Leefbaar Nederland: bij voorbaat mislukt

Door Koen Vossen

EXTRA! 2 november 2001. Wie wind zaait, zal storm oogsten, zo luidt een oud Hollands spreekwoord. Zelden is dit spreekwoord zo van toepassing geweest als op de reacties van de opinion-leaders op het ontstaan en optreden van Leefbaar Nederland. De kritiek varieert daarbij van inhoudelijke kanttekeningen bij het 'alles-wat-wils' -karakter van haar program (NRC-columnist Hans Ree vergeleek het program met de commercial 'ik wil bolletje' ) tot minder zakelijke beschuldigingen dat de oprichters slechts gedreven worden door rancune, ijdelheid of opportunisme.

Nu is met het eerste natuurlijk weinig mis: de journalistiek kan niet kritisch genoeg de door partijen gedane beloftes volgen. Dat de media daarbij doorgaans de programma's van nieuwe partijen kritischer tegen het licht houden dan die van de gevestigde partijen kan hen nog vergeven worden. Door het ontbreken van enige traditie weten we bij de nieuwkomers immers minder goed wat voor een vlees we in de kuip hebben.

Minder vergeeflijk is het tweede type kritiek waarin de motivatie en integriteit van de oprichters van de partij ter discussie wordt gesteld. Hier is immers sprake van kritiek die uiterst speculatief is en die bovendien -en dat is
veel erger- slechts gespuid wordt op nieuwkomers in de politiek. Heeft u onlangs nog in een serieus dag- of weekblad gelezen dat Melkert slechts door een enorme ijdelheid wordt gedreven? Of dat Dijkstal eigenlijk alleen uit is op persoonlijke glorie en dat Jan Marijnissen de politiek gebruikt om persoonlijke frustraties te botvieren? Dergelijke typeringen vinden we in artikelen over Henk Westbroek, Jan Nagel of Pim Fortuyn daarentegen meestal reeds in de inleiding vermeld. Nu ben ik best bereid te geloven dat deze heren niet slechts door een onbaatzuchtig idealisme worden gedreven, maar geldt dat niet evenzeer voor de meer gevestigde namen in politiek Den Haag? In ieder geval lijken ijdelheid, baantjesjagerij en rancune mij geenszins eigenschappen die slechts bij nieuwe partijen te vinden zijn. Dat slechts nieuwe partijen deze kritiek over zich heen krijgen, zegt wel iets over de moed van journalisten die blijkbaar liever een mug verpletteren dan een olifant een speldenprikje geven. Je weet immers maar nooit voor welke tip je de 'gevestigde politici' nog nodig kunt hebben?

Als argument voor de typering 'lastpak' en 'opportunist' verwijzen journalisten doorgaans naar de vaak uitermate schimmige politieke carrieres van de leden van nieuwe partijen. Bij de Amsterdamse hoogleraar Pinto die zich bij Leefbaar Nederland heeft aangemeld krijgen we altijd als informatie dat deze man in zijn leven al zo'n beetje alle partijen die Nederland rijk is heeft afgegraasd. Ook de Volkskrant meldt trouw dat de drie kandidaten die met Fortuyn om het lijsttrekkerschap van Leefbaar Nederland gaan strijden allen in hun leven reeds verschillende politieke partijen hebben versleten. De boodschap luidt: het zijn zielige nietsnutten die het in andere partijen niet hebben gered. Natuurlijk maakt dit partij-hoppen een wat merkwaardige indruk, maar doet het er ook toe? Als het er toe doet, moet het journaille dan niet ook de politieke achtergronden van de topmannen van de gevestigde partijen vermelden? Weten we bijvoorbeeld dat Melkerts politieke carriere begon in de PPR? Zou hij daar ook uit zijn gestapt omdat die partij hem geen toekomstperspectief kon bieden? Moet Zalm dan niet geïntroduceerd worden als voormalig lid van de PvdA? Zouden de media dan ook niet De Hoop Scheffer keer op keer moeten lastigvallen met zijn jeugdige sympathie voor D66? En wie van u -o dappere journalisten- heeft het überhaupt nog over het revolutionair-linkse verleden van Rosenmoller, die zijn beste jaren gebruikte om met allerlei extreem-linkse clubjes de weg naar de hel te plaveien? Of is dat juist iets om trots op te zijn, een blijk van oprecht jeugdig idealisme?

De reactie van de media op Leefbaar Nederland bewijst eens te meer dat wie in Nederland de euvele moed heeft een partij op te richten, kan rekenen op de hoon van de goegemeente. Dit was reeds zo toen Abraham Kuyper in 1879 de Anti-Revolutionaire Partij oprichtte. De toen dominante liberale burgerheren bestempelden hem als een ordinaire populist die uit was op persoonlijke glorie en daartoe de eenheid van de natie op het spel zette. Ook Hans van Mierlo die in 1966 D66 oprichtte kreeg de wind van voren. Columnisten noemden zijn partij een ' intellectuele boerenpartij' waarin allerlei querulanten, opportunisten en 'Wichtigtuer' hun persoonlijke frustraties konden botvieren. Nu is het met deze beide partijen nog goedgekomen -de ARP nam deel aan vele regeringen tot het in 1980 opging in het CDA en D66 geldt al jaren als de 'vierde partij' van Nederland. Maar de meeste nieuwe partijen bleken niet bestand te zijn tegen de kritiek die hen ten deel is gevallen: van de bijna 200 nieuwe partijen, bewegingen en verbonden die sinds 1900 zijn opgericht wist slechts een klein deel het bestaan langer dan een paar jaar te rekken. Het zal afhangen van het incasseringsvermogen van Nagel c.s. en van de invloed van de media op het stemgedrag van de kiezers of Leefbaar Nederland zich bij de kleine groep succesvolle nieuwkomers kan scharen. De media hebben Leefbaar Nederland in ieder geval al bij voorbaat als mislukt verklaard.



Terug