeren met een Brits paspoort. Bij het lezen van veel artikelen in Nederlandse kranten wordt niet alleen een overtrokken beeld van de binnenlandse situatie in Zimbabwe geschetst, maar mist de lezer ook de essentie. Het beeld van de geschiedenis en het heden wordt zo vorm gegeven dat het in overeenstemming is met de belangen van de machtigen.

Bronnen:
Over de landkwestie in Zimbabwe zie: New African 385 (mei 2000) en 386 (juni 2000)

Nico Dekker is
lid van de Werkgroep Congo-Ned
www.congoned.dds.nl



Terug