De Vloek van Columbus

Van Kolonialisme tot de Nieuwe Wereldorde

Het Jaar 501, De Verovering Gaat Door
Noam Chomsky, Copyright © 1993

Vertaling van 'Year 501: The Conquest Continues' van Noam Chomsky
Dit deel verscheen als bijlage bij Extra! nr. 17, 21 mrt 2003 (de hoofdstukken 1-5 verschenen in eerdere bijlagen bij Extra!)

hoofdstuk 6: Een "Rijpe vrucht"

Voor de slachtoffers van de “barbaarse onrechtvaardigheid” van de veroveraars maakt het over het algemeen niet veel uit onder wiens laars zij zuchten. Maar soms wel. Tijdens de Amerikaanse revolutie, schrijft Francis Jennings, zagen de meeste Indianen "zich door de loop der gebeurtenissen gedwongen te vechten voor hun `aloude beschermheer en vriend’ de koning van Engeland." Zij beseften zeer goed welk lot hun te wachten stond als de rebellen zouden winnen. Dit gold eveneens voor de zwarte Amerikanen. Ook zij waren op de hoogte van de Britse emancipatieverklaring uit 1775 die de invrijheidstelling beloofde van " alle contractarbeiders, Negers en anderen...die met wapens kunnen en willen omgaan." Aan de andere kant was de veroordeling van de slavenhandel geschrapt uit de onafhankelijkheidsverklaring "als tegemoetkoming aan South Carolina en Georgia" (Thomas Jefferson*). De rebellen beschouwden zelfs werknemers als eigendom. Plaatselijke comités vonden dat hen de mogelijkheid om dienst te nemen in George Washington's leger moest worden ontzegd omdat "leerlingen en bedienden het Eigendom zijn van hun meesters en meesteressen en iedere maatregel om deze meesters en meesteressen te beroven van hun eigendom een Schending van de Rechten van de mensheid is, in strijd met het (...) Continentale Congres*( en een misdaad tegen de Vrede van de fatsoenlijke Burgers van deze staat" (Pennsylvania). Richard Morris stelt vast dat dit duidelijk aangeeft "hoe Vaderlandslievende werkgevers tegenover het revolutionaire elan van hun werknemers stonden".

De slaven stelden vast dat "de drijvers van zwarte slaven het hardst om vrijheid riepen" en dit gold ook voor de slavendrijvers die hun slaven het dringende advies gaven "zich te schikken in hun lot en op een beter lot te hopen in een volgend leven," aldus de federale rechter Leon Higginbotham. Onder de massa’s vluchtelingen die probeerden te ontkomen aan de terreur van de rebellen bevonden zich duizenden zwarten die "een goed heenkomen trachtten te vinden in Groot-Brittannië, het Caraïbisch gebied, Canada en, uiteindelijk, Afrika" (Ira Berlin). Een aanzienlijk deel van deze vluchtelingen was bootvluchteling. Hun ellendig lot heeft echter nooit de geschiedenisboeken gehaald. Ook de inheemse bevolking begreep zeer goed wat Alexander Hamilton bedoelde toen hij in de Federalist Papers schreef dat "de barbaarse stammen aan onze westelijke grenzen als onze natuurlijke vijand moeten worden beschouwd" en als de natuurlijke bondgenoten van de Europeanen, "aangezien ze van ons het meeste hebben te vrezen en van hen het meeste kunnen verwachten." Hun bangste vermoedens zouden spoedig bewaarheid worden. 1

De geschiedenis van Latijns-Amerika biedt het meest overvloedige bewijsmateriaal voor de standvastigheid van de thema’s die aan het buitenlandse beleid ten grondslag liggen en die binnen het bredere kader van de verovering van de wereld vallen. Een van de grootste van de vele problemen waarmee Latijns-Amerika zich geconfronteerd zou zien sinds de omverwerping van het Spaanse gezag was in 1822 al voorzien door de bevrijder van dit werelddeel, Simón Bolívar: "Ten noorden van dit enorme continent ligt een zeer machtig land; zeer rijk, zeer oorlogszuchtig en tot alles in staat." Piero Gleijeses merkt op dat "Bolívar in Engeland een beschermer zag en in de Verenigde Staten een bedreiging." Gezien de geopolitieke situatie in die tijd was dit logisch.2

Groot-Brittannië had haar eigen redenen voor het indammen van de agressieve opstand aan de andere kant van de oceaan. Minister van Buitenlandse Zaken George Canning wees er in 1822 met betrekking tot het Caraïbisch gebied op dat "de annexatie door de Verenigde Staten van de beide kusten langs de zeestraat waardoor onze Jamaicaanse handelswaar moet worden vervoerd, het einde zou betekenen van deze handel met alle catastrofale gevolgen van dien." Zoals reeds eerder besproken waren de democraten onder leiding van Jackson niet alleen van plan Engeland economisch te wurgen en te beheersen, het ging nog veel verder: zij wilden "alle overige landen op hun knieën krijgen" en "de wereldhandel beheersen.”3

De VS zaten niet bepaald te wachten op de onafhankelijkheid van de Spaanse kolonies. "Tijdens de debatten in het congres uit die tijd," zegt Gleijeses, "was men veel enthousiaster over het Griekse streven naar onafhankelijkheid dan over dat van de Spaanse Amerikanen." Een van de redenen hiervoor was dat Latijnsamerikanen "van twijfelachtige blankheid waren," en op zijn best "van minderwaardige Spaanse afkomst." Dit in tegenstelling tot de Grieken, aan wie in de door Europese racistische wetenschappers geconstrueerde versie van de geschiedenis een speciale rol werd toegedicht als de Arische giganten die de beschaving hadden uitgevonden.4 Een andere reden was dat Bolívar, in tegenstelling tot de Founding Fathers, de slaven bevrijdde. Hiermee had hij bewezen een rotte appel te zijn die de hele mand zou kunnen bederven.

De belangrijkste intellectuele analyses uit die tijd kwamen allemaal tot de slotsom dat "Zuid-Amerika voor Noord-Amerika zal betekenen...wat Azië en Afrika voor Europa betekenen " -- onze Derde Wereld. Deze zienswijze is tot op de dag van vandaag onverminderd van kracht. In een commentaar op de pogingen van minister van Buitenlandse zaken James Baker om "het gezamenlijk aanpakken van regionale problemen" te bevorderen, constateert de correspondente van de New York Times Barbara Crossette "dat men in de VS en de rest van het Amerikaanse continent tot het inzicht is gekomen dat de Europese en Aziatische handelsblokken het best kunnen worden aangepakt door het instellen van een grote vrijhandelszone in dit deel van de wereld" – dit "inzicht" wordt vooral gedeeld door die personen die volgens de normen van de New York Times er toe doen. Sommigen echter hebben zo hun twijfels over de plannen die worden gesmeed. Zelfs de Wereldbank is niet zo enthousiast over de vooruitzichten. In een rapport uit 1992 komt de bank tot de conclusie dat de VS meer profijt zullen hebben van vrijhandelsovereenkomsten dan Latijns-Amerika, met uitzondering van Mexico en Brazilië – dat wil zeggen die groepen in Mexico en Brazilië die banden hebben met het internationale kapitaal. Verder komt het rapport tot de conclusie dat de regio beter af zou zijn met een douane-unie naar het model van de Europese Unie met een gemeenschappelijk extern tarief waarvan de VS zijn uitgesloten. Dat is natuurlijk volledig onrealistisch.5

Gedurende de 19e eeuw stond de Britse afschrikking Amerikaanse overheersing van dit werelddeel in de weg. Maar het concept van "onze confederatie" als "het nest van waaruit zowel Noord- en Zuid-Amerika moeten worden bevolkt" (Thomas Jefferson) had definief zijn intrede gedaan evenals de ermee verbonden consequentie dat dit gebied het beste onder Spaanse heerschappij kon blijven totdat "onze bevolking zich voldoende heeft ontwikkeld om het beetje bij beetje van hen over te nemen.”6

Er bestonden interne conflicten over deze kwestie. Amerikaanse handelaren "stonden te popelen om een bijdrage te leveren aan de zaak van de vrijheid – zolang de rebellen konden betalen en dan bij voorkeur cash," aldus Gleijeses. Door de aloude traditie van piraterij waren er vele Amerikaanse scheepseigenaren en zeelui (waaronder ook Britse) beschikbaar die graag hun diensten als kapers aanboden en bereid waren Spaanse schepen aan te vallen. De uitbreiding van hun terroristische activiteiten naar Amerikaanse schepen leidde echter tot grote morele verontwaardiging en tot keihard optreden door de regering. Ook het bevrijdde Haïti steunde de onafhankelijkheid maar wel op voorwaarde dat de slaven werden bevrijd. Haïti was dus ook een gevaarlijke rotte appel en werd voor haar onafhankelijkheid gestraft. Hoe dit in zijn werk ging komt aan de orde in hoofdstuk 8.

Het concept van panamerikanisme van Bolívar stond diametraal tegenover dat van de Monroe Doctrine uit dezelfde periode. Een Britse functionaris schreef in 1916 dat hoewel Bolívar het idee van panamerikanisme had ontwikkeld hij "niet van plan was om zijn politieke ideaal onder auspiciën van de Verenigde Staten te verwezenlijken." Uiteindelijk "won Monroe en verloor Bolívar," aldus Gleijeses.

De status van Cuba was bijzonder belangrijk en een treffend voorbeeld van de veerkracht van oude thema’s. De VS waren sterk gekant tegen de onafhankelijkheid van Cuba dat "strategisch is gelegen en rijk is aan suiker en slaven" (Gleijeses). Jefferson adviseerde president Madison om Napoleon de vrije hand te geven in Spaans Amerika in ruil voor de overdracht van Cuba aan de Verenigde Staten. Hij schreef in 1823 aan president Monroe dat hij vond dat de VS geen oorlog om Cuba moesten voeren. "Maar de eerste de beste oorlog die op andere gronden wordt gevoerd, zal Cuba aan ons doen toekomen, of anders zal het eiland zichzelf aan ons geven, als het daartoe in staat is." Minister van Buitenlandse Zaken John Quincy Adams beschreef Cuba als "een object van het allergrootste belang voor de commerciële en politieke belangen van onze Unie." Hij benadrukte eveneens het belang van Spaanse soevereiniteit totdat Cuba in de handen van de VS zou vallen op grond van "de wetten van de politieke...zwaartekracht," als een "rijpe vrucht" bij de oogst. Vrijwel iedereen in de regering en het congres steunde de Spaanse heerschappij. De Europese grootmachten, Colombia en Mexico werden gevraagd te helpen de bevrijding van Cuba tegen te houden. De grootste zorg vormden de democratische tendensen binnen de Cubaanse onafhankelijkheidsbeweging die afschaffing van de slavernij en gelijke rechten voor iedereen bepleitte. Opnieuw dreigde "het bederf zich te verspreiden," zelfs naar onze eigen kusten.7

Tegen het einde van de 19e eeuw waren de VS sterk genoeg om de Britse afschrikkingsmacht te negeren en Cuba te veroveren. Zij waren net op tijd om te voorkomen dat de Cubaanse bevrijdingsstrijd met succes zou worden bekroond. De standaard dogma’s rechtvaardigden het feit dat Cuba zo ongeveer tot een kolonie werd gedegradeerd. Cubanen waren "onwetende nikkers, bastaarden, en Spanjolen," aldus de Newyorkse pers; "een stelletje dégenerés...net zo min in staat zichzelf te besturen als de wilden in Afrika," voegde de militaire top hier aan toe. De VS legden de Cubanen het bestuur van de blanke bezittende klasse op die geen vreemde opvattingen over democratie, vrijheid en gelijke rechten had en dus niet uit dégenerés bestond. De "rijpe vrucht" werd in een plantage omgetoverd waarmee een einde kwam aan de vooruitzichten op een succesvolle onafhankelijke ontwikkeling.8

Toen de Amerikaanse economische en politieke overheersing van de regio een generatie later stevig was gevestigd, initieerde president Franklin Delano Roosevelt zijn "politiek van goed nabuurschap"; dat gedragen werd door het idee dat de krachten van de vrije markt het meest efficiënte controlemiddel vormen. Maar allereerst moest de regering van Dr. Ramón Grau San Martin ten val worden gebracht, aangezien deze volgens ambassadeur Sumner Welles een bedreiging was voor de Amerikaanse “commerciële belangen en exportbelangen in Cuba.” Als gerenommeerd kenner van Latijns-Amerika was Welles in het bijzonder verontrust over het feit dat arbeiders suikerfabrieken hadden overgenomen en in deze fabrieken iets hadden opgezet wat hij omschreef als een "sovjet regering". We kunnen "geen vertrouwen hebben in het beleid of de stabiliteit van dit regime," liet hij minister van Buitenlandse Zaken Cordell Hull weten, die op zijn beurt de pers mededeelde dat de VS "iedere regering zou verwelkomen die de wil van het volk van de Republiek zou vertegenwoordigen en die in staat zou zijn de orde en de wet op het eiland te handhaven" – dus niet de regering Grau. Welles gaf toe dat de wet en de orde wel degelijk werden gehandhaafd maar hij legde uit dat deze schijnbare stabiliteit slechts "de stilte der paniek" was. Er heerste een situatie van "passieve anarchie," voegde Adolf Berle, adviseur van Buitenlandse Zaken, hier aan toe. Al weer zo’n fraaie uitdrukking om het “onlogische logisch” te maken.

Roosevelt vertelde de pers dat Grau slechts werd gesteund door zijn “eigen legertje” van 1500 man “en een groepje studenten,” en dat zijn regering geen enkele legitimiteit had. De vervanger van ambassadeur Welles, Jefferson Caffery legde achteraf een verklaring af over de “impopulariteit van de [Grau] regering bij de hogere klassen van het land.” De regering kon alleen rekenen op de steun “van het leger en van de onderontwikkelde massa’s.” Toen de door de VS gesteunde regering Mendieta, die de macht van Grau had overgenomen, problemen had met het onderwerpen van de bevolking, legde Caffery vervolgens uit dat “de onwetende massa’s in Cuba zeer talrijk zijn.”

De weigering van Roosevelt om de regering Grau te erkennen “betekende in de praktijk dat het land economisch werd gewurgd,” aldus David Green, “omdat de Verenigde Staten weigerden een nieuwe overeenkomst over het aankopen van suiker te sluiten met een regering die niet werd erkend.” Een economie die zo afhankelijk was van de VS kon zonder zo’n overeenkomst niet overleven. Legerleider Fulgencio Batista begreep de boodschap en gaf zijn steun aan oppositieleider Carlos Mendieta, die de macht van Grau overnam en direct werd erkend door Washington. De betrekkingen werden weer aangehaald, met als resultaat dat Cuba nog meer dan voorheen werd opgenomen “in het protectionistische systeem van de Verenigde Staten,” zoals een lid van de Amerikaanse Tarief Commissie opmerkte. De VS behielden de feitelijke controle over de binnenlandse zaken van Cuba en lieten het interne sociale systeem, dat zich kenmerkte door grote verschillen in macht en rijkdom, evenals de repressie en de overheersende rol van het buitenlandse bedrijfsleven, in tact.9

Batista, de dictator die een paar jaar later de macht overnam, diende op voorbeeldige wijze de Amerikaanse “commerciële en exportbelangen in Cuba,” en kreeg daarom dan ook de volledige steun van de VS.

Toen Fidel Castro in januari 1959 een einde aan de dictatuur maakte, reageerde de VS op vijandige en traditionele wijze. Eind 1959 waren de CIA en Buitenlandse Zaken tot de conclusie gekomen dat de regering van Castro ten val moest worden gebracht. Eén van de redenen hiervoor was, zoals de liberalen van het ministerie van Buitenlandse Zaken uitlegden, dat “onze economische belangen in Cuba op het spel staan.” De tweede reden was het rotte appel-effect: “De VS moeten er niet op rekenen dat zij gezond economisch beleid in andere Latijnsamerikaanse landen kunnen aanmoedigen en steunen, en de noodzakelijke private investeringen in Latijns Amerika kunnen promoten, wanneer deze landen tegelijkertijd samenwerken of lijken samen te werken met het Castro-programma,” concludeerde het ministerie van Buitenlandse Zaken in november 1959. Er werd een belangrijke voorwaarde toegevoegd: “gezien het feit dat Castro in Cuba nog steeds op veel binnenlandse steun kan rekenen, is het van het grootste belang dat de regering van de Verenigde Staten niet openlijk acties onderneemt op grond waarvan de Verenigde Staten later de schuld kunnen krijgen van zijn falen of ondergang.”

Het Witte Huis kreeg de beschikking over studies (april 1960) waaruit bleek dat de meerderheid van de Cubanen optimistisch over de toekomst waren en Castro steunden, terwijl slechts 7 procent zich zorgen maakte over communisme en slechts 2 procent over de mogelijkheid dat er geen verkiezingen zouden komen. De bemoeienissen van de Sovjet-Unie waren nihil. In de Verenigde Staten “zagen de liberalen, evenals de conservatieven, Castro als een bedreiging voor het halfrond. Er werd nog niet gerept over een mondiale communistische samenzwering,” aldus Jules Benjamin.

Al vanaf oktober 1959 voerden in Florida gestationeerde vliegtuigen beschietingen en bombardementen uit op Cubaans grondgebied. In december werd de CIA-subversie opgevoerd. De CIA bewapende guerrilla-groepen en saboteerde suikerfabrieken en andere economische doelen. In maart 1960 nam de regering Eisenhouwer officieel het plan aan om Castro omver te werpen ten gunste van een regime “dat meer open staat voor de wensen van de Cubaanse bevolking en dat acceptabeler is voor de VS” – deze twee voorwaarden zijn gelijkwaardig – en wederom werd er de nadruk op gelegd dat “de indruk moet worden vermeden dat het om een Amerikaanse interventie zou gaan.”

De Kennedy regering voerde de sabotage, terreur en agressie nog verder op. Dit ging gepaard met een vorm van economische oorlogvoering die een klein land niet al te lang kan verdragen. De afhankelijkheid van Cuba van de VS voor zowel de export als de import was uiteraard altijd zeer groot geweest. Deze situatie te veranderen moest wel gepaard gaan met zeer grote kosten. De New Frontiersman* waren vanaf het begin geobsedeerd door Cuba. Tijdens de presidentscampagne van 1960 beschuldigde Kennedy Eisenhower en Nixon ervan dat ze de veiligheid van de VS in gevaar hadden gebracht doordat zij “het IJzeren Gordijn … op slechts 90 mijl afstand van de Amerikaanse kust” hadden geaccepteerd. Minister van Defensie Robert McNamara verklaarde later voor de Church committee: “We waren hysterisch over Castro ten tijde van de Varkensbaaicrisis [april 1961] en daarna.” Een paar dagen voordat het besluit werd genomen om Cuba binnen te vallen zei Arthur Schlesinger tegen president Kennedy dat “het in het overgrote deel van Latijns-Amerika mis zou gaan,” wanneer de VS “nog een Cuba” zouden tolereren. Voor JFK was “dit Cuba” er al één te veel. Kennedy’s beleid ten aanzien van Latijns-Amerika werd vooral ingegeven door de angst dat het virus andere landen zou aansteken en de Amerikaanse hegemonie in de regio aan banden zou worden gelegd.

Op de eerste kabinetsvergadering na de mislukte invasie in de Varkensbaai hing er “een bijna woeste” stemming, aldus Chester Bowles: “er was een haast krankzinnige behoefte om in actie te komen.” Het openbare optreden van de president was niet minder militant: “de zelfvoldane, gemakzuchtige, softe samenlevingen zullen samen met het overige afval van de geschiedenis worden weggespoeld. Alleen de sterken … zullen in staat zijn te overleven,” vertelde hij de natie. Kennedy verbrak alle diplomatieke, commerciële en financiële banden met Cuba, hetgeen een verschrikkelijke klap voor de Cubaanse economie was, gezien de afhankelijkheid die tijdens de Amerikaanse overheersing was opgebouwd. Hij slaagde erin om Cuba diplomatiek te isoleren, maar de pogingen om in 1961 een collectieve actie tegen Cuba te organiseren hadden geen succes. Misschien had dit te maken met een probleem dat werd opgemerkt door een Mexicaanse diplomaat: “Als wij openlijk verklaren dat Cuba een bedreiging voor onze veiligheid is, dan zullen veertig miljoen Mexicanen zich doodlachen.” Gelukkig zijn de ontwikkelde klassen in de Verenigde Staten beter in staat om de bedreiging die Cuba vormt voor de Vrijheid van de Wereld nuchter in te schatten.10

Medicijnen en voedsel waren in principe uitgesloten van het embargo, maar toen de Cycloon Flora in 1963 dood en verderf zaaide, werden voedselhulp en medische hulp geweigerd. Dit is overigens een standaard procedure. Zelfs president Carter dreigde geen steun te verlenen aan de Caraïbische eilanden die in augustus 1980 door een orkaan waren getroffen, tenzij Grenada hiervan werd uitgesloten. Zij weigerden dit collectief en ontvingen geen hulp van de VS. Toen Nicaragua in oktober 1988 onverwacht getroffen werd door een verwoestende orkaan, kon Washington nauwelijks haar leedvermaak onderdrukken over de te verwachte wijdverspreide honger en enorme ecologische schade. Uiteraard werd iedere hulp geweigerd, zelfs aan het zwaar getroffen gebied aan de Atlantische kust waar men van oudsher banden met de VS heeft en waar men zeer wantrouwig tegenover de Sandinisten stond. Om onze bloeddorst te bevredigen moeten deze mensen sterven in de restanten van hun hutten. Amerikaanse bondgenoten volgden gedwee de orders uit Washington op. Zij rechtvaardigden hun lafheid met de gebruikelijke hypocrisie. Om te bewijzen dat deze kwaadaardigheid onpartijdig is, werd in september 1992 op dezelfde wijze gereageerd toen een vloedgolf een aantal vissersdorpjes wegvaagde. De kop in de New York Times luidde: “De VS Sturen Nicaragua Hulp, Aantal Doden door Vloedgolf 116.” Een karikatuur van een journalist schreef in de New York Times: “Het buitenland, waaronder de Verenigde Staten, reageerde vandaag onmiddellijk door het sturen van hulp aan de overlevenden.” Washington had aangekondigd “dat het onmiddellijk 5 miljoen dollar vrij zou maken ten gevolge van deze ramp.” Wat een grootmoedigheid. Pas aan het einde van het artikel blijkt dat deze 5 miljoen dollar afkomstig is uit een al eerder gepland hulppakket dat echter nog steeds wordt achtergehouden. Bovendien, werd het congres verzekerd, was het geld niet afkomstig uit het hulppakket ter waarde van 100 miljoen dollar dat door de regering was opgeschort omdat de Nicaraguaanse overheid nog steeds niet helemaal naar de pijpen van Washington danst. Van de humanitaire hulp blijft uiteindelijk niet veel meer over dan een indrukwekkende 25.000 dollar.11

Ieder wapen, hoe wreed ook, mag worden ingezet tegen hen die zich schuldig maken aan de misdaad van het streven naar onafhankelijkheid. En natuurlijk mag de indrukwekkende zelfbewieroking nooit haperen. "Het scheelde maar een haartje," schreef Mark Twain: "Als het schaap eerder op aarde was gezet dan de mens dan zou de mens plagiaat zijn geweest.”12

De regering Kennedy streefde uit angst voor het effect van de rotte appel ook naar een cultureel isolement om zodoende het vrije verkeer van ideeën en informatie naar de landen van Latijns-Amerika te blokkeren. In maart 1963 had Kennedy een ontmoeting met zeven Middenamerikaanse presidenten. Zij kwamen overeen dat zij "gezamenlijke maatregelen zouden ontwikkelen, en per onmiddellijk zouden invoeren om het vrij reizen van subversieve inwoners van en naar Cuba te beperken. Ook moest er een dam worden opgeworpen tegen de stroom goederen, propaganda en fondsen vanuit Cuba." De tegenzin van de regeringen van de Latijnsamerikaanse landen om net zo fanatiek als de VS te controleren op het gebied van reizen en culturele uitwisseling was een grote bron van zorgen voor de Kennedy liberalen. Dit gold overigens ook voor de rechtsspraak in deze landen op grond waarvan zogenaamde "revolutionairen" alleen veroordeeld kunnen worden als er bewijs is geleverd voor hun misdaden. Deze landen waren sowieso veel te liberaal.13

Onmiddellijk na de mislukte invasie in de Varkensbaai startte Kennedy een omvangrijk programma van internationaal terrorisme met als doel het regime ten val te brengen. Deze misdaden werden in het Westen grotendeels genegeerd. Wel werd er enige aandacht besteed aan de moordaanslagen waarvan er één plaatsvond op de dag dat Kennedy werd vermoord. Formeel werden de terroristische operaties door president Johnson beëindigd. Ze gingen echter gewoon door en namen onder Nixon in alle hevigheid toe. Latere acties worden toegeschreven aan zelfstandig opererende groepen waarover de CIA geen controle meer had. Of dit klopt weten we niet.; een hooggeplaatste medewerker van het Pentagon, Roswell Gilpatric, heeft zo zijn twijfels. De regering Carter zag, hierin gesteund door rechtbanken in de VS, het kapen van Cubaanse schepen door de vingers hetgeen een schending was van de anti-hijacking conventie die door Castro werd gerespecteerd. De Reaganites verwierpen Cubaanse initiatieven om tot een diplomatieke oplossing te komen en legden nieuwe sancties op, vaak op de meest bizarre en leugenachtige gronden, een geschiedenis die is opgetekend door Wayne Smith die uit protest ontslag nam als hoofd van de US Interests Section in Havana.14

Vanuit het Cubaanse perspectief gezien was de Kennedy-terreur een vooraankondiging van een invasie. De CIA kwam in september 1962 tot de conclusie --voordat halverwege oktober van dat jaar de Russische raketten werden ontdekt – dat "de huidige [Russische] militaire opbouw in Cuba voornamelijk ten doel heeft het communistische regime aldaar te versterken aangezien zowel de Cubanen als de Russen het gevaar onderkennen dat de VS op een of andere manier zullen proberen dit regime omver te werpen." Dit oordeel werd begin oktober door het ministerie van Buitenlandse Zaken bevestigd, net als later door een onderzoek van hetzelfde ministerie. Hoe realistisch deze angsten waren, daar kunnen we alleen maar naar gissen.

In dit verband is Robert McNamara's reactie op de bewering van wijlen Andrei Gromyko van belang volgens welke de Russische raketten naar Cuba werden gestuurd om "het defensieve vermogen van Cuba te versterken—dat is alles." In reactie hierop erkende McNamara dat "als ik een Cubaanse of Russische overheidsfunctionaris was geweest ik uw oordeel zou delen dat een invasie door de VS waarschijnlijk was." (een oordeel dat volgens hem onjuist was). De kans op een kernoorlog na een invasie door de VS was "99 procent," voegde McNamara hier aan toe. Een dergelijke invasie was angstaanjagend dichtbij nadat Kennedy Chroestjov’s voorstel voor wederzijdse terugtrekking van kernwapens uit Cuba en Turkije had afgewezen De Amerikaanse raketten in Turkije waren overigens al overbodig verklaard en het bevel om ze terug te trekken was al gegeven. Sterker nog Cuba had zelf een kernoorlog kunnen beginnen toen een Amerikaans team van terroristen (Mongoose) een fabriek opblies waarbij volgens Castro 400 mensen omkwamen. Dit gebeurde tijdens een van de meest gespannen momenten van de crisis, toen de Cubanen hun vingers misschien al op de knop* hadden.15

Het plan uit maart 1960 om Castro ten val te brengen en een regime te installeren dat "meer oog heeft voor de ware belangen van het Cubaanse volk en dat acceptabeler is voor de VS" is in 1992 nog steeds van kracht. De VS gaan dus nog steeds door met hun nobele taak die er in bestaat Cubaanse onafhankelijkheid te voorkomen, iets waar ze al 170 jaar ervaring in hebben. De richtlijn van Eisenhower is ook nog steeds van kracht op grond waarvan de misdaad "op dusdanige wijze” gepleegd moet worden “dat niet de indruk mag ontstaan dat het om een interventie door de VS zou gaan." In overeenstemming hiermee is het de taak van de ideologische instituten om de geschiedenis van agressie, terreurcampagnes, economische oorlogvoering en alle andere methoden waar de Tsaar van het westelijk halfrond zich van bediend te verzwijgen, toegewijd als hij is aan "werkelijke belangen van het Cubaanse volk."

De loyaliteit waarmee aan dit decreet uitvoering wordt gegeven overstijgt de gebruikelijke norm. Gerespecteerde historici zijn er in geslaagd het terrorisme van de VS tegen Cuba volledig buiten de geschiedenisboeken te houden. Een fanatieke aanhanger van het totalitarisme zou zeer onder de indruk zijn van de slaafsheid waarmee dit is gebeurd. In de media wordt het regelmatig zo voorgesteld alsof Castro en het “Cubaanse socialisme alleen verantwoordelijk zijn voor de hopeloze toestand van Cuba.” Castro draagt de volle verantwoordelijkheid voor de “armoede, het isolement en de vernederende afhankelijkheid” van de Sovjetunie laten de redacteuren van de New York Times ons weten; triomfantelijk komen ze tot de conclusie dat “de Cubaanse dictator het allemaal aan zichzelf heeft te danken,“ zonder enige hulp van ons. Dat is waar op grond van ideologische noodzakelijkheid, de hoogste autoriteit. De redacteuren concluderen dat we niet moeten ingrijpen zoals sommige “Amerikaanse haviken” voorstellen: “Fidel Castro moet zijn eigen ondergang bewerkstelligen en niet als een martelaar eindigen.” Positie kiezend als extreme duiven, adviseren de redacteuren dat we stilzwijgend vanaf de zijlijn moeten toekijken, net zoals we dat de afgelopen 30 jaar hebben gedaan. Dit is wat de argeloze lezer kan leren uit de (standaard) versie van deze geschiedenis die zo is opgesteld dat hij voldoet aan de eisen van de machthebbers.

De nieuwsverslaggeving houdt zich in het algemeen aan dezelfde conventies. Cuba is een puinhoop, schrijft de correspondent voor het Caraïbische gebied van de New York Times, Howard French, “een communistische curiositeit in een toenemende vrije-markt wereld,” “een Communistische doodlopende weg” die vergeefs tegen de “economische realiteit” worstelt. Deze “realiteit”, wordt ons duidelijk gemaakt, is het gevolg van de steriele communistische ideologie en heeft helemaal niets te maken met Amerikaanse terreur of economische oorlogvoering. De terreur wordt niet eens genoemd. De kwestie van de economische oorlogvoering wordt vermeld maar deze roept slechts een tactische vraag op: moet er een nog strenger embargo komen of moet het oude worden gehandhaafd, er van uitgaand dat de “economische realiteit” haar werk zal doen en “onvermijdelijk zal leiden tot een dramatische verandering.” Iedere mening die buiten dit spectrum valt is wederom een “curiositeit”, waarvan geen enkele verantwoordelijke journalist die op de vrije markt der ideeën opereert, notitie hoeft te nemen.

Latijnsamerika-specialist van de Boston Globe, Pamela Constable, houdt zich aan dezelfde conventies. Ze opent haar bespreking van Castro’s Final Hour, geschreven door de Miami Herald correspondent Andres Oppenheimer, met de toelichting dat hij “zeker geen communistenvreter is. Zijn lange staat van dienst als journalistiek waarnemer van Latijns-Amerika maakt zijn boek, dat een meedogenloze ontmaskering van de cynische, obsessieve manipulaties van Fidel Castro’s verouderde socialistische regime is, des te overtuigender.” Hij schildert Cuba af “als een klassieke, in verval zijnde dictatuur, geregeerd door een man wiens idealen al sinds lang plaats hebben gemaakt voor de harde logica van macht” en die “met vastberaden maar fatale trots vasthoudt aan een mislukt systeem.” Aan de hand van “grappige en tragische details” laat Oppenheimer zien dat “het leven van de gewone Cubaan nog slechts uit een aaneenrijging van zorgen en absurditeiten bestaat,” die ze met veel plezier opsomt. “Oppenheimer laat er weinig twijfel over bestaan dat Castro, net als andere messianistische tirannen, de basis heeft gelegd voor zijn eigen ondergang.” De woorden “Verenigde Staten” komen in het artikel in het geheel niet voor. Er is geen enkele verwijzing naar een eventuele bijdrage van de VS aan de “grappige” beproevingen van de gemiddelde Cubaan, of aan het “mislukte systeem” of aan de krankzinnige en destructieve weg die Castro is ingeslagen. “De harde logica van de macht” is simpelweg een natuurkracht die in tegenstelling tot de slechterik Castro totaal geen emoties losmaakt. De normen zijn universeel; Cuba is slechts een uitzondering. Op soortgelijke wijze beschrijft Constable het verval in Nicaragua nadat een door de VS gesteunde regering de macht had overgenomen. Volgens haar “zijn er twee factoren die hebben geleid tot de ramp die dit arme, tropische land in zijn greep houdt: “de aanhoudende vijandigheid” tussen de Sandinisten en rechts, en de corruptie. Zouden de wrede aanvallen van een terroristische supermacht misschien een klein effect kunnen hebben gehad op de “ineengestorte socialistische economie”? Zou het iets te maken kunnen hebben met de Amerikaanse pogingen om de glorietijd van weleer te doen herleven? Aan het dissidente uiterste van de cultuur van commissarissen kunnen deze zaken echter niet worden uitgesproken en waarschijnlijk zelfs niet eens worden gedacht.

Hetzelfde boek wordt door Clifford Krauss in de New York Times besproken. Wederom wordt de misère van Cuba enkel en alleen toegeschreven aan de misdaden en waanzin van de duivel Castro. De VS worden alleen indirect genoemd: Castro (dus niet Cuba) “heeft een hele serie rampen overleeft: de raketcrisis, het handelsembargo, de Mariel exodus*, herhaalde mislukte oogsten en eindeloze rantsoeneringen.” Verder reikt de rol van de VS niet. Oppenheimer wordt geprezen voor zijn “inzichtelijke en geestige” beschrijvingen van de Cubaanse misère (vreemd toch dat men zo veel plezier kan beleven aan het lijden van onze slachtoffers). Maar nog veel belangrijker is dat Oppenheimer een misdaad boven tafel heeft gekregen waarvan niemand ooit had durven dromen. Onverzadigbaar in zijn zucht naar macht en uit liefde voor geweld stuurde Castro “ervaren officieren” voor trainingen naar Nicaragua om het land te helpen in haar strijd tegen de contra’s, het door de VS opgezette terreurleger dat vanuit bases in Honduras opereerde en dat het bevel had om “zachte doelen”, zoals ziekenhuizen en boeren-coöperaties aan te vallen. Voor het aanvallen van boeren-coöperaties was zelfs nadrukkelijk toestemming verleend door Buitenlandse Zaken en links-liberale opiniemakers. Het monster heeft zelfs overwogen om terug te slaan “in het geval de VS onder Reagan Nicaragua zouden binnenvallen” en “hij was nog veel nauwer betrokken, dan we al wisten” bij het geven van militaire steun aan het leger van Panama, “dat zich voorbereidde op een invasie door de VS.”

Denk niet dat er grenzen zijn aan wat het criminele brein vermag. “Door de aanwezigheid van Cubaanse militairen in Angola ter ondersteuning van de Marxistische Regering was Mr. Castro een obstakel voor vredesonderhandelingen die moesten leiden tot de beëindiging van de burgeroorlog in dat land in de jaren 80.” De kenners die de Pravda uit de goeie oude tijd missen, zullen deze New York Times-wending direct op waarde weten te schatten. Dankzij de Cubaanse steun voor de regering in Angola, die door vrijwel iedereen werd erkend behalve door de VS, kon de agressie van de VS en Zuid-Afrika met succes worden afgeslagen. Hierdoor werd de weg vrijgemaakt voor vredesonderhandelingen. Deze werden echter direct gesaboteerd door Washington, die de steun aan haar terroristische cliënten* voortzette. De oorlog, die tot op dat moment al honderdduizenden mensenlevens had gekost en het land had verwoest, moest er uiteindelijk voor zorgen dat Angola aan Zuid-Afrika en Westerse investeerders kon worden overgedragen.16

Hoe men ook over Cuba denkt, dit soort prestaties geven een helder “beeld van het cynische, en obsessieve karakter” van een propagandasysteem dat met mechanische voorspelbaarheid opereert en dat wordt gerund door een intellectuele klasse van werkelijk ontzagwekkende morele lafhartigheid. Er is weinig veranderd sinds de tijd dat de redacteuren van de New York Times 60 jaar geleden onze grootse staat van dienst in het Caraïbisch gebied bejubelden, alwaar we met “de beste bedoelingen van de wereld” optraden toen de mariniers, onder de luide toejuichingen van de Nicaraguanen, een klopjacht hielden op die “ongrijpbare bandiet Sandino”. Deze toejuichingen stonden in schril contrast met de jammerklachten van de “professionele ‘liberalen’”. Wel was het volgens de redacteuren jammer dat de strijd “wordt gevoerd in een tijd dat Buitenlandse Zaken fatsoen, barmhartigheid en vrede voor de hele wereld predikt.” In Cuba is het ons gelukt “om de Cubanen tegen zichzelf te beschermen en hen te onderwijzen in zelfbestuur,” door hen “de onafhankelijkheid te geven zoals die werd bepaald door het beschermende Platt-amendment*( dat “bescherming bood” aan Amerikaanse bedrijven en hun lokale bondgenoten. Cuba staat op het punt, vervolgen de redacteuren, om de beschuldigingen over “de dreiging van het Amerikaanse imperialisme […] te weerspreken.” De Cubanen hebben “een beroep” op ons gedaan en zij hebben door ons vriendelijk voogdijschap eindelijk “het geheim van stabiliteit onder de knie gekregen.” En aangezien “onze commerciële belangen op het eiland niet zijn geschaad,” “gaat het ons voor de wind, evenals het vrije Cubaanse volk.” Dus er is “niemand die het nog heeft over Amerikaans imperialisme in Cuba.”17

Commentatoren doen alsof ze diep geschokt zijn door de misdaden van Castro. Deze reacties zijn over het algemeen echter uitermate cynisch. Deze conclusie kan op overtuigende wijze worden getrokken door een vergelijking te maken tussen de hysterische verontwaardiging over de mensenrechtschendingen van Castro en de ontwijkende manier waarop er over de veel grotere gruweldaden, gepleegd in landen in dezelfde regio en in dezelfde periode, werd bericht, als er al over werd bericht. Het gaat in dit geval om landen die door de VS werden gesteund en geadviseerd. De geschiedenis is zo vriendelijk geweest om een paar veelzeggende voorbeelden hiervan te geven.18

De voorgewende zorgen over de “werkelijke wensen van de Cubaanse bevolking” en over “democratie” mogen ons niet te veel afleiden. De bezorgdheid over “de ware belangen” van het Amerikaanse bedrijfsleven zijn daarentegen wel serieus. Hetzelfde geldt voor de bezorgdheid over de publieke opinie in Cuba en Latijns-Amerika. Kennedy wist waar hij mee bezig was toen hij probeerde het reisverkeer en de uitwisseling van informatie te blokkeren. De angsten zijn begrijpelijk in het licht van de eerder geciteerde onderzoeken naar de Cubaanse publieke opinie en van de reactie op de landbouwhervormingwetgeving van mei 1959, die door een VN organisatie wordt geprezen als “een voorbeeld dat navolging verdient” in geheel Latijns-Amerika. En ook in het licht van wat de afgevaardigde van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) voor Cuba in 1980 zei: “Het staat buiten kijf dat Cuba de beste gezondheidsstatistieken van Latijns-Amerika heeft.” Ondanks de armoede is haar gezondheidszorg “vergelijkbaar met die van een hoog ontwikkeld land.” En van een door een kerkelijk tijdschrift uit Peru besproken rapport van UNICEF over de “toestand van de kinderen in de wereld in 1990,” waarin een aantal Latijnsamerikaanse landen wordt opgesomd die behoren tot de groep landen met de hoogst zuigelingensterfte in de wereld. Hoewel de zuigelingensterfte in Costa Rica en Chili voor Zuidamerikaanse begrippen laag is, is “Cuba het enige land dat zich kan meten met ontwikkelde landen.” En in het licht van de belangstelling die Brazilië en andere Latijnsamerikaanse landen hebben voor de Cubaanse biotechnologie, die uniek is voor een land dat zo klein en arm is. En van het soort besprekingen die, op veilige afstand, te lezen zijn in de Australische pers en waarin een overzicht wordt gegeven van de pogingen om Cuba weer binnen “de invloedssfeer van Washington” terug te brengen:

Dat Cuba in staat is geweest onder al deze omstandigheden te overleven, is op zich al een prestatie. Dat het de hoogste stijging van het bruto sociaal product (lonen en sociale uitkeringen) van alle economieën van Latijns-Amerika heeft bereikt – bijna het dubbele van het tweede land – in de periode 1981-1990 is zeer opmerkelijk. Bovendien is de gemiddelde Cubaan ondanks alle economische problemen nog steeds beter gevoed, behuisd, opgeleid en beter voorzien van medische zorg dan andere Latijns-Amerikanen, en– alweer uitzonderlijk – de Cubaanse regering heeft getracht om de last van de nieuwe bezuinigingsmaatregelen gelijk over de bevolking te verdelen.

Wat nog erger is, is dat dit ook in andere Latijnsamerikaanse landen niet onopgemerkt bleef. Dit heeft mede te maken met directe ervaringen en het feit dat men in mindere mate ten prooi is gevallen aan de rigide ideologische verplichtingen die de dogmatici in de VS en hun Europese volgelingen in bedwang houden. Deze observatie worden regelmatig onder woorden gebracht door vooraanstaande figuren. Een schrijnend voorbeeld hiervan is wat de rector van de Jezuïtische Universiteit van El Salvador, Vader Ignacio Ellacuría, schreef in een Latijnsamerikaans kerkelijk tijdschrift in november 1989. Ondanks alle misstanden heeft “Cuba van alle landen van Latijns-Amerika de beste resultaten geboekt als het gaat om de bevrediging van basisbehoeften in een relatief korte tijd,” terwijl “de huidige situatie in Latijns-Amerika op profetische wijze de intrinsieke kwaadaardigheid van het kapitalistische systeem aantoont en tevens de ideologische leugenachtigheid van de schijndemocratie die er mee samengaat, die dit systeem zowel legitimeert als ook verhult.”

Voor het verwoorden van dergelijke gedachten werd hij door de VS getrainde elitetroepen vermoord en vervolgens met een doodskleed van stilzwijgen toegedekt door diegenen in de VS die grote verontwaardiging veinsden.19

Net zoals in talrijke andere gevallen zijn het niet de misdaden van Castro waar de heersers van het westelijk halfrond zich zo druk over maken, dezelfde heersers die tegelijkertijd met veel plezier de Soeharto’s en Saddam Hoessein’s en de Gramajo’s ondersteunen, of de andere kant uitkijken zolang ze “hun belangrijkste taken maar niet verzuimen.” Het zijn vooral de successen die angst en woede losmaken en gevoelens van wraak oproepen, een feit dat door de ideologen verdonkeremaand dient te worden – geen eenvoudige taak, als men beziet hoe overweldigend het bewijs is dat dit elementaire basisprincipe van de intellectuele cultuur nog springlevend is.

In de jaren 80 breidden de VS hun economische oorlogvoering uit: industriële producten die enig Cubaans nikkel (een belangrijk Cubaans exportproduct) bevatten, werden geweerd. Zij die nog niet ten prooi zijn gevallen aan politieke Alzheimer kunnen zich misschien nog herinneren dat het Amerikaanse ministerie van Financiën in april 1988 de import van Nicaraguaanse koffie dat in een derde land was verwerkt verbood, als het niet “voldoende van gedaante was veranderd en haar Nicaraguaanse identiteit had verloren.” Een redacteur van de Boston Globe merkte op dat hem dit deed herinneren aan het taalgebruik van de Nazi’s. De VS verboden een Zweeds bedrijf in medische apparatuur om apparatuur te leveren aan Cuba, omdat het een component bevatte die in de VS was vervaardigd. De voormalige Sovjet-Unie kreeg alleen hulp op voorwaarde zij de hulp aan Cuba zou opschorten. De aankondiging van Gorbatsjov dat hij een einde zou maken aan deze hulp werd begroet met koppen als spandoeken: “Baker begroet stap,” “Russen nemen obstakel weg voor Amerikaanse economische hulp,” “De connectie Cuba-Sovjet-Unie: 31 jaar lang een doorn in het oog van de VS.” Eindelijk zal er een einde komen aan dit grievende onrecht dat ons wordt aangedaan.

Begin 1991 hervatten de VS haar militaire activiteiten in het Caraïbische gebied en werd er onder andere een invasie in Cuba geoefend, een standaard intimidatie techniek. Halverwege 1991 werd het embargo nog strenger en werd onder andere het overmaken van geld door Cubanen die in de VS wonen naar Cuba aan banden gelegd. In april 1992, in aanloop naar de verkiezingen, kregen schepen die op weg waren naar Cuba van president Bush geen toestemming meer om Amerikaanse havens aan te doen. Liberale leden van het congres dienden wetsvoorstellen in waardoor het mogelijk moest worden het embargo naar Amerikaanse dochtermaatschappijen in het buitenland uit te breiden en waardoor het zelfs mogelijk werd om de lading van schepen die Cuba hadden aangedaan in beslag te nemen zodra ze de territoriale wateren van de VS binnenvoeren. De felheid van de haat jegens de Cubaanse onafhankelijkheid is extreem en binnen het nauwe politieke spectrum verschilt men nauwelijks van mening.20

Er is nooit moeite gedaan om te verhullen dat met het verdwijnen van de afschrikking van de Sovjet-Unie (zoals een eeuw eerder met het verwijderen van de Britse afschrikking) en met het verslappen van de economische relaties tussen Cuba en het Oostblok het voor Washington alleen maar makkelijker is geworden om de langlopende rekening met Cuba te vereffenen, onder andere door middel van economische oorlogsvoering. Oprechtheid is in dit geval geen enkel probleem: alleen de meest kwaadaardige anti-Amerikaan, zou ons het recht willen ontzeggen om te doen zoals wij goeddunken. Stel dat we het bijvoorbeeld nodig zouden vinden om een land dat zich niet kan verdedigen, binnen te vallen om een van onze eigen agenten, die niet langer onze bevelen opvolgt, gevangen te nemen en hem vervolgens te veroordelen voor misdaden die hij beging toen wij nog zijn salaris betaalden. Wie zou op grond hiervan vraagtekens plaatsen bij de superioriteit van ons rechtssysteem?* Het is waar dat de VN dat heeft gedaan, maar tegen dat soort kinderachtig gedoe kunnen we dan nog altijd gebruik maken van ons vetorecht. Het recht om verdachte misdadigers te ontvoeren en ze te berechten in de VS, is zelfs door de Hoge Raad bevestigd. Wij hebben gelukkig geen last van de gewetensnood waarin Hitler verkeerde toen hij een Duitse emigrant, die in 1937 door de gangsters van Himmler uit Zwitserland was ontvoerd, moest laten terugkeren na protest van de Zwitserse regering die zich beriep op het internationaal recht.21

In een typisch commentaar over Cuba’s hoopgevende toekomst beklemtoonden de redacteuren van de Washington Post dat de VS van de gelegenheid gebruik moeten maken om Castro te verpletteren: “Als zijn grote tegenstander, de Verenigde Staten, nog langer respijt en daarmee legitimiteit geeft aan deze achterhaalde relikwie dan zouden de VS daarmee niet alleen hun vertrouwen in het Cubaanse volk opzeggen maar tevens in alle andere democratieën van dit werelddeel.” Op grond van dezelfde logica riepen de redacteuren de VS op om Nicaragua net zolang onder druk te zetten tot het weer deel uitmaakte van de “Middenamerikaanse gang van zaken,” zoals die gangbaar is in het door terreur geteisterde Guatemala en El Salvador, landen die zich houden aan de bewonderenswaardige “regionale normen.” Diezelfde redacteuren dreven de spot met Gorbatsjov’s “glasnost” omdat hij de VS nog steeds niet de vrije hand had gegeven om haar doelen te bereiken op een wijze die door het Internationaal Gerechtshof in Den Haag was veroordeeld*( (een uitspraak waarmee het Gerechtshof zichzelf volgens de media en linkse commentatoren te schande had gemaakt).

De Washington Post spreekt op dezelfde manier uit naam van het Cubaanse volk als het ministerie van Buitenlandse Zaken deed in de periode Eisenhouwer-Kennedy en als president McKinley aan het einde van de 19e eeuw deed uit naam van de “overgrote meerderheid van de bevolking” van de Filippijnen, die “ons gezag toejuichen” en die hij “beschermde … tegen de sluwe minderheid,” door ze met honderdduizenden tegelijk af te slachten; net zoals de ‘onderkoning’ Leonard Wood deed uit naam van de fatsoenlijke mensen van Cuba (d.w.z., rijke Europeanen), die de voorkeur gaven aan Amerikaanse overheersing dan wel annexatie, en die moesten worden beschermd tegen de “dégénérés”.22 De VS hebben het altijd goed voorgehad met de slachtoffers der aarde, die moeten worden beschermd tegen de intriges van de kwaadaardigen. En als het om de gevoelens voor democratie van de Washington Post gaat: daar loopt men niet mee te koop, bescheidenheid siert de krant. Voor haar’s gelijken binnen de media geldt hetzelfde.

Zoals uit de geschiedenis met Cuba duidelijk blijkt, is de Koude Oorlog niet meer dan een voorwendsel om te verhullen dat onafhankelijkheid in de Derde Wereld, ongeacht de politieke overtuiging die aan het onafhankelijkheids streven ten grondslag ligt, in geen enkel geval wordt getolereerd. Vanuit het politieke midden wordt het traditionele beleid niet aan de orde gesteld of uitgedaagd. De meest voor de hand liggende vragen zijn taboe verklaard, als men al in staat is om ze te stellen. We kunnen er dus op rekenen dat de gebruikelijke pogingen zullen doorgaan om er voor te zorgen dat de “rijpe vrucht” in handen van de rechtmatige eigenaren zal vallen, of anders dat hij met geweld van de boom geplukt zal worden.

De voorzichtige variant van het beleid bestaat uit het verder aanhalen van de wurggreep, waarbij teruggegrepen zal worden op economische en ideologische oorlogvoering om de bevolking te bestraffen terwijl anderen op niet mis te verstane wijze duidelijk wordt gemaakt niet tussenbeide te komen. Te verwachten valt dat als het lijden van de bevolking toeneemt, dat dan ook de protesten, repressie en onrusten verder zullen toenemen. Enzovoorts, een voorspelbare spiraal. Op een bepaald moment zal het interne verval dusdanige proporties hebben aangenomen dat de mariniers kostenvrij kunnen binnenvallen om het eiland weer te “bevrijden” en de oude orde in ere te herstellen. Onderwijl zullen de gelovigen odes brengen aan onze grootse leiders en hun rechtschapenheid. Tactische overwegingen op de korte termijn kunnen het proces versnellen, als er behoefte is om de chauvinistische sentimenten aan te zwengelen. Maar het is uiterst onwaarschijnlijk dat Washington een ander beleid zal voeren dan zoals uitgestippeld in de Nationale Veiligheidspolitiek (National Security Policy Review) van de regering Bush: “vijanden die veel zwakker zijn” moeten “beslissend en snel” worden verslagen, omdat de “politieke steun”, bedoeld wordt de steun vanuit de bevolking, zo gering is (zie hoofdstuk 3).

Voetnoten

* Jefferson was de belangrijkste schrijver van de onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten en de derde president van 1801 tot 1809. Noot vertalers.

* Bij het ontstaan van de VS kwamen afgevaardigden van 13 Brits kolonies in Amerika samen in het Continental Congress (1774-1789) om zich te verzetten tegen de Britse overheersing. N.v.

* De liberalen uit de Kennedy-regering, n.v.

* Het is nu bekend dat de Cubanen inderdaad hun vinger al op de knop hadden. Dit werd bekend in oktober 2002 toen in Havana op de 40ste verjaardag van de Cubaanse rakettencrisis een top werd gehouden met betrokken sleutelfiguren uit Rusland, de VS en Cuba. Hier kwam tevens aan het licht dat ook Russische onderzeeboten nucleaire torpedo’s aan boord hadden. Hoe dicht de wereld bij een nucleaire vernietiging heeft gezeten werd beangstigend duidelijk. Er heeft een incident plaats gehad toen een Russische onderzeeër werd aangevallen met dieptebommen, waarbij de tweede kapitein Vasily Archipov zijn commandant wist tegen te houden af te vuren. Het is vrijwel zeker dat zonder het optreden van Archipov er een nucleaire escalatie niet tegen te houden zou zijn geweest. Zie voor meer over deze top de National Security Archive. N.v.

* Na een conflict met de Peruaanse regering over Cubaanse asielzoekers werd door Castro de bewaking van de Peruaanse ambassade teruggetrokken, met als gevolg dat meer dan 10.000 Cubanen daar hun toevlucht zochten voor politiek asiel. Na demonstraties van Cubaans-Amerikanen stelde Castro de Cubaanse haven Mariel open voor Cubaans-Amerikanen om hun familie te komen ophalen. Hierop volgde een schijnbaar eindeloze vloed aan schepen door de Straat van Florida, waardoor meer dan 100.000 Cubanen het eiland verlieten. Later kwam de klacht dat Castro hiervan misbruik had gemaakt om af te komen van tegenstanders van het regime en criminelen. N.v.

* Met name de Unita van Jonas Savimbi. N.v.

* Door de Amerikaanse minister van Oorlog opgestelde wet die ondanks verzet van de Cubanen werd opgenomen in hun grondwet en van kracht bleef tot 1934. N.v.

* December 1989 vielen de Verenigde Staten met 26.000 soldaten Panama binnen om president Noriega gevangen te nemen. N.v.

* In 1986 werden de VS veroordeeld voor “het onrechtmatig gebruik van geweld”, dat wil zeggen internationaal terrorisme, tegen Nicaragua. N.v.

Hyper-noten

1  
Jennings, "The Indians' Revolution"; Berlin, "The revolution in black life"; beiden in Young, American Revolution. Morris, American Revolution, 72. Higginbotham, In the Matter of Color. Hamilton, geciteerd door Vine Deloria, in Lobel, Less than Perfect. Zie referenties bij noot 32, hfdst. 1.
2  
Gleijeses, "The Limits of Sympathy: the United States and the Independence of Spanish America," ms., Johns Hopkins, 1991.
3  
Lawrence Kaplan, Diplomatic History, Zomer 1992; zie hfdst. 1.2.
4  
Zie Bernal, Black Athena.
5  
North American Review, 12 april 1821, geciteerd door Gleijeses. Crossette, NYT, 18 januari; Stephen Fidler, FT, 29 januari 1992.
6  
Jefferson geciteerd door Alstyne, Rising American Empire, 81.
7  
Gleijeses, "Limits of Sympathy." Drinnon, White Savage, 158. Ook On Power and Ideology (PI), 12f., 71f., en de daar geciteerde bronnen.
8  
Idem.
9  
Green, Containment, 13-18. Over het Goede Buurbeleid en de achtergronden, zie LaFeber, Inevitable Revolutions; Krenn, US Policy. Zie ook Salisbury, Anti-Imperialism.
10  
Benjamin, US and Origins, 186ff. Paterson, in Paterson, Kennedy's Quest; Quote van Mexicaanse diplomaat in Leacock, Requiem, 33.
11  
Necessary Illusions (NI), 177, 101. Shirley Christian, NYT, 4 september 1992.
12  
"Patriotic America," 1903; Zwick, Mark Twain's Weapons, 161.
13  
Envío, Jesuit Central American University (UCA), Managua, januari-februari 1992; NI, 176f., 67-8; PI. 22f.
14  
Voor een overzicht van de terroristische operaties, zie Blum, CIA. Nixon, Garthoff, Détente, 76n. Zie McClintock, Instruments, voor een hedendaagse discussie, waaronder interview met Gilpatric. Ook Garthoff, Reflections en Smith, Closest of Enemies, voor verhalen van goed-geïnformeerde Amerikaanse regeringsbronnen.
15  
Paterson, op. cit.; Martin Tolchin, NYT, 15 januari 1992. Garthoff, Reflections, 17.
16  
Over de discipline binnen de wetenschap, zie onder meer, NI, App. V.2 (over Walter Laqueur), en verschillende artikelen in George, Western. NYT redactioneel, 8 september 1991. French, NYT, 19 april; Constable, BG, 15 juli, 26 oktober; Krauss, NYT Book Review, 30 augustus 1992. Zie hfdst. 3.5.
17  
Zie Deterring Democracy (DD), 280-1.
18  
Voor een met name schandalig voorbeeld hiervan, zie NI, App. I.1. Over het algemene patroon, zie Political Economy of Human Rights (PEHR), Manufacturing Consent (MC), en een flinke hoeveelheid andere literatuur. Over de verslaggeving over Cuba, zie Platt, Tropical Gulag.
19  
Envío, op. cit.; Stavrianos, Global Rift, 747; Latinamerica press, 5 april 1990; Morris Morley en Chris McGillion, Sydney Morning Herald, 7 januari 1992. Ellacuría, "Utopia and Prophecy in Latin America" (1989), in Hassett & Lacey, Towards a Society.
20  
Smith, Closest of Enemies; Gillian Gunn, Current History, februari 1992. Thomas Friedman, NYT, 12 september 1991. Michael Kranish, BG, 19 april; NYT, 19 april 1992. Nicaraguan coffee, NI, 98.
21  
Detlev Vagts, "Reconsidering the Invasion of Panama," Reconstruction, vol. 1.2, 1990. Zie Deterring Democracy (DD), hfdst. 5.
22  
WP weekly, 20-26 januari 1992; Washington Post, zie DD, 103, 141; NI, voor een uitgebreid overzicht van de dogma’s van de New York Times en de Washington Post. Benjamin, US and Origins, 59; PI, 72.


Met dank aan Noam Chomsky.

Inhoud
Bibliografie en Afkortingen
NoamChomsky.com
Noam Chomsky Archive




Terug