De Vloek van Columbus

Van Kolonialisme tot de Nieuwe Wereldorde

Het Jaar 501, De Verovering Gaat Door
Noam Chomsky, Copyright © 1993

Vertaling van 'Year 501: The Conquest Continues' van Noam Chomsky
Dit deel verscheen als bijlage bij Extra! nr. 16, 7 febr 2003
(de hoofdstukken 1-4 verschenen in eerdere bijlagen bij Extra!)

Hoofdstuk 5: Mensenrechten: De Pragmatische Benadering

1. Het Schenden van de Werkelijkheid
2. Het Indonesische vraagstuk
3. Een Lichtpuntje in Azië
4. Het boek kan gesloten worden

1. Het Schenden van de Werkelijkheid

Naast de Democratie en de Vrije Markt dragen wij uiteraard ook de Mensenrechten torenhoog in het vaandel. Onder president Carter werden zij zelfs verheven tot “de Ziel van ons buitenlandse beleid.” Het kan haast geen toeval meer zijn dat dit precies samenviel met de alom gevoelde afschuw over het misdadige buitenlandse beleid waardoor de bevolking zich steeds meer begon te roeren.

Men ontkent natuurlijk niet dat er wel eens wat mis gaat tijdens onze inspanningen voor een rechtvaardiger wereld. Vaak schieten we te veel door, omdat “we ons buitenlands beleid vrijwel geheel laten bepalen door idealisme,” waarschuwen de intellectuelen in de media ons, in navolging van hoge regeringsfunctionarissen. Door deze nobele houding zijn we in het nadeel ten opzichte van de “woeste wilden”, voor wie rechter John Marshall al waarschuwde [zie hoofdstuk 1]. Dit is een probleem waarmee Europa gedurende haar gehele geschiedenis van “ontmoetingen” met andere beschavingen heeft geworsteld. De Koreaanse oorlog wierp “serieuze vragen op over hoe het zachtaardige, humanitaire Westen zich kon meten met dergelijke mensen,” aldus Maxwell Taylor, topadviseur van president Kennedy, zoals bijvoorbeeld met de “meedogenloze” Aziatische leiders. Deze “onaangename gedachten over de toekomst van de rol van het Westen in Azië” zijn eveneens terug te vinden bij vooraanstaande liberale critici bij de escalatie van de Vietnamoorlog. De “armen in Azië” passen de “strategie van de zwakken” toe, waarbij ze ons uitdagen om onze “strategische logica tot haar uiterste consequentie door te voeren, hetgeen op genocide neerkomt.” Maar wij willen onszelf “niet vernietigen … door ons eigen waardesysteem te verloochenen” Als zachtaardige filantropen vinden we “genocide een ondraaglijke last” (William Pfaff, Townsend Hoopes). Strategisch analist Albert Wohlstetter legt uit dat “de Vietnamesen de verliezen die wij hun toebrachten gemakkelijker konden dragen dan wij ze konden toebrengen.” We zijn eenvoudigweg te nobel voor deze wrede wereld.

Het dilemma waar we voor staan heeft de diepzinnigste denkers beziggehouden. Hegel verwonderde zich over de “minachting voor het mens-zijn waar de Negers blijk van gaven”, (…) daar “ze toestaan dat ze met duizenden tegelijk worden neergeschoten tijdens de oorlogen met de Europeanen. Het leven is slechts waardevol, wanneer het iets waardevol ten doel heeft,” een gedachte die te hoog gegrepen is voor deze wezens die volgens Hegel “slechts dingen” zijn. Doordat zij niet bij machte zijn om onze verheven waarden te bevatten, brengen de wilden ons in verwarring in ons streven naar rechtvaardigheid en deugdzaamheid.1

Het leven van de rechtvaardigen gaat niet over rozen.

Er zijn verschillende manieren om deze stellingen, die zo zelfverzekerd worden verkondigd, te testen. Je zou bijvoorbeeld de samenhang tussen Amerikaanse buitenlandse hulp en de situatie van de mensenrechten kunnen onderzoeken. Dit is onder andere gedaan door Lars Schoultz, een vooraanstaand wetenschapper op het gebied van de mensenrechten in Latijns-Amerika. Hij ontdekte dat Amerikaanse hulp “disproportioneel naar Latijnsamerikaanse regeringen gaat die hun burgers martelen, … naar de relatief grootste schenders van fundamentele mensenrechten van dit werelddeel.” Deze hulp, waaronder ook militaire hulp, houdt geen verband met behoefte. Ook onder Carter, toen er tenminste enige aandacht werd geschonken aan mensenrechten, is dit verband te vinden. Een breder opgezet onderzoek door Edward Herman toont dezelfde samenhang wereldwijd. Herman voerde nog een ander onderzoek uit dat inzicht verschaft in de achterliggende redenen. Hulp hangt nauw samen met een verbetering van het investeringsklimaat, een resultaat dat in het algemeen wordt bereikt door het vermoorden van priesters en vakbondsleiders, het massaal afslachten van boeren die zich proberen te organiseren, het met geweld onderdrukken van onafhankelijke media, enzovoorts. Dat verklaart de secundaire (afgeleide) samenhang tussen hulp en het op grote schaal schenden van de mensenrechten. Deze studies zijn uitgevoerd voor het tijdperk Reagan toen deze verbanden zonneklaar waren.

Een andere aanpak is om te onderzoeken wat de relatie is tussen de bron van de gruweldaden en de reactie erop. Ook daar is uitgebreid onderzoek naar gedaan en wederom met duidelijke en consistente resultaten: de gruweldaden van de officiële vijanden leiden tot existentiële angst en verontwaardiging, uitgebreide verslaggeving en vaak ook nog tot schaamteloze leugens om de vijand nog erger af te schilderen dan hij al is. De reacties zijn precies omgekeerd wanneer de verantwoordelijkheid wat dichter bij huis ligt. (Gruweldaden die niet van belang zijn voor de binnenlandse machtsbelangen worden over het algemeen genegeerd.) Zonder onderzoek te doen weten we dat voor stalinistisch Rusland en Nazi-Duitsland precies hetzelfde gold. Het belang van deze bevinding wordt nog versterkt door het gegeven dat op basis van elementaire morele principes misstanden juist dan onze aandacht verdienen als we er zelf iets aan kunnen doen. En dat zijn in eerste instantie onze eigen misdaden en die van onze bondgenoten. Overheidsdienaren van allerlei politieke snit trachten dit gegeven waar mogelijk te verdonkeremanen, en onze aandacht te sturen in de richting van anderen.

Er zijn ook een groot aantal case-studies verricht waaruit blijkt dat er een nauw verband bestaat tussen het gevoerde buitenlandse beleid en het standpunt van George Kennan over “onrealistische doelstellingen zoals mensenrechten” wanneer rijkdom en macht in gevaar komen.2 >

Dit soort feiten heeft geen enkel effect op de Hogere Waarheden. Al is ook dat logisch. Net zoals in het geval van Democratie en de Vrije Markt houdt de feitelijke geschiedenis zich slechts bezig met Hegel’s “negatieve, waardeloze bestaan” en niet met “God’s plan” en “het zuivere licht van dit Goddelijke Idee.” Deze ideeën worden soms ook door hedendaagse wetenschappers onder woorden gebracht. Bijvoorbeeld door Hans Morgenthau, de grondlegger van de realistische school. Hij benadrukte dat het aanhalen van de feitelijke geschiedenis neerkomt op “het verwarren van het schenden van de werkelijkheid met de werkelijkheid zelf.” Hierbij is de ‘werkelijkheid zelf’ het “transcendente doel” van het land, en dit doel is inderdaad nobel; het schenden van de werkelijkheid is dan de irrelevante, feitelijke geschiedenis. 3

Het is misleidend wanneer de geschiedschrijving zich zou beperken tot het documenteren van onze steun voor afschuwelijke misdaden en niet tevens zou laten zien dat ze op een warm onthaal kunnen rekenen wanneer deze misdaden als een bijdrage aan de goede zaak worden beschouwd. Dit is namelijk een van de belangrijkste karakteristieken van de 500-jarige verovering. De reacties op de door de VS geregisseerde gruwelen in Midden-Amerika in de jaren 80 zijn hiervan een goed en uitgebreid onderzocht voorbeeld. Als voorbeeld van hoe stevig deze zuil van de traditionele cultuur nog overeind staat, is het leerzaam om te kijken hoe het de eerste Europese kolonie in Azië, namelijk Nederlands-Indië, is vergaan in het huidige tijdperk van Amerikaanse globale dominantie.


2. Het Indonesische Vraagstuk

Kennan schreef in 1948; “Het Indonesische vraagstuk” is “op dit moment verreweg het belangrijkste in onze strijd tegen het Kremlin”. "Aangezien Indonesië de belangrijkste schakel is in de keten van eilanden die zich uitstrekt van Hokkaido tot Sumatra zullen we het moeten ontwikkelen tot een politiek en economisch bolwerk tegen het communisme en tot “een regio met militaire bases “van waaruit we eventueel verdere militaire actie kunnen ondernemen. Hij waarschuwde dat in geval van een communistische machtsovername in Indonesië het communisme zich als een “besmettelijke ziekte westwaarts zal verspreiden” en geheel Zuidoost Azië zal infecteren. Indonesië, met zijn grote rijkdom aan grondstoffen, moest het belangrijkste onderdeel worden van het "op het Zuiden gerichte Imperium" dat de VS voor Japan in ere wilden herstellen, maar nu binnen een door de VS gedomineerd wereldomvattend systeem.

Volgens de heersende denkwijze zou de opkomst van "extreem nationalisme" in Indonesië verhinderen dat Zuidoost Azië "haar belangrijkste functie kan vervullen," namelijk die van wingebied voor de belangrijkste industriële mogendheden. Dus drong de VS er bij de toenmalige Nederlandse heersers op aan Indonesië haar onafhankelijkheid te schenken maar dan wel onder Nederlandse voogdij. Deze uitkomst was niet alleen doorslaggevend voor het "economische herstel van West-Europa en voor de strategische belangen van de VS” (Leffler), maar ook voor de wederopbouw van Japan. De buitenlandse politiek van de VS wordt in hoge mate bepaald door een principiële afkeer van onafhankelijke nationalistische bewegingen. Deze afkeer speelde in het geval van Indonesië een zeer belangrijke rol. 4

Nadat de Nederlanders uit Indonesië waren vertrokken, nam de nationalistische leider Soekarno de macht over. Aanvankelijk werd Soekarno door de VS getolereerd, vooral nadat hij een door de Indonesische communistische partij (PKI) gesteunde volksbeweging voor landhervormingen in de regio Madiun in 1948 de kop had ingedrukt. Hierbij kwam zo ongeveer het voltallige partijkader om het leven en belandden 36.000 mensen in de gevangenis. Maar al spoedig bleek Soekarno’s nationalistische en neutralistische koers volslagen onacceptabel.

Het leger en de PKI, de enige politieke kracht die brede steun onder de bevolking genoot, waren de twee belangrijkste machtscentra in Indonesië. Soekarno moest een evenwicht zien te handhaven tussen deze twee krachten. Aangezien de Westerse doelstellingen voor een groot deel overeenkwamen met die van het leger gold deze als gematigd. Om deze doelstellingen te realiseren was het noodzakelijk de anti-Amerikaanse extremisten te bedwingen. Omdat alle tot dan toe gebruikte methoden hadden gefaald nam men uiteindelijk zijn toevlucht tot massamoord.

In het begin van de jaren 50 hielp de CIA in het geheim rechtse partijen en in 1957 en 1958 waren de VS betrokken bij een gewapende opstand tegen Soekarno waarbij waarschijnlijk pogingen zijn gedaan hem uit de weg te ruimen. Nadat dit op een mislukking was uitgelopen en de opstanden waren neergeslagen namen de VS hun toevlucht tot militaire training en hulpprogramma’s en werd tegelijkertijd de economische hulp teruggedraaid. Dit is een beproefde methode in de aanloop naar een militaire coup. Deze methode zou enkele jaren later ook in Chili worden gevolgd. In Iran probeerde men hetzelfde door, kort nadat Khomeini de macht had gegrepen, via Israël wapens te leveren – een van de vele cruciale aspecten van het Iran-contra schandaal die door de media, met gewillige medewerking van universiteiten en het bedrijfsleven, zijn verzwegen. 5

In een door de universiteit van Princeton gepubliceerde RAND-studie dringt Guy Pauker, die via de CIA en RAND nauw betrokken was bij het vormgeven van het buitenlandse beleid van de VS, er bij zijn contacten binnen het Indonesische leger op aan om de “volledige verantwoordelijkheid te nemen” voor hun land, om “een missie te volbrengen” en “om hun huis aan kant te maken”. In 1963 waarschuwde William Kintner, voormalig stafofficier van de CIA en toentertijd werkzaam aan een door de CIA gesubsidieerd onderzoeksinstituut van de Universiteit van Pennsylvania, dat "als de PKI in staat is haar legale status te behouden en de invloed van de Sovjet Unie blijft groeien, de kans bestaat dat Indonesië het eerste Zuidaziatische land wordt dat zal worden geregeerd door een door de bevolking gesteunde en op legale wijze gekozen communistische regering... Ondertussen moeten de vrije Aziatische politieke leiders in samenwerking met de militairen en met hulp van het Westen niet slechts trachten zich staande te houden, maar dienen zij ook een ander beleid te voeren en zich actiever op te stellen door het politieke en gewapende verzet van de vijand te liquideren." Men was er echter niet op gerust dat deze doelstellingen zouden worden gehaald. In een RAND memorandum uit 1964 uitte Pauker zijn vrees dat de door de VS gesteunde groepen "waarschijnlijk de meedogenloosheid ontberen die de Nazi’s in staat stelde de Duitse communistische partij te elimineren... [Deze rechtse en militaire elementen] zijn zwakker dan de Nazi’s, niet alleen getalsmatig en voor wat betreft de steun vanuit de bevolking, maar ook qua eensgezindheid, discipline en leiderschap."

Pauker's pessimisme bleek ongefundeerd. Na een aan de communisten toegeschreven couppoging, op 30 september 1965 en de moord op zes Indonesische generaals nam generaal Soeharto de macht over en begon hij een bloedbad waarbij honderdduizenden mensen, voornamelijk landloze boeren, werden afgeslacht. Toen Pauker in 1969 terugkeek op deze episode constateerde hij dat de moord op de generaals “de meedogenloosheid had bewerkstelligd die [hij] een jaar daarvoor nog voor onwaarschijnlijk had gehouden en die had geleid tot de dood van een groot aantal communistische kaders."

De omvang van de slachting is onbekend. De CIA schat dat er 250.000 mensen zijn gedood. Het hoofd van de Indonesische staatsveiligheidsdienst schatte het aantal slachtoffers later op meer dan een half miljoen en volgens Amnesty International waren er “veel meer dan een miljoen" mensen omgekomen. Er was hoe dan ook sprake van een ongelofelijke slachtpartij. Volgens officiële cijfers werden nog eens 750.000 mensen gearresteerd. Velen van hen werden jarenlang en zonder vorm van proces onder mensonterende omstandigheden gevangen gehouden. President Soekarno werd afgezet en het leger regeerde zonder oppositie. Tegelijkertijd gingen de grenzen open voor Westerse bedrijven die slechts werden gehinderd door de roofzucht van de machthebbers.

Welke rol de VS in deze gebeurtenissen speelde is onduidelijk. Dit heeft onder andere te maken met het feit dat de beschikbare archieven incompleet zijn. Gabriel Kolko stelt vast dat "de VS-documenten die betrekking hebben op de drie maanden die vooraf gingen aan 30 september 1965, en die betrekking hebben op de schimmige achtergronden en intriges, niet zijn vrijgegeven voor openbaar onderzoek. Zeker niet documenten over de rol van de ambassade en de CIA. Aangezien er wel gedetailleerde bronnen beschikbaar zijn over de periode voor en na de periode juli-september 1965, kan men gevoeglijk aannemen dat het vrijgeven van deze documenten de regering van de VS in verlegenheid zou brengen." Ex-CIA officier Ralph McGehee zegt dat hij op de hoogte is van een zeer geheim CIA-rapport over de rol van de CIA in het aanzetten tot de vernietiging van de PKI. Hij schrijft de slachtpartij toe aan de "C.I.A. [een woord weggelaten] operatie." Het woord is op bevel van de CIA weggelaten. Peter Dale Scott, die de meest zorgvuldige poging heeft gedaan om de gebeurtenissen te reconstrueren, vermoed dat het weggelaten woord "misleiding" is. “Misleiding” maakt deel uit van de propaganda-technieken van de CIA waarmee zij, in de ongecensureerde woorden van McGehee, "de juiste omstandigheden creëert", voor deze en andere massamoorden (hij noemt ook Chili). McGehee doelde in het bijzonder op het verzinnen van gruweldaden door de CIA om zo de weg vrij te maken voor een gewelddadig optreden tegen de PKI. 6

Het leidt geen twijfel dat Washington op de hoogte was van de slachtpartij en deze goedkeurde. Minister van Buitenlandse Zaken Dean Rusk berichtte Ambassadeur Marshall Green op 29 oktober dat de door het leger gecoördineerde "campagne tegen de PKI" door moet gaan aangezien het leger de enige "macht in Indonesië is die in staat is om orde op zaken te stellen in Indonesië" en hier naar moet blijven streven door middel van een door de VS gesteunde "grootschalige militaire campagne tegen de PKI." De VS reageerde snel door het sturen van militaire hulp aan het leger. De details van deze hulp zijn echter nooit openbaar gemaakt. Enkele door de ambassade in Jakarta op 30 Oktober en 4 november verstuurde telegrammen wijzen erop dat het leveren van communicatieapparatuur werd versneld en dat de verkoop van vliegtuigen werd goedgekeurd terwijl de vice-ambassadeur constateerde dat "de ambassade en de regering van de VS in het algemeen sympathie en bewondering hadden voor de acties van het leger." 7

Duidelijkheidshalve moeten we hier verschillende zaken onderscheiden. Aan de ene kant zijn er vragen van historische aard. Wat gebeurde er in Indonesië en Washington in 1965 en 1966? Aan de andere kant zijn er vragen van cultuurhistorische aard. Hoe reageerde de Amerikaanse regering en belangrijke binnenlandse sectoren op hetgeen zij voor de feiten aanzagen? De politieke geschiedenis is nogal diffuus. Voor wat de cultuurhistorische vragen betreft echter beschikken we over overvloedig bewijsmateriaal. De culturele geschiedenis is met het oog op de eventuele gevolgen voor de lange termijn veruit het interessantst. Uit de huidige reacties kunnen we namelijk lering trekken voor de toekomst.

Dat Washington sympathiek stond tegenover "hetgeen het leger uitvoerde" is nauwelijks omstreden. Een analyse door H.W. Brands is in dit verband van bijzonder belang. 8 Van alle auteurs over dit onderwerp is hij de meest sceptische als het gaat om de rol van de VS. Deze rol is volgens hem die van een verwarde waarnemer met "slechts een gering vermogen om een zeer gevaarlijke situatie ten goede te keren." Maar hij laat er geen twijfel over bestaan dat Washington, met het voortduren van de slachtpartij, steeds meer ging geloven in een wending "ten goede".

Volgens Brands’s reconstructie van de gebeurtenissen was de VS vanaf begin 1964 betrokken bij "stille pogingen om het leger aan te moedigen actie te ondernemen tegen de PKI." Mocht, zoals verwacht, een conflict uitbreken dan zou “het leger weten dat het vrienden heeft in Washington." Volgens minister van Buitenlandse Zaken Dean Rusk was het doel van de continue bemoeienis met het Indonesische volk en de programma’s voor militaire trainingen "het versterken van de anticommunistische elementen in Indonesië met het oog op het huidige en toekomstige conflict met de PKI." Opperbevelhebber Nasution, die door ambassadeur Howard Jones als "de sterkste man van het land" werd beschouwd, informeerde Jones in maart 1964 dat "als het leger nu in actie zou komen Madiun daarbij vergeleken relatief onschuldig zou zijn" (zie hiervoor).

Gedurende 1965 hield men zich in Washington vooral bezig met de vraag hoe men het Indonesische leger kon aanmoedigen actie te ondernemen tegen de PKI. De VS diplomaat Ellsworth Bunker vond dat Washington zich op de achtergrond moest houden zodat de generaals hun gang konden gaan zonder "het schrikbeeld ervan te worden beschuldigd de zijde te kiezen van de neokolonialisten en imperialisten." Buitenlandse Zaken ging hiermee akkoord. De vooruitzichten bleven echter onzeker en eind september 1965, aldus Brands, "verwachtte men in regeringskringen voorlopig weinig goed nieuws."

De aanslag op de legerleiding op 30 september kwam voor Washington dan ook als een complete verrassing concludeert Brands. De CIA wist er zo goed als niets van af. Hoewel Ambassadeur Green, de opvolger van Jones, Washington meedeelde dat hij geen enkele aanwijzing had dat de PKI er iets mee te maken had, was het officiële verhaal toen, en sindsdien, dat het een "communistische couppoging was."

Het "goede nieuws" liet niet lang op zich wachten. Volgens Brands "kregen VS-functionarissen al snel door dat de situatie in Indonesië drastisch, en vanuit hun perspectief, ten goede veranderde.” "Toen bekend werd dat er een aanvang was genomen met het zuiveren van het platteland van de PKI, was de grootste zorg van Amerikaanse regeringsfunctionarissen in Jakarta en Washington dat het leger haar kans niet zou grijpen.” Toen het leger inderdaad leek te aarzelen zocht Washington naar mogelijkheden "om de officieren aan te sporen" door te gaan. Green deed de aanbeveling om in het geheim "het verhaal te verspreiden van de schuld, het verraad en de wreedheid van de PKI," hoewel hij geen enkel bewijs had voor betrokkenheid van de PKI. Volgens McGehee’s evaluatie van de interne CIA-documenten wierpen deze pogingen al snel vruchten af. George Ball, de belangrijkste duif binnen de regering, vond dat de VS op de achtergrond moest blijven omdat "de generaals het zonder hulp uitstekend deden" (parafrasering van Brands). Hij vond bovendien dat door de militaire hulp- en trainingsprogramma’s "het de legerleiding duidelijk zou moeten zijn dat de VS achter hen staan mocht zij hulp nodig hebben." Ball instrueerde de ambassade in Jakarta om “uiterste terughoudendheid” te betrachten “uit vrees dat onze goedbedoelde pogingen om hulp te bieden en de vastberadenheid [van het leger] te sterken wel eens in de kaart zouden kunnen spelen van Soekarno en [zijn politieke bondgenoot] Subandrio." Dean Rusk voegde hier aan toe dat "als de bereidheid van het leger om haar campagne tegen de PKI door te zetten mede afhankelijk is van de invloed van de VS we niet de gelegenheid aan ons voorbij willen laten gaan om te overwegen tot actie over te gaan."

Brands komt tot de conclusie dat de geheime hulp vanuit de VS weliswaar "de liquidatie van de PKI kan hebben vergemakkelijkt" maar dat "deze hoogstens heeft versneld wat waarschijnlijk toch wel was gebeurd, maar dan langzamer." "Wat de rol van de VS in deze ontwikkelingen ook is geweest," vervolgt hij, "de regering vond de algehele trend bemoedigend. Half december rapporteerde Ball tevreden dat de campagne van het leger om de PKI van de aardbodem te vagen ‘gladjes verloopt.’ Ongeveer tegelijkertijd verstuurde Green een bericht vanuit Jakarta: `De uitschakeling van de communisten gaat gestaag door’.” Begin februari 1966 kreeg president Johnson te horen dat er ongeveer 100.000 van hen waren vermoord. Kort daarvoor maakte de CIA bekend dat het met Soekarno was afgelopen en dat "het leger de PKI vrijwel had vernietigd."

Desalniettemin schrijft Brands dat "de regering ondanks dat goede nieuws nog steeds aarzelde zich publiekelijk voor Soeharto uit te spreken," uit angst dat de uitkomst nog steeds onzeker was. Deze twijfel was echter van korte duur. Johnson's nieuwe nationale veiligheidsadviseur Walt Rostow "vond Soeharto's `Nieuwe Orde' veelbelovend." Er werd nu openlijk hulp aan Indonesië gegeven en regeringsfunctionarissen in Washington begonnen hun eigen rol te benadrukken in de totstandkoming van het succes.

Dus volgens Brands’ skeptische opvatting "hebben de Verenigde Staten Soekarno niet ten val gebracht en waren zij niet verantwoordelijk voor de honderdduizenden doden die met het uitschakelen van de PKI gepaard gingen." Wel echter deden de VS alles wat in hun macht lag om het leger aan te moedigen de enige breed gedragen Indonesische volksbeweging te vernietigen, aarzelden zij alleen maar om directer betrokken te raken uit angst dat dit averechts zou kunnen werken, verwelkomden zij het "goede nieuws" met enthousiasme terwijl de moordpartijen in omvang toenamen en begonnen zij enthousiast de "Nieuwe Orde" te steunen die ontstond uit het bloedbad dat “de gematigden” hadden aangericht.


3. Een Lichtpuntje in Azië

In het Westen werd er opgelucht, zelfs tevreden, gereageerd. Alexis Johnson, vice-staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, vierde “het keren van het communistische tij in dat geweldige land Indonesië" als “een gebeurtenis, die samen met de Vietnamoorlog, waarschijnlijk het belangrijkste keerpunt in Azië van dit decennium vormt” (oktober 1966). Minister van Defensie Robert McNamara moest voor een senaatscommissie de vraag beantwoorden of de Amerikaanse militaire steun in de periode voor de coup “resultaat had opgeleverd.” Volgens hem was dat het geval en was de hulp daarom ook gerechtvaardigd - met als belangrijkste resultaat een enorme berg lijken. In een persoonlijk onderhoud met president Johnson in maart 1967 ging McNamara nog een stapje verder. Volgens hem had de Amerikaanse militaire steun aan het Indonesische leger “deze aangemoedigd om tegen de PKI op te treden toen het juiste moment zich voordeed.” Hij vond met name het programma op grond waarvan Indonesische militairen naar de VS werden gehaald voor training aan universiteiten waardevol. Hier leerden ze de lessen die ze op zo’n voortreffelijke wijze in de praktijk brachten. Dit waren “zeer belangrijke factoren die mede de gunstige koers van de nieuwe Indonesische politieke elite [het leger] bepaalden,” aldus McNamara. Ook een rapport van het congres kwam tot de conclusie dat de trainingen en het voortdurend overleg met legerofficieren “zeer lonend was geweest.” Ten aanzien van Latijns-Amerika hanteerde men deze manier van redeneren al veel langer en met vergelijkbare resultaten. 9

Over een breed politiek spectrum schreven commentatoren dat de Amerikaanse interventie in Vietnam deze welkome ontwikkelingen had aangemoedigd. Deze interventie was namelijk niet alleen een signaal dat de VS zich inzetten voor de anticommunistische zaak maar zij bood tevens een schild waarachter de generaals hun gang konden gaan zonder dat zij al te veel rekening hoefden te houden met Soekarno’s bondgenoot China. Een door “145 vooraanstaande Amerikanen” ondertekende verklaring van Freedom House [conservatieve Amerikaanse organisatie die, onder het mom van de wereldwijde verspreiding van vrijheid en democratie, het Amerikaanse buitenlandse beleid ondersteunt, n.v.] in november 1966 rechtvaardigde de Amerikaanse oorlog in Vietnam met het argument dat het een “een schild verschafte voor de abrupte verandering van houding van Indonesië ten aanzien van het communisme.” De verklaring plaatst geen enkele kanttekening bij het geweld dat met deze verandering gepaard ging. In een toespraak voor de troepen in november 1966 zei president Johnson dat hun optreden in Indochina de reden was dat “er vandaag in Indonesië 100 miljoen mensen zijn die een zekere mate van vrijheid genieten die ze gisteren nog niet hadden.” Dit soort reacties weerspiegelen de logica achter de Amerikaanse oorlog in Indochina. 10

In overeenstemming met zijn algehele scepticisme denkt Brand dat deze beweringen overtrokken zijn. De pogingen van McNamara “om de verantwoordelijkheid op te eisen voor de machtsovername door de generaal,” zijn volgens Brand een reactie op “het enthousiasme voor het Soeharto-regime” van president Johnson. De beloftes van de VS aan het Indonesische leger “hadden ongetwijfeld enig effect op Soeharto’s inschatting van zijn mogelijkheden,” maar niet veel, omdat deze beloftes “slechts opnieuw bevestigden dat de Verenigde Staten de voorkeur geven aan een rechts regime boven een links regime” – dus ook aan een rechts regime dat een gigantische slachting uitvoert en een terroristische “Nieuwe Orde” vestigt. De CIA betwijfelde dat “de Amerikaanse demonstratie van vastberadenheid in Vietnam direct van invloed was op de Indonesische crisis,” schreef CIA-directeur Helms aan Walt Rostow in 1966. Brands formuleerde het als volgt; de regering-Johnson was bezorgd dat Indonesië “hetzelfde lot zou ondergaan waarvan de Verenigde Staten destijds Zuid-Vietnam trachtten te redden.” Gelukkig redde Indonesië zichzelf.

Het congres heeft de slachting nooit veroordeeld en geen enkele belangrijke Amerikaanse hulporganisaties heeft hulp aangeboden. Indonesië viel weer in de gunst van de Wereldbank en werd al snel de op twee na grootste lener. Westerse regeringen en bedrijven volgden snel.

De direct betrokkenen hebben naar het schijnt het nodige opgestoken over het uitmoorden van boeren. Ambassadeur Green maakte promotie naar Buitenlandse Zaken waar hij leiding gaf aan het bombarderen van het Cambodjaanse platteland. Om slechts één van zijn wapenfeiten te noemen. Toen de bombardementen in 1973 tot een historisch ongekend niveau werden opgevoerd, waarbij tienduizenden boeren werden afgeslacht, verklaarde Green voor het congres dat het bloedbad moest worden voortgezet omdat wij vrede verlangen: onze ervaring met “die figuren in Hanoi” heeft ons geleerd dat slechts de stromen bloed van Cambodjaanse boeren hen kon dwingen aan de onderhandelingstafel plaats te nemen. De “ervaring” waar hij op doelde waren de kerstbombardementen op Hanoi in 1972. Deze dienden er toe om die figuren in Hanoi te dwingen om het met de regering-Nixon in oktober gesloten verdrag, te veranderen. Washington had direct al aangegeven dat ze zich niet aan de afspraken zou houden. Toen de bombardementen uiteindelijk wegens de hoge kosten werden gestaakt was het gestelde doel niet bereikt. Omdat de bombardementen en de opmerkelijke nasleep ervan door de Vrije Pers nooit werden onthuld, kon Green erop vertrouwen dat zijn beweringen, die ten doel hadden de massamoord in Cambodja te kunnen voortzetten, nooit als verzinsels zouden worden ontmaskerd. 11

Terug naar Indonesië. De media waren aangenaam getroffen, zelfs euforisch. Terwijl het leger de macht overnam, beschreef Max Frankel, correspondent van de New York Times, de vreugde van vertegenwoordigers van de regering-Johnson over de “indrukwekkende nieuwe mogelijkheden” in Indonesië. De “militairen toonden hun kracht” zodat “Indonesië nu kan worden gered van wat steeds meer begon te lijken op een onvermijdelijke vreedzame overname van binnenuit” – een onvoorstelbare catastrofe, aangezien de binnenlandse politiek niet door de VS werd gecontroleerd. Amerikaanse functionarissen “denken dat het leger de communisten zal uitschakelen en misschien zelfs zal vernietigen als belangrijke politieke kracht,” hetgeen “het einde zal betekenen van de communistische invloed op alle geledingen van de Indonesische maatschappij.” Daarom is er nu “hoop waar er nog maar twee weken geleden vertwijfeling was.” 12

Niet iedereen was even enthousiast over de kans om de enige door een deel van de bevolking gesteunde politieke kracht van het land uit te schakelen. De belangrijkste krant van Japan, Asahi Shimbun, riep op tot terughoudendheid: “Gezien het feit dat de communistische invloed zo diep geworteld is in de Indonesische maatschappij, zou het alleen maar tot een verslechtering van de toch al instabiele binnenlandse situatie leiden wanneer er hard tegen hen wordt opgetreden.” 13 Dit soort sombere overdenkingen waren echter zeer zeldzaam.

Halverwege 1966, toen de resultaten al lang en breed bekend waren schreef U.S. News & World Report een lang en enthousiast verhaal met de titel: “Indonesië: HOOP… WAAR HET OOIT ONDENKBAAR LEEK”. De krant bericht dat “Indonesiërs vandaag de dag vrijuit kunnen praten en discussiëren, zonder angst aangeklaagd en gevangen gezet te worden.” Dit schreef men over een totalitaire en terroristische staat in wording waar honderdduizenden in de gevangenis zitten en het bloed nog steeds vloeit. In een voorpagina-artikel bejubelde Time magazine “Het beste nieuws voor het Westen in Azië sinds jaren” met de kop “Wraak met een glimlach.” De krant wijdde 5 geschreven pagina’s en nog eens 6 pagina’s met foto’s aan het “kolkende bloedbad dat haast ongemerkt het leven kostte aan 400.000 mensen. Het aantreden van het nieuwe militaire regime is “volledig in overeenstemming met de grondwet,” verkondigde Time tevreden en het nieuwe beleid is “gebaseerd op de wet en niet op louter machtsvertoon,” aldus de “kalme doch vastberaden” leider Soeharto met zijn “haast onschuldige gezicht.” De uitschakeling van de 3 miljoen leden tellende PKI door haar “enige mogelijke rivaal,” het leger, en het uit de macht ontzetten van de “echte volksheld” Soekarno, kan eigenlijk alleen maar als een triomf voor de democratie worden beschouwd. 14

De belangrijkste politiek commentator van de New York Times, James Reston, liet zich ook niet onbetuigd en schreef een artikel met de kop “Een Lichtpuntje in Azië.” Als trouwe spreekbuis van Buitenlandse Zaken waarschuwde Reston de Amerikanen, om ondanks het slechte nieuws over Vietnam, niet de ogen te sluiten voor “de hoopgevende ontwikkelingen in Azië,” waarvan de belangrijkste “de barbaarse metamorfose van Indonesië was, waar het pro-Chinese beleid onder Soekarno werd omgebogen in het vastberaden anti-communistisch beleid onder Soeharto":

Washington is terughoudend in het opeisen van de verantwoordelijkheid voor deze verandering in het qua bevolkingsomvang zesde land ter wereld, dat bovendien ook nog één van de rijkste landen is. Maar dat betekent niet dat Washington er niets mee te maken had. Er was aanzienlijk meer contact tussen de anti-communistische krachten in dat land en ten minste één topfunctionaris in Washington voor en tijdens de Indonesische slachting dan men in het algemeen denkt. De troepen van generaal Soeharto, die regelmatig tekorten hadden aan voedsel en munitie, hebben van ons hulp gekregen via verschillende derde landen, en het is twijfelachtig dat de coup ooit zou zijn ondernomen zonder het Amerikaanse machtsvertoon in Vietnam, of zou kunnen worden volgehouden zonder de clandestiene steun die het indirect van ons kreeg.

Het achtergrondartikel over Indonesië in de New York Times van die dag bevatte nog meer positieve berichten. Met de kop “Indonesiërs Kijken Weer Amerikaanse Films,” beschrijft het “de belangrijkste openbare gebeurtenis van de laatste dagen in de Indonesische hoofdstad,” namelijk het vertonen van Amerikaanse films aan “chic geklede Indonesiërs” die “stralend uit hun dure limousines stappen.” “Een duidelijk teken dat men heeft gebroken met het anti-Amerikaanse, pro-communistische beleid van de vorige regering.” 15

Merk op dat volgens de sceptische visie van Brands en anderen, de trotse bewering van Reston dat de Amerikaanse regering de slachting en de vestiging van de “Nieuwe Orde”, terecht op haar conto kan schrijven begrijpelijk, doch overdreven was.

Het oordeel van de krantenredacties over het bloedbad was zeer to the point. De New York Times was zeer te spreken over het feit dat het Indonesische leger “de politieke tijdbom van het land, de machtige communistische partij, onschadelijk had gemaakt,” en prees de regering in Washington voor het feit dat zij zich “wijselijk op de achtergrond had gehouden tijdens de recente uitbarstingen” in plaats van dat zij deze openlijk ondersteunde en toejuichte; het idee dat Washington, of wie dan ook, had moeten protesteren en proberen om aan deze slachting een einde te maken, werd als onfatsoenlijk gezien, omdat het goed uitkwam. De redacteuren beklemtoonden dat Washington aan deze wijze koers moest vasthouden en de internationale hulp aan de “Indonesische gematigden“ die de slachting hadden uitgevoerd, moest steunen. In een redactioneel commentaar van 17 februari 1966 worden de te verwachten voordelen voor de Verenigde Staten beschreven nu de Indonesische militairen de macht hebben gegrepen en “voortgaan met de ontmanteling van alle P.K.I.-structuren.” In een vervolg hierop van 25 augustus erkende men dat er een “ontstellende massaslachting van communisten en hun aanhangers” had plaatsgevonden, met honderdduizenden doden als gevolg. Deze “situatie … roept kritische vragen op over de rol van de Verenigde Staten.” De VS hebben zich gelukkig voorbeeldig gedragen: Washington “heeft zich wijselijk niet bemoeid met de onlusten in Indonesië” en er van afgezien de “nieuwe leiders van het land publiekelijk te omhelzen,” aangezien dit “best wel eens negatieve gevolgen voor hen had kunnen hebben.” Dit is blijkbaar de enige “kritische vraag” die men kon bedenken. Een maand later beschreven de redacteuren de opluchting van Washington over het feit dat “Indonesië een verloren zaak leek maar toch weer is teruggewonnen.” De successen van de “gematigden” werden beloond “met gulle toezeggingen over het sturen van rijst, katoen en machines” en met voorbereidingen om de economische hulp te hervatten nu met de “ontstellende massaslachting” orde op zaken was gesteld. Het is voor de VS “van nationaal belang om tot een vergelijk te komen met het nieuwe regime,” om nog maar te zwijgen over winstbelang. 16

In een paar jaar tijd was men er in geslaagd de rollen volledig om te draaien. George McArthur van de Los Angeles Times, een gerespecteerde Azië-kenner schreef in 1977 dat de PKI had “geprobeerd om de macht te grijpen en daarmee het land had onderworpen aan een bloedbad.” Ofwel, doordat zij ten prooi vielen aan het leger was er weer een communistische gruweldaad aangericht. 17

In 1977 hadden de Indonesische generaals niet alleen bewezen dat ze op binnenlands gebied tot de grootste schenders van mensenrechten ter wereld behoorden, maar hadden ze ook nog de in 1975 ingezette aanval op de voormalige Portugese kolonie Oost-Timor geëscaleerd tot genocide. Nog zo’n “ontstellende massaslachting” en één die vergelijkbaar is met de gruweldaden van Pol Pot in die jaren. De aanval op Oost-Timor kreeg de onontbeerlijke steun van de Mensenrechten regering van president Carter en haar bondgenoten. Zij begrepen de betekenis van het “nationale belang” net zo goed als de redacteuren van de New York Times die, samen met hun Noord-Amerikaanse en Europese collega’s, er alles aan deden om de slachting te vergemakkelijken door de eenvoudig beschikbare feiten te verzwijgen ten gunste van de nu en dan gepubliceerde sprookjes van de Indonesische generaals en van Buitenlandse Zaken. Voor de invasie werd er in de Amerikaanse en Canadese pers behoorlijk veel aandacht besteed aan Oost-Timor. De reden hiervoor was dat men in het Westen de ineenstorting van het Portugese imperium op de voet volgde. In 1978, toen de gruweldaden, net als de Amerikaanse wapenleveranties, een hoogtepunt bereikten werd er hoegenaamd niets meer over Oost-Timor gepubliceerd. 18

De redacteuren van de Times stonden niet alleen in het bejubelen van de gematigden die het “kolkende bloedbad” hadden ontketend. “Veel westerse landen waren er op gebrand om goede betrekkingen te onderhouden met de nieuwe gematigde leider van Jakarta, Soeharto” schreef de Christian Science Monitor achteraf. De Zuidoost-Azië correspondent van de New York Times, Philip Shenon, voegde hier voorzichtig aan toe dat het met mensenrechtenschendingen onder Soeharto “wel meevalt”. De Londense Economist beschreef deze massamoordenaar en beul als “in wezen goedaardig”, daarbij ongetwijfeld denkend aan zijn liefde voor multinationals. Helaas zijn er altijd mensen die twijfelen aan zijn vriendelijke natuur: “propagandisten van de guerrilla’s ” in Oost-Timor en West Papua (Irian Jaya) bijvoorbeeld “spreken over wreedheden en martelingen door het leger.” Andere propagandisten zijn de bisschop en andere kerkelijke autoriteiten, duizenden vluchtelingen in Australië en Portugal, Westerse diplomaten, journalisten die er voor kiezen hun ogen niet te sluiten, Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties. In plaats van onverschrokken voorvechters van mensenrechten zijn zij zonder uitzondering “propagandisten” omdat zij het verkeerde verhaal vertellen. 19

In de Aziatische editie van de Wall Street Journal beschrijft Barry Wain, hoe Generaal Soeharto “onverschrokken doorging met het aanpakken van de coupplegers en het consolideren van zijn macht,” waarbij hij “krachtdadig en met beleid” te werk ging in zijn poging alle macht naar zich toe te trekken. Een paar problemen uitgezonderd “heeft hij het in de meeste opzichten zeer goed gedaan.” Een van deze problemen was de betrokkenheid van de regering bij de moord op een paar duizend vermeende criminelen tussen 1982 en 1985. Asiaweek deed een paar weken voor de lovende column van Wain verslag van alweer een slachting, dit keer op Sumatra. Gewapende troepen maakten hier een dorp met 300 inwoners met de grond gelijk, waarbij tientallen burgers werden gedood. Deze actie was onderdeel van de operatie om de rust in de provincie terug te brengen. Soeharto “zorgt voor stabiliteit,” aldus een kop in de Wall Street Journal, waarbij de term ‘stabiliteit’ in de eerder besproken Politiek Correcte betekenis van het woord is gebruikt. Het voorpagina-artikel wijdt één zin aan de gebeurtenissen van 1965: Soeharto “nam het voortouw bij het vermorzelen van de couppoging en slaagde hierin.” 20

Wanneer de slachtoffers het etiket ‘onmensen’ krijgen opgeplakt dan hoeft men zich niet te kwellen met schuldgevoel over hun uitroeiing. En zij die de uitroeiing op zich hebben genomen zijn lovenswaardige gematigden – onze Nazi’s, vrij vertaald uit Newspeak (een verwijzing naar 1984 van George Orwell, n. v.). Deze praktijk is standaard. Denk bijvoorbeeld aan de “gematigde” Generaal Gramajo (zie hoofdstuk 1), om maar iemand te noemen die in de buurt komt van Soeharto.


4. Het boek kan gesloten worden

In 1990-1991 vonden er een aantal gebeurtenissen plaats die leidden tot ongewone bezorgdheid over de door de VS gesteunde gruweldaden in Indonesië. In mei 1990 bracht de States News Service in Washington een onderzoek van Kathy Kadane naar buiten, waarin werd geconcludeerd:


De Amerikaanse regering speelde hierin een belangrijke rol doordat zij duizenden namen van leiders van de Communistische Partij aan het Indonesische leger doorspeelde. Deze spoorde de communisten op en vermoordden hen, aldus voormalige Amerikaanse diplomaten … Het Indonesische leger kreeg de beschikking over maar liefst 5000 namen en de Amerikanen streepten daarna de namen door van hen die waren gedood of gevangen genomen aldus Amerikaanse functionarissen … De lijsten waren een gedetailleerde who’s who van het leiderschap van de partij die 3 miljoen leden telde, zegt Robert Martens [functionaris van Buitenlandse Zaken]. Het ging om namen van provinciale, stedelijke en andere lokale comitéleden van de PKI en om leiders van de “massa-organisaties,” zoals de nationale vakbondsfederatie van de PKI en van vrouwen- en jongerenorganisaties.


De namen werden doorgegeven aan de militairen, die ze gebruikten als een "dodenlijst,” aldus Joseph Lazarsky, plaatsvervangend hoofd van het CIA-bureau in Jakarta in die periode. Hij voegt er aan toe dat sommigen werden vastgehouden voor ondervraging of voor “kangaroo courts” (illegale rechtbanken), omdat de Indonesiërs “niet voldoende knokploegen hadden om ze allemaal af te maken.” Kadane vermeldt dat topfunctionarissen van de Amerikaanse ambassade in interviews hebben toegegeven dat ze toestemming hebben gegeven voor het overhandigen van de namen. William Colby vergeleek de operatie met zijn eigen Phoenix-programma in Vietnam, om zich vrij te spreken van zijn eigen campagne van politieke moorden (hetgeen het Phoenix-programma wel degelijk was, ondanks al zijn ontkenningen).

“Omdat het communisten waren kon het niemand wat schelen dat ze werden afgeslacht,” zei Howard Federspiel, de toenmalige Indonesië-expert van de inlichtingendienst van Buitenlandse Zaken; “niemand maakte het wat uit.” “de lijst met namen) was een belangrijke steun voor het leger,” volgens Martens: “Ze hebben waarschijnlijk veel mensen vermoord, en ik heb waarschijnlijk veel bloed aan mijn handen, maar dat is niet alleen maar slecht.” “Soms moet je op het beslissende moment hard toeslaan.”

Het verhaal werd door een paar kranten overgenomen, maar niemand maakte zich er bijster druk over. Het is eigenlijk een bekend verhaal. De Amerikaanse ambassade had een decennium daarvoor in Guatemala vrijwel hetzelfde gedaan, toen er nog zo’n nuttige slachting zat aan te komen. 21

Hoewel er kortstondig wat gerommel was, werd het rapport zeer snel aan de vergetelheid prijsgegeven. De New York Times met haar uitmuntende reputatie had twee maanden nodig om het rapport op te merken, net genoeg tijd om de benodigde ontkenningen te kunnen verzamelen. Verslaggever Michael Wines herhaalt alle propagandacliché’s van de regering over de gebeurtenissen zelf en presenteert ze als feiten, hoe zwak de gebruikte argumenten ook zijn. Ambassadeur Green verwerpt het Kadane-rapport met het simpele commentaar dat het “rotzooi” is. Hij staat niet alleen in zijn bewering dat de VS helemaal niets te maken hadden met de lijst met namen, die sowieso niet van belang waren. Wines citeert een brief van Martens aan de Washington Post waarin hij beweert dat de namen openbaar waren omdat ze in de Indonesische pers waren gepubliceerd. Al is hij wel zorgvuldig in het weglaten van de nadruk die Martens legt op het leveren van de lijst met namen; volgens Martens was het namelijk helemaal “niet verkeerd om een handje te helpen.” Dat vindt hij nog steeds, omdat “de communistische terreur die tot de uiteindelijke coup leidde … tegen het niet-communistische leger … het systematische verzamelen van informatie over de communisten heeft verhinderd” (een fantasierijk verhaaltje, maar dat doet er niet toe). Wines maakt geen woord vuil aan het feit dat de slachting door de New York Times werd toegejuicht, of over hoe trots van hun belangrijkste politiek commentator was over de Amerikaanse rol in de uitvoering ervan. 22

Eén van de weinige vertegenwoordigers van de nationale pers die zich ongemakkelijk voelde bij de Kadane-onthullingen was Stephen Rosenfeld van de Washington Post. Ook zijn reactie is leerzaam.

Na het verschijnen van het Kadane-verhaal, nam de Post een brief op van de Indonesische mensenrechtenactivist Carmel Budiardjo, die duidelijk maakte dat de directe Amerikaanse betrokkenheid bij de slachting al veel eerder bekend was doordat Gabriel Kolko het telegraafverkeer tussen de Amerikaanse ambassade in Jakarta en Buitenlandse zaken had gepubliceerd, en in het bijzonder de hiervoor aangehaalde communicatie tussen Green en Rusk. Een maand later gaf Rosenfeld uitdrukking aan zijn bezorgdheid. Hij voegde hier aan toe dat “in het verslag dat ik heb gelezen” – namelijk het boek van Kolko – wordt getwijfeld aan de communistische betrokkenheid bij de zogenaamde couppoging die het voorwendsel voor de slachtingen was (merk trouwens op hoe handig hij de kwestie waar het om draait ontwijkt.). Maar, vervolgt Rosenfeld, Kolko’s “typische revisionistische eerst-Amerika-beschuldigen-benadering maakt dat ik weinig vertrouwen heb in zijn conclusies.” Hij hoopte dat “iemand wiens politieke opvattingen iets meer mainstream zijn het materiaal eens zou bekijken en tot een onafhankelijk oordeel zou komen.” Zijn reddingsverzoek verscheen onder de titel: Indonesië 1965: Vierde het cynisme hoogtij?”

Gelukkig was redding nabij. Een week later verscheen van de hand van Rosenfeld een artikel met de titel “Indonesië 1965: Het jaar van Amerikaanse irrelevantie.” Waarin hij schrijft dat hij per post een onafhankelijk verslag” had ontvangen van een historicus “zonder politieke vooringenomenheid” – dat wil zeggen, van iemand die hem ervan kon overtuigen dat de staat waar hij zo veel van houdt helemaal niets had fout gedaan. Dit tegengif zat “vol met verrukkingen en verrassingen,” en de conclusie was dat de VS geen enkele verantwoordelijkheid droegen voor de doden of de omverwerping van Soekarno. Het “zuivert Amerikanen van de schadelijke, aanhoudende verdenking van verantwoordelijkheid voor de Indonesische coup en slachting,” concludeert Rosenfeld dolgelukkig: “Voor mij is hiermee de kwestie van de Amerikaanse rol in Indonesië afgesloten.” 23

Hoe gemakkelijk is het leven van de ware gelovige.

Het artikel waardoor Rosenfeld tot zijn grote opluchting het boek over Indonesië kon sluiten, was de eerder besproken studie van Brands. Het is namelijk duidelijk dat Brands een “onafhankelijke” commentator, “zonder politieke bevooroordeeldheid” is: De Amerikaanse oorlog in Vietnam was een poging “om Zuid-Vietnam te redden”; de informatie dat “Het leger de PKI vrijwel geheel had vernietigd” door een enorm bloedbad aan te richten was “goed nieuws”; “het grootste nadeel van geheime oorlogvoering” is “de onvermijdelijke tendens dat het de bronnen van de publieke opinie vergiftigd,” dat wil zeggen dat de VS zwart worden gemaakt door middel van “valse beschuldigingen”, enzovoorts. Doordat met dit onderzoek alle vragen voor altijd zijn beantwoord, kunnen we weer opgelucht adem halen in de wetenschap dat Washington er alles aan heeft gedaan om de grootste slachting aan te moedigen die sinds de dagen van Hitler en Stalin heeft plaatsgevonden, enthousiast de resultaten heeft verwelkomd en direct daarna de taak op zich heeft genomen om Soeharto’s “Nieuwe Orde” te steunen. Gelukkig is er niets gebeurd dat het liberale geweten zou kunnen kwellen.

Er was één interessante non-reactie op het Kadane-rapport. van Het verscheen als hoofdartikel in de New York Review Of Books en was geschreven door Senator Daniel Moynihan. Hij is bang dat "we de bronnen van ons historische geheugen vergiftigen," door de onaangename gebeurtenissen uit ons verleden te verzwijgen. Deze tekortkomingen spiegelt hij aan de "buitengewone periode die nu in de Sovjet Unie is aangebroken waar de ergste misdaden uit haar geschiedenis nu aan het licht worden gebracht." Uiteraard heeft "de Verenigde Staten een dergelijke geschiedenis niet. In tegendeel." Onze geschiedenis is geheel zuiver. Er bestaan geen misdaden die "aan het licht moeten worden gebracht." Dus hoeven we het niet te hebben over onze misdaden tegen de oorspronkelijke bevolking of tegen de Afrikanen in de 70 jaar die volgde op onze revolutie, of tegen de Filippino's, tegen de inwoners van Midden-Amerika, van Indochina en andere landen. Niettemin zijn zelfs wij niet perfect: "niet alles dat we in dit land hebben gedaan is in volledige openbaarheid gebeurd," merkt Moynihan op, alhoewel dat "ook niet altijd mogelijk was. Of zou moeten zijn." Maar we verbergen te veel, dat is de grootste misdaad uit onze geschiedenis. 24

Het is vrij onaannemelijk dat toen hij deze woorden schreef, de hij niet de recente onthullingen over Indonesië in zijn achterhoofd had. Hij heeft toch een speciale, persoonlijke relatie met de gruweldaden in Indonesië. Hij was VN-ambassadeur ten tijde van de Indonesische invasie van Oost-Timor en gaat er in zijn memoires zelfs prat op dat hij een internationale reactie op de agressie en de massaslachtingen heeft weten te voorkomen. "De Verenigde Staten wilde dat het zo zou lopen," schrijft hij, "en zorgden daar actief voor. Het ministerie van Buitenlandse Zaken wenste dat de Verenigde Naties niets zouden bereiken met wat voor maatregelen dan ook. Dat was mijn opdracht en ik zorgde ervoor dat het gebeurde, en met niet gering succes." Moynihan had heel goed door wat hiervan het resultaat was. Hij stelde vast dat er binnen een paar weken al 60.000 mensen waren gedood, "10 procent van de bevolking, verhoudingsgewijs bijna net zoveel als de hoeveelheid slachtoffers die vielen in de Sovjet Unie tijdens de Tweede Wereldoorlog." Hij vindt dus dat hij een nuttige bijdrage heeft geleverd aan misdaden die hij zelf vergelijkt met die van de Nazi's. En hij is zonder twijfel ook goed op de hoogte van de rol die de Amerikaanse regering hierna speelde bij het laten escaleren van de moordpartij en van de bijdrage van de media en de politieke elite aan de geheimhouding ervan. Maar de onlangs vrijgekomen informatie over de Amerikaanse rol in de massamoord was niet in staat zijn historisch besef te prikkelen en zette hem ook niet aan het denken over onze praktijken. Behalve dan over die ene onvolkomenheid: onvoldoende openheid.

De successen van Moynihan bij de VN zijn op de gebruikelijke manier in de geschiedenisboeken opgenomen. De maatregelen tegen Irak en Libië "tonen maar weer, dat de ineenstorting van het communisme meer eenheid heeft gebracht in de Veiligheidsraad waardoor zij haar resoluties meer kracht kan bijzetten," legt de VN-correspondent van de New York Times, Paul Lewis, uit in een voorpagina-artikel: "Dat was voorheen onmogelijk, zoals bijvoorbeeld in het geval van ... de Indonesische annexatie van Oost-Timor." 25

Men maakte zich ook enigszins zorgen over Indonesië nadat Irak in augustus 1990 Koeweit was binnengevallen. Het kostte heel wat moeite om de overeenkomsten met de Indonesische agressie en annexatie, die veel erger waren, niet op te merken. Tien jaar eerder toen men eindelijk een vaag vermoeden begon te krijgen van wat zich had afgespeeld, werd er zo nu en dan een vergelijking getrokken tussen de prestaties van Soeharto in Timor en de gelijktijdige moordpartijen van Pol Pot. Maar net als in 1990 werden de Verenigde Staten en haar bondgenoten in het ergste geval beschuldigd van het "negeren" van de Indonesische gruweldaden. De waarheid werd de gehele tijd zorgvuldig verborgen gehouden: Indonesië ontving essentiële militaire en diplomatieke steun voor haar monsterlijke oorlogsmisdaden; en cruciaal is, dat in tegenstelling tot de misdaden van Pol Pot en Saddam Hoessein, aan deze misdaden heel eenvoudig een eind kon worden gemaakt, simpelweg door het stopzetten van Westerse steun en door het zwijgen te doorbreken.

Er zijn allerlei vindingrijke pogingen ondernomen om de totaal verschillende reacties op Soeharto aan de ene kant en Pol Pot en Saddam aan de andere kant te verklaren en tegelijkertijd de meest voor de hand liggende verklaring te vermijden, namelijk een verklaring die uitgaat van belangen en waarmee uiteraard nog veel meer verklaard kan worden. William Shawcross komt met een "structureel serieuzere verklaring" voor het verschil in media-aandacht voor Oost-Timor en Cambodja: "een relatief verschil in de beschikbaarheid van bronnen" en een gebrekkige toegang tot vluchtelingen. Lissabon en Australië zijn natuurlijk een stuk ontoegankelijker dan het Thais-Cambodjaanse grensgebied. Gérard Chaliand bagatelliseert de actieve steun van Frankrijk aan de Indonesische slachting maar zwelgt in zijn angst voor Pol Pot op grond van het feit dat de Timorezen "geografisch en historisch marginaal" zijn. Volgens Fred Halliday is het verschil tussen Koeweit en Timor dat Koeweit "al een onafhankelijk land is vanaf 1961." Om dit allemaal op waarde te schatten dient men zich te realiseren dat de VS hebben voorkomen dat de VN zich niet bemoeien met de Israëlische invasie van Libanon en dat de VS weigerde de VN-veroordeling van de (feitelijke) Israëlische annexatie van de Golan-Hoogte te ondersteunen. Bovendien dat Saddam, in tegenstelling tot Soeharto in het geval van Oost-Timor, heeft aangeboden om zich terug te trekken uit Koeweit. Hoe serieus dat aanbod was weten we echter niet omdat het aanbod direct door de VS werd verworpen uit angst dat het de "crisis zou bezweren." De overheersende overtuiging is dat "de Amerikaanse invloed op [de Indonesische invasie] gemakkelijk wordt overdreven," hoewel de VS "haar ogen afwendde van Oost-Timor" en "veel meer had kunnen doen dan afstand te nemen van het bloedbad" (James Fallows). Onze enige fout is dan ook dat we niet hebben opgetreden. Maar niet het leveren van wapens waardoor de moordpartijen konden doorgaan en ook niet het feit dat we er voor hebben gezorgd dat de VN " niets zouden bereiken" omdat "De Verenigde Staten wilde dat het zo zou lopen" (ambassadeur Moynihan). De intellectuele gemeenschap gaf er de voorkeur aan om de misdaden van de officiële vijanden te veroordelen. Anderen gebruikten andere technieken om de voor de hand liggende conclusies te omzeilen waardoor er nog meer voetnoten aan dit schandalige verhaal worden toegevoegd. 26

De Australische regering was iets openhartiger. "Er bestaat geen wettelijk bindende plicht om gebied dat door middel van geweld wordt veroverd niet te erkennen," aldus de minister van Buitenlandse Zaken Gareth Evens, waaraan hij nog toevoegde dat "We nu eenmaal in een nogal onrechtvaardige wereld leven waarin voorbeelden van veroveringen door middel van geweld schering en inslag zijn..." (waarna hij in één adem door en in navolging van de VS en Groot-Brittannië, alle officiële contacten met de PLO verbrak uit verontwaardiging over het feit dat deze “onophoudelijk sympathiseert met de Irakese invasie van Koeweit"). Minister-president Hawke verklaarde dat "grote landen niet zomaar kleine landen kunnen binnenvallen en er vervolgens mee wegkomen" (waarbij hij refereerde aan Irak en Koeweit), en hij verkondigde dat in de Anglo-Amerikaanse "nieuwe orde," "zij die agressieve bedoelingen hebben zich wel tweemaal zullen bedenken voordat zij kleinere buurlanden zullen binnenvallen." De zwakken zullen "zich veiliger voelen omdat ze weten dat ze niet alleen staan wanneer ze worden bedreigd," omdat nu eindelijk "alle landen zouden moeten weten dat in de internationale verhoudingen de wet boven geweld gaat."

Australië heeft een speciale verhouding met Oost-Timor; tienduizenden Timorezen kwamen om in de Tweede Wereldoorlog doordat zij bescherming boden aan een kleine groep Australische guerrilla's die in Timor vochten om een op handen zijnde Japanse invasie van Australië te voorkomen. Australië heeft zich het duidelijkst voor de Indonesische invasie uitgesproken. Eén reden hiervoor, en dat was al in een vroeg stadium bekend, zijn de rijke olie- en gasreserves in de zeeën rondom Timor (de Timor-gap). "Een koude, harde, ontnuchterende werkelijkheid die we niet kunnen negeren," legde de minister van Buitenlandse Zaken Bill Hayden in april 1984 openhartig uit. In december 1989 tekende Evans een verdrag met de Indonesische veroveraars waarbij de Timorese rijkdommen werden verdeeld; over 1990 ontving Australië 31 miljoen Australische dollars voor de verkoop aan oliebedrijven van vergunningen voor onderzoek. Evans deed zijn eerder geciteerde opmerkingen om toe te lichten waarom Australië het protest tegen het verdrag, dat door Portugal was ingediend bij het Internationaal Gerechtshof, verwierp. Portugal wordt als het om Oost-Timor in het algemeen beschouwd als de verantwoordelijke autoriteit. 27

Terwijl Britse politici en intellectuelen met gepaste ernst voordrachten hielden over de waarden van hun traditionele cultuur, die nu eindelijk in de "nieuwe wereld orde" door de rechtvaardigen kunnen worden afgedwongen (refererend aan Irak en Koeweit), maakte British Aerospace nieuwe afspraken met Indonesië over de verkoop van gevechtsvliegtuigen en over het gezamenlijk produceren ervan. De Far Eastern Economic Review maakte melding van "wat wel eens de grootste wapendeal zou kunnen zijn die een bedrijf ooit heeft gesloten met een Aziatisch land." Groot-Brittannië is "één van de grootste wapenleveranciers van Indonesië geworden en heeft alleen al in de periode 1986-1990 voor 290 miljoen pond aan wapens verkocht," aldus Peter Carey, die als historicus aan Oxford verbonden is. 28

Men heeft de bevolking in bescherming genomen tegen dit soort onwenselijke feiten. Zij worden geheim gehouden, net als het Indonesische militaire offensief op Oost-Timor dat plaats vond in de herfst van 1990, toen iedereen zich bezighield met de Golfcrisis. De door het Westen gesteunde Indonesische operaties bedreigen het leven van een miljoen mensen in West-Papua die voornamelijk nog in stamverband leven. Volgens mensenrechtenorganisaties en de weinige waarnemers zijn er al duizenden mensen het slachtoffer geworden van chemische wapens. We kunnen dus zonder problemen doorgaan met onze plechtige verhandelingen over agressie, het internationaal recht en ons misschien wel al te hartstochtelijk idealisme. De aandacht van het beschaafde Westen moet met feilloze precisie worden gericht op de misdaden van de officiële vijanden, niet op die misdaden die eenvoudig te verzachten of te stoppen zijn. 29

De verwarring over de vergelijking van Oost-Timor met Koeweit, voor zover die er al was, was van korte duur. En dat is alleen maar redelijk aangezien het slechts één van de vele voorbeelden is die duidelijk maken hoe cynisch de houding ten tijde van de Golfoorlog was. Maar er waren nogmaals problemen in november 1991, toen Indonesië de stomme fout maakt om voor Tv-camera’s een slachtpartij aan te richten in de hoofdstad Dili en twee Amerikaanse journalisten, Alan Nairn en Amy Goodman, ernstig toe te takelen. Dat getuigt van slechte manieren en vraagt om de gebruikelijke remedie: een onderzoek om de slachting wit te wassen, een standje voor de verantwoordelijke autoriteiten, wat lichte straffen voor enkele ondergeschikten en applaus van de club van rijke mensen voor dit indrukwekkende bewijs dat onze gematigde cliënt nog steeds op de goede weg is. Dit draaiboek, dat zo bekend is dat het saai begint te worden, werd routineus gevolgd. Ondertussen werden de Timoresen zwaar gestraft en de sfeer van angst en onderdrukking werd nog intenser.

Verder bleef alles bij het oude. Een paar weken na de moordpartij in Dili tekende de Indonesisch-Australische autoriteiten zes contracten voor olieboringen in de Timor-Gap, in januari kwamen er daar nog vier bij. Halverwege 1992 waren er al elf contracten getekend met 55 bedrijven, waaronder zich, naar verluid, bedrijven uit Australië, Groot-Brittannië, Japan, Nederland en de VS bevonden. Iemand die echt naïef is zou zich af kunnen vragen wat de reactie zou zijn als er 55 Westerse bedrijven samen met Irak de olie uit Koeweit te gelde zouden maken. Alhoewel deze vergelijking niet geheel opgaat daar de moordpartij van Soeharto in Timor ongeveer honderd maal groter was. Engeland voerde zijn wapenleveranties op en kondigde in januari plannen aan om Indonesië een marineschip te verkopen. Terwijl de Indonesische rechtbanken Timorese "subversieven" veroordeelde tot gevangenisstraffen van 15 jaar wegens het zogenaamd uitlokken van de moordpartij in Dili, maakten British Aerospace en Rolls-Royce afspraken ter waarde van vele miljoenen ponden over de levering van 40 Hawk trainingsvliegtuigen bovenop de 15 die al worden gebruikt en waarvan er enkele worden gebruikt om de Timoresen te verpletteren. Ondertussen waren Engelse bedrijven In Indonesië een nieuwe verkoopcampagne begonnen wegens de goede vooruitzichten voor de luchtvaartindustrie. Toen de lichte schok voorbij ging volgden ook andere bedrijven. 30

Het “Lichtpuntje in Azië” dat oplichtte in de jaren 1965 en 1966 en de gloed die het tot op de dag van vandaag heeft verspreid, geven veel inzicht in de traditionele houding ten aanzien van mensenrechten en democratie, in het waarom van deze houding en in de belangrijke rol die intellectuelen spelen. Zij maken tevens haarscherp duidelijk wat de draagwijdte is van het pragmatische criterium op grond waarvan alle menselijke waarden als irrelevant ter zijde worden geschoven.


Hyper-Noten

1   Thomas Friedman, NYT, 12 januari 1992; zie hoofdstuk 7. Taylor, Swords, 159. Pfaff en Hoopes, vrijwel identiek commentaar zonder wederzijdse referenties, dus het is onduidelijk wie de eer verdient; zie At War With Asia (AWWA), 297-300, For Reasons of State (FRS), 94-5. Wohlstetter, WSJ, 25 augustus 1992. Hegel, Philosophy, 96.
2   Schoultz, Comparative Politics, januari 1981. Herman, in Political Economy of Human Rights (PEHR) deel 1, hfdst. 2.1.1; Real Terror Network, 126ff. PEHR, Manufacturing Consent (MC), voor een vergelijkende analyse. En een gigantische berg van case studies.
3   Zie Towards a New Cold War (TNCW), 73f., voor verdere discussie. Ook Necessary Illusions (NI), Deterring Democracy (DD), en andere werken van mij.
4   Leffler, Preponderance, 260, 165. Zie hfdst. 10.4, en voor de achtergrond, hfdst. 2.1-2. Over Japan-Zuidoost Azië, zie RC, hfdst. 2.1. Verder, tenzij anders aangegeven, zie Peter Dale Scott, "Exporting Military-Economic Development," in Caldwell, Ten Years, en "The United States and the Overthrow of Sukarno," Pacific Affairs, zomer 1985; PEHR, vol. I, hfdst. 4.1; Kolko, Confronting.
5   The Faithful Triangle(FTR), 457ff.; COT, hfdst. 8. Marshall, et al., Iran-Contra, hfdstn. 7, 8.
6   McGehee, Nation, 11 april 1981. Ook News from Asia Watch, 21 juni 1990.
7   Brands, "The Limits of Manipulation: How the United States Didn't Topple Sukarno," J. of American History, december 1989. Ibid. Rusk geciteerd door Kolko.
8   Brands, "The Limits of Manipulation: How the United States Didn't Topple Sukarno," J. of American History, december 1989.
9   Johnson geciteerd door Kolko, Confronting. McNamara en rapport van congres geciteerd in Wolpin, Military Aid, 8, 128. McNamara aan Johnson, Brands, op. cit. hfdst. 7.3.
10   Public Papers of the Presidents, 1966 (Washington, 1987), Boek II, 563.
11   NYT, 29 maart 1973. Zie hfdst. 10, n. 64.
12   Frankel, NYT, 11 oktober 1965.
13   Geciteerd in de NYT, 17 oktober 1965.
14   Robert Martin, U.S. News, 6 juni 1966. Time, 15 juli 1966.
15   NYT, 19 juni 1966.
16   Redactionelen, NYT, 22 december 1965; 17 februari, 25 augustus, 29 september 1966.
17   IHT, 5 december 1977, van LAT.
18   PEHR, I, hfdst. 3.4.4; TNCW, hfdst. 13; Peck, Chomsky Reader, 303-13. Voor een overzicht, Taylor, Indonesia's Forgotten War.
19   John Murray Brown, CSM, 6 februari 1987; Shenon, NYT, 3 september 1992; Economist, 15 augustus 1987.
20   Wain, WSJ, 25 april 1989; Asia Week, 24 februari1989, geciteerd in TAPOL Bulletin, april 1989. Richard Borsuk, WSJ, 8 juni 1992.
21   Kadane, SFE, 20 mei 1990. WP, 21 mei; AP, 21 mei; Guardian (London), 22 mei; BG, 23 mei, 1990. Hoewel het in het algemeen eenvoudig terzijde werd geschoven, was er één uitzondering: de New Yorker, "Talk of the Town," 2 juli 1990. Guatemala, hfdst. 7.7.
22   Wines, NYT, 12 juli; Martens, brief, WP, 2 juni 1990.
23   Budiarjo, brieven, WP, 13 juni; Rosenfeld, WP, 13 juli, 20 juli 1990.
24   Moynihan, NYRB, 28 juni 1990.
25   Zie TNCW, hfdst. 13. Lewis, NYT, 16 april 1992.
26   Shawcross, zie MC, 284f.; voor meer details, Peck, op. cit. Chaliand, Nouvelles littéraires, 10 november 1981; Fallows, Atlantic Monthly, februari, juni 1982. Halliday, Guardian Weekly, 16 augustus 1992.
27   Daily Hansard SENATE (Australia), 1 november 1989, 2707. Indonesia News Service, 1 november 1990. Green left mideast.gulf. 346, electronic communication, 18 februari 1991. Monthly Record, Parliament (Australia), maart 1991. Reuters, Canberra, 24 februari; Communiqué, Internationaal Gerechtshof, 22 februari 1991. PEHR, I, 163-6. Taylor, Indonesia's Forgotten War, 171.
28   FEER, 25 'juli 1991. Carey, brief, Guardian Weekly, 12 juli 1992.
29   ABC (Australië) radio, "Background briefing; East Timor," 17 februari 1991; Osborne, Indonesia's Secret Wars; Monbiot, Poisoned Arrows; Anti-Slavery Society, West Papua.
30   Age (Australia), 11 januari, 18 februari; IPS, Kupang, 20 januari; Australian, 6 juli; Carey, op. cit.; The Engineer, 26 maart 1992. Zie ook TAPOL Bulletin, augustus 1992.


Met dank aan Noam Chomsky.

Inhoud
Bibliografie en Afkortingen
NoamChomsky.com
Noam Chomsky Archive




Terug