De Vloek van Columbus

Van Kolonialisme tot de Nieuwe Wereldorde

Het Jaar 501, De Verovering Gaat Door
Noam Chomsky, Copyright © 1993

Vertaling van 'Year 501: The Conquest Continues' van Noam Chomsky
Dit deel verscheen als bijlage bij Extra! nummer 19 en 20, 13 jun en 1 aug 2003

hoofdstuk 7: Oude en nieuwe Wereldordes: Latijns Amerika

1. "De Kolos van het Zuiden"
2. "Het welzijn van het kapitalistische wereldsysteem"
3. Bescherming van de democratie
4. Het veiligstellen van de overwinning
5. "Een echt Amerikaans succesverhaal"
6. De triomf van het fundamentalisme
7. Een aantal mededingers naar de hoofdprijs
8. "Onze aard en tradities"
9. De fijne kneepjes van het vak

1. "De Kolos van het Zuiden"

"Wanneer we de grondstoffen van dat enorme land overzien," schreven de redacteuren van de Washington Post in 1929, "dan is het duidelijk dat Brazilië binnen een paar jaar één van de belangrijkste machtsfactoren in de wereld zal zijn." "De Verenigde Staten verheugen zich in de opkomst van deze grootse republiek in Zuid-Amerika," die "de weg heeft gevonden naar eeuwige rijkdom en vrede." Deze euforische voorspellingen waren niet uit de lucht gegrepen. "De kracht van Brazilië ligt in de zeer gunstige combinatie van grootte, lage bevolkingsdichtheid en een rijk bezit aan natuurlijke grondstoffen," merkt Peter Evans op. Bovendien was er geen enkel gevaar te duchten van buitenlandse vijanden. In de tweede helft van de 19de eeuw was het reële inkomen per hoofd van de bevolking van Brazilië sneller gestegen dan dat van de Verenigde Staten. Koffie, het belangrijkste exportproduct, stond onder controle van binnenlands kapitaal. Aan het einde van de 19de eeuw kwam meer dan 80 procent van de koffieproductie uit Brazilië. Er waren ook al wat zwakten zichtbaar: de economie was zó afhankelijk van de export van haar grondstoffen, dat dit rijke landbouwland gedwongen was om basisvoedsel te importeren. Niettemin leek deze "Kolos van het Zuiden," zoals de New York Herald Tribune Brazilië noemde in 1926, in de juiste positie om in rijkdom en macht een daadwerkelijke tegenhanger te vormen voor de Kolos van het Noorden. Het leek inderdaad "een machtig rijk van onbegrensde mogelijkheden," "een land dat het voorstellingsvermogen te boven gaat," zoals andere Amerikaanse tijdschriften het beschreven.

Een grimmiger blik op de toekomst werd in 1924 gegeven door de Wall Street Journal: "Geen gebied in de wereld is het meer waard om ontgonnen te worden dan Brazilië." Vijf jaar later "schepten Amerikaanse zakenmannen op over het feit dat ze een groter aandeel in de exportmarkt hadden dan hun Britse rivalen" en dat "New York Londen had vervangen als de belangrijkste bron van nieuwe kapitaalsinvesteringen" (Joseph Smith). Amerikaanse investeringen vertienvoudigden van 1913 tot 1930; de handel verdubbelde ruimschoots, terwijl die van de Britten met bijna 20 procent afnam. Dit beeld was ongeveer hetzelfde in de gehele regio. De directe Amerikaanse investeringen in Latijnsamerikaanse ondernemingen verdubbelden bijna tot 3.5 miljard dollar in de jaren ‘20, terwijl verzamelde investeringen (obligaties en waardepapieren) meer dan verviervoudigden tot ruim 1.7 miljard dollar. Venezolaanse olie tijdens de dictatuur van Gómez, mijnen in Bolivia, Chili en in andere landen behoorden tot de favorieten. Van 1925 tot 1929 vloeide er ongeveer 200 miljoen dollar per jaar aan Amerikaans kapitaal Latijns-Amerika binnen, terwijl er jaarlijks 300 miljoen dollar terugvloeide naar Amerikaanse investeerders.1

Serieuze Amerikaanse interesse in Brazilië dateert vanaf 1889, toen de monarchie omver werd geworpen en er een republiek werd gesticht. In Washington werd een Pan-Amerikaanse conferentie gehouden "als onderdeel van een bredere strategie die was ontworpen om de Europese competitie uit te schakelen en op die manier de groeiende Amerikaanse commerciële belangen in de Latijnsamerikaanse markten veilig te stellen," schrijft Smith. De VS waren zeer terughoudend in het erkennen van de republikeinse regering, deels omdat "de conservatieve instincten van de Amerikaanse politici ontwaakten door de omverwerping met militair geweld van het symbool van autoriteit en stabiliteit." Maar, zoals de kersverse minister van Buitenlandse Zaken James Blaine erkende, "Brazilië heeft in het Zuiden soortgelijke relaties met andere landen, zoals de VS die hebben in het Noorden" en de commerciële mogelijkheden waren gigantisch. De twijfels werden al spoedig overwonnen.

In 1906 werd Brazilië uitgekozen om de derde Pan-Amerikaanse conferentie te houden, wegens de "onmetelijke" commerciële mogelijkheden. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Elihu Root, verklaarde dat de "samenwerking tussen de VS en Brazilië de enige en eeuwige garantie voor de integriteit van Amerika zou vormen." Van 1900 tot 1910 verdubbelden de Amerikaanse handel en investeringen in Latijns-Amerika, de snelste toename in de wereld. Toen de wereldmacht als gevolg van de Eerste Wereldoorlog in de richting van de Verenigde Staten verschoof, kreeg Washington de mogelijkheid om de Monroe-Doctrine* uit te breiden voorbij haar Caraïbische invloedssfeer. De Amerikaanse economische en politieke invloed in het halfrond was al aanzienlijk maar nam stevig toe, hetgeen leidde tot de euforie van de periode na 1920.2

De Amerikaanse overheersing van de Braziliaanse markt bereikte haar hoogtepunt na de Tweede Wereldoorlog. De VS namen de helft van de Braziliaanse import en meer dan 40 procent van de export voor hun rekening. Tegen die tijd hadden de Amerikaanse beleidsmakers ook oog gekregen voor de rest van de wereld, zodat Latijns-Amerika slechts een kleine rol speelde in het geheel, alhoewel het duidelijk was dat "de rol voor Latijns-Amerika in de nieuwe wereldorde lag in de verkoop van haar grondstoffen," zoals Stephen Rabe opmerkt, "en in het opnemen Amerikaanse kapitaaloverschotten." Kortom, om "te voldoen aan haar belangrijkste functie" en om "uitgebuit te worden" ten bate van de belangrijkste industriële landen. Net als de rest van het Zuiden.3

De beschrijving van de Nieuwe Wereldorde van 1945 door Rabe is vandaag de dag niet minder toepasselijk. Hetzelfde geldt voor de zorgen van Simon Bolívar over het "zeer machtige land, zeer rijk en oorlogszuchtig, dat tot alles in staat is," dat aan "het hoofd van dit continent staat." Het belangrijkste thema in het Tijdperk van Columbus – de ondergeschikte rol die is toegewezen aan het Zuiden –blijft hetzelfde wanneer we het "nieuwe imperiale tijdperk" betreden.

 


2. "Het welzijn van het kapitalistische wereldsysteem"

Binnen de mainstream-wetenschap wordt de Nieuwe Wereldorde van 1945 soms beschreven met opmerkelijke openhartigheid. De eerbiedwaardige historicus van de CIA, Gerald Haines, begint zijn studie over de Amerikaans-Braziliaanse betrekkingen op waarheidsgetrouwe wijze: "Na de Tweede Wereldoorlog hebben de Verenigde Staten, uit eigenbelang, de verantwoordelijkheid op zich genomen voor het welzijn van het kapitalistische wereldsysteem." Dit had hij eenvoudig kunnen ondersteunen door een CIA memorandum uit 1948 te citeren over "de koloniale economische belangen" van onze Westeuropese bondgenoten, of de oproep van George Kennan voor het herstel van het Japanse "Imperium richting het Zuiden", om maar een paar van de analyses waaruit de werkelijke belangen naar voren komen te noemen.4

"Amerikaanse leiders hebben geprobeerd de wereld te vormen naar de Amerikaanse wensen en maatstaven," vervolgt Haines. De bedoeling was om een "open wereld" te creëren – dat wil zeggen open voor uitbuiting door de rijken, en niet eens voor alle rijken. De VS wensten een "systeem met gesloten regio’s in een open wereld," legt Haines uit. Met deze omschrijving volgt hij de Latijns-Amerika deskundige David Green, die het "geformaliseerde" systeem van na de Tweede Wereldoorlog beschrijft als "een gesloten halfrond in een open wereld." Die regio’s waar de VS al controle over hadden, of in ieder geval aanzienlijke invloed, (Latijns-Amerika en het Midden-Oosten) dienden afgesloten te zijn voor competitie. In de regio’s waar de dominantie van de VS nog niet gevestigd was, moest de wereld open zijn. De manier waarop Haines het beroemde principe van de Open Deur omschrijft, valt binnen de ideologisch toegestane wijze: wat wij hebben, dat houden we (als het belangrijk genoeg is); en in alle andere gebieden vinden we dat iedereen vrije toegang moet hebben. Dit onderliggende principe werd door het ministerie van Buitenlandse Zaken in 1944 in een memo met de naam "Petroleumbeleid van de Verenigde Staten" duidelijk onder woorden gebracht. De VS domineerden toen de productie van het Westelijk halfrond, die nog een kwart eeuw de belangrijkste van de wereld zou zijn. Het memorandum verklaarde dat dit systeem gesloten moet blijven, terwijl de rest van de wereld open moet zijn. Het Amerikaanse beleid "zou gericht zijn op het instandhouden van de huidige monopoliepositie, en daarom op een strikte bescherming van de bestaande concessies in Amerikaanse handen, gekoppeld aan het hameren op gelijke mogelijkheden voor Amerikaanse bedrijven in nieuwe gebieden door middel van het Open-Deur-principe."5

De idee dat Latijns-Amerika van ons zou zijn, gaat terug tot de vroegste dagen van de Republiek en werd voor het eerst vormgegeven in de Monroe-Doctrine. De bedoelingen werden duidelijk onder woorden gebracht en al snel en consistent omgezet in daden. De formulering van Robert Lansing, die minister van Buitenlandse Zaken was onder president Woodrow Wilson, is moeilijk te overtreffen. Wilson zelf was er zeer van onder de indruk, maar dacht dat het "onbeleefd" was om dit soort dingen in het openbaar te zeggen:

"In het bevorderen van de Monroe-Doctrine houden de Verenigde Staten rekening met hun eigenbelang. De onafhankelijkheid van de andere Amerikaanse landen is een bijzaak, niet het doel. Hoewel het lijkt alsof dit alleen maar is gebaseerd op zelfzuchtigheid, had de opsteller van de doctrine geen hoger of genereuzer motief bij zijn uitroeping ervan."

Niet geheel zonder reden omschreef Bismarck in 1898 de Monroe-Doctrine als een "soort arrogantie, die typisch Amerikaans is en waarvoor geen enkel excuus bestaat."

De voorganger van Wilson, president Taft, voorzag dat "de dag niet ver meer is" dat "het gehele halfrond feitelijk aan ons zal toebehoren, zoals het door de superioriteit van ons ras moreel gezien al aan ons toebehoort." Gezien de overweldigende macht die de VS hadden bereikt tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog, was er voor Washington geen enkele reden meer om bemoeienissen "met onze kleine regio hier" (Stimson) te tolereren.6

In de wereldorde van 1945, vervolgt Haines, was het doel in Latijns-Amerika om "alle buitenlandse concurrentie uit te schakelen." De VS zetten zich in om de Franse, Britse en Canadese rivalen te vervangen, zodat "het gebied behouden bleef als belangrijke afzetmarkt voor Amerikaanse industriële overproductie, voor investeringen om de enorme reserves aan grondstoffen te benutten en om het internationale communisme buiten de deur te houden." De term "communisme" moet begrepen worden in de gebruikelijke technische zin: zij die zich richten op "de arme mensen die altijd al de rijken willen plunderen," zoals John Foster Dulles het zo mooi omschreef. Voor het Midden-Oosten bestonden soortgelijke plannen en na de Tweede Wereldoorlog breidden de VS de Monroe-Doctrine tot hier uit. De gevolgen hiervan voor het zuiden van Europa, Afrika en de regio zelf waren gigantisch.

Alhoewel Haines zich concentreert op het rijkste en belangrijkste land van Latijns-Amerika zijn zijn conclusies algemeen geldend. Hij schrijft dat in Brazilië de VS zich inspanden om economisch nationalisme en "overdreven industriële ontwikkeling" (zoals de regeringen van Truman en Eisenhouwer het noemden) te voorkomen; dat wil zeggen, binnenlandse ontwikkeling die zou kunnen concurreren met Amerikaanse bedrijven. Concurrentie met buitenlands kapitaal werd niet gezien als "overdreven" en was daarom toegestaan. Deze eisen van de VS waren al in februari 1945 opgelegd aan de regio, zoals eerder besproken (hoofdstuk 2.1).

Het nieuwe aan deze instructies was niet de aard ervan, maar de reikwijdte. Het doel van de vooroorlogse Goede-Buur-programma’s, schrijft David Green, was "om de diversiteit van de Latijnsamerikaanse productie te stimuleren in de verwachting dat er een goede markt in de regio zou zijn; maar deze diversiteit moest beperkt blijven tot producten die niet zouden concurreren met al bestaande productielijnen in de markten van het Westelijk halfrond," hetgeen in de praktijk neerkwam op Amerikaanse productielijnen. De voorstellen van de Inter-Amerikaanse Advies Commissie riepen de VS op om Latijnsamerikaanse producten te kopen om "de ontwikkeling van de Latijnsamerikaanse capaciteit te stimuleren om op deze wijze meer producten van de Verenigde Staten te kopen" (nadruk door Green). De eerste projecten van de door de VS gedomineerde Inter-Amerikaanse instanties "betroffen consumptiegoederen in plaats van productiegoederen." Het doel "was zeker niet om inbreuk te maken op de export van de VS naar Latijns-Amerika," met name "export van machine- en zware industrie."

De spaarzame uitzonderingen bevestigen de regel. Washington ging akkoord met een Braziliaans staalproject, maar zoals de regeringseconoom Simon Hanson duidelijk maakte, betekende dit alleen maar "verandering van soort" van de Amerikaanse staalexporten naar Brazilië, geen verlies in het totale volume of waarde: de Braziliaanse fabriek zou enkel "de eenvoudigere fabrieksprodukten" produceren, die "de import van meer complexe materialen noodzakelijk maakte," waarvoor de meer geavanceerde technieken noodzakelijk waren en daar "komen wij om de hoek kijken," zodat de Amerikaanse exportmarkt beschermd bleef. In een analyse wordt geconcludeerd dat de "landen die het meest verliezen door de Braziliaanse produkten die door deze fabriek worden gemaakt, Engeland en Duitsland zullen zijn."7

In het algemeen, merkt Haines op, waren Amerikaanse leiders "tegen grote industrialisatieplannen voor de landen in de Derde Wereld en verwierpen ze buitenlandse hulpprogramma’s die gebaseerd waren op staatsleningen om economische groei te promoten." Zij gaven de voorkeur aan een "mercantilistische aanpak" waarbij de economieën van de Derde Wereld werden geïntegreerd "in het door de VS gedomineerde vrijhandelssysteem." Het concept van de "mercantilistische vrije handel" is een aardige samenvatting van het ideologische referentiekader. De VS "probeerden de Braziliaanse industriële ontwikkeling te leiden en te beheersen ten gunste van de Amerikaanse privé-ondernemingen en Brazilië in te passen in hun regionale economische plannen." Het humanitaire Punt Vier-programma dat "model stond voor geheel Latijns-Amerika," was ontworpen "om de aanvoer van grondstoffen voor de Amerikaanse economie te ontwikkelen, en voor de uitbreiding van markten voor de Amerikaanse export en mogelijkheden voor investeringen van Amerikaans kapitaal."

Wat de Amerikaanse beleidsmakers "voor zich zagen, maar zelden onder woorden brachten, was een neokoloniale verhouding, waarbij Brazilië de Amerikaanse industrie moest voorzien van grondstoffen en de VS Brazilië zou voorzien van verwerkte goederen." Ze volgden een "neokoloniaal mercantilistisch beleid" – hetgeen vreemd genoeg "een klassiek liberale aanpak is voor ontwikkeling," wat nogmaals onderstreept wat voor een flexibel instrument economische theorie kan zijn. Industriële ontwikkeling was alleen aanvaardbaar als zij een "aanvulling was op de Amerikaanse industrie." Het grondidee was dat "Braziliaanse ontwikkeling in orde was zolang het geen bedreiging vormde voor de Amerikaanse winsten en overheersing" en zolang het gegarandeerd was dat de winsten overvloedig terugvloeiden. Ook de ontwikkeling van de landbouw werd bevorderd zolang "destabiliserende" programma’s zoals landbouwhervormingen werden vermeden, er gebruik werd gemaakt van Amerikaanse landbouwapparatuur, "produkten werden gecultiveerd die complementair waren aan de Amerikaanse productie, zoals koffie, cacao, rubber en jute," en er "nieuwe markten werden gecreëerd voor Amerikaanse landbouwproducten" zoals zuivelproducten en tarwe.

"De wensen van Brazilië kwamen op de tweede plaats," merkt Haines op. Al is het goed "om ze af en toe een schouderklopje te geven en ze het gevoel te geven dat je dol op ze bent," zoals Dulles het zei.

Direct na de Tweede Wereldoorlog werd het referentiekader van de Koude Oorlog in stelling gebracht. Al in 1946 waren de samenzweringen van de Sovjets in Brazilië een bron van zorg voor ambassadeur Adolf Perle, die een vooraanstaand staatsman was in de periode vanaf Roosevelt’s New Deal tot aan Kennedy’s New Frontier. Hij waarschuwde dat de Russen net als de nazi’s waren: "afschuwelijk, cynisch en vreselijk, ze maken misbruik van iedere manier van denken of handelen waarmee ze de Verenigde Staten in problemen kunnen brengen"; zij zijn in dit opzicht heel anders dan wij. Inlichtingendiensten konden geen enkele onruststokerij van Sovjetmakelij vinden, behalve de economische missies en andere gangbare zaken. Maar zoals gewoonlijk werd die conclusie niet als relevant gezien en prevaleerden de ideeën van Berle. Haines vat een rapport van de inlichtingendiensten van een paar maanden later als volgt samen: "Het zou best kunnen dat de Sovjet-Unie er in de toekomst heil in zou zien wat te gaan hengelen in de vertroebelde wateren van de inter-Amerikaanse samenwerking." Dus er mag geen risico worden genomen, wat alweer een voorbeeld is van de "logische onlogica" die zo’n belangrijke rol heeft gespeeld in de mondiale beleidsplanning. De potentiële communisten moeten worden uitgeschakeld zodat ze geen enkele kans hebben om ons te hinderen bij het bereiken van onze doelen.

Amerikaanse leiders gebruikten Brazilië als een "proeftuin voor moderne wetenschappelijke methodes van industriële ontwikkeling," aldus Haines. Amerikaanse experts gaven aanwijzingen op allerlei gebieden. Zij moedigden de Brazilianen bijvoorbeeld aan om de Amazone open te gooien voor ontwikkeling en om het Amerikaanse model te volgen voor de spoorwegen – dat laatste is misschien wel bedoeld als een vleugje zwarte humor. Maar heel belangrijk was dat ze Brazilië oprechte adviezen gaven over hoe de Amerikaanse ondernemingen zo goed mogelijk geholpen konden worden.

Het hele verhaal van Haines is doorspekt met zinnen als "met de best mogelijke bedoelingen," "oprechte overtuiging," enzovoorts. Door een gelukkig toeval kwamen de "oprechte overtuigingen" heel goed overeen met de wensen van de Amerikaanse investeerders, hoe slecht alles ook uitpakte voor de beschermelingen. Ook Haines riedelt het aloud bekende liedje, waaronder het vertrouwen in de goede bedoelingen die op zo’n wonderlijke wijze overeenkomen met het eigenbelang.


3. Bescherming van de democratie

Haines richt zich op de vroege periode, maar hij geeft al een voorproefje van wat er te wachten stond als hij verwijst naar het doel van het "cultiveren van de Braziliaanse militairen", die de Amerikaanse ambtenaren "promootten … als beschermheren van de democratie." Dit vooruitziende programma om onze democratische idealen te realiseren kwam in 1964 tot volle wasdom toen de generaals de macht overnamen, waarmee een einde kwam aan het naoorlogse parlementaire intermezzo in Brazilië. Er werd een neonazi Nationale Veiligheidsstaat gevestigd met grootscheepse martelingen en onderdrukking, die een inspiratie vormde voor hun gelijken in de gehele regio, waar het ene na het andere land een soortgelijke verandering onderging. Een opmerkelijk voorbeeld van de "domino theorie" die, om de één of andere reden, slechts zelden aan de orde komt als men het hier over heeft. De generaals pasten een goedgekeurde versie van de neoliberale doctrine toe onder de voortdurende voogdij van de VS. Er werd een "economisch wonder" verricht, dat alom op veel bewondering kon rekenen, al was er natuurlijk wel enig voorbehoud over het sadistische geweld waarmee het werd doorgevoerd.

De door militairen gerunde Nationale Veiligheidsstaten waren een direct gevolg van het Amerikaanse beleid en uitgangspunten. Vanaf de Tweede Wereldoorlog hebben de Amerikaanse beleidsmakers moeite gedaan om de Latijnsamerikaanse militairen te integreren in een commandostructuur onder leiding van de VS. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de basis gelegd voor een permanent systeem van gecoördineerde aanvoer, met gestandaardiseerde wapens voor het gehele continent. De verwachting was dat deze maatregelen "zeer winstgevend zouden zijn" voor de sterk opkomende Amerikaanse militaire industrieën (generaal "Hap" Arnold, die in dit geval sprak over de naoorlogse luchtvaartindustrie). De controle over de militaire leveranties zou ook economische en politieke macht opleveren, wat de VS de mogelijkheden gaf om nationalistische tendensen en "subversie" te ontmoedigen. Een logisch gevolg hiervan zou zijn dat de opleidingsmissies van de Europese rivalen konden worden overgenomen. Met de Inter-American Military Cooperation Act uit 1946 door Harry Truman werd geprobeerd om een monopolie te krijgen op de leveranties en trainingen in een "militair gesloten halfrond onder heerschappij van de Verenigde Staten" (Green). In latere jaren werd in interne documenten de nadruk gelegd op het belang de Europese rivalen te vervangen. Dit werd ook spoedig bereikt.

De problemen omtrent de bestrijding van de "subversie" waren in 1943 al op de voorgrond getreden, toen de eigenaren van de Boliviaanse mijnen een verzoek hadden gedaan om de stakende tinmijnwerkers te onderdrukken, waarbij er honderden gedood werden in de "Catavi-slachting". Er kwam van de Amerikaanse regering geen enkele reactie, totdat de Nationale Revolutionaire Beweging (MNR), - een nationalistische, anti-oligarchische, pro-vakbond beweging - een jaar later een einde maakte aan de dictatuur. De VS hekelden het nieuwe regime (onder onnozele voorwendselen) als zijnde "pro-fascistisch" en (in dit geval terecht) als weerstand biedend aan "Anglo-Yankee imperialisme". De VS eisten dat alle leden van de MNR werden uitgesloten van het bekleden van machtsposities en zorgden ervoor dat de regering werd omvergeworpen ten gunste van een militaire regering. In een memo van Buitenlandse Zaken werd vastgesteld dat één thema doorslaggevend was: de eigenaren van de mijnen waren bang dat de door de MNR "verkondigde bedoelingen om zich in te zetten voor het verbeteren van het lot van de arbeiders, alleen maar ten koste van de belangen van de mijnen kan gaan." Meer in het algemeen was er de angst voor het radicale nationalisme, zoals eerder besproken in hoofdstuk 2.

Door de regering van Kennedy werd dit proces nog versneld. De missie van Latijnsamerikaanse militairen werd veranderd van "regionale defensie" in "binnenlandse veiligheid," dat wil zeggen oorlog tegen de eigen bevolking. Academische deskundigen legden zonder gêne uit dat de militairen onder het voogdijschap van Amerikaanse leraren een "moderniserende" kracht zijn.

Het basisidee werd uitgelegd in 1965 in een geheime studie door McNamara’s ministerie van Defensie: "Het Amerikaanse beleid ten aanzien van de Latijnsamerikaanse militairen is in het algemeen succesvol geweest in het behalen van de gestelde doelen": "het verbeteren van de mogelijkheden voor binnenlandse veiligheid" en het "tot stand brengen van een overheersende militaire invloed van de VS." De militairen begrijpen nu hun taken en zijn uitgerust om die uit te voeren, dankzij de aanzienlijke toename in training en wapenleveranties in 1961-1962 die werd doorgevoerd door de Kennedy-regering. Deze taken bestaan onder meer uit het omverwerpen van burgerregeringen "wanneer, in het oordeel van de militairen, het optreden van deze leiders schadelijk is voor het welzijn van het land"; dit is noodzakelijk in het "Latijnsamerikaanse culturele milieu," legden de Kennedy-liberalen uit. Men kon er op vertrouwen dat de militairen de juiste beslissingen zouden nemen, omdat hun oordeel is gebaseerd op "gelijke gezindheid en begrip voor Amerikaanse doelstellingen." Als we deze lijn volgen, kunnen we rekenen op de juiste uitkomst van de "revolutionaire machtsstrijd tussen de belangrijkste groepen die de huidige klassenstructuur" in Latijns-Amerika vormen. Dit is dan een garantie voor de "Amerikaanse investeringen" en handel, de "economische wortels" die wel de belangrijkste wortels zijn van de "Amerikaanse politieke belangen in Latijns-Amerika."8

De vulgaire marxistische retoriek zoals gebezigd door de beleidsmakers onder Kennedy en Johnson is gemeengoed in interne documenten, evenals in de financiële pers.

Terug naar Brazilië. Er werd begonnen met het plannen van een militaire coup vlak nadat João Goulart in augustus 1961 president werd. De militairen waren op hun hoede door zijn populistische retoriek en zijn aantrekkingskracht. Zijn pogingen om het minimumloon van arbeiders te verhogen maakten hen woedend. De zorgen van het Amerikaanse bedrijfsleven namen toe toen er in de Kamer van Afgevaardigden een wet werd aangenomen die voorwaarden stelde aan buitenlandse investeringen en kapitaalvlucht "omdat deze schade toebrengen aan de Braziliaanse economie." Hoewel Goulart, als loyaal lid van de Braziliaanse elite, anticommunistisch was, waren de Amerikaanse vakbondsleiders en functionarissen van de ambassade verontrust door zijn betrokkenheid bij arbeiders- en boerenorganisaties en de benoeming van Braziliaanse communisten in kaderfuncties; "een openlijke communistische koers," waarschuwde de CIA. De juiste Koude Oorlog-context was door Kennedy kort voordat hij het presidentschap had aanvaard duidelijk onder woorden gebracht (zie hoofdstuk 3).

In het begin van 1962 hadden de militaire opperbevelhebbers Kennedy’s ambassadeur, Lincoln Gordon, ervan op de hoogte gebracht dat ze een coup aan het voorbereiden waren. Op persoonlijk initiatief van Kennedy begonnen de VS met het verlenen van illegale en openlijke steun aan de kandidaten van de rechtervleugel. De president had, net als Gordon en de Amerikaanse zakenlieden, het gevoel dat "de militairen waarschijnlijk de sleutel tot de toekomst zijn," concludeert Ruth Leacock. Robert Kennedy werd in december 1962 naar Brazilië gezonden om invloed uit te oefenen op Goulart om "het hoofd te bieden aan het communistische probleem," zoals de Amerikaanse ambassade het onder woorden bracht. Robert Kennedy liet Goulart weten dat de president zich oprecht zorgen maakte over de infiltratie van "communisten en anti-Amerikaanse, linkse nationalisten" in de regering, het leger, de vakbonden en in studentengroepen, en over de "slechte behandeling van Amerikaanse en andere buitenlandse investeerders." Als Goulart nog Amerikaanse hulp wil, zei Kennedy, dan moet hij er voor zorgen dat het "personeel in Braziliaanse sleutelposities" pro-Amerikaans zou zijn en dan moeten de door de VS aanbevolen economische maatregelen worden doorgevoerd.

De verhoudingen bleven gespannen, met name over het bezuinigingsplan dat de regering van Kennedy eiste als voorwaarde voor het geven van hulp en over de waarschuwingen betreffende de invloed van de linkervleugel. In maart 1963 deed de CIA nogmaals verslag van plannen voor een militaire coup. Tegen die tijd drong de top van het Amerikaanse bedrijfsleven er op aan om de gehele Amerikaanse hulp stop te zetten, met als doel de dreigende coup te versnellen. In augustus waarschuwde de Amerikaanse defensie-attaché, Vernon Walters, het Pentagon dat Goulart "ultranationalistische officieren" aan het bevorderen was, ten koste van "pro-democratische pro-VS officieren" (die twee termen zijn klaarblijkelijk synoniem). Tijdens de Johnson-regering verhardden de verhoudingen nog meer. Senator Albert Gore liet de buitenlandcommissie van de Senaat, die zich toen boog over buitenlandse hulp, weten dat hij had gehoord dat "alle leden van het Braziliaanse Congres die een voorstander zijn van de hervormingen die wij als voorwaarde stellen voor de hulp in het kader van de Samenwerking voor Vooruitgang (Alliance for Progress) nu allemaal in de gevangenis zitten." Ambassadeur Gordon telegrafeerde naar Washington dat de VS de militaire steun aan Brazilië moesten opvoeren, omdat de militairen essentieel waren in de "strategie voor het aan banden leggen van de uitwassen van de linkervleugel van de Goulart-regering." Tegelijkertijd was de CIA bezig met "het financieren van massademonstraties in de steden tegen de regering Goulart. Waarmee maar weer werd aangetoond dat de oude thema’s over God, natie, familie en vrijheid net zo effectief zijn als altijd," schreef Philip Agee in zijn Dagboek.

Het is goed om in het achterhoofd te houden dat steun aan de militairen een standaardprocedure is om een burgerregering omver te werpen. Deze truc werd ook met succes toegepast in Indonesië en Chili. Het werd ook geprobeerd in Iran in het begin van de jaren 80, het was de eerste fase van wat later bekend werd (en op passende wijze herschreven) als de Iran-contra-affaire.9

Op 31 maart 1964 namen de generaals de macht over, met steun van de VS en met plannen voor verdere actie mocht het noodzakelijk zijn "om een succesvolle overname te verzekeren." De generaals hadden een "democratische opstand" uitgevoerd, telegrafeerde Gordon naar Washington. De revolutie was een "grote overwinning voor de vrije wereld," voorkwam het "totale verlies voor het Westen van alle Zuid-Amerikaanse Republieken" en zou zorgen voor "een sterk verbeterd klimaat voor privé-investeringen." "Het belangrijkste doel van de Braziliaanse revolutie," getuigde ambassadeur Gordon voor het Congres twee jaar later, "was om de Braziliaanse democratie te beschermen en niet om haar te vernietigen." Deze democratische revolutie was "de belangrijkste, meest doorslaggevende overwinning voor vrijheid in het midden van de 20ste eeuw," stelde Gordon, "één van de belangrijkste keerpunten in de wereldgeschiedenis." Adolf Berle stemde er mee in dat Goulart een kloon van Castro was die moest worden verwijderd. De minister van Buitenlandse Zaken, Dean Rusk, rechtvaardigde de Amerikaanse erkenning van het nieuwe coup-regime op grond van het feit dat "de opvolging zich voltrok zoals was voorzien in de grondwet," een verklaring die niet "geheel correct" was, merkt Thomas Skidmore voorzichtig op.

Terwijl het nieuwe regime de arbeidersbeweging aan het verpletteren was, eisten ook de Amerikaanse vakbondsleiders hun deel van de eer op voor de gewelddadige omverwerping van het parlementaire regime. Arme mensen en arbeiders werden weer ondergeschikt gemaakt aan de doorslaggevende belangen van het, voornamelijk buitenlandse, bedrijfsleven. De reële inkomens werden binnen drie jaar teruggebracht met 25 procent, feitelijk een herverdeling "in de richting van de hoge-inkomensgroepen die voorbestemd waren om de belangrijkste consumenten te worden van het Braziliaanse wonder," aldus Sylvia Ann Hewlett, die de wrede repressie en de aanval op de levenstandaard ziet als een "essentiële voorwaarde voor een nieuwe groeicyclus in de binnenlandse Braziliaanse economie." Washington en de investeerders waren uiteraard opgetogen. Terwijl de laatste restanten van de constitutionele wetgeving gestaag verdwenen en het investeringsklimaat verbeterde, bood de Wereldbank haar eerste lening in 15 jaar aan en schoot de Amerikaanse hulp omhoog, net als de martelingen, moord, honger, ziekte, kindersterfte – en de winsten10


4. Het veiligstellen van de overwinning

De Verenigde Staten waren de "meest betrouwbare bondgenoot van het regime," concludeert Thomas Skidmore in de meest uitvoerige studie over de gevolgen van de coup. Door de Amerikaanse hulp was de heerschappij van de generaals "verzekerd". Dit zorgde er ook voor dat de "VS een soort unilaterale IMF werden, die toezicht hielden op ieder beleidsaspect van de Braziliaanse economie." "In vrijwel ieder Braziliaanse dienst die zich bezighield met het heffen van belastingen, het bepalen van lonen of prijzen, was er een alomtegenwoordige Amerikaanse adviseur," ontdekte de nieuwe ambassadeur in 1966. Wederom waren de Verenigde Staten in de juiste positie om Brazilië te gebruiken als "proeftuin voor moderne wetenschappelijke methoden van industriële ontwikkeling" (Haines), en dus hebben ze alle recht om met de eer te gaan strijken voor wat er volgde. Onder begeleiding van de VS werd er door Brazilië "geheel volgens het boekje" van de monetaristische criteria een orthodox neoliberaal beleid gevolgd en werd "de markteconomie uitgebreid" (Skidmore). Het "economische wonder" voltrok zich parallel aan de versteviging van de fascistische Nationale Veiligheidsstaat. Dat is geen toeval. Een regime dat niet de knoet zou hanteren, zou niet in staat zijn geweest om de maatregelen door te voeren die zulke schadelijke effecten voor de bevolking hadden.

De neoliberale hervormingen zijn er niet bepaald in geslaagd om het "Braziliaanse kapitalisme van de grond te krijgen," vervolgt Skidmore (hoewel ze een flinke steun waren voor buitenlandse bedrijven). Het leidde zelfs tot een ernstige industriële recessie, waarbij veel ondernemingen over de kop gingen. Om deze effecten tegen te gaan en om te voorkomen dat nog meer van de economie zou worden overgenomen vanuit het buitenland, richtte de regering zich op de overheidssector om de geminachte staatsbedrijven te beschermen.

In 1967 werd het economisch beleid overgenomen door een groep technocraten onder leiding van de conservatieve en zeer gerespecteerde Antonio Delfim Neto, die een enthousiaste voorstander van "de Revolutie van 31 maart" was. Volgens Neto was de "Revolutie" een "reusachtige manifestatie van de maatschappij" en "het product van een collectieve consensus" (dat wil zeggen onder hen die zich gekwalificeerd hadden voor de "maatschappij"). Terwijl de principes van het economisch liberalisme met trots in het vaandel werden gedragen, stelde de regering voor onbepaalde tijd voor de lonen te bevriezen. "Protesten van arbeiders, tot dan toe op kleine schaal en onregelmatig, werden moeiteloos onderdrukt," observeert Skidmore, terwijl de fascistische heerschappij steeds meer grip kreeg op de gehele samenleving door middel van strenge censuur, het uitschakelen van de onafhankelijke rechtsspraak, het sluiten van menig faculteit en aanpassing van lesprogramma’s ter promotie van het patriottisme. Het nieuwe en verplichte lesprogramma "Morele en Burgerlijke Vorming" was gericht op "het verdedigen van de democratische principes door het in stand houden van de religieuze geest, de waardigheid van de mens en de liefde voor de vrijheid, met de goede zorg onder de inspiratie van God" – zoals uitgedragen door de generaals met aan hun zijde de technocraten. Daar zouden de Amerikaanse "conservatieven" nog een hoop van kunnen leren.

De president kondigde in 1970 aan dat de repressie "hard en meedogenloos" zou zijn, zonder rechten voor "pseudo-Brazilianen". Martelen werd "een griezelig ritueel, een beredeneerde aanval op lichaam en geest," schrijft Skidmore, met specialiteiten zoals daar zijn het martelen van kinderen en groepsverkrachtingen van vrouwen voor de neus van hun familie. De "orgie van martelingen" was "een duidelijke waarschuwing" voor iedereen die zich iets vreemds in het hoofd haalde. Het was "een krachtig middel" dat "het voor Delfim Neto en zijn technocraten veel makkelijker maakte om een publiek debat over fundamentele economische en sociale prioriteiten te vermijden" terwijl zij "de deugden van de vrije markt preekten." Het op deze wijze voortzetten van de grote economische groei zorgde dat Brazilië "opnieuw aantrekkelijk werd voor buitenlandse investeringen," die aanzienlijke delen van de economie overnamen. Aan het einde van de jaren ’70 "werden in Brazilië kleine bedrijven overheerst door lokaal kapitaal, waar diezelfde soort bedrijven in de Verenigde Staten onafhankelijk waren"; multinationals en hun lokale afdelingen domineerden in de meest winstgevende groeigebieden, hoewel door de veranderingen in de wereldeconomie ondertussen 60 procent van het buitenlandse kapitaal niet meer afkomstig was van de VS (Peter Evans).

De macro-economische statistieken waren nog immer heel bevredigend, vervolgt Skidmore, met een snelle groei van het Bruto Nationaal Product en buitenlandse investeringen. Een "veelzeggende" verbetering in de prijsverhouding met het buitenland in het begin van de jaren ’70 was een flinke opsteker voor de generaals en de technocraten. Ze hielden resoluut vast aan de theorie dat "snelle groei, waarbij de hele taart groter wordt, de enige oplossing is voor armoede en ongelijke inkomensverdeling." Dit kon uiteraard rekenen op de goedkeuring van het Westen. Een iets nadere bestudering toont ook nog andere karakteristieken van de neoliberale geloofsleer. De groeiratio van 1965-1982 onder de Nationale Veiligheidsstaat was gemiddeld niet hoger dan van 1947-1964 onder parlementaire regeringen, merkt David Felix, ondanks de grote voordelen van autoritaire controle waarvan de fascistische neoliberalen konden profiteren. De binnenlandse spaartegoeden stegen nauwelijks in de "wonderjaren" met het "rechtse consumentisme" dat door de generaals en technocraten werd ingesteld. De binnenlandse markt werd gedomineerd door luxegoederen voor de rijken. Niets van dit alles zal anderen die onderworpen zijn aan hetzelfde economische regime, waaronder de Noordamerikanen tijdens de "revolutie van Reagan", vreemd in de oren klinken

Brazilië werd "de snelst groeiende markt voor Amerikaanse ondernemers," merkt Evans op, met de hoogste rendementen voor investeringen. Alleen in Duitsland aan het einde van de jaren ’60 en begin ’70 was het beter. Tegelijkertijd werd Brazilië steeds meer een dochteronderneming in buitenlandse handen. En wat waren de gevolgen voor de bevolking? Uit een studie van de Wereldbank uit 1975 – op het hoogtepunt van de wonderjaren – bleek dat 68 procent van de bevolking leefde op minder calorieën dan noodzakelijk is voor normale lichamelijke activiteit en dat 58 procent van de kinderen leed aan ondervoeding. De uitgaven van het ministerie van Gezondheid waren minder dan in 1965, met de verwachte gevolgen.11

Na een bezoek aan Brazilië in 1972 pleitte Samuel Huntington, politiek wetenschapper aan Harvard, ervoor dat de fascistische terreur wat zou verminderen, maar met mate: "vermindering van controle" zou kunnen leiden "tot een uitbarsting waarin het gehele proces uit de hand loopt," waarschuwde hij. Hij stelde voor om het model van Turkije of Mexico te volgen met overheersing door één partij. Volgens hem waren liberale rechten niet zo belangrijk in vergelijking met de veel belangrijkere waarden zoals "institutionalisering" en stabiliteit.

Een paar jaar later spatte de zeepbel uiteen. Brazilië werd meegesleurd in de mondiale economische crisis van de jaren ’80, die met name rampzalig was voor Afrika en Latijns-Amerika. De handelsvoorwaarden verslechterden snel, waarmee de poten onder de stoel vandaan gezaagd werden van degenen die de hand op de knip en op de knoet hielden. Inflatie en schuld schoten omhoog, de inkomens daalden en veel bedrijven dreigden failliet te gaan. De hoeveelheid inactief kapitaal en onbenutte arbeidscapaciteit bereikten een hoogte van 50 procent, "hetgeen een geheel nieuwe betekenis aan het fenomeen ‘stagflatie’ gaf," merkt Skidmore op. De neoliberale groeistrategie van Delfim was "totaal ineengestort," voegt hij er aan toe. Na vier jaar van hevig economisch verval begon de economie te herstellen, grotendeels dankzij industrialisatie door middel van importsubstitutie, die zo hevig afgekraakt wordt binnen de neoliberale doctrine.· De generaals trokken zich terug en lieten de economische en sociale rotzooi over aan een burgerregering.


5. "Een echt Amerikaans succesverhaal"

Gerald Haines beschrijft in 1989 de resultaten van meer dan vier decennia van Amerikaanse overheersing en voogdijschap als "een echt Amerikaans succesverhaal." "Het Braziliaanse beleid van de VS was buitengewoon succesvol," het zorgde voor "indrukwekkende economische groei, stevig gebaseerd op het kapitalisme." Ook politiek gezien was het een succes. Al in september 1945, toen de "proeftuin" nog nauwelijks was opengesteld voor experimenten, schreef ambassadeur Berle dat "iedere Braziliaan nu de beschikking heeft over alle middelen waarover ook iedere Amerikaan beschikt tijdens een politieke campagne: hij kan een speech opstellen, een zaal huren, een petitie doen rondgaan, een krant opzetten, affiches ophangen, een optocht organiseren, steun verwerven, tijd op de radio krijgen, een comité vormen, een politieke partij organiseren, en op alle andere vreedzame manieren te proberen de stem en steun van zijn landgenoten te winnen" – net als "iedere Amerikaan." We zijn allemaal gelijk, één gelukkige familie, en daarom is de regering zo ontvankelijk voor de wensen en behoeften van haar bevolking. En heel erg "democratisch" –in de zin die het woord heeft binnen de heersende ideologie, refererend aan de onbetwistbare overheersing door het bedrijfsleven.

Deze triomf van de kapitalistische democratie staat in scherp contrast met de tekortkomingen van het communisme. De vergelijking is natuurlijk niet helemaal eerlijk – voor de communisten, die niets hadden dat ook maar in de buurt kwam van de gunstige omstandigheden die er waren voor deze "proeftuin" van het kapitalisme; de enorme hoeveelheden grondstoffen, afwezigheid van buitenlandse vijanden, vrije toegang tot internationaal kapitaal en hulp, en de welwillende ondersteuning door de Verenigde Staten gedurende meer dan een halve eeuw. En het succes mag er wezen. Al direct vanaf het begin namen de Amerikaanse investeringen en winsten een hoge vlucht, terwijl "Washington Brazilië's financiële afhankelijkheid van de Verenigde Staten verstevigde, invloed uitoefende op de besluiten van de regering aangaande de besteding van de rijkdommen en Brazilië langzaam in het door de VS gedomineerde handelssysteem trok," schrijft Haines.

Ook binnen Brazilië brachten de "moderne wetenschappelijke methoden voor ontwikkeling gebaseerd op een solide kapitalisme" grote voordelen. Al is er wel iets meer duidelijkheid nodig om deze voordelen goed te begrijpen. Brazilië bestaat uit twee zeer verschillende delen, schreef Peter Evans op het hoogtepunt van het wonder in de jaren ’70: "het fundamentele conflict in Brazilië speelt zich af tussen de één of misschien vijf procent van de bevolking die deel uitmaken van de elite en de 80 procent die niet profiteren van het ‘Braziliaanse model’ van ontwikkeling." Dat eerste Brazilië, modern en Westers, heeft enorm geprofiteerd van het kapitalistische succesverhaal. Het tweede Brazilië is weggezakt in de diepste ellende. Voor driekwart van de bevolking van dit "machtige rijk van oneindige mogelijkheden," zijn de omstandigheden zoals in Oost-Europa alleen maar iets om van te dromen. Alweer zo’n overwinning van de Vrije Wereld. Het "echte Amerikaanse succesverhaal" werd nauwkeurig omschreven in een studie die werd uitgevoerd in opdracht van de nieuwe burgerregering. Het toonde "een tegen die tijd overbekend beeld van Brazilië," merkt Skidmore op: "alhoewel Brazilië zich er op kon verheugen nu de achtste grote economie in de Westerse wereld te zijn, viel Brazilië in dezelfde categorie als de minst ontwikkelde Aziatische of Afrikaanse landen als het ging om indicatoren van sociaal welzijn." Dit was het resultaat van "twee decennia lang de vrije hand laten aan de technocraten" en de goedgekeurde neoliberale dogma’s, waarbij de "taart werd vergroot" terwijl het aan de andere kant "zorgde voor één van de meest onevenwichtige inkomensverdelingen ter wereld" en "ontstellende tekorten" in de gezondheidszorg en het sociaal beleid in het algemeen. In een VN Rapport over Menselijke Ontwikkeling (waarin scholing, gezondheid, en dat soort zaken gemeten worden) nam Brazilië de tachtigste plaats in, in de buurt van Albanië, Paraguay en Thailand. Kort daarna kondigde de VN-Voedsel en Landbouworganisatie (FAO) aan dat meer dan 40 procent van de bevolking (bijna 53 miljoen mensen) aan honger lijdt. Het Braziliaanse ministerie van Gezondheid schat dat er ieder jaar honderdduizenden kinderen aan de honger overlijden. Het Braziliaanse schoolsysteem staat volgens gegevens van UNESCO uit 1990 alleen nog boven Guinee-Bissau en Bangladesh.12

Het "succesverhaal" werd samengevat in een rapport van Americas Watch uit mei 1992: "Hoewel het rijk is aan natuurlijke grondstoffen en een grote industriële basis bezit, heeft het land de grootste schuld van alle ontwikkelingslanden en een economie die nu begint aan haar tweede decennium van ernstige crisis. Tragisch genoeg is Brazilië niet in staat om een adequate levensstandaard te bieden aan haar 148 miljoen inwoners waarvan in 1985 tweederde ondervoed was. Hun ellende wordt veroorzaakt en verhevigd door een gebrek aan toegang tot grond" in een land met "één van de hoogste concentraties van landeigendom ter wereld" en daarbij ook één van 's werelds scheefste inkomensverdelingen.

Honger en ziektes tieren welig, evenals slavenarbeid door contractarbeiders die slecht worden behandeld of eenvoudigweg vermoord als ze proberen te ontsnappen voordat ze hun schulden hebben afbetaald. In één van de negen gevallen van slavernij op het platteland die in de eerste paar maanden van 1992 door de Landcommissie van de Katholieke Kerk aan het licht werd gebracht, werden 4000 slavenarbeiders aangetroffen die bezig waren om houtskool te winnen in een landbouwproject dat was opgezet en gesubsidieerd door de militaire regering als zijnde een "herbebossingsproject" (waarvan niets functioneerde behalve de houtskoolgroeve). Op landgoederen werken de slavenarbeiders 16 uur per dag zonder enige betaling en worden ze geregeld geslagen en gemarteld, soms vermoord. Er heerst vrijwel totale straffeloosheid. Bijna de helft van al het land is in bezit van 1 procent van de boeren. De nadruk van de regering op gewassen voor de export, geheel op aanwijzing van de buitenlandse meesters, bevoordeelt boeren met kapitaal om te investeren. De overgrote meerderheid raakt zo nog meer gemarginaliseerd. In het noorden en noordoosten roepen de rijke landeigenaren de hulp in van gangsters of van de militaire politie om huizen en gewassen in de fik te steken en vee neer te schieten, om dorpelingen te verjagen naar sloppenwijken of het Amazonegebied, waar zij dan weer de schuld kunnen krijgen van de ontbossing als ze stukken land vrijmaken in een wanhopige poging te overleven. Vakbondsmensen, priesters, nonnen en advocaten die de arme boeren proberen te helpen met het verdedigen van hun rechten worden vermoord. Braziliaanse medische onderzoekers beschrijven de bevolking van de regio als een nieuwe menselijke soort: "Pygmeeën," met 40 procent de hersencapaciteit van mensen – het resultaat van hevige ondervoeding in een regio met heel veel vruchtbaar land, dat in eigendom is van grote plantages die gewassen produceren voor de export.13

Brazilië gaat aan kop in de wereld als het gaat om zegeningen zoals kinderslavernij, met zo’n 7 miljoen kinderen die werken als slaven en prostituees, uitgebuit, overwerkt, zonder scholing of ziektezorg, "of simpelweg beroofd van hun kind-zijn," aldus een rapport van de Internationale Arbeids Organisatie (ILO). De kinderen met iets meer geluk kunnen er naar uit zien om te werken voor een drugshandelaar in ruil voor lijm om te snuiven "zodat de honger verdwijnt." Over de hele wereld wordt het aantal kinderen in dit soort omstandigheden geschat op honderden miljoenen, "één van de meer wredere gevallen van ironie van onze tijd," is het commentaar van George Moffet. Was dit wrede gegeven gevonden in Oost-Europa, dan zou het een bewijs hebben gevormd voor de beestachtigheid van de communistische vijand; maar omdat het doodnormaal is in de Westerse regionen, is het niet meer dan ironie, het resultaat van "inheemse derdewereld armoede ... versterkt doordat financieel berooide regeringen de uitgaven voor onderwijs hebben teruggedraaid," en dit gebeurt allemaal zonder enige oorzaak.

Brazilië is ook de grote winnaar als het gaat om het martelen en vermoorden van straatkinderen door de veiligheidstroepen – "een proces van uitroeiing van jonge mensen," volgens het hoofd van de Juridische Afdeling van Rio de Janeiro (Hélio Saboya). Het is gericht op 7 tot 8 miljoen straatkinderen die "bedelen, stelen en lijm snuiven" en "voor een paar glorieuze momenten vergeten wie of waar ze zijn" (Jan Rocha, correspondent van The Guardian in Londen). In Rio constateerde een commissie van het congres 15 doodseskaders, waarvan de meeste bestaan uit politieagenten en worden betaald door handelaren. Buiten de stedelijke gebieden worden lichamen gevonden van de kinderen die door doodseskaders zijn vermoord, met hun handen geboeid, en met sporen van marteling en doorzeefd met kogels. Straatmeisjes worden gedwongen om als prostituee te werken. Het Juridisch Medisch Instituut registreerde alleen al in de eerste tien maanden van 1991 427 gevallen van moord op kinderen in Rio, de meeste door doodseskaders. Een Braziliaanse parlementaire studie die uitkwam in december 1991 rapporteerde dat er 7000 kinderen waren vermoord in de afgelopen vier jaar.14

Een echt eerbetoon aan onze grootsheid en de "moderne wetenschappelijke methoden van ontwikkeling stevig gebaseerd op het kapitalisme" in een gebied dat "het ontginnen waard" is als geen ander gebied ter de wereld.

De reikwijdte van deze prestatie moet niet worden onderschat. Er is echt heel wat voor nodig om een nachtmerrie te creëren in een land dat zo begunstigd en rijk toebedeeld is als Brazilië. In het licht van zulke triomfen is de toewijding van de heersende klasse van het nieuwe imperiale tijdperk om ook anderen te laten meedelen in de wonderen, goed te begrijpen, evenals het feit dat de ideologische managers de resultaten vieren met zoveel enthousiasme en zelfverering.

 


6. De triomf van het Fundamentalisme

Men zou kunnen tegenwerpen dat Brazilië, ondanks de uitzonderlijke voordelen, toch niet de optimale proeftuin is om de deugden te laten zien van de neoliberale doctrines, die "het kapitalisme-Amerikaanse-stijl" opdringt aan landen die het "het ontginnen waard" acht. Het zou misschien beter zijn Venezuela te proberen, een nog gunstiger gebied met zijn uitzonderlijke grondstoffen, waaronder de rijkste aardoliereserves buiten het Midden-Oosten. Laten we een blik werpen op dat succesverhaal.

In een belangrijke wetenschappelijke studie over de Amerikaans-Venezolaanse relaties schrijft Stephen Rabe dat de VS na de Tweede Wereldoorlog "actief het kwaadaardige en corrupte regiem van Juan Vicente Gómez ondersteunden." Dit regiem zette het land wijdopen voor buitenlandse uitbuiting. Buitenlandse Zaken schoof, zoals gebruikelijk, het "Open Deur" beleid op de lange baan toen het mogelijkheden zag voor de "Amerikaanse economische hegemonie in Venezuela." Vandaar dat de regering van Venezuela onder druk werd gezet om Britse concessies te weigeren (terwijl er tegelijkertijd Amerikaanse olierechten in het Midden-Oosten, waar de Fransen en Britten voorop liepen, geëist – en veiliggesteld – werden). In 1928 was Venezuela onder de hoede van Amerikaanse bedrijven de belangrijkste olie-exporteur in de wereld geworden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gingen de VS akkoord met de Venezolaanse eisen omtrent een fifty-fifty deling van de winst. Het resultaat was, zoals voorspeld, een enorme uitbreiding van de olieproductie en "aanzienlijke winsten voor de [Amerikaanse] olie-industrie," die de controle over de economie van het land en "belangrijke economische besluitvorming" op alle gebieden overnam. Van 1949 tot 1958 tijdens de dictatuur van de moordlustige misdadiger Pérez Jiménez "waren de Amerikaanse relaties met Venezuela harmonieus en economisch gunstig voor Amerikaanse zakenmensen." Martelingen, terreur en algehele repressie werden niet opgemerkt onder het gebruikelijke voorwendsel van de Koude Oorlog. In 1954 werd de dictator door president Eisenhower beloond met het Legioen van Verdienste. In de vermelding wordt opgemerkt dat "zijn heilzame beleid aangaande economische en financiële zaken de uitbreiding van buitenlandse investeringen heeft bevorderd, zijn regering op die manier heeft bijgedragen aan het welzijn van het land en de snelle ontwikkeling van haar immense natuurlijke hulpbronnen" – en, toevallig ook nog aan de gigantische winsten voor de Amerikaanse bedrijven die het land bestuurden, waaronder tegen die tijd staalbedrijven en dergelijke. Zo kwam ongeveer de helft van alle winsten van Standard Oil of New Jersey van haar Venezolaanse dochtermaatschappij, en dat is maar één voorbeeld.

Vanaf de Tweede Wereldoorlog volgden de VS in Venezuela het standaardbeleid van volledige overname van het militaire apparaat "om de Amerikaanse politieke en militaire invloed in het Westelijk halfrond uit te breiden en misschien de Amerikaanse wapenindustrie krachtig te houden" (Rabe). Zoals later uitgelegd door Kennedy’s ambassadeur Allan Stewart, "de op Amerika gerichte en anticommunistische gewapende troepen zijn essentiële middelen om onze veiligheidsbelangen te dienen." Hij lichtte zijn argument toe met het voorbeeld van Cuba, waar de "gewapende troepen uit elkaar vielen" terwijl zij op andere plaatsen "intact bleven en in staat waren om zichzelf en anderen te verdedigen tegen de communisten," zoals werd geïllustreerd door de golf van Nationale Veiligheidsstaten die het halfrond overspoelden. De Kennedy-regering verhoogde haar steun aan de Venezolaanse veiligheidstroepen voor "binnenlandse veiligheid en opstandsbestrijdingsoperaties tegen politiek links," licht Rabe toe. Net zoals in Vietnam werden er adviseurs gezonden om te helpen bij gevechtsoperaties. Stewart dringt aan op het "aandikken" van arrestaties van radicalen, want dat zou een goede indruk op Washington maken, evenals op Venezolanen (dat wil zeggen, op diegenen die belangrijk genoeg zijn).

In 1970 verloor Venezuela haar positie als ’s werelds belangrijkste olie-exporteur aan Saoedi-Arabië en Iran. Net als in het Midden-Oosten nationaliseerde Venezuela haar olie (en ijzererts) op een manier die nogal bevredigend was voor Washington en Amerikaanse investeerders, die "het nieuwe rijke Venezuela heel gastvrij vonden," schrijft Rabe. "Een van de meest unieke markten ter wereld," in de woorden van een functionaris van het ministerie van Handel.15

Met de terugkeer naar het presidentschap van de sociaal-democraat Carlos Andrés Pérez in 1988 onstond er enige bezorgdheid, maar deze zorgen verdwenen snel toen hij vol vuur een door het IMF goedgekeurd bezuinigingspakket invoerde. Ondanks de duizenden protesten hield hij voet bij stuk. De protesten waren veelal gewelddadig, waaronder één in februari 1989 waarbij 300 mensen werden gedood door de veiligheidstroepen in de hoofdstad Carácas.

Hoewel er in de VS nauwelijks verslag van wordt gedaan, gingen de protesten en de stakingsgolven door, erg genoeg om te vrezen dat het land zou vervallen tot "anarchie". In één van de vele gevallen werden in november 1991 drie studenten gedood door de politie die vreedzame demonstraties aanvielen; twee weken later gebruikte de politie traangas om een vreedzame mars van 15.000 mensen in Carácas gericht tegen het economische beleid van Pérez uiteen te jagen. In januari 1992 voorspelde de belangrijkste federatie van vakbonden dat er ernstige problemen en conflicten zouden ontstaan als gevolg van de neoliberale programma's die hadden geleid tot "massale verarming" waaronder verlies van 60 procent in koopkracht in drie jaar tijd, terwijl financiële groepen en transnationale bedrijven zich ermee verrijkten.16

Tegen die tijd vond er een nieuw "economisch wonder" plaats: "een schatkist die bulkt van de buitenlandse reserves, inflatie op het laagste peil in vijf jaar, en de grootste economische groei in de Amerikaanse regio, 9,2 procent in 1991," aldus James Brook, correspondent van de New York Times, die ook wat vertrouwde gebreken noemt, waaronder een terugval in reëel minimumloon in Carácas met 44 procent van het niveau van 1987, verslechtering van de voeding voor velen en een "schandalige concentratie van rijkdommen," volgens een lid van de rechtervleugel van het Congres. Andere tekortkomingen zouden (in de VS) een paar weken na een couppoging aan het licht komen, zoals de erkenning door de regering dat slechts 57 procent van de Venezolanen het zich kon veroorloven om meer dan één maaltijd per dag te nuttigen in dit land van enorme rijkdommen. Andere gebreken van het wonder waren geopenbaard in een rapport van een Presidentiële Commissie voor de Rechten van de Kinderen in augustus 1991, dat nog niet eerder was opgemerkt, en dat stelde dat "zeer ernstige armoede, gedefinieerd als het onvermogen om in ieder geval de helft van de noodzakelijke voedingsstoffen binnen te krijgen" verdriedubbeld was van 11 procent van de bevolking in 1984 naar 33 procent in 1991; en dat het reële inkomen per hoofd van de bevolking met 55 procent was afgenomen van 1988 tot 1991, een afname die tweemaal zo groot was als in de periode 1980-1988.17

Op 4 februari 1992 werd een poging tot een militaire coup neergeslagen. "Er was weinig vreugde," meldde het AP. "De couppoging is de kroon op de toenemende woede en frustratie over de economische hervormingen die voor zo'n macro-economisch succesverhaal hebben gezorgd, maar voor de levens van de meeste Venezolanen niets goeds hebben opgeleverd, en velen van hen heeft verbitterd" (Financial Times). Er "werd door een groot deel van de bevolking zwijgend ingestemd," rapporteert Brook, met name in de krotten- en arbeiderswijken. Net als de Braziliaanse technocraten had Pérez alles goed gedaan, "het afschaffen van subsidies, privatiseren van staatsbedrijven en het openstellen van een gesloten economie voor concurrentie." Maar er was iets onverklaarbaar mis gegaan. Toegegeven, de groeicijfers waren indrukwekkend "maar de meeste economisch analisten zijn er van overtuigd dat de hoge olieprijs in 1991 de beste brandstof was voor de groei van Venezuela, veel meer dan de bezuinigingsmaatregelen van Pérez," rapporteert Stan Yarbro, en het is voor iedereen duidelijk dat "de nieuwe rijkdom niet in staat is gebleken naar beneden te sijpelen naar de midden- en lagere klassen, wier levensstandaard op dramatische wijze is gedaald." Zuigelingensterfte "heeft een hoge vlucht genomen als gevolg van de verslechterende voedselinname en andere gezondheidsproblemen in de sloppenwijken," zei een priester die al 16 jaar in de arme buurten werkte. Er is genoeg "nieuwe rijkdom," waarvan veel naar financiële speculatieregelingen is gevloeid in plaats van naar nieuwe investeringen in de industrie. In 1991 was het geld dat werd verdiend in onroerend goed en financiële diensten bijna gelijk aan de winsten van fabrieken." 18

Kortom, een typisch economisch wonder, bewerkstelligd onder buitengewoon gunstige omstandigheden. En zeer geschikt voor de evaluatie van de neoliberale doctrines die met zoveel hartstocht worden gepredikt door de priesters van wat Jeremy Seabrook het nieuwe "Internationale Monetaire Fundamentalisme" noemt.19

 


7. Een paar kandidaten voor de hoofdprijs

Het is niet helemaal eerlijk om Brazilië de hoofdprijs te geven voor slavernij, moord en misbruik van kinderen; het is nu eenmaal de "Kolos van het Zuiden," een land met onbegrensde mogelijkheden. In feite geldt hetzelfde verhaal in meer of mindere mate voor heel Latijns-Amerika. Neem bijvoorbeeld Guatemala. Nog zo’n land dat rijk bedeeld is met grondstoffen en dat uitstekende vooruitzichten bood voor een "succesverhaal van het kapitalisme" nadat de VS er in 1954 de controle overnamen. We kunnen trots zijn op wat we daar hebben bereikt: uiterst indrukwekkend vergeleken met de verwoestingen die de verachtelijke vijand er had aangericht. Guatemala kan zich nu beroemen op een hoger niveau van ondervoeding dan Haïti, volgens UNICEF. De minister van Gezondheid rapporteerde dat 40 procent van de studenten leidt aan chronische ondervoeding, terwijl 2,5 miljoen kinderen op een totaal inwonertal van 9 miljoen als gevolg van de misstanden hun school verlaten en in de criminaliteit belanden. Als gevolg van politiek geweld is een kwart miljoen kinderen wees geworden. De toestand van de kinderen is niet verbazingwekkend omdat 87 procent van de bevolking onder de armoedegrens leeft (gestegen sinds 1980 toen het nog 79 procent was), 72 procent kan de minimale hoeveelheid voedsel om in leven te blijven niet veroorloven (52 procent in 1980), 6 miljoen mensen kunnen geen medische zorg krijgen, er is geen drinkwater voor 3,6 miljoen mensen, en de concentratie van het landeigendom blijft toenemen (2 procent heeft 70 procent van het land). De koopkracht in 1989 was nog maar 22 procent van het niveau van 1972, en daalt nog steeds als gevolg van de neo-liberale maatregelen uit de jaren 80, die in de jaren ’90 zullen worden uitgebreid.

We hoeven niet al te lang stil te staan bij de geschiedenis van massaslachtingen, genocide in de hooglanden, verdwijningen, martelingen, verminkingen en andere standaardbijkomstigheden van de zegeningen van de Vrije Wereld; en eerlijk is eerlijk, het vertoon van koloniale goedwillendheid ligt in het geval van Guatemala enigszins boven het gemiddelde. Maar het is wel goed om de grote lijnen in het achterhoofd te houden. De terreur begon onmiddellijk toen de VS er in 1954 in slaagden om door middel van een coup een einde te maken aan de reformistische kapitalistische democratie. In twee maanden tijd werden er zo’n 8000 boeren vermoord in een terreurcampagne die speciaal gericht was tegen vakbondsleiders van de United Fruit Company en Indiaanse dorpsleiders. De Amerikaanse ambassade werkte fanatiek mee en zorgde voor lijsten met daarop de namen van ‘communisten’ die uit de weg geruimd, opgesloten of gemarteld moesten worden. Tegelijkertijd zette Washington zich er voor in om van Guatemala "een toonbeeld van de democratie" te maken. Met de actieve deelname van de VS bereikte de terreur een hoogtepunt in de jaren ’60. Aan het einde van de jaren ’70 kreeg dit proces een herstart, hetgeen al snel leidde tot nieuwe hoogtepunten van barbaarsheid. Meer dan 440 dorpen werden volledig vernietigd en meer dan 100.000 burgers (volgens de Kerk en anderen lag dit getal dichter bij de 150.000) "verdwenen" of werden vermoord. Alles met enthousiaste steun van de regering van Reagan. In een vlaag van onomkeerbare milieuverwoesting werden gigantische gebieden in de hooglanden vernietigd. Het doel was om te voorkomen dat de bevolking zich opnieuw zou gaan organiseren, en om iedere gedachte aan vrijheid of sociale verandering uit te roeien. De schattingen zijn dat rond de 200.000 ongewapende burgers zijn gedood of "verdwenen" sinds de VS de controle heroverden. In de hooglanden van Guatemala zijn er periodes geweest waarin men zou kunnen spreken van genocide, als dat woord enige betekenis heeft. Maar in een ongelofelijke overwinning van de menselijke geest zetten burgerorganisaties en hun leiders de strijd voort tegen het door de VS geïnspireerde neo-nazisme.20

In de VS en in de westerse wereld in het algemeen wordt het nauwelijks opgemerkt maar de terreur gaat gewoon door. Uit het rapport van het Mensenrechten Bureau van de Aartsbisschop over de eerste helft van 1992 wordt melding gemaakt van minstens 399 moorden, waaronder veel "buitengerechtelijke acties" van de staatsveiligheidstroepen en hun bondgenoten. "Iedere dag worden er tientallen aanvallen op grondwettelijke rechten gerapporteerd." De terreur hangt samen met het neo-liberale beleid. "Twintig vakbondsleiders zijn in 1991 naar het buitenland gevlucht wegens doodsbedreigingen tegen hen en hun families," aldus het jaaroverzicht van Buitenlandse Zaken. Toen de arbeiders van het bedrijf Philips-Van Heusen, dat in Amerikaanse handen is, zich in 1991 begonnen te organiseren in een vakbond was het resultaat bedreigingen met de dood, verhoogde produktiequota en het neerschieten van een organisator. Dat alles om iedere poging tot verandering van de werkomstandigheden in de kledingindustrie de kop in te drukken. Die werkomstandigheden stellen deze industrie, die in buitenlandse handen is, immers in staat hun bijdrage te leveren aan het "economische wonder": minder dan 2 dollar loon voor 16 uur werk in pakhuizen met nauwelijks frisse lucht, een verstikkende hitte en afgesloten uitgangen, en daar nog bovenop lichamelijke en sexuele mishandeling, aldus een klacht die Amerikaanse vakbonden indienden bij het Bureau van de Amerikaanse Handelsafgevaardigde.21

Er stonden voor 1963 verkiezingen gepland in dit "toonbeeld van de democratie." Deze werden voorkomen door een militaire coup, met steun van de Kennedy-regering, om de deelname van Juan José Arévalo uit te sluiten. Hij is de grondlegger van de Guatemalteekse democratie en werd, na de omverwerping van de door de VS-gesteunde dictatuur van Ubico, in 1945 gekozen. Met de verkiezingen van 1966 werd de militaire controle over het land uitgebreid, waarmee een nieuwe golf van terreur zijn aanvang nam. De verkiezingen van 1985 werden door de Amerikaanse ambassade de "laatste stap in het herstel van de democratie in Guatemala" genoemd. De verkiezingen van november 1990 eindigde in een gelijkspel voor de twee rechtse neo-liberale kandidaten. Op basis van het aantal geldige stemmen bleek slechts 30 procent van het electoraat de verkiezingen serieus te nemen. Bij de tweede ronde, die werd gewonnen door Jorge Serrano, was het enthousiasme nog geringer.

Los van dit soort prestaties zijn de heersende sociale omstandigheden het resultaat van nog zo’n succesvol experiment: na de coup van 1954 werd door Amerikaanse adviseurs een ontwikkelingsmodel geïntroduceerd dat een einde maakte aan de episode van tien jaar kapitalistische democratie. Terwijl door middel van terreur het investeringsklimaat verbeterde, leidde het op export geörienteerde beleid tot een snelle groei in productie van landbouwgoederen en vlees voor de export, vernietiging van de wouden en traditionele landbouw, sterke toename van honger en algehele misère, de hoofdprijs voor DDT in moedermelk (185 maal de limiet die door de Wereld Gezondheidsorganisatie is vastgesteld) en een bevredigende handelsbalans voor Amerikaanse landbouwgiganten en lokale dochterondernemingen. De nieuwe maquiladoras hebben soortgelijke effecten. Huidige economische plannen, onder leiding van Amerikaanse adviseurs, versterken al dit soort effecten alleen maar.

Het was natuurlijk voorspelbaar dat president Serrano in januari 1992 in zijn rede voor het Congres verklaarde dat de resultaten van het gevolgde neo-liberale economische programma (waaronder een 100 procent verhoging van militaire uitgaven in de begroting van 1992) een "economisch wonder" was, terwijl westerse commentatoren vol lof waren en reikhalzend uitkeken naar nog meer weldaden van de kapitalistische democratie.

Het is, tussen haakjes, goed om in gedachten te houden dat met name de oorspronkelijke Indiaanse bevolking slachtoffer is; zij vormen meer dan de helft van de totale bevolking. Hun lijdensweg begon heel lang geleden. "In de periode voor de Spaanse verovering," schrijft Suzanne Jonas, "leden de Indianen nimmer aan de systematische achterstelling, die zo karakteristiek werd voor Guatemala sinds 1524," en "hoewel de schatting van Bartolomé de Las Casas van 4 tot 5 miljoen Indiaanse doden in Guatemala tussen 1524 en 1540 misschien overdreven is, komt het aardig in de buurt. Naar schatting stierf in Midden-Amerika en Mexico twee-derde tot zes-zevende van de Indiaanse bevolking in de periode van 1519 en 1650." 22

Kinderslavernij wordt al sinds lange tijd gerapporteerd in de onderworpen gebieden. Alleen al in India doen zo’n 14 miljoen kinderen van zes jaar en ouder kinderarbeid met werktijden van 16 of meer uur per dag, vaak onder omstandigheden die nauwelijks van slavernij. Zoals altijd is dit een weerspiegeling van de algehele sociale omstandigheden. In een vooraanstaand tijdschrift uit India stond een gedetailleerd onderzoek over "één van de meest vruchtbare en productieve gebieden in het zuiden van India." Dit beschreef "het verhaal van steeds minder kansen, van verlatenheid en wanhoop – en steeds vaker, van de dood" als gevolg van honger en zelfmoord, zoals in 1991 toen in twee maanden tijd onder wevers ten minste 73 hongerdoden vielen. De verslechtering van de omstandigheden zijn het resultaat van de "waanzinnige drang tot export" en de daarbijhorende "strategie om de armen te belasten en de rijken in de watten te leggen," beleid dat versneld zal gaan worden onder druk van het door de IMF ontworpen structurele aanpassingsprogramma, waarvoor India nu alom wordt geprezen.23

De situatie in Thailand is al sinds lange tijd berucht, veroordeeld door internationale en Thaise mensenrechtengroepen en geprezen in het westen als het zoveelste "succesverhaal van het kapitalisme." Alleen al in de pers van Bangkok zijn genoeg schokkende getuigenissen te vinden. De Cambodja-kenner Michael Vickery geeft enkele recente voorbeelden, waaronder het geval van tieners "bevrijd … uit een fabriek waar zij naar verluid werden vastgehouden voor slavenarbeid en werden gemarteld," vastgebonden en geslagen wanneer ze na diensten van 18 uur te moe waren om te werken; achttien meisjes met leeftijden tussen de 12 en 14 werden gered uit een textielfabriek waar zij meer dan 15 uur per dag werkten "voor vrijwel geen loon; tieners die de armoede uit het noordoosten ontvluchtten, werden vervolgens met bruut geweld gedwongen te werken in fabrieken of in bordelen voor Europese en Japanse toeristen. Een vooraanstaand Thais politiek-wetenschapper merkt op:

"In Thailand horen we soms verhalen over jonge kinderen die in lijfeigenschap worden verkocht door hun ouders. Deze jonge contractslaven werken onder zware omstandigheden … en voor veel van hen zal het lijfeigenschap worden verlengd wanneer de ouders een nieuwe lening bij de werkgever afsluiten. Jonge meisjes worden gedwongen te werken in fabrieken, die niet zijn geregistreerd bij het ministerie van Industrie, … soms niet ouder dan negen jaar – ze worden letterlijk door hun baas gevangen genomen voor meer dan 12 uur per dag … zij die klagen of proberen om te ontsnappen worden zwaar gestraft."

Dit komt bovenop de normale ellende en wrede uitbuiting voor de miljoenen armen.

"Jaar na jaar worden dit soort incidenten onthuld in de Thaise pers," merkt Vickery op, "en hoewel de autoriteiten iedere keer geschokt reageren, leidt het nooit tot belangrijke veranderingen. Dat kom doordat dit soort wreedheden, een ander woord zou niet passend zijn, zijn ingebouwd in het Thaise type kapitalisme" – meer in het algemeen in de "economische wonderen" die de "succesverhalen van het kapitalisme" zijn. Dat deze teisteringen zich voltrekken in de aan het westen verbonden satellieten, is niets meer dan "ironie". Een ander geval van "ironie" wordt geïllustreerd door Vickery’s bijtende commentaar over de behandeling van Cambodja en Vietnam, die zwaar onder druk staan door de Amerikaanse economische oorlogvoering, in vergelijking met Thailand dat een belangrijke ontvanger van hulp is: "Terwijl Vietnamese boeren een grotere controle krijgen over het land en over wat ze produceren, verliezen de Thaise boeren hun controle en worden hun kinderen gedwongen tot allerlei soorten uitbuiting die niet meer zijn aangetroffen in Vietnam sinds 1975, zelfs niet door de meest vijandige waarnemers." 24

In een overzicht van de Latijnsamerikaanse regio voor een Peruaans tijdschrift van de kerk, doet de Uruguayaanse journalist Samuel Blixen verslag van het feit dat in Guatamala-Stad de meerderheid van 5000 straatkinderen als prostituée werkten. In september 1990 werden er drie kinderlichamen gevonden met afgesneden oren en uitgestoken ogen, als waarschuwing voor wat er zal gebeuren met getuigen van kindermishandeling door de veiligheidstroepen. In Peru worden kinderen verkocht aan de hoogste bieder om goud te zoeken; volgens een jong Indiaans boerenmeisje dat ontsnapte, werken ze staande in het water tot aan hun knieën tot 18 uur per dag en worden ze betaald in een dagrantsoen waarop ze net in leven kunnen blijven. In Guayaquil, Ecuador, werken er zo’n 100.000 kinderen van 4 tot 14 jaar oud voor lage lonen met werktijden van 10 tot 12 uur, veel van hen slachtoffer van sexueel misbruik. "In Panama werd het Tribunaal voor de Kinderbescherming gebombardeerd tijdens de Amerikaanse invasie van 1989, waardoor hun werk vrijwel onmogelijk werd. In de nasleep van de invasie nam het aantal criminele bendes toe die om te eten winkels beroofden," waarbij ongeveer 45 procent van de berovingen wordt toegeschreven aan kinderen die gebruik maken van gestolen militaire wapens. UNICEF doet verslag van 69 miljoen kinderen in Latijns-Amerika die overleven door slavenarbeid, berovingen, drugshandel en prostitutie. Een studie uitgebracht door de ministers van Gezondheid van de Midden-Amerikaanse republieken in november 1991 schat dat er jaarlijks 120.000 kinderen onder de vijf jaar in Midden-Amerika sterven aan ondervoeding (één miljoen kinderen wordt er jaarlijks geboren), en dat twee derde van hen die in leven blijven aan ondervoeding lijdt.

"Tot voor kort," schrijft Blixen, "was het beeld van een in de steek gelaten Latijnsamerikaans kind dat van een in lompen gehuld kind dat slaapt in een portiek. Vandaag de dag is het beeld er één van een lichaam, verminkt en achtergelaten in een krottenwijk – dat zijn dan degenen die al het een en ander overleefd hebben." 25

Een vooraanstaand Mexicaans tijdschrift deed verslag van een onderzoek door Victor Carlos García Moreno van het Instituut voor Juridisch Onderzoek aan de Autonome Nationale Universiteit van Mexico (UNAM) dat werd gepresenteerd op een conferentie in Mexico Stad over de "Internationale Handel in Kinderen". Hij ontdekte dat ongeveer 20.000 kinderen per jaar illegaal naar de Verenigde Staten worden gestuurd "ten bate van de illegale handel in vitale organen, sexuele uitbuiting of voor experimenteel onderzoek." De belangrijkste krant van Mexico, Excelsior, doet verslag van "Een ander onderdeel van de wantoestanden voor minderjarigen [in Guatemala,] namelijk het bestaan van verschillende illegale ‘kweekhuizen’ waar babies, die naar het buitenland worden verstuurd voor de verkoop van hun organen in de Verenigde Staten of Europa, worden ‘vetgemest’." Een Theologieprofessor aan de Universiteit van Sáo Paulo (Brazilië), Vader Barruel, stelde de VN ervan op de hoogte dat "75 procent van de lichamen [van vermoorde kinderen] inwendige verminkingen vertonen en dat van de meerderheid de ogen zijn verwijderd." De president van de Bisschoppelijke Raad van Latijns-Amerika, Aartsbisschop Lopez Rodriguez uit Santo Domingo, verklaarde in juli 1991 dat de Kerk "alle aanklachten aangaande de verkoop van kinderen voor illegale adoptie of organentransplantatie aan het onderzoeken is."

Er zijn ontelbare aantijgingen geweest over het ontvoeren van kinderen voor orgaantransplantatie in Latijns-Amerika; of die nu waar zijn of niet, alleen al het feit dat zij serieus worden genomen door zowel media en universitaire onderzoekers als regeringsinstellingen, zegt genoeg over de heersende levensomstandigheden voor kinderen.27

Maar ook over de levensomstandigheden van andere overbodige wezens. Het British Medical Journal berichtte over een Argentijns juridisch onderzoek dat leidde tot de arrestatie van de directeur van een staatsziekenhuis voor geestelijke gezondheid, van dokters, zakenmensen en anderen, nadat "bewijs over de handel in menselijke organen" en andere misdaden boven tafel was gekomen. AFP berichtte dat "Argentijnen verbijsterd waren door de haast hallucinaire openbaringen over de gruwelen zoals verdwijningen, de handel in hoornvliezen, bloed, babies, smokkelwaar en corruptie" gedurende meer dan tien jaar in het ziekenhuis, en over de ontdekking in Uruguay van een "bende orgaansmokkelaars die werd geleid door Argentijnen." "Er is handel in kinderen en organen," verklaarde de Argentijnse minster van Gezondheid.

Een nieuw idee werd uitgevoerd in Colombia: veiligheidsbeambten van een medische school vermoordden arme mensen en verkochten de lichamen aan de school voor onderzoek door studenten. Rapporten geven aan dat organen die verkocht konden worden op de zwarte markt verwijderd werden vóór het daadwerkelijke doden. Deze praktijken betekenen echter nauwelijks iets als men alle schendingen van de mensenrechten in dit land overziet. Columbia is wat dit betreft één van de ergste van het continent. De verantwoordelijke veiligheidstroepen krijgen al sinds lange tijd Amerikaanse trainingen en materieel en zijn op dit moment één van de belangrijkste ontvangers van Amerikaanse militaire steun in de regio. Priesters, vakbondsactivisten en politieke leiders zijn, net als in andere landen, de belangrijkste doelwitten van verminking, marteling en moord: dat wil zeggen, iedereen die zich inzet voor de bescherming van de armen, coöperatieven vormt of zich op andere wijze schuldig maakt aan "subversief" gedrag door zich te bemoeien met het neo-liberale economische model dat op last van de VS en de Wereldbank wordt ingevoerd.27

Deze ontwikkelingsprogramma’s hebben nog andere kenmerken, waaronder een om zich heen grijpende pesticidevergiftiging die nu is verspreid naar die spaarzame plaatsen in ‘onze regio hier’ die zich voor eventjes hebben kunnen onttrekken aan de dodelijke gevolgen van de neo-liberale doctrines. In Costa-Rica "worden door de wettelijk toegestane pesticides – waarvan vele worden geïmporteerd vanuit de Verenigde Staten - mensen ziek, raken gewond en gaan er zelfs aan dood," bericht Christopher Scanlan in de Miami Herald vanuit Pitahaya, waar een 15 jaar oude landarbeider zojuist was overleden aan een zeer giftig product van American Cyanamid. De begraafplaats van het dorp, vervolgt hij, "is een krachtig symbool voor het wereldwijde dodental als gevolg van pesticides dat door de Wereld Gezondheidsorganisatie wordt geschat op 220.000 per jaar." Daarbij komen nog zo’n 25 miljoen gevallen van ziekte, waaronder chronische neurologische schade. De Guaymí Indianen die sterven aan pesticidevergiftiging bij het schoonmaken van afwateringssloten op plantages van Amerikaanse eigenaren in Costa-Rica en Panama maken weinig kans de dorpsbegraafplaats te halen. Meer dan 99 procent van de doden als gevolg van acute pesticidevergiftiging komen voor in landen in de Derde Wereld, waar 20 procent van alle landbouwchemicaliën wordt gebruikt.

Met de "binnenlandse markten afgesloten" als gevolg van maatregelen om bevolking en milieu te beschermen, "verlegden chemische bedrijven hun verkoop van deze verboden chemicaliën naar de Derde Wereld, waar de overheidsregulering veel zwakker is." Deze bedrijven hebben ook nieuwe, "afbreekbare" pesticides ontwikkeld, die "in het algemeen veel acuut giftiger zijn" voor landarbeiders en hun familieleden, waaronder enkele "die eerder al door de Duiters werden ontwikkeld als zenuwgas voor aanvang van de Tweede Wereldoorlog." Artsen in Costa Rica bepleiten dat de dodelijke chemicaliën verbannen worden uit de Derde Wereld, maar "de regering van Bush kiest de kant van de industrie," schrijft Scanlan. De regering Bush meent dat de oplossing niet ligt in verstoring van de markt – vertaald naar alledaagse taal betekent dit: winsten voor de rijken. De oplossing ligt eerder "in het bijbrengen van kennis over de gevaren," legt William Jordan van het Bureau voor Milieubescherming uit. Hij geeft toe dat vooruitgang problemen met zich mee brengt, "maar je kunt de vooruitgang niet eenvoudigweg negeren." Een manager van American Cyanamid zegt "ik slaap ’s nachts rustig." Dat geldt doorgaans voor leiders en ideologen, behalve wanneer hun rust wordt verstoord door de fouten van officiële vijanden en hun gedegenereerde doctrines.28

De Verenigde Staten zijn nooit erg tevreden geweest over Costa Rica, ondanks de vrijwel volledige onderwerping aan de wensen van het Amerikaanse bedrijfsleven en Washington. De Costaricaanse sociaal-democratie en de successen van de door de staat geleide ontwikkeling, uniek in Midden-Amerika, waren een onophoudelijke ergenis. Die zorgen werden verlicht in de jaren ’80 door de enorme schuld en andere problemen die de Amerikaanse overheid de mogelijkheid bood om Costa-Rica een duwtje te geven in de richting van de "Middenamerikaanse norm," die zo door de pers werden toegejuicht. Maar de Ticos kennen nog steeds hun plaats niet. In november 1991 ontstond een probleem toen Costa Rica de VS opnieuw verzocht om de uitlevering van de Amerikaanse rancher John Hull. Hem werd naast de La Penca bomaanslag, waarbij zes mensen omkwamen, ook drugshandel en andere misdaden ten laste gelegd. Het hernieuwde uitleveringsverzoek was met name ergerlijk vanwege het tijdstip – de VS waren juist bezig met een luidruchtige pr-campagne tegen Libië, dat vasthield aan het internationaal recht en pogingen deed om de rechtzaak tegen twee van terrorisme beschuldigde Libiërs in eigen land te houden, dan wel in een neutraal land of instituut, in plaats van hen over te dragen aan de Verenigde Staten. Maar deze ongelukkige samenloop had geen enkele invloed op de mediacampagne tegen Lybië, dankzij de zorgvuldige onderdrukking van het verzoek van Costa Rica.

Een andere misdaad van Costa Rica, waarvoor het land passend werd bestraft met het bevriezen van beloofde economische hulp, was de onteigening van bezit van Amerikaanse burgers. Het ernstigste geval was het in beslag nemen van de landerijen van een Amerikaanse zakenman door president Oscar Arias, die de grond deel liet uitmaken van een nationaal park. Costa Rica bood compensatie aan, maar volgens Washington was dat niet genoeg. De landerijen waren onteigend toen was ontdekt dat ze door de CIA werden gebruikt als illegale vluchthaven voor de bevoorrading van de Amerikaanse terreurgroepen in Nicaragua. De onteigening door Arias zonder voldoende compensatie is een misdaad die uiteraard vraagt om een vergelding door Washington – en om een stilte in de media, zeker wanneer ze uitvaren tegen het Libische terrorisme.29

De schaamteloosheid van de machtigen is vaak zo verpletterend dat woorden tekort schieten.

Een andere verslaggever van de Miami Herald bespreekt de "barre vooruitzichten" die "dreigen voor Midden-Amerika" als gevolg van het verdwijnen van de bossen daar en in Mexico, met een snelheid "die groter is dan in welke regio op aarde ook, met uitzondering van West-Afrika," misschien dat "wij het verdwijnen nog kunnen meemaken." Die steeds snellere vernietiging wordt veroorzaakt door arme boeren, houthakkers en mensen die brandhout zoeken, maar "experts uit de regio schrijven de snelle ontbossing toe aan de oneerlijke verdeling van land" in het hele gebied, waaronder zelfs Costa Rica, dat "zich kan beroepen op één van de hoogste maten van ontbossing in de wereld." Een andere belangrijke factor is de door de VS begonnen doctrine van opstandsbestrijding, die de nadruk legt op het wegblazen van mensen uit hun huizen en van hun land, met een overvloed aan vuurkracht als ze niet bedwongen kunnen worden. Het Middenamerikaanse Comité voor de Watervoorraden waarschuwde dat de ecologische ramp ook een grote invloed heeft op de waterbronnen. "De belangrijkste meren en rivieren die mensen van water voorzien staan op het punt vernietigd te worden door de voortschrijdende ontbossing in de regio," zei een hoge functionaris na een regionale bijeenkomst in juli 1992, hetgeen ook een "terugslag betekent voor het opwekken van stroom en de mogelijke economische groei van de regio."

"De concentratie van de beste stukken land in enorme koffie-, katoen- en suikerplantages in het bezit van een kleine elite betekent dat honderdduizenden boeren gedwongen worden om hun kostje bijeen te scharrelen op steil, marginaal bouwland," aldus Tom Gibb’s verslag vanuit El Salvador, waar brandhout mogelijk binnen een decennium is verdwenen en 90 procent van de rivieren is vervuild. De vernietiging kan nog worden voorkomen, maar dat "vraagt om een verandering in de politieke atmosfeer die El Salvador al decennialang domineert: kleine boeren zijn bang om zich te organiseren en werken in groepen omdat ze bang zijn te worden aangemerkt als ‘subversieven’." 30

Om het op een iets realistischere manier onder woorden te brengen: boeren zijn zich ervan bewust dat pogingen om zich te organiseren opnieuw zullen leiden tot een door de VS-gesponsorde golf van marteling en slachting om iedere inmenging in onze hoge idealen van het economische liberalisme voor de Derde Wereld de kop in te drukken.

Een studie over de Costaricaanse economie door het Wereld Grondstoffen Instituut Washington en het Wetenschappelijk Centrum voor de Tropen in Costa Rica concludeert dat ieder jaar 5 procent van het Bruto Nationaal Product "spoorloos is verdwenen" en dat de afname van de natuurlijke grondstoffen het land heeft beroofd van bijna 30 procent van zijn potentiële netto groei in de afgelopen 20 jaar. Een kwart van de geschatte groei van 1970 tot 1989 verdwijnt wanneer deze factoren in overweging worden genomen.31

Deze effecten zullen alleen maar toenemen wanneer de neoliberale voorschriften nog meer worden verankerd. In Costa Rica werden die in 1985 alstrikt uitgevoerd, in de rest van de regio nog veel eerder –en in feite zijn het slechts varianten op eerdere traditionele Amerikaanse programma’s. Na vijf jaar IMF-fundamentalisme in Costa Rica was de voorspelde groei niet opgetreden, hoewel het handelstekort aanzienlijk gegroeid was, met name door de importen uit de VS. De koopkracht van het minimumloon was afgenomen met 25 procent, waarbij 37 procent van de werknemers met een vast inkomen minder verdiende dan het wettelijk minimum. Het gemiddelde gezinsinkomen nam in de jaren ’80 af met 10 procent, behalve voor de bovenste 5 procent, en de koopkracht van werknemers bleef afnemen. Het ministerie van Arbeid verklaarde dat onder de neoliberale heerschappij van president Calderón de armoede alleen al in 1991 was toegenomen met 18 procent, als gevolg waarvan 35 procent van de families niet in staat was om te voorzien in basale levensbehoeften, volgens een bevolkingsonderzoek van het ministerie van Economische Zaken. In 1991 begon een scherpe stijging van de armoede, "een gevolg van het soort economische aanpassingen die de afgelopen jaren zijn toegepast," voegt een onderzoeker hieraan toe. "Vertegenwoordigers van de Wereldbank en IMF hebben de regering van Calderón overladen met complimenten voor haar economische programma," aldus het verslag van CAR.32

Costa Rica is Midden-Amerika's uitzondering, een speciaal geval. Wanneer we ons richten op de "Middenamerikaanse norm," dan is de situatie veel erger. In Honduras hebben de IMF maatregelen "gezorgd voor massale werkloosheid [tweederde van de bevolking] en een gierende inflatie," met scherpe prijsstijgingen voor brandstof, voedsel en medicijnen (CAR). President Callejas geeft toe dat deze maatregelen een "zeer negatief effect op het overgrote deel van de bevolking" hebben gehad; maar, merkt CAR op, hij "is bereid deze prijs te betalen om de internationale leningverstrekkers tevreden te stellen en om de de vrije markt te blijven bevorderen." Onnodig te vermelden dat Callejas en zijn compagnons niet degenen zijn die "de prijs betalen." In El Salvador leeft 90 procent van de bevolking in armoede en slechts 40 procent heeft een vaste baan. Het structurele aanpassingsprogramma (SAP) van 1990 heeft geleid tot een verlies van nog eens 25.000 banen en tot een aanzienlijke afname van de export. Ondanks de toename van de minimumlonen "ligt de prijs van een pakket basislevensmiddelen voor een familie veel hoger dan een arbeidersinkomen." Bijna 80 procent van alle leningen van privébanken gaat naar het grote bedrijfsleven; van de landbouwleningen ging 60 procent naar koffieverbouwers, 3 procent naar kleinschalige graanproducenten. De Centrale Bank deelt mede dat de geldreserves zijn toegenomen, maar niet als gevolg van de bezuinigingsmaatregelen; het is eerder zo dat de 700 miljoen dollar wordt toegezonden door Salvadoranen in het buitenland, veelal gevlucht voor de staatsterreur van het afgelopen decennium, en zo voor een "economisch succesverhaal" zorgt. De massale terreur is afgenomen, maar blijft op kleinere schaal aanhouden. Op 31 juli 1992 werd een belangrijke linkse vakbondsleider, Ivan Ramírez, vermoord door ongeïdentificeerde schutters, op de manier waarop doodseskaders dit plegen te doen. Zodadelijk zullen we het over Nicaragua hebben.33

De effecten van het IMF-fundamentalisme dat nu met hernieuwd fanatisme wordt toegediend "is catastrofaal geweest" in Midden-Amerika, aldus het Jezuïtische tijdschrift Envío. De inflatie is toegenomen. De fiscale tekorten zijn niet, zoals werd verwacht, afgenomen, maar de groei van het Bruto Binnenlands Product is gestagneerd sinds 1985 en afgenomen sinds 1988. De reële lonen zijn aanzienlijk gedaald in vrijwel geheel Latijns-Amerika en de inkomensverdeling is schever dan ooit tevoren. "Het woord ‘ontwikkeling’ is verdwenen uit de Latijnsamerikaanse economische woordenschat" – alhoewel "winst" op ieders lippen ligt, voor de buitenlander en de binnenlandse eilandjes van privilege. Hetzelfde is elders te verwachten. In een bespreking van wat India kan verwachten bij een door het IMF ontworpen herstructurering, houden twee professoren economie van het Bombay Instituut voor Ontwikkelings Onderzoek de wereldwijde gevolgen van dit soort programma’s tegen het licht. Zij trekken de "ondubbelzinnige" conclusie uit de "economische theorie en de recente economische geschiedenis van de ontwikkelingslanden": de gevolgen zijn een "ontzaglijke ontbering voor de armen en de werkende mensen" en "grote tegenspoed voor de economieën van de ontwikkelingslanden". Even ondubbelzinnig zijn de baten die één en ander juist oplevert voor de rijkere sectoren en hun buitenlandse compagnons, die de lakens uitdelen.34


8. "Onze aard en tradities"

Er zijn nog veel meer "succesverhalen" in het Caraïbisch gebied en Midden-Amerika, de Filippijnen, Afrika, in feite overal waar de Westerse macht en kapitalistische ideologie reikt. De paar landen die hierop gedeeltelijk een uitzondering vormen, de meeste in de invloedssfeer van Japan, zijn hieraan ontsnapt door radicaal de voorgeschreven regels van het spel te doorbreken. Zij kregen deze ruimte als gevolg van speciale omstandigheden waarvan het niet aannemelijk is dat die zich nog eens zullen voordoen.35 Dit soort basale waarheden en hun betekenis, die in een vrije samenleving al op de lagere school onderwezen zouden worden, moeten zeer ver van het bewustzijn worden gehouden nu we het 501ste jaar van de Oude Wereldorde in gaan.

En dat gebeurt ook. Neem het dichtstbijzijnde geval, het door de VS-gerunde lijkenhuis in Midden-Amerika in de jaren ’80: we bemerken dat de 'beschaafde opinie' trots is op wat we hebben aangericht. Typisch is een verslag van de Middenamerika- correspondent van de Washington Post Lee Hockstader van een bijeenkomst in Guatemala over de nieuwe lichting conservatieve presidenten, verkozen in -eindelijk!-vrije verkiezingen zonder een spoortje van buitenlandse beïnvloeding. Deze "nieuwe golf van democratie" heeft de "prioriteiten van de politici verlegd" ten opzichte van de tijd waarin zij "traditioneel de gevestigde orde vertegenwoordigden." Het bewijs hiervoor is dat zij zich nu hebben toegelegd op het dienen van de armen met een vindingrijke nieuwe aanpak: "Midden-Amerikanen gebruiken trickle-down-strategie in de oorlog tegen de armoede," luidt de kop. "Bezield door de economie van de vrije markt" hebben de presidenten de holle retoriek over landhervormingen en sociale zorgprogramma’s achter zich gelaten, en zich eindelijk toegelegd op een serieus idee: "een trickle-down aanpak om de armen te helpen." "Het idee is om de armen te helpen zonder de basis van de machtsstructuren in gevaar te brengen ," merkt een regionale econoom op. Deze briljante en vernieuwende opvatting ondermijnt het "kiezen voor de armen" van de Latijnsamerikaanse bisschoppen. Nu we eenmaal dit naïeve idee uit de hoofden van onze kleine bruine broertjes hebben verjaagd door middel van Pol Pot-achtige terreur, kunnen we ons weer richten op onze traditionele roeping om de armente dienen, en op één of andere manier stikken we niet eens in onze eigen hypocrisie – dat is eigenlijk de enige echt grote prestatie.

Barbara Crossette schrijft in de New York Times dat Midden-Amerika laat zien "wat functionarissen van de regering Bush beschouwen als één van hun succesvolste initiatieven op het gebied van buitenlands beleid: het brengen van vrede, ontwapening en economische ontwikkeling in deze gekwelde regio"; ze maakte geen woord vuil aan hoe en waarom deze toch zo gekweld werd, en door wie. "Deze strategie werd buitengewoon geholpen door de ineenstorting van de Sovjet-Unie," vervolgt ze, waarmee ze het handige sprookje herkauwt dat de Amerikaanse aanval uitgevoerd werd ter verdediging tegen het Evil Empire. El Salvador "is het gewelddadigste theater van het Oost-West conflict in de regio," verklaart Tim Golden op de voorpagina. Misschien dat één of andere Sovjet-tegenhanger ooit schreef in 1956 dat Hongarije "het gewelddadigste theater in het Oost-West conflict in Oost-Europa" was – hoe schandalig ook, die bewering zou een stuk plausibeler zijn geweest in de irrelevante werkelijke wereld.

Voor de grotere verbanden moeten we natuurlijk zijn bij Thomas Friedman, de meest vooraanstaande diplomatiek correspondent van de New York Times, die de bewering van congreslid Les Aspin aanhaalt: "De wereld zoals die zich nu ontwikkelt ontbeert waarschijnlijk de duidelijkheid van de Koude Oorlog... De oude wereld was de goeden tegen de slechten. De nieuwe wereld is grijs." Voortbordurend op dit thema merkt Friedman op: "Normaal gesproken raakte Washington behoorlijk ongerust over het omverwerpen van vrijgekozen presidenten." Maar nu is het leven een stuk moeilijker geworden. Sommige van de gekozenen zouden wel eens niet de rechtschapen mensen kunnen zijn als in het verleden, en misschien zullen we vanaf nu een scherper onderscheid moeten maken. Het zal niet meer zo eenvoudig zijn als toen Washington "zich behoorlijk ongerust maakte over het omverwerpen van" Goulart, Arbenz, Allende, Bosch...

Zelfs vroeger was het niet zo dat we altijd de goeien steunden, erkent Friedman, en hij haalt zulke onvriendelijke types aan als de Sjah en Marcos. Maar die afwijking van hogere principes is op eenvoudige wijze te verklaren: "Tijdens de Koude Oorlog hadden de Verenigde Staten niet echt de luxe of de last om hun vrienden uit te kiezen," maar "moesten ze zich eenvoudigweg verenigen met hen in de overkoepelende strijd tegen het ‘Evil Empire’ dat werd geleid door Moskou." Onze echte waarden bleken uit het "feit" dat "Washington zich inspande voor democratie, vrije markten en andere idealen" – eigenlijk best een gedurfde verklaring, maar veilig genoeg in de heersende intellectuele cultuur.

De "Sovjet-dreiging" dwong ons tot een "zekere mate van cynisme in ons buitenlands beleid, die inging tegen onze aard en tradities," voegt een belangrijke beleidsmaker uit de regering eraan toe met instemming van de New York Times. Geen van beiden staat al te lang stil bij bepaalde vragen die rijzen. Om er maar een paar te noemen: Wat zeggen onze daden van voordat er sprake was van een bedreiging voor ons bestaan door de Sovjet-Unie in 1917 over onze "aard en tradities"? Of wat te denken van het regelmatig terugkerende patroon van het opdissen van "Sovjet-dreigingen", onder de meest potsierlijke voorwendselen, ter rechtvaardiging van slachtpartijen om de "stabiliteit", met de speciale betekenis die wij daaraan geven, in stand te houden? Evenmin doen ze enige moeite om uit te leggen wat nu precies de Sovjet-dreiging van doen had met onze steun aan de genocidale monsters in Indonesië en Guatemala, of hoe het nauwe, positieve verband tussen marteling en Amerikaanse hulp in elkaar steekt.

Dezelfde functionaris waarschuwt dat we niet moeten terugkeren naar onze traditionele houding "waarbij ons buitenlands beleid vrijwel geheel wordt bepaald door idealisme." Het gaat er nog te wreed aan toe in de wereld om te kunnen "terugvallen op formaliteiten," gedachteloos terug te keren naar onze rol van weldoener van de wereld zonder rekening te houden met "het nationaal belang," verward met Wilsoniaans idealisme. Dat laatste concept heeft een interessante status. Het verwijst niet naar wat president Wilson heeft gedaan – bijvoorbeeld, zijn moorddadige interventies in Haïti en de Dominicaanse republiek – of zelfs op de keper beschouwd aan wat hij heeft gezegd. Hetzelfde geldt, in het algemeen, voor het concept van "onze waarden". Zo kan Thomas Friedman de politiek-filosoof van Harvard Michael Sandel citeren die bezorgd is dat we op dezelfde voet zullen doorgaan, in plaats van het hoofd te bieden aan de nieuwe uitdagingen. "Al vele jaren hebben we alleen maar gehamerd op een slap aftreksel van onze waarden – vrije verkiezingen en vrije markten – zonder ons te realiseren dat de beste realisering van onze waarden veel meer vraagt" dan de beperkt missie van rechtvaardigheid die ons tot op heden heeft geleid. Net als in het geval van Wilsonianisme staat het concept "onze waarden" geheel los van wat we doen of zelfs uitdragen, behalve voor de camera’s.

Met het verdwijnen van de wereldwijde vijand "is het nieuwe criterium dat van democratische waarden," concludeert Friedman, met in gedachten zonder twijfel de houding van Bush jegens Soeharto, de emiraten in de Golf en Saddam Hoessein (vóór zijn ongelukkige misstap van 2 augustus 1990), en andere bekoorlijke figuren wier charme de Koude Oorlog heeft overleefd – en daar al om mee te beginnen niets mee te maken had.

"Geen enkele parodie van Funston zal ooit perfect zijn, omdat Funston zelf al het toppunt is," schreef Mark Twain over één van de helden van de slachtingen op de Filippijnen: "hij is de vleesgeworden parodie." 36

De truc om de geschiedenis te doen verdraaien met het standaardverhaal over de Koude Oorlog, hoe stompzinnig dat soort gehuichel ook is, wordt ten zeerste aanbevolen voor de aspirant dienaren van de macht, als we de geschiedenis in ogenschouw nemen. Dit is slechts de meest recente toepasing van de "verandering van koers" techniek, die herhaaldelijk wordt aangeroepen wanneer weer eens iets van de kwaadaardigheid uiteindelijk ontsnapt aan de elegante en goedfunctionerende mechanismen van onderdrukking: Ja, er was een betreurenswaardige vergissing, maar nu kunnen we wederom in gelid achter de vaandels van onze hoogstaande idealen aan marcheren.


9. De fijne kneepjes van het vak

De doctrine van de "verandering van koers" is slechts één van trucs die geleerd dienen te worden door hen die hopen een positie van fatsoen en prestige te bereiken; een flink aantal andere trucs zijn de revue gepasseerd en we zullen ons nu richten op een paar andere handige procedures. In de hieraan voorafgaande bespreking werden enkele van de subtiele begrippen die essentieel zijn voor de aanstormende intellectueel aangestipt: "economisch wonder," "Amerikaans succesverhaal," "zegening van de vrije markt," enzovoorts. Ze zijn niet zo eenvoudig te definiëren en vragen enige aandacht.

De term "economisch wonder" verwijst naar een geheel van fraaie macro-economische statistieken, grootse winsten voor buitenlandse investeerders en een luxueus leven voor de lokale elites; in de kleine lettertjes gaat het om toenemende ellende voor de gewone bevolking, vrij kenmerkend. Het ligt voor de hand dat de commentatoren in de pers enzovoorts hierover vol lof zijn. Zolang de façade intact is, zijn dergelijke samenlevingen "Amerikaanse succesverhalen" en "triomfen van het kapitalisme en de vrije markt." Maar wanneer die façade in elkaar dondert, veranderen dezelfde voorbeelden in demonstraties van de angstaanjagende valkuilen van planeconomieën, socialisme, marxisme-leninisme en andere doodzondes.

Het voorbeeld Brazilië illustreert het ideologische patroon. Gerald Haines was niet de enige die de triomf van het kapitalisme en de Amerikaanse know-how in Brazilië roemde, alhoewel zijn timing – 1989 – niet helemaal in de haak was. De briljante prestaties van de generaals en hun weldenkende technocratische adviseurs hebben van Brazilië "de Latijnsamerikaanse lieveling van de zakengemeenschap gemaakt," aldus Business Latin America in 1972. De voorzitter van de Federal Reserve, Arthur Burns, was eveneens vol lof over het "miraculeuze" werk. Terwijl de "Chicago boys· " na de omverwerping van Allende in Chili een jaar later werden uitgenodigd door een andere groep fascistische moordenaars stelde Arnold Harberger, econoom van de Chicago school, Brazilië voor "als het voorbeeld voor een stralende toekomst onder het economische liberalisme," herinnert David Felix zich. Een paar jaar later, in een interview uit 1980, sprak Harberger zijn goedkeuring uit over de prestaties van Pinochet die hetzelfde economische model volgde: "Het is nog nooit zo goed geweest in Santiago. Consumentengoederen van over de hele wereld zijn makkelijk verkrijgbaar, en voor weinig geld"; voor mensen met de juiste capaciteiten zijn er zelfs banen, zoals een baantje als beul bij de politie. Het is waar dat de reële lonen sterk zijn gedaald, maar de reële waarde van de import was in 1980 gestegen met 38 procent, dankzij een stijging van 276 procent in luxegoederen, terwijl de import van kapitaal scherp gedaald was. De buitenlands schulden rezen de pan uit (achteraf mochten daar de armen voor opdraaien), en de vakbonden en de boerenbeweging werden in een golf van terreur verpletterd. Maar voor de rijken was alles prima; met alles werd de juiste koers gevolgd, net als in Brazilië, dankzij de juiste toepassing van de economische theorie.

In het begin van de jaren ’80 draaide de Braziliaanse economie op een ramp uit, en veranderde de teneur. Brazilië werd geschrapt van de lijst van "neo-liberale successen," merkt Felix in 1986 op, alhoewel bij sommigen de boodschap nog niet geheel was overgekomen. In een bespreking van het Braziliaanse militaire regime was de bestuursprofessor van Harvard Frances Hagopian in 1989, net als Haines, nog steeds lovend over "de mate waarin de militairen erin waren geslaagd hun economische doelen te bereiken," terwijl hij er aan twijfelde of dit "uitzonderlijke economische succes" noodzakelijkerwijze moest stoelen op onderdrukking en marteling.37

Terwijl het "economische wonder" vrolijk verder afgleed, werden de Braziliaanse prestaties gepresenteerd als een voorbeeld van het wonder van de vrije markt, het gelukkige resultaat van de Amerikaanse begeleiding en vriendelijke ondersteuning. Na de ineenstorting werd Brazilië het voorbeeld van het tekortschieten in het volgen van Amerikaanse adviezen en de gezonde pricipes van het economisch liberalisme. De benarde toestand van Brazilië werd toegeschreven aan vasthouden aan staatssocialistische afwijkingen van de economische orthodoxie. Op die manier is nogmaals het bewijs geleverd voor de superioriteit van het kapitalisme en de vrije markt. Voor de oplossing van de trieste toestand van Brazilië kunnen we vervolgens een beroep doen op diezelfde maatregelen die de "triomf van de vrije markt" tot stand hebben gebracht, terwijl het nog steeds mogelijk was overdonderd te zijn door het "economische wonder": de loonmaatregelen die door de alom geprezen neoliberale econoom Delfim voor onbepaalde tijd waren ingesteld, de staatsbedrijven die waren opgericht om de hevige recessie te boven te komen en om een totale overname van de economie door buitenlandse bedrijven te voorkomen, en de import-substitutie strategie om de economie het hoofd boven water te houden in het midden van de jaren ’80.

Dit alles laat nogmaals zien wat voor flexibel instrument ideologie kan zijn in handen van iemand die zijn vak verstaat.

Er was een enorme zucht van opluchting bij de overwinning in 1989 van de aantrekkelijke afgevaardigde van de Braziliaanse elite, Fernando Collor de Mello, in een verkiezing waarbij de twee kandidaten daadwerkelijk van elkaar onderscheiden konden worden zonder dat daarvoor een microscoop nodig was. Zijn tegenkandidaat was de vakbondsleider Luís Inácio da Silva ("Lula"). Collor was in staat er een overwinning uit te slepen door een gigantische financiële ondersteuning en door de waarschuwingen van hen die het land in bezit hebben, om het land in de afgrond te storten als de verkiezingen zouden resulteren in de verkeerde kandidaat. Dat is wat men een "eerlijke strijd" noemt. In de doctrinaire instituten heerste een overweldigend enthousiasme, omdat Collor de goedgekeurde neo-liberale lijn voortzette. Er waren hooggespannen verwachtingen voor alweer een "succesverhaal voor van het kapitalisme, Amerikaanse-stijl." Maar dat was van korte duur. De economie viel terug van 3,3 procent groei in 1989 naar –4,6 procent in 1990. Het inkomen per hoofd van de bevolking verminderde met 6 procent in de periode van 1990 tot 1992 door de afnemende productie. In de uitgaven voor gezondheidszorg werd met 33 procent gesnoeid, uitgaven voor onderwijs werden verder teruggedraaid en de belasting op loon steeg met 60 procent. Halverwege 1992, stelt James Brooke, "mislukte het economische beleid van Mr. Collor" als gevolg waarvan "de nationale onrust toenam." Daarbovenop moest Collor zich voorbereiden op een aanklacht na de onthulling van een corruptieschandaal dat ook alle records sloeg.38

Zoals in het geval van Brazilië bereiken de "succesverhalen van kapitalisme en democratie" deze status geheel onafhankelijk van de toegepaste methoden. De import-substitutie strategie die Brazilië heeft gered van de totale ondergang was ook de belangrijkste component van de "economische wonderen" van de Aziatische tijgers. Deze wonderen ontstonden onder wrede autoritaire regimes die op grote schaal ingrepen in de economische planning en die een strikte controle uitoefenden (met terreur als het nodig was, zoals in Zuid-Korea), niet alleen op arbeid, zoals normaal is, maar ook op kapitaal (zie hoofdstuk 4). De prestaties van de Nieuw Geïndustrialiseerde Landen (NIC’s) vormen een "economisch wonder," en daarom een eerbetoon aan de deugden van de democratie en de vrije markt. Zo kan de New York Times Zuid-Korea, Taiwan, Singapore en Hong Kong aanhalen om aan te tonen dat "democratie als economisch mechanisme duidelijk werkt." De democratische socialist Dennis Wrong schrijft vol bewondering over de "opvallende kapitalistische successen" van diezelfde grootse democratiëen "met een kapitalistische economie die vrij is van controle door verziekte autoritaire regeringen" – hij heeft gelijk als hij bedoelt dat deze autoritaire staatskapitalistische regeringen niet "verziekt" waren, maar efficiënt en machtig en de vinger aan de pols hielden. (In contrast hiermee, legt hij uit, staan Cuba, Nicaragua en andere officiëel aangewezen vijanden die duidelijk laten zien wat de tekortkomingen van de marxistisch-leninistische dogma’s zijn. Voor iemand met de juiste oogkleppen op is er voor hun ellende geen enkele andere oorzaak aanwijsbaar.) Brad Roberts, redacteur van de Washington Quarterly, schrijft: "Niet-democratische regeringen hebben in het algemeen laten zien dat ze niet in staat zijn om de voorwaarden te scheppen die nodig zijn voor economische aanpassing ...," in gedachten heeft hij waarschijnlijk de NIC’s, of iets verder terug in de geschiedenis, Hitler-Duitsland. In dit geval moeten we ons trouwens wel afvragen wat hij precies bedoelt met "democratisch", gezien zijn vertrouwen in "de Amerikaanse toewijding voor democratie in het buitenland" en voor de "bescherming van de mensenrechten," met name in de jaren ’80. 39

Er wordt wel erkend dat de "economische wonderen" gepaard gaat met wat tekortkomingen hier en daar. In een bespreking van "Menem’s Wonder" in Argentinië merkt de Britse correspondent John Simpson op: "Het wonder is niet perfect." Er zijn "onaangename tekenen van corruptie," "grote delen van de middenklasse zijn spoorloos verdwenen" terwijl "de nieuwe ondernemers en de oude rijken" lekker gaan winkelen in de "dure winkels," en er is aanzienlijke armoede. Niet gehinderd door conventionele reserves gaan James Petras en Pablo Pozzi dieper in op enkele details. Sinds het begin van "Menem’s Wonder" in 1989 "is er met de neo-liberale privéplundering een systeem opgezet waarin individuele rijkdom afhankelijk is van het verval van de gemeenschap en de economie," waarbij zo’n 40 procent van de economisch actieve bevolking weinig of geen werk heeft, de sloppenwijken snel uitbreiden, fabrieken sluiten die niet worden vervangen door nieuwe ondernemingen, en de staat wordt gebruikt als "middel voor persoonlijke verrijking en privéplundering." De uitgaven voor gezondheid, onderwijs en sociale voorzieningen dalen tot het dieptepunt aller tijden, met negatieve groeicijfers, afnemende investeringen en teruglopende lonen. Op dit moment is meer dan 60 procent van de 12 miljoen inwoners van Buenos Aires niet aangesloten op het rioleringssysteem, één van de redenen voor de terugkeer van ziektes die al decennia geleden waren uitgeroeid. De "economie gebaseerd op speculatie, versterkt door een neo-liberaal beleid, heeft een groot deel van de bevolking verarmd terwijl de binnenlandse markt en productiecapaciteit van Argentinië vernietigd is. De schaarse middelen hebben een Hobbes-achtige wereld voortgebracht, een wrede strijd om te overleven terwijl de elite doorgaat met het opstrijken van ongekende winsten." De "geprivilegieerde minderheid wier rijkdom, consumptieniveau en levensstandaard floreert" dweept met het neo-liberale beleid. "Menem’s wonder" bestaat ook uit "privatisering," het nieuwe toverwoord, maar met een aparte wending: zo heeft de regering het staatsmonopolie van de telefoon verkocht aan Spaanse en Italiaanse staatsbedrijven en de nationale luchtvaartmaatschappij aan Iberia, de luchtvaartmaatschappij van de Spaanse regering, zodat "het management in feite is overgedragen van Argentijnse naar Spaanse en Italiaanse burocraten," merkt David Felix op.40

Kortom, technisch gezien een echt "economisch wonder".41

De juiste toepassing van deze ideeën komt ook duidelijk naar voren in het geval van Mexico, waar zich nog zo’n bevredigend "economisch wonder" aan het voltrekken is, maar dat "Economisch wonder heeft nog niet de armsten van Mexico bereikt," aldus een kop op een voorpagina, waarna het gebruikelijke verhaal volgt. Ergens anders lezen we dat de lonen zijn beland op een historisch dieptepunt, gedaald met 60 procent onder het neo-liberale beleid in de jaren ’80 (Instituut voor Economisch Onderzoek van de Nationale Autonome Universiteit (UNAM) en andere economen); dat de helft van alle babies in Mexico-Stad een hoeveelheid lood in het bloed heeft, genoeg om schade te brengen aan de neurologische en motorisch-fysieke ontwikkeling, en dat het voedselinname scherp is gedaald. Het Bruto Nationaal Product is sinds 1987 gestegen, merken de UNAM economen op, "maar deze grotere productie van rijkdom gaat slechts één kant op, staat in schril contrast met de voortgaande verarming van miljoenen Mexicanen," en komt terecht "in handen van zakenmensen." Volgens het officiële overzicht van 1990 is 60 procent van de huishoudens niet in staat om te voorzien in basisbehoeften. Ondanks de groei van de maquila-productie (in handen van het buitenland en op export geörienteerd) zijn in de "industriële sector nu minder mensen aan het werk dan een decennium geleden," schrijft de econoom David Barkin, en arbeid als onderdeel van het hoofdelijk inkomen is afgenomen van 36 procent in het midden van de jaren ’70 tot 23 procent in 1992. Dat terwijl de beloningen voor de rijken en buitenlandse investeerders "fabelachtig" zijn, ontwikkelingen die "bewondering hebben geoogst bij de internationale media."

In een poging om buitenlandse investeerders te lokken heeft de Mexicaanse minister van Handel de scherpe achteruitgang van de loonkosten benadrukt: van $1,38 per uur in 1982 naar $0,45 in 1990, een zeer aanlokkelijk vooruitzicht voor General Motors, Ford, Zenith en andere buitenlandse bedrijven, tezamen met het prettige gebrek aan regels voor milieubescherming. Het lage loonniveau wordt in stand gehouden door de meedogenloze onderdrukking van arbeiders, met hulp van corrupte vakbondsleiders die nauwe banden hebben met de eenpartijstaat. In dit opzicht zijn de jaren ’80 een uitzonderlijk sombere periode geweest. Typerend zijn de ervaringen van de arbeiders in één van de grote fabrieken van Ford. Dan LaBotz merkt in zijn studie van de arbeidsrechten in Mexico op, dat in 1987 "het bedrijf alle werknemers ontsloeg, een einde maakte aan het vakbonds-CAO en vervolgens de werknemers opnieuw aannam voor een veel lager loon. Toen de werknemers probeerden om het recht op democratische vakbondsverkiezingen te krijgen en om te vechten voor hun wettelijk voorgeschreven arbeidsvoorwaarden, werden ze in elkaar geslagen, ontvoerd en vermoord, alles schaamteloos uitgevoerd door samenwerking tussen de Ford Motor Company" en functionarissen van de vakbond die bestuurd wordt door de eeuwigheersende partij. Dit zijn de niet zo vaak besproken maar kernmerkende karakteristieken van de Noord-Amerikaanse Vrije Handelsovereenkomst (NAFTA), die is opgesteld om de optimale omstandigheden voor winst te creëren, wat daarbij ook de menselijke schade mag zijn.

De buitenlandse schuld groeit, net als het handelstekort, de verkiezingsfraude, staatsrepressie om de organisatie van arbeid of kritische openbare geluiden tegen te gaan (de verschillende moorden jaarlijks op journalisten maken die boodschap nog duidelijker), en martelingen die "endemisch" zijn, volgens Amnesty International . Bij de manier waarop NAFTA nu is ontworpen "zullen de meeste Mexicanen buiten spel gezet worden," voorspelt Barkin in een overzicht van de crisis die het resultaat is van "meer dan 35 jaar van succesvolle kapitalistische ontwikkeling" gericht op de behoeften van binnenlands rijkdom en buitenlands kapitaal. Maar de buitenlandse investeerders zijn tevreden, net als het bedrijfsleven dat ervan profiteert. Daarom haalt minister van Buitenlandse Zaken James Baker Mexico aan als "model" voor de hervormingen in Oost-Europa en de Derde Wereld, een onvervalst "economisch wonder."

Voorpagina-koppen dragen het goede nieuws uit: "Vleugje frisse economische wind zorgt voor verandering in Latijns-Amerika," alhoewel we ook kunnen lezen "Latijnsamerikaanse schuldenlast blijft ondanks overeenkomst toenemen" (Nathaniel Nash, NYT). Een andere kop: "Zuidamerikanen merken dat economische hervorming sociale kosten heeft, men zegt dat de nieuwe rijkdom maar langzaam naar beneden doorsijpelt" (Thomas Kamm, WSJ). Wacht maar af, alles komt goed. Zoals gewoonlijk wordt ons niet verteld dat dit beroemde "doorsijpel" (trickle down)- beleid, in het verleden niet meer dan een klein druppeltje heeft opgeleverd. Als men huidige rapporten goed leest, staat er dat er ook nu niet veel te verwachten is. De indicatoren lijken gunstig vanuit Washington en Europa, aldus Kamm, maar ze verhullen een snelle concentratie van rijkdom, toenemende armoede, waaronder "gevaarlijke armoede," afnemende reële lonen en de andere bekende ingrediënten van dit soort "wonderen." De voormalige Braziliaanse president José Sarney schrijft dat "in alle landen" van Latijns-Amerika de buitenlandse banken en andere normale begunstigden de winsten zullen opstrijken, en "wat over blijft is werkloosheid, hongerlonen en rampzalige sociale indicatoren." "De rijken blijven maar rijker worden, de kloof tussen hen en de midden- en onderklassen wordt steeds groter," en geen van de veelbelovende beleidsmaatregelen "heeft de armoede kunnen bestrijden" (Nash). We moeten kennelijk geloven dat dat het doel zou zijn geweest en dat het allemaal gaat om een vreemde en onverwachte mislukking.42

Het meest fenomenale succesverhaal van allemaal is Chili, met zijn "bloeiende vrije-markteconomie die door generaal August Pinochet tot stand is gebracht" (Nash). Dat is de grote waarheid, die overal nagepraat wordt. Toegegeven, Pinochet was een harde, maar het "economisch wonder" dat door zijn Chicago Boys van 1974 tot 1988 werd doorgevoerd, daar kan toch niemand omheen. Hoewel, je moet er ook weer niet al te goed naar kijken.

Het "wonder" van Pinochet veranderde in de "Chileense catastrofe" in minder dan een decennium, schrijft David Felix; vrijwel het gehele banksysteem werd overgenomen door de regering in een poging om de economie te redden. Anderen beschreven de overgang van Allende naar Pinochet daarom als "een overgang van het utopisch naar het wetenschappelijk socialisme, omdat de productiemiddelen in handen van de staat eindigden" (Felix), of "de Chicago-Weg naar het socialisme." De militant anti-socialistische Londen Economist Intelligence Unit schreef: "de aanhanger van de vrije markt, president Pinochet, heeft een meer alomvattende greep op de ‘beheersbare niveaus van de economie’ dan president Allende ooit had durven dromen." Het door de regering gecontroleerde deel van de economie was in 1983 vergelijkbaar met dat in de jaren van Allende nadat de staat zwakke ondernemingen had overgenomen. Deze werden, na te zijn opgelapt, voor een habbekrats aan de private sector verkocht, net als de meest efficiënte en winstgevende staatsondernemingen die bij elkaar goed waren voor zo’n 25 procent van de regeringsinkomsten, merken Joseph Collins en John Lear op. Multinationale ondernemingen bleken het gaandeweg best aardig te doen en namen grote delen van de Chileense economie over. James Petras en Steve Vieux die Chileense economen citeren, merken op dat "een geschatte 600 miljoen dollar aan subsidies werd verstrekt aan de kopers in de privatiseringsgolf van 1986-87," waaronder de verkoop van "efficiënt lopende en winstgevende activiteiten"; deze operatie zal naar geschat de overheidsinkomsten in de periode 1990-95 verminderen met zo’n 100 tot 165 miljoen dollar.

Tot 1980 kwam het Bruto Nationaal Product (BNP) van Chili niet in de buurt van het niveau van 1972 (Allende) en bleven de investeringen lager dan aan het einde van de jaren ’60, terwijl de werkloosheid veel hoger was. De uitgaven voor gezondheidszorg per hoofd van de bevolking werden meer dan gehalveerd in de periode van 1973 tot 1985, als gevolg waarvan er een explosieve groei ontstond in ziektes die samenhangen met armoede zoals tyfus en hepatitis. Sinds 1973 nam de consumptie voor de armste 20 procent van Santiago af met 30 procent en voor de rijkste 20 procent toe met 15 procent. Privéziekenhuizen tonen vol trots hun high- tech apparatuur voor de rijken, terwijl de openbare ziekenhuizen moeders op maandenlange wachtlijsten zetten en onbetaalbare medicijnen aanbieden. Universiteiten en hogescholen, die onder Allende voor iedereen gratis waren, zijn nu voor de beter bedeelden. Studenten zullen niet langer worden blootgesteld aan "subversieven", want die zijn weggezuiverd, maar krijgen in plaats daarvan "cursussen sociologie, politicologie en economie... die nog het meest weg hebben van religieus onderwijs in de openbaringen van de vrije markt en het rode gevaar" (Tina Rosenberg), net als in bijvoorbeeld Brazilië onder de generaals. De macro-economische cijfers in de jaren onder Pinochet zijn in het algemeen lager dan in de twee daaraan voorafgaande decennia; de gemiddelde groei van het BNP in 1974-1979 was iets meer dan de helft van die in 1961-1971, terwijl BNP per hoofd terugliep met 6,4 procent en consumptie per hoofd in de periode 1972-1987 terugliep met 23 procent. De hoofdstad Santiago behoort tot de "meest vervuilde steden in de wereld," merkt Nathaniel Nash op, dankzij het vrije markt-model van Friedman met het motto "Produceer, produceer, produceer," wat er ook gebeurt – wat we als ‘Stalinistisch model’ afkeuren als daar mee gescoord kan worden. De gevolgen hiervan waren "de afschrikwekkende kosten van het schoonmaken, ... en de afschrikwekkende kosten van het niet schoonmaken" in een land met "een paar van de smerigste fabrieken ter wereld," geen regelgeving, zware waterverontreiniging en algemene afbraak van het milieu met rampzalige gevolgen voor de gezondheid van de bevolking.

En dankzij het wonder, en wat steun van de VS om "de economie naar de afgrond te brengen" onder de regering van Allende, is het deel van de bevolking dat leeft onder de armoedegrens (minimum inkomen dat nodig is voor basisvoedsel en behuizing), toegenomen van 20 procent tot 44,4 procent in de periode van 1970 tot 1987.

"Als wonder stelt het weinig voor," is het commentaar van Edward Herman.43

In de slechte oude tijd, volgens de doctrines van 1992, luisterden onze Latijnsamerikaanse beschermelingen niet naar onze wijze raad. Nu echter, met de wereldwijde overwinning van het economisch liberalisme en de vrije markt zien ze eindelijk de wijsheid in van onze woorden. De zelfverheerlijking wordt niet vertroebeld door de normale problemen, zoals het feit dat wijzelf nooit dit economisch model gevolgd hebben, noch enig ander land dat zich heeft ontwikkeld, behalve als daar iets bij te winnen viel; en dat in weerwil van de doctrines Latijns-Amerika onze adviezen in het algemeen wél hebben opgevolgd, zoals bijvoorbeeld het overzicht van Brazilië aantoont. En dat is echt niet het enige voorbeeld. Een ander geval is de Alliantie voor Vooruitgang ten tijde van Kennedy en Johnson. Eén van de meest geprezen succesverhalen was het Nicaragua onder Somoza. Het catastrofale "wonder" zorgde voor brede steun onder de bevolking aan de Sandinistische revolutie van 1979. De meest gerespecteerde Nicaraguaanse econoom tijdens de Amerikaanse oorlog tegen Nicaragua was Francisco Mayorga, die de economische Tsaar werd onder de door de VS gesteunde UNO regering (hij werd snel aan de kant geschoven en vergeten nadat het herstelbeleid dat hij onder veel Amerikaans gejuich begon al snel uitdraaide op een volledige mislukking). Maar toen hij nog vol in de schijnwerpers stond, waren de media en anderen die Mayorga toejuichten, uiterst zorgvuldig in het negeren van zijn belangrijkste wetenschappelijke werk. Deze interessante studie uit 1986 onderzocht de tekortkomingen van het "monetaristische paradigma" dat met zoveel enthousiasme werd uitgedragen en gesteund door de VS. In 1978 bracht dat de economie "aan de rand van de afgrond," mogelijk zelfs zonder kans op herstel, betoogt Mayorga, wat voor economisch beleid er ook wordt gevolgd en nog los van de immense schade door de Amerikaanse terreur en economische oorlogsvoering.44

Zonder ook maar enige acht te slaan op de relevante feiten (met name de onbespreekbare bijdrage van de VS) informeren Latijnsamerika-specialisten ons nu in de pers dat "Nicaragua rijp is voor een terugkeer van de commerciële pioniers in het post-Sandinistische tijdperk, na een decennium van revolutionair wanbeleid en twee jaar van fiscaal herstel onder president Violeta Chamorro" (Pamela Constable). Toegegeven , zakenmensen zien nog steeds problemen, merkt Constable op: "de aanhoudende dreiging van geweld door vakbonden" en gewapende facties op het platteland, en de "onduidelijke status van eigendom" dat door de Sandinisten in beslag is genomen. Maar de "commerciële pioniers" zijn optimistisch. Met name de private banken en hun cliënten zijn goed gestemd. De Sandinisten nationaliseerden banken "en begonnen staatsleningen aan boeren, landbouwcollectieven en aan kleine industrieën in hoge-risico sectoren te verlenen," schrijft Tim Johnson in de Miami Herald. Maar gelukkig is dit soort wangedrag nu voorbij. "Het publiek begint veel meer dienstverlening te eisen van de banken," merkt een bankier op.

Tot "het publiek" worden niet de boeren gerekend, die een protestmars tegen de honger hielden, waar de Mexicaanse pers een paar dagen daarna verslag over uit bracht, of de grote groepen werkelozen, of de lijmsnuivende kinderen, of de maar half menselijke wezens die de overwinning van kapitalisme en democratie vieren terwijl ze vuilnisstortplaatsen van Managua afstropen.

Kort daarna kondigde de Nationale Ontwikkelingsbank (BND) van de regering aan een nieuw kredietbeleid te gaan voeren onder druk van internationale kredietverlenende instanties, vermeldt CAR: "Onder de Sandinistische regering verleende de BND aan coöperatieven en kleine boeren subsidies en kredieten met lage rente waaraan weinig voorwaarden werden gesteld, maar die tijd is nu voorbij." Vanaf nu zullen er "alleen gewaarborgde leningen zijn voor klanten met voldoende middelen, en de meeste kleine boeren dus aan hun lot worden overgelaten." Een ander kenmerk van het nieuwe kredietbeleid is dat "het naar verwachting onmogelijk zal zijn voor arbeiders om hun schulden af te betalen of om de maandelijkse afbetaling te voldoen als ze een bedrijf willen kopen." Dat ondervangt een vervelend nadeel van het privatiseringsproces dat de VS eisen als voorwaarde voor het stoppen van hun economische oorlogsvoering: onder de kwaadaardige invloed van de Sandinisten, liet dit proces de verkeerde klasse van mensen – de arbeiders binnen een onderneming – een aandeel verwerven van het eigendom. Dat is namelijk behoorlijk ongepast, en niet in overeenstemming met het idee van het "economisch wonder."

Zeker, het traditionele Amerikaanse idealisme zorgt er voor dat het vrije-markt beleid niet tot het uiterste wordt doorgevoerd: "de BND overweegt om grote producenten te financieren ... oplopend tot 70 procent van de productiekosten," merkt CAR op.

We zien de helpende Amerikaanse hand ook in de maatregelen om de "onduidelijke status van eigendom" te regelen waarover de "commerciële pioniers" en hun cheerleaders in de Amerikaanse pers zich zo’n zorgen maken. Envío vermeldt: "Het inkrimpen van staatbanken tot productie op middelgrote en grote schaal in 1991 werd duidelijk toen de BND 16 plaatselijke afdelingen in kleine steden op het platteland sloot. Traditionele manieren van financiering zoals via woekerrente, afbetalingsregelingen en deelpacht – waarvan de kosten bij de plattelandsbevolking algemeen bekend zijn – komen weer terug." Boeren worden gedwongen hun land te verlaten, zodat de rechtmatige eigenaren het wer in handen krijgen.

Om deze natuurlijke evolutie een handje te helpen, hebben het Leger en de Nationale Politie "gebruik gemaakt van allerlei vormen van geweld en vernedering" om de boeren van hun land te evacueren, meldt CAR. Deze lappen grond waren toegekend dankzij grondwettelijke verordeningen die door de Sandinisten waren geïntroduceerd, waarbij "landbouwgronden en ander eigendom dat verlaten of onteigend was ... verdeeld werd onder landloze boeren in de vorm van kleine percelen voor eigen gebruik door families of coöperatieve landbouwbedrijven." In juni 1992 werden 21 boerderijen op gewelddadige wijze "schoongeveegd" door de veiligheidstroepen om ze terug te geven aan de voormalige eigenaars; in 11 gevallen aan leden van de Somoza familie, volgens het Nicraguaanse Centrum voor Mensenrechten (CENIDH). Op 30 juni, vervolgt CAR, was er een "gewelddadige ontruiming van 40 boerenfamilies" met politiehonden door 300 man politie en legertroepen, waarbij mannen, vrouwen en kinderen werden geslagen, en hun huizen en oogst in brand werden gestoken. De activisten van de Associatie voor Plattelandarbeiders werden gearresteerd en boeren die weigerden om te vertrekken bedreigd met de dood. De veiligheidstroepen hebben "een sfeer van terreur en chantage" gecreëerd om te voorkomen dat de boeren zich organiseren, beweert CENIDH.

De politie bestaat nu voor de helft uit contra’s, is de schatting. Het Amerikaanse onvermogen om de volledige controle te krijgen over de veiligheidstroepen heeft gezorgd voor grote verontwaardiging in Washington en de pers. Eén van de belangrijkste redenen voor de Amerikaanse oorlog tegen Nicaragua was om die traditionele overheersing te herstellen, zodat de veiligheidstroepen de "regionale standaard" zoals in El Salvador, Guatemala en Honduras kunnen opleggen, net als in de tijd van Somoza.45

Nadat de door de VS-gesteunde UNO-regering de verkiezingen van februari 1990 had gewonnen, is de armoede op het platteland "drastisch toegenomen" wegens de versnelde invoering van neo-liberaal beleid, dat de "kleine en middelgrote boeren van Nicaragua de vernieling in heeft geholpen," meldt CAR. In grote delen van het platteland worden de mensen "met de dag wanhopiger, terwijl 70 procent van de kinderen in deze gebieden lijdt aan ondervoeding en tussen de 65 en 89 procent werkeloos is." In de Atlantische regio, "lijden niet alleen de boeren. De vissers verliezen 80 procent van hun bestaansmiddelen aan buitenlandse bedrijven die van de UNO-regering toestemming hebben om te vissen in de Atlantische Kustwateren." Gevaarlijke ziektes die onder de Sandinisten waren uitgeroeid, zijn nu gewoon in de regio, waar 90 procent van de bewoners niet in staat is om te voorzien in basisbehoeften. Een afgevaardigde van de Nationale Vakbond van Landbouwers en Veehouders (UNAG) zegt dat de strenge kredietvoorwaarden voor de boeren "ons de nek omdraaien": "Grote niet-traditionele boerderijen krijgen alle financiën die ze nodig hebben, maar een boer die voor eigen gebruik bonen of maïs verbouwt om zijn eigen familie te voeden, mag failliet gaan en doodhongeren." Tweeëndertig duizend families overleven op "wortels en tortilla’s met zout," meldt UNAG. Het opengooien van de economie, die de klappen van het Amerikaanse embargo en de terroristische oorlog lang niet te boven is gekomen, heeft "de Nicaraguaanse binnenlandse industrieën gedwongen om te concurreren met gigantische multinationale ondernemingen," merkt John Otis op. Terwijl het land wordt overspoeld door buitenlandse producten is het aantal kleine industrieën afgenomen van 3800 aan het begin van de ambtsperiode van president Chamorro tot 2500 twee jaar later; Nicaragua importeert zelfs haar eigen nationale bier uit Wisconsin onder een Nicaraguaanse merknaam. Importeurs, tussenpersonen, winkels met luxe artikelen en de lokale rijken gaat het voor de wind, evenals de buitenlanders voor wie dit beleid is ontworpen. De rest, zoals de ruim 50 % werklozen, mag wachten op het "doorsijpelen".46

Het inkomen per hoofd van de bevolking is gedaald tot onder het niveau van 1945; reële inkomens hebben nog maar 13 procent van hun waarde in 1980, en dalen nog steeds. Sterfte onder babies en te lage geboortegewichten komen steds vaker voor, waarmee de eerdere vooruitgang tenietgedaan is. De vermindering van het budget voor gezondheidszorg met 40 procent in maart 1991 heeft ernstige gevolgen gehad voor de voorraden geneesmiddelen, die sowieso al tekortschoten. De ziekenhuizen voor de gewone bevolking functioneren nauwelijks, terwijl de rijken kunnen krijgen wat ze willen, nu het land terugkeert naar de "Middenamerikaanse norm." "Het recht op gezondheidszorg bestaat niet meer in het na-oorlogse Nicaragua," behalve voor hen die rijk genoeg zijn om het te betalen, meldt de Evangelische Kerk (CEPAD). Uit een onderzoek onder prostituées kwam naar voren dat 80 procent in het voorgaande jaar begonnen was met dat werk, en veel van hen zijn tieners.

In mei 1992 schortte het Amerikaanse congres 100 miljoen dollar aan al eerder toegekende hulp op wegens vermeende steun van de regering aan Sandinistische organisaties en het niet teruggeven van eigendommen aan de vorige eigenaars. "Officieus werd bekend dat de regering hierbij voorrang zal geven aan Amerikaanse burgers, prominente Nicaraguaanse zakenmensen en leiders van de voormalige contra’s," vermeldt de Mexicaanse pers, met name aan de North American Rosario Mining Co., die aanspraak maakt op de goudmijninstallaties in het Noordoosten. De kern van het verhaal is "of de meer dan 100.000 boerenfamilies die onder de Sandinistische regering land kregen of het eigendomsrecht over de grond waarop zij al werkten, in staat zullen zijn dat land in handen te houden," zoals beloofd was in het UNO programma, merkt Lisa Haugaard van het Central American Historical Institute op.

Een andere kwestie is de onafhankelijkheid van de veiligheidstroepen. Conform een al lang gevoerd beleid houdt Washington eraan vast dat zij onder Amerikaanse controle staan – of, dat de Sandinistische functionarissen worden weggestuurd, om het in de codetaal van de media voor regeringspropaganda te zeggen. Andere industriële landen, die niet het traditionele belang hebben in het runnen van "ons kleine gebiedje hier," vegen deze eisen als belachelijk van tafel, omdat zij de Sandinistische FSLN beschouwen als een "goed georganiseerde [partij] met een belangrijk politiek gewicht," de enige grote partij in het land gesteund door brede lagen van de bevolking (Detlev Nolte, hoofd van het Duitse Instituut van Ibero-Amerikaanse Studies). Zij zijn tegen het Amerikaanse beleid om "de situatie opnieuw te polariseren," voegt een andere Duitse Latijnsamerika-expert hieraan toe. Toen het congres besloot de financiële hulp toch vrij te geven, werd de uitbetaling van de 100 miljoen dollar door de regering Bush evengoed tegengehouden, in overeenstemming met de diepe overtuiging dat zelfs het geringste vertoon van onafhankelijkheid geweerd moet worden.47

Als we ons vergapen aan alles wat we hebben bereikt en ons de glorieuze toekomst proberen voor te stellen die in het verschiet ligt, dan kunnen we er trots op zijn "als bron van inspiratie bijgedragen te hebben aan de triomf van de democratie in onze tijd," zoals de New Republic juichte nadat de verkiezingen in Nicaragua door de "juiste partij" gewonnen waren. De omstandigheden voor een "eerlijke strijd" waren afgedwongen door de verbeten waarschuwing van Washington dat iedere andere uitkomst gevolgd zou worden door voortgaande economische wurging en terreur. We kunnen, kortom, instemmen met die redacteuren in hun lofzang op de terreur en geweld van Washington. En met de "goede rapportcijfers voor Reagan & Co." voor die hopen mismaakte lichamen en hordes uitgehongerde kinderen in Midden-Amerika. Waar het om gaat is dat we onder ogen zien dat we, zoals zij ons adviseren, militaire steun moeten geven aan "Latino-stijl fascisten ... onafhankelijk van hoeveel er gemoord wordt" omdat "er hogere Amerikaanse prioriteiten zijn dan de Salvadoraanse mensenrechten."48

Volgens de officiële conventies is de economische catastrofe van de afgelopen jaren in Latijns-Amerika het resultaat van geleide economiëen, populisme, Marxisme en andere kwaadaardigheden, die nu genezen zullen worden door de herontdekking van de deugden van monetarisme en vrije markt. Dat beeld is "totale oplichterij," leggen James Petras en Steve Vieux duidelijk uit. Die zeer geprezen herontdekkingen hebben juist geleid tot de catastrofes van het verleden – met behulp van de door de VS gesteunde terreur en economische oorlogvoering. Bovendien hebben de neoliberale dogma’s jarenlang geheerst in deze door de VS gerunde "proeftuinen." Uitgaven voor welzijn zijn vanaf 1980 scherp gedaald, wat een ramp betekende voor de volksgezondheid en de ineenstorting van het onderwijs, behalve voor de rijken; groei is gestagneerd of afgenomen. Slechts op één gebied was er vooruitgang: de privatisering, die ruime voordelen opleverde voor de binnenlandse en buitenlandse kapitaalkrachtigen, en als gevolg waarvan de overheidsinkomsten nog meer zijn teruggedrongen doordat "efficiënt lopende en winstgevende activiteiten" in de uitverkoop werden gedaan, zoals in Chili. "De meedogenloze bezuinigingsprogramma’s van de jaren ’80 waren zonder twijfel het werk van de neoliberale ideologen," leggen zij uit, en de "ellendige resultaten" zijn een direct gevolg van hun ideologisch fanatisme. De gigantische schuld is verschrikkelijk opgelopen door de samenwerking van de binnenlandse militair-economische elites met de van oliedollars uitpuilende buitenlandse banken en zal moeten worden betaald door de armen. "Werkende mensen hebben hieraan het meest bijgedragen, doordat zij geld moesten afstaan om de betalingen van de buitenlandse schulden te voldoen," staat in het Economisch Overzicht 1990 van de Verenigde Naties.

"Meer dan welke regio in de wereld," schrijft correspondent Marc Cooper, "heeft Latijns-Amerika in het afgelopen decennium de beloftes van de Reagan-revolutie serieus genomen" – maar niet geheel uit vrije keuze. Het decennium werd gekenmerkt door privatisering, deregulering, "vrije handel," het uitschakelen van vakbonden en burgerorganisaties, het vrijgeven van natuurlijke bronnen (waaronder in nationale parken en reservaten) voor exploitatie door buitenlandse investeerders, en de rest van het standaardpakket. De gevolgen zijn rampzalig geweest, zoals was te verwachten.49

Dat de ideologische instituties in juichstemming zijn is ook volstrekt voorspelbaar. De schuld voor de catastrofes uit het verleden ligt immers bij anderen. Wat de meesters uit de VS daar eventueel aan bijgedragen zouden hebben is per definitie te verwaarlozen, of was nu eenmaal noodzakelijk vanwege de Koude Oorlog. En terwijl de oude doctrines nieuwe "economische wonderen" produceren, is er voor de ideologen van de macht genoeg reden om lovend te zijn, zoals zij altijd zijn geweest, en ook zullen blijven, zolang de macht hen die taak geeft.

Hyper-Noten

1   Evans, Dependent Development, 51ff. WP, May 6, 1929; New York Herald Tribune, Dec. 23, 1926; CSM, Dec. 22, 1928; NY Post, Dec. 21, 1928; WSJ, Sept. 10, 1924; cited by Smith, Unequal Giants, 186f., 135f., 82. Krenn, US Policy, 122. Green, Containment, 8f.
2   Smith, Unequal Giants, 3ff., 35f., 134.
3   Evans, Dependent Development, 70; Rabe, Road to OPEC, 110.
4   Haines, Americanization; Leffler, Preponderance, 258, 339. Hfdst. 2.2.
5   Geciteerd door Kolko, Politics, 302f. Green, Containment, hfdst. 11. De situatie ligt iets complexer, zie hfdst. 2.2.
6   Zie TTT, hfdst. 2.3. Bismarck geciteerd door Nancy Mitchell, ms., SAIS, Johns Hopkins, 1991, nog te verschijnen in Prologue. Stimson, zie hoofdstuk 2.
7   Green, Containment, 74f., 315n.; Zie ook hfdst. 2.1.
8   NSC 5432, augustus 1954; Memorandum for the Special Assistant to the President for National Security Affairs (McGeorge Bundy), "Study of U.S. Policy Toward Latin American Military Forces," ministerie van Defensie, 11 juni 1965. Zie PI, lezing 1, voor meer details. Green, Containment, 180f., 259f., 103, 147f., 174f., 188. Over Latijnsamerikaanse militairen, zie ook Leffler, Preponderance, 59f. Over de nasleep in Bolivia, zie, DD, 395f.; en hoofdstuk 3.4, hierboven.
9   Zie hfdst. 5, noot 5. Agee, Inside, 361-2.
10   Parker, Brazil; Leacock, Requiem; Skidmore, Politics; Hewlett, Cruel Dilemmas. Zie ook Black, US Penetration.
11   Felix, "Financial Blowups" (hfdst. 4, noot 5); Evans, op. cit.; Herman, Real Terror Network, 97.
12   Skidmore; Evans, 4. Mario de Carvalho Garnero, voorzitter van Brasilinvest Informations and Telecommunications, O Estado de São Paulo, 8 augustus (LANU, Sept. 1990); Latin America Commentary, oktober, 1990. CIIR, Brazil. Voor meer over de context, zie DD, hfdst. 7.
13   Americas Watch, Struggle for Land; Braziliaanse journalist José Pedro Martins, Latinamerica press, 4 juni 1992; George Monbiot, Index on Censorship (Londen), mei 1992; Isabel Vincent, G&M, 17 december 1991. Algemeen, zie Hecht and Cockburn, Fate.
14   Dimerstein, Brazil; Blixen, "`War' waged on Latin American street kids," Latinamerica press, 7 november 1991; Gabriel Canihuante, Ibid., 14 mei 1992; Moffett, CSM, 21 juli 1992; Maité Pinero, Le Monde diplomatique, august 1992.
15   Rabe, Road. Krenn, US Policy, over de vroege periode.
16   Excelsior (Mexico City), 11 november, 21 november, 4 december 1991; 30 januari 1992 (LANU ).
17   Brooke, NYT, 21 januari; AP, NYT, 5 februari; Douglas Farah, BG, 10 februari; Stan Yarbro, CSM, 12 februari 1992.
18   AP, NYT, 5 februari; Joseph Mann, FT, 5 februari; Brooke, NYT, 9 februari; Yarbro, CSM, 11, 12 februari 1992.
19   Seabrook, Race & Class (Londen), 34.1, 1992.
20   TTT, MC; Jonas, Battle.
21   Excelsior, 21 juli 1992; Shelley Emling, WP, 1 augustus 1992.
22   Jonas, Battle. David Santos, Excelsior, 20 juni 1992 (CAN); CAR, 17 januari 1992; Florence Gardner, "Guatemala's Deadly Harvest," Multinational Monitor, januari/februari 1991; Report from Guatemala, Lente 1992. Over de visie van de Amerikaanse regering op de Guatemalteekse democratie, zie DD, hfdstn. 3.6, 8.3, 12.5.
23   Edward Gargan, NYT, 9 juli 1992. Frontline (India), 6 december 1991.
24   Vickery, "Cambodia After the `Peace'," ms. (Penang, Malaysia, december 1991). Zie zijn Cambodia voor een vergelijkende bespreking van Cambodia en Thailand. Voor een kleine greep van de plaag van kinderslavernij, zie TNCW, 202, 283.
25   Blixen, op. cit.; Excelsior (Mexico), 5 november 1991 (CAN ).
26   Unomásuno, 13 oktober 1990; David Santos, Excelsior, 20 juni 1992; Pinero, op. cit. "Honduras: A Growing Market in Children?," CAR, 5 juni 1992. Zie ook de VN Economische en Sociale Raad, Commissie voor de Mensenrechten, E/CN.4/Sub.2/1992/34, 23 juni 1992. DD, hfdst. 7.
27   "Argentina uncovers patients killed for organs," BMJ, zomer 1992; AFP, 8 maart 1992, geciteerd in LANU, april-mei 1992; Pinero, op. cit. Voor aanvullende verslagen vanuit Latijns-Amerika, zie DD, 220-1. Colombia, ook Reuters, BG, 3 en 5 maart 1992; Ruth Conniff, Progressive, mei 1992; Over de rol van de VS, zie DD, hfdst. 4.5.
28   Scanlan, MH, 28 mei 1991; CT, 243.
29   US-Costa Rica, hfdst. 3, n. 20. Mijn "Letter from Lexington," Lies of our Times, januari 1992.
30   Tim Johnson, MH, 14 juni 1992; Inter Press Service (IPS), 31 juli 1992; Gibb, SFC, 17 juni 1992 (CAN ).
31   Science, 20 december 1991; Economist, 4 januari 1992.
32   CAR, 14 juni; 16 augustus 1991; 21 augustus 1992. IPS, San José, 23 februari; Excelsior, 31 juli 1992 (CAN ).
33   CAR, 18 oktober 1991; Reuters, SFC, 1 augustus 1992 (CAN ).
34   Envío (Managua), april 1991. Madhura Swaminathan and V.K. Ramachandran, Frontline (India), 6 december 1991. Zie Herman, Real Terror Network, hfdst. 3, over de pre- 1980 versie.
35   Hfdst. 4.2. Zie DD, hfdst. 1, noot 19; hfdst. 7.7. Ook Bello en Rosenfeld, Dragons.
36   Hockstader, WP, 20 juni 1990; Crossette, NYT, 18 januari; Tim Golden, NYT, 17 januari; Friedman, NYT, 12 januari 1992. Hulp-martelingen, zie hoofdstuk 5. Zwick, Twain, 111.
37   Skidmore, Evans, Felix, op. cit. Hagopian, overzicht van Skidmore, Politics, Fletcher Forum, zomer 1989. Chile, Herman, Real Terror Network, 189f. (citeert het Harberger interview, Norman Gall, Forbes, 31 maart 1980).
38   James Petras en Steve Vieux, "Myths and Realities: Latin America's Free Markets," Monthly Review, mei 1992; ms. van recente informatie voorzien, SUNY Binghamton. CIIR, Brazil. Brooke, NYT, 28 augustus 1992.
39   James Markham, NYT Week in Review, 25 september 1988; Wrong, Dissent, lente 1989. Roberts, "Democracy and World Order," Fletcher Forum, zomer 1991.
40   Simpson, Spectator, 21 maart 1992; Petras and Pozzi, Against the Current, Maart/april 1992; Felix, "Reflections on Privatizing and Rolling Back the Latin American State," ms., Washington University, juli 1991.
41   David Clark Scott, CSM, 30 juli 1992; Salvador Corro, Proceso (Mexico), 18 november 1991 (LANU, Jan. 1992); UN Rapport over het milieu, AP, 7 mei 1992; La Botz, Mask, 165, 158; Andrew Reding en Christopher Whalen, Fragile Stability, Mexico Project, World Policy Institute, 1991. Barkin, Report on the Americas (NACLA), mei 1991; "Salinastroika," ms., augustus 1992. Baker, WP, 10 september 10, 1991, geciteerd door Reding en Whalen.
42   Nash, NYT, 13 november 1991; 1 augustus 1992. Kamm, WSJ, 16 april 1992.
43   Felix, "Financial Blowups"; "Reflections on Privatizing"; "Latin American Monetarism in Crisis," in 'Monetarism' and the Third World, Institute of Development Studies, Sussex, 1981. Data vergaard door de Chileense econoom Patricio Meller; UN ECLA Poverty Study (Santiago, 1990) (Felix, p.c.). Petras and Vieux, "Myths and Realities." Economist Intelligence Unit geciteerd door Doug Henwood, Left Business Observer, no. 50, 7 juli 1992. Collins and Lear, "Pinochet's Giveaway," Multinational Monitor, mei 1991. Rosenberg, Dissent, zomer 1989. Herman, letter, Washington Report on the Hemisphere, 3 juni 1992. Nash, NYT, 6 juli 1992.
44   Mayorga, Nicaraguan Economic Experience. Zie DD verdere bespreking.
45   Constable, BG, 4 maart (zie ook hfdst. 6); Golden, MH, 5 maart; nieuwsberichten van persagentschappen, Excelsior, 12 maart 1992 (CAN). CAR, 31 juli 1992.
46   CAR, 18 oktober 1991; 8 mei 1992; Otis, SFC, 1augustus 1992.
47   Links (National Central America Health Rights Network), zomer 1992; CEPAD Report, januari-februari 1992; Excelsior, 11 juni 1992 (CAN); Haugaard, CAHI, Georgetown University; IPS, 9 augustus 1992 (CAN ).
48   Voor meer hierover, zie TTT, hfdst. 3.9; DD, hfdst. 10.
49   Petras en Vieux, "Myths and Realities." Cooper, New Statesman & Society (London), 7 augustus 1992. Over de VS-IMF programma's in het Caraïbisch gebied, zie Deere, In the Shadows; McAfee, Storm Signals. Voor een doorlopende geschiedenis van Midden-Amerika, zie PEHR, TNCW, TT, COT, NI, DD, en de daar geciteerde bronnen.


Met dank aan Noam Chomsky.

Inhoud
Bibliografie en Afkortingen
NoamChomsky.com
Noam Chomsky Archive




Terug