Het grote en het kleine kwaad

Door mr. Meindert Stelling

Inleiding van de redactie

Een van de alleraardigste beschaafde trucjes van het journalistiek metier is de begrenzing van het debat. Door de uitersten op deze wijze te begrenzen kan de discussie zich ontwikkelen zonder concessies te doen aan de centrale aanname, die onbesproken blijft. Bijvoorbeeld de discussie over het gebruik van clusterbommen of de burgerdoden bij de aanvallen op Afghanistan. De centrale vraag is natuurlijk allereerst of de VS het recht hebben om een ander land aan te vallen.

Verwijzing naar informatie die verwijst naar de verborgen aannames wordt niet op prijs gesteld, of simpelweg vermeden "because it wouldn't do", zoals George Orwell dat noemde, daar hebben beschaafde mensen het niet over.

In het onderstaande kunt u een op 1 november ingezonden artikel van mr. Meindert Stelling aan Trouw lezen. Het artikel gaat over de juridische rechtvaardiging van de oorlog tegen Afghanistan. Trouw plaatste het niet. Na het artikel vindt u een korte email-wisseling tussen Trouw en mr. Stelling over het artikel en het niet-plaatsen ervan.


Het grote en het kleine kwaad

Door mr. Meindert J.F. Stelling

Nederlandse politici maken zich zorgen over het gebruik van clusterbommen in de oorlog tegen Afghanistan. Die zorg valt toe te juichen, want het is een fundamenteel beginsel van het internationaal recht dat tijdens de oorlogvoering altijd onderscheid moet worden gemaakt tussen de strijdenden en de burgerbevolking. Clusterbommen kunnen dat vereiste onderscheid niet maken, want zij zaaien dood en verderf in een bepaald gebied. Dit ongeacht of zich daar nu burgers bevinden of niet. Bovendien ontploffen niet alle door de clusterbom verspreide bommetjes direct, zodat ook lange tijd na het afwerpen van de clusterbom slachtoffers zullen worden gemaakt, met name onder de burgerbevolking. Het is dan ook volkomen terecht dat Nederlandse politici zich zorgen maken over het gebruik van clusterbommen.

Deze zorgvuldige benaderingswijze van een aspect van de oorlogvoering tegen Afghanistan steekt evenwel scherp af tegen de manier waarop onze politici de vraag hebben behandeld of militair mocht en moest worden opgetreden tegen Afghanistan. Juist die vraag is van het grootste belang, aangezien immers de oorlog in essentie een groot kwaad is. Een zo groot kwaad dat de internationale gemeenschap zich heeft ingespannen om de oorlog uit te bannen. Verder is in het Handvest van de Verenigde Naties de verplichting neergelegd om internationale geschillen langs vreedzame weg op te lossen, op zodanige wijze dat vrede, veiligheid en gerechtigheid niet in gevaar worden gebracht. Een beslissing om oorlog te gaan voeren is dus een uitermate belangrijke. Die beslissing gaat in feite over, zoals het Internationaal Militair Tribunaal van Neurenberg dit in zijn vonnis aangaf, het geaccumuleerde kwaad van de gehele oorlogvoering. Dus wanneer politici zich thans druk maken over aspecten van de oorlogvoering, het relatief kleine kwaad, had dan niet mogen worden verwacht dat zij zich uitermate zorgvuldig hadden getoond ten aanzien van de beslissing om tot oorlogvoering over te gaan, het grote kwaad?

Want op grond van welke overweging kan nu, met inachtneming van het Handvest, worden gesteld dat de Verenigde Staten (VS) mochten overgaan tot het gebruik van militair geweld tegen personen, objecten of gebieden op het grondgebied van een andere soevereine en gelijkwaardige staat (al dan niet in samenwerking met bondgenoten)? De regering schreef op 9 oktober aan de Tweede Kamer dat de Amerikaans-Britse militaire acties tegen doelen in Afghanistan "een direct gevolg (zijn) van het niet voldoen door de Taliban aan twee weken geleden door de VS gestelde eisen: ten eerste het sluiten van terroristische opleidingskampen, ten tweede het overdragen van de leiders van de Al-Qaeda beweging, ten derde het vrijlaten van gegijzelde westerse hulpverleners". Is het stellen van een dergelijk ultimatum door de ene staat en de weigering daaraan te voldoen door de andere gelijkwaardige en soevereine staat iets anders dan een internationaal geschil waarop art. 2, derde en vierde lid, van het Handvest van toepassing is? Een geschil dat langs vreedzame weg moet worden opgelost en dat geen aanleiding mag zijn voor het dreigen met of gebruik van geweld?

Waarom heeft de Kamer niet gecontroleerd of resolutie 1368 (2001) van de Veiligheidsraad steun biedt voor het gewapend optreden van de VS, zoals de regering in de brief van 9 oktober zegt? Steun in die zin dat de VS zich zouden kunnen beroepen op de uitzondering op het geweldverbod van art. 51 van het Handvest, te weten de zelfverdediging tegen een gewapende aanval door een andere staat. Nota bene in de eerste paragraaf van resolutie 1368 zegt de Veiligheidsraad dat de afschuwelijke terroristische aanslagen van 11 september, zoals iedere daad van internationaal terrorisme, worden beschouwd als een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid. De Raad spreekt over "bedreiging voor", niet over een "inbreuk op" de internationale vrede en veiligheid. Dit terwijl een gewapende aanval in de zin van artikel 51 van het Handvest zonder meer als "inbreuk op" moet worden gekwalificeerd. Is het dan niet in één oogopslag duidelijk dat resolutie 1368 helemaal geen steun biedt voor de gepretendeerde zelfverdedigingsacties van de VS?

En hoe zorgvuldig ben je als fractieleider wanneer je op 9 oktober zegt: "De zondagavond begonnen militaire acties zijn onvermijdelijk en gerechtvaardigd als reactie op de afschuwelijke aanslagen van 11 september"? Dit terwijl de regering stelt dat die aanval op Afghanistan een reactie is op de weigering van de Taliban om aan het ultimatum van de VS te voldoen. Dit terwijl noch op 11 september, noch op 7 oktober een gewapende aanval op de VS werd uitgevoerd door de staat Afghanistan. Dit terwijl algemeen bekend is dat de terroristische aanslagen van 11 september werden uitgevoerd door een organisatie die niet verbonden is met een bepaalde staat, maar die haar cellen in diverse landen heeft.

Hoe kan een Kamer die het geweldverbod serieus neemt, steun verlenen aan het ultieme kwaad van de oorlog, zonder dat er zelfs maar in de verste verte sprake zou kunnen zijn van zelfverdediging tegen een nog voortdurende gewapende aanval door een andere staat? Hoe kunnen serieuze kamerleden het grote kwaad van de aanvalsoorlog zo steunen en tegelijkertijd zich zo druk maken over het kleinere kwaad van het gebruik van een geweldsmiddel dat besloten ligt in de beslissing om tot die aanvalsoorlog over te gaan?

mr. Meindert J.F. Stelling
voorzitter van de Vereniging van Juristen voor de Vrede




Terug