De Vloek van Columbus

Van Kolonialisme tot de Nieuwe Wereldorde

Het Jaar 501, De Verovering Gaat Door
Noam Chomsky, Copyright © 1993

Vertaling van 'Year 501: The Conquest Continues' van Noam Chomsky
Dit deel verscheen als bijlage bij Extra! nummer 14, 29 november 2002 (de hoofdstukken 1, 2 en 3 verschenen in eerdere bijlagen bij Extra!)

hoofdstuk 4: Democratie en de markt


1. De enige vrijheid die van waarde is
2. De vlucht van de hommel
3. Het goede nieuws
4. Het hervormen van de industriŽle politiek


1. De enige vrijheid die van waarde is

Van de beleidsmakers die zich met globale planning bezighouden zijn er maar weinigen die zo treffend de essentie van het beleid onder woorden hebben gebracht als George Kennan in 1948. Als we de "kloof" tussen onze rijkdom en de armoede elders op de wereld willen handhaven, dan dienen we volgens hem afstand te nemen van "idealistische leuzen" en moeten we ons beperken tot "duidelijke machtsconcepten". Het blijkt dat er slechts zelden van deze richtlijnen wordt afgeweken. Democratie en de vrije markt zijn lovenswaardige idealen zolang de krachtsverhoudingen garanderen dat de juiste partij wint. En als het gepeupel in opstand komt, dan moet het hoe dan ook weer in het gareel worden geslagen. In de Derde Wereld volstaat over het algemeen het openlijk toepassen van geweld. Als de vrije markt een bedreiging begint te vormen voor de privileges van de binnenlandse elite, dan wordt er snel korte metten mee gemaakt.

De kern van de zaak werd mooi onder woorden gebracht door een Amerikaanse bankier tijdens de moorddadige Venezolaanse dictatuur onder Pérez Jiménez: "Je hebt hier de vrijheid om te doen wat je wilt met je geld, en voor mij is dat meer waard dan alle politieke vrijheid in de wereld." Dat is inderdaad zo ongeveer waar het om gaat.1

Deze manier van denken is zo diep verankerd in de institutionele structuren van het bedrijfsleven en de overheid, dat er van binnen uit nooit serieuze vraagtekens bij worden geplaatst. Wel gebeurt het af en toe dat er iemand uit haar gelederen naar voren treedt die een moralistisch lesje over mensenrechten opdist. Maar als er daadwerkelijke belangen op het spel staan, wordt de retoriek snel ter zijde geschoven: bijvoorbeeld als het nodig is om de genocide in Oost-Timor te ondersteunen, of om de Nationale Garde van Somoza in Nicaragua in bescherming te nemen terwijl zij bezig is met het afslachten van duizenden burgers, of wanneer de helpende hand wordt toegestoken in de richting van China en Pol Pot. En dit is nog maar greep uit een periode die werd gekenmerkt door een ongebruikelijke oriëntatie op Hogere Normen en Waarden [een verwijzing naar de regering onder 'mensenrechtenkampioen' Carter, noot vertalers).

In dit boek en in de geciteerde bronnen zijn legio voorbeelden te vinden die de consistentie van het beleid illustreren. Neem bijvoorbeeld de reactie op de gebeurtenissen in Zuid-Korea in 1980. In mei van dat jaar sloeg de militaire dictatuur van Generaal Chun de democratiseringsbeweging in Kwangju neer. Paramilitaire eenheden "gingen daar drie dagen lang tekeer op een wijze die deed denken aan nazi-stormtroepen," aldus een onderzoeksdelegatie van Asia Watch. "Ongewapende burgers, waaronder kinderen en bejaarde vrouwen werden in elkaar geslagen, neergestoken en verminkt." Asia Watch schatte dat er tijdens deze gewelduitbarsting 2000 mensen om het leven zijn gekomen. De VS kregen twee verzoeken om bijstand. Het ene verzoek kwam van het burgercomité dat zich inzette voor democratie en om hulp vroeg bij onderhandelingen. Het andere verzoek kwam van Generaal Chun die ter ondersteuning van zijn stormtroepen wilde beschikken over de 20.000 Koreaanse militairen die onder VS commando stonden. Het tweede verzoek werd gehonoreerd en bovendien werden als teken van Amerikaanse steun Amerikaanse marine- en luchteenheden in volle paraatheid gebracht.

Tim Shorrock schrijft dat de "Koreanen die hadden verwacht dat Carter hen zou helpen, met stomheid waren geslagen" toen "de mensen in Kwangju vanuit helikopters en in de rest van het land door middel van vlammende krantenkoppen op de hoogte werden gebracht van de directe Amerikaanse steun." Een paar dagen later stuurde Carter het hoofd van de Export-Importbank naar Seoul om de militaire junta te verzekeren van Amerikaanse economische steun en gaf hij zijn goedkeuring aan een lening van 600 miljoen dollar. Terwijl Chun met geweld het presidentschap overnam, zei Carter dat hoewel hij de voorkeur geeft aan democratie, "De Koreanen daar naar hun eigen oordeel nog niet klaar voor zijn, en ik zou niet weten wat ik daar nog aan moet toevoegen."

Chun liet duizenden "subversieven" arresteren die democratische hervormingen eisten, en stopte hen in door militairen gerunde "zuiveringskampen". Honderden vakbondsleiders werden vervolgd en er werden nieuwe wetten aangenomen die een zware slag toebrachten aan de vakbonden met als gevolg dat het ledental met 30% afnam. De censuur werd nog strenger. Uitermate tevreden als zij was met deze vooruitgang genoot Chun de eer om na zijn inauguratie als eerste staatshoofd door de regering-Reagan te worden bezocht. Tijdens zijn bezoek aan Korea in 1986 liet minister van Buitenlandse Zaken George Shultz zich lovend uit over "het fantastische werk op het gebied van de veiligheid" en de economie, en over de "indrukwekkende vooruitgang" die was geboekt op weg naar democratie. Hij benadrukte dat Generaal Chun zijn volledige steun genoot. Schultz uitte scherpe kritiek op de democratische oppositie en weigerde om haar leiders Kim Dae Jung en Kim Young Sam te ontmoeten. Hij lichtte dit toe met de mededeling dat "de wijze waarop [landen] hun zaken regelen varieert" en dat "je het dan nog steeds democratie kunt noemen."

Hoeveel er sinds het einde van de Koude Oorlog is veranderd blijkt uit het feit dat Mobutu, president van Zaïre en een zeer beminnelijk mens, de eerste Afrikaanse leider was die door president Bush op het Witte Huis werd uitgenodigd en ontvangen als "een van onze meest gewaardeerde vrienden." Er werd geen woord vuil gemaakt aan de schendingen van de mensenrechten. Anderen die werden beloond voor hun bijdragen aan democratie en mensenrechten waren onder meer de vrienden van Bush in Baghdad en Beijing, en de krankzinnige Roemeense dictator Ceausescu.2


2. De vlucht van de hommel

In het huidige klimaat van intellectuele verloedering kan men niet vaak genoeg benadrukken dat de door de machthebbers gepredikte economische dogma's slechts machtsmiddelen zijn, bestemd voor 'gewone mensen' opdat zij efficiënter kunnen worden uitgebuit. Welvarende landen weigeren deze dogma's op zichzelf toe te passen tenzij deze hun tijdelijk voordeel opleveren. De geschiedenis van deze landen leert dat deze weigering een belangrijke factor was in hun economische ontwikkeling.

Op zijn laatst sinds het verschijnen van het werk van Alexander Gerschenkron in de jaren vijftig van de 20ste eeuw bestaat er brede consensus onder economen dat een "late ontwikkeling" in hoge mate samenhangt met staatsingrijpen. Japan en Zuid-Korea zijn hiervan bekende voorbeelden. In een belangrijke na-oorlogse studie evalueren 24 vooraanstaande Japanse economen het besluit van het Ministerie van Internationale Handel en Industrie (MITI) om de heersende economische dogma's te negeren en om de overheid een "hoofdrol toe te kennen in de vormgeving van het industriële beleid binnen een systeem dat nog al wat overeenkomsten vertoont met de wijze waarop de industrie in socialistische landen is georganiseerd." Iedere sector van de industrie heeft een afdeling binnen de overheid die "nauw samenwerkt" met een associatie waarbinnen alle industrieën zijn vertegenwoordigd. Behalve het beschermen van de eigen markt en het geven van subsidies en belastingvoordelen werd er nog een heel scala aan andere maatregelen genomen om de tekortkomingen van de markt, als gevolg waarvan de economische ontwikkeling zou kunnen stagneren, te boven te komen. Het Ministerie van Internationale Handel en Industrie stelde vast dat "op de lange termijn Japan's economische zelfstandigheid zou worden geschaad als men slechts het comparatieve voordeel van de arbeidsintensieve industrietakken zou uitbuiten." De conclusie van de economen is dat deze radicale afwijking van het economische standaardrecept de weg vrij maakte voor het economische wonder van Japan. Westerse experts bevestigen dit eveneens. Volgens Chalmer Johnson bijvoorbeeld, kan Japan worden omschreven als "het enige communistische land dat functioneert."

Sommigen commentatoren hebben half schertsend gesuggereerd dat Japan het Brookings Institution en andere organisaties die de standaardleer propageren, steunt met de bedoeling om het vertrouwen in de klassieke theorie te versterken en daarmee haar rivalen te benadelen.3

Hetzelfde geldt voor Newly Industrialised Countries (NIC's) in de periferie van Japan. Alice Amsden somt in haar belangrijke studie naar het economische succes van Zuid-Korea een aantal factoren op die dit succes mogelijk maakte; landdistributie, het heffen van loonbelasting zoals in het Westen, staatsingrijpen naar Japans model met als doel om "'verkeerde' prijzen te bewerkstelligen wat vervolgens moet leiden tot een groei van investeringen en handel," een goede arbeidsmoraal, controle over kapitaal door middel van "prijzenplafonds, het beperken van kapitaalvlucht en het stimuleren van een ontwikkeling waarbij investeringen in nieuwe industrietakken (diversificatie) hand in hand gaan met goede resultaten in de traditionele industrietakken." Zij constateert dat deze factoren ook in veel andere Oost-Aziatische landen een belangrijke rol spelen. De econoom Stephan Smith wijst er op dat de export-georiënteerde economische successen van deze landen de dogma's van de neoliberale "nieuwe orthodoxie" weerleggen. Het succes was gebaseerd "op een actief handels- en industrieel beleid dat bewust de markt stuurde omdat men "ontwikkeling op de lange termijn prevaleerde boven comparatief voordeel op de korte termijn." Deze zeer uitgebreide vergelijkende studie komt tot de slotsom dat "periodes van aanzienlijke expansie van de export worden voorafgegaan door periodes van import-substitutie" [in plaats van import het opzetten en beschermen van eigen productie door middel van tariefmuren en subsidies, noot vertalers] Ė vormen van staatsingrijpen die diametraal tegenover de vrije markt staan (Chenery, et al.). Een vergelijking tussen Brazilië en de Oost-Aziatische landen is in dit opzicht veelzeggend. Tot 1980 verliep hun ontwikkeling parallel en werd deze gekenmerkt door "een actief beleid ter stimulering van de industrie en de export" en import-substitutie. Door de schuldencrisis echter werd Brazilië gedwongen de Nieuwe Orthodoxie van het IMF en de Wereldbank over te nemen. Hierdoor verschoof het accent van "binnenlandse groei naar liberalisering van de handel" en naar de export van grondstoffen, met alle akelige gevolgen van dien. De NIC's, waar er van staatswege veel meer controle was, wisten deze ramp te voorkomen doordat zij optraden tegen kapitaalvlucht en kapitaal gebruikten voor investeringen.4

Ondertussen is China het enige "communistische" land dat de Westerse experts buiten de deur heeft weten te houden en tevens het enige land dat een snelle economische groei kent (evenals politieke repressie en een totaal gebrek aan democratie). "Een van de grootste successen wordt gevormd door de opkomst van 'bedrijven op het platteland en in de steden'. Het gaat vooral om fabriekjes die zijn opgezet door boeren." Deze bedrijfjes produceren "inmiddels bijna 20% van China's BNP en er zijn meer dan 100 miljoen mensen werkzaam," aldus financieel correspondent David Francis. Hij citeert een woordvoerder van de Wereldbank die voorspelt dat dit soort fabriekjes "veruit de meest dynamische ondernemingsvorm in China zal worden."

Het Duitse economische wonder was eveneens gebaseerd op het laten varen van de standaard leer. Het economische systeem van na de Tweede Wereldoorlog bevatte elementen van het "corporatisme" dat wordt gedefinieerd als de "door de overheid geïnitieerde en soms permanent gecontroleerde, brede samenwerking tussen vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers" (Charles Meier). Deze definitie doet echter geen recht aan de rol die de grote financiële instituten spelen en die "in de Duitse politieke economie van essentieel belang was," aldus Michael Huelshoff. "Het Reaganiaanse nachtmerrie-scenario van een aanbod-economie en militair Keynesianisme en de daarbij horende "fiscale roekeloosheid en monetaire strengheid" stuitten in Duitsland op harde krtitiek (James Sperling). Kleinere landen die economisch succesvol zijn hebben dezelfde weg bewandeld. Nederland bijvoorbeeld vertrouwde voor haar na-oorlogse economische wederopbouw op door het ministerie van Economische zaken gecoördineerde kartels, die de productie, verkoop, voorraden, prijzen, enzovoorts reguleerden. Niet alle van de 400 in 1992 fungerende kartels zullen de Europese Gemeenschap overleven, maar de regering kondigde aan dat de "positieve kartels" die bescherming bieden aan die bedrijven die nieuwe technologieën ontwikkelen het "groene licht" zullen krijgen.

"Een strenge aanhanger van de vrije markt zou beweren dat de Duitse economie, net als de hommel, theoretisch gezien niet van de grond kan komen," aldus een verbijsterde Economist die vervolgens de afwijkingen van de orthodoxie bespreekt: "goed opgeleide en goed betaalde arbeiders, die in de ondernemingsraad zitten," "grote industrieën die het eigendom van banken zijn, geen last hebben van aandeelhouders, beschermd zijn tegen overnames en niet hoeven te letten op de winst," "hoge belastingen," "verzorging van de wieg tot het graf," en andere verfoeilijke zaken. "Het antwoord van de Duitse economie op deze oude karikatuur is dat ze toch van de grond is gekomen." Dat neemt niet weg dat de theorie het laatste woord heeft.

Hoe aantrekkelijk zij ook zijn voor multinationals, toch lijken lage lonen geen belangrijke rol te hebben gespeeld in 'late ontwikkeling'. "Noch Duitsland, noch de Verenigde Staten hebben zich industrieel ontwikkeld door op basis van lage lonen met Engeland te concurreren," merkt Amsden op. Hetzelfde geldt voor Japan dat in de jaren '20 een geduchte concurrent werd van de Britse textielindustrie. Dit was niet zozeer het gevolg van lage lonen als wel van moderne productiemethoden. In Duitsland en andere succesvolle economieën zijn de arbeidsomstandigheden en de lonen relatief goed. Uit een studie naar industriële productiviteit door wetenschappers van MIT (Massechusetts Institute of Technology, noot vertalers) blijkt dat Duitsland, Japan en andere landen die nog "ambachtelijke tradities" kenden, d.w.z. tradities waarin "geschoolde arbeiders directer betrokken zijn bij de besluitvorming" veel succesvoller zijn in het moderne industriële tijdperk dan de Verenigde Staten die een traditie kennen waarbinnen de vaardigheden van de arbeiders steeds verder afnemen en waarbinnen zij steeds verder worden gemarginaliseerd binnen het "massaproductie-model". Hun conclusie is dat een minder hiërarchise structuur en het geven van meer verantwoordelijkheid en scholing aan de arbeiders ook in de VS tot betere resultaten heeft geleid. Econoom David Felix komt tot dezelfde conclusies als hij Latijns-Amerika met Oost-Azië vergelijkt. De Aziatische elites waren veel minder afhankelijk van Europa en de Verenigde Staten dan de Latijns-Amerikaanse elites en zij hechtten niet zo veel waarde aan buitenlandse consumptiegoederen." Hierdoor kon een veel groter deel van de ambachtelijke sector niet alleen overleven maar tevens groeien en moderniseren," hetgeen tevens een positieve uitwerking op de handelsbalans had. Amsden schrijft het succes van Zuid-Korea deels toe aan het feit dat men daar meer vertrouwen heeft in initiatieven van de arbeiders tijdens het werk dan in een door managers gedomineerde bedrijfscultuur.5

Het is echter niet alleen "late ontwikkeling" die op essentiële punten afwijkt van de orthodoxe geloofsleer. Hetzelfde geldt voor de reeds eerder besproken "vroege ontwikkeling" van Engeland en voor de Verenigde Staten. Hoge tariefmuren en andere vormen van staatsingrijpen mogen dan de kosten voor de Amerikaanse consument hebben verhoogd, ze hebben ook, van textiel tot computers, de gelegenheid geboden voor de ontwikkeling van de binnenlandse industrie. In het eerste stadium werden de goedkopere Britse producten geweerd. Later ging men over tot het creëren van door de staat gegarandeerde markten, het geven van overheidssubsidies voor onderzoek en ontwikkeling aan de geavanceerde industrie, het opzetten en in stand houden van kapitaal-intensieve landbouw, enzovoorts. Historisch-econoom Mark Bils komt tot de slotsom dat als men in de dertiger jaren van de 19e eeuw de tariefmuren zou hebben afgebroken "ongeveer de helft van de industrieën in New England" failliet zou zijn gegaan.

In Engeland heeft men in de 19e eeuw kortstondig geëxperimenteerd met ongereguleerde markten. Er werd op selectieve wijze vrijhandel geïntroduceerd, maar ook direct weer afgeschaft wanneer de belangen van de machthebbers dat vereisten. In de VS wendden bedrijven zich regelmatig tot de staat om hun problemen te boven te komen, hetgeen vanaf 1880 leidde tot het opzetten van overheidsbureaucratieën die het beschermen en subsidiëren van bedrijven als taak kregen. In de jaren '30 van de 20ste eeuw is, gegeven het feit dat de meest ontwikkelde landen zich steeds meer bewegen in de richting van een economisch systeem waarbinnen de staat een prominente rol vervult, het geloof in de levensvatbaarheid van het kapitalisme vrijwel geheel verdwenen. Het is een waarheid als een koe dat "sinds de Tweede Wereldoorlog de militaire uitgaven de ruggegraat vormen van onze industriële productie. Op deze wijze werd het algehele niveau van variërende vraag en werkloosheid periodiek aangepast zoals noodzakelijk voor de cyclus van bedrijven, en gebruikt om gestelde groeicijfers te halen..." (Richard Bartel). Militaire uitgaven in de tweede Wereldoorlog overtuigden de elite van het bedrijfsleven van de geldigheid van het Keynsiaanse model van staatsingrijpen. Vanaf die tijd wordt het als vanzelfsprekend aangenomen dat de staat actief moet optreden om de rijken en bevoorrechten te beschermen en te subsidiëren, met als voorlopig hoogtepunt de Reagan-jaren.6

De belangrijke rol die de "zichtbare hand" speelt - in de vorm van het plannen en coördineren van de productie, het creëren van markten en het financieren van onderzoek - in de industriële ontwikkeling is inmiddels onomstreden. Dit hebben wij mede te danken aan de studies van Alfred Chandler die een neerslag vormen van 30 jaar onderzoek naar bedrijven. Voortbordurend op het werk van Chandler, David Landes en andere historici die onderzoek hebben gedaan naar industriële ontwikkeling komt William Lazonick tot de conclusie dat het industrieel kapitalisme drie belangrijke fases heeft doorlopen: het "particulier eigendomskapitalisme", zoals dat bestond in het 19e eeuwse Engeland, waarin familiebedrijven centraal stonden en dat een hoge mate van marktcoördinatie kende; het "manager kapitalisme" van de Verenigde Staten, dat werd gekenmerkt door "overheidscoördinatie" voor economische planning en organisatie; en het "collectieve kapitalisme" zoals dat in Japan bestaat en dat nog efficiëntere vormen van langetermijnplanning en coördinatie kent. In alle drie de gevallen waren de particuliere ondernemingen in hoge mate afhankelijk van de staatsmacht die zij op verschillende manieren sterk domineren. Deze intern gecoördineerde, door de staat gesteunde systemen krijgen door de multinationale ondernemingen een wereldomvattend karakter.7

"Import subsitutie [door staatsingrijpen] is eigenlijk de enige manier die men ooit heeft bedacht om te industrialiseren," concludeert econoom Lance Taylor: "Op de lange termijn leidt een economisch systeem dat is gebaseerd op laissez faire-politiek nooit tot moderne economische groei. De staat heeft altijd geïntervenieerd om een kapitalistische klasse te creëren, die vervolgens moet worden gereguleerd. Op haar beurt moet de staat uitkijken niet te worden overgenomen door de kapitalistische klasse. In ieder geval maakt de staat atijd onderdeel uit van het proces." Bovendien wordt de staatsmacht door investeerders en ondernemers regelmatig aangewend om hen te beschermen tegen de destructieve krachten van de vrije markt en natuurlijk om grondstoffen, markten en investeringsmogelijkheden veilig te stellen. In het algemeen om meer winst te maken en hun macht uit te breiden.8

Met het verdwijnen van de Sovjet-Unie als excuus, zoekt Washington naar nieuwe manieren om de subsidie aan de hightech-industrie op peil te houden. Een van de manieren is de export van wapens, hetgeen ook een bijdrage kan leveren aan de vermindering van het gigantische tekort op de handelsbalans. Met het definitieve einde van de Koude Oorlog zette de regering-Bush het Centre for Defense Trade op om de wapenverkoop te stimuleren, bijvoorbeeld door het aanbieden van leningen met overheidsgarantie oplopend tot een miljard dollar voor de aankoop van Amerikaanse wapens. Het Defense Security Assistence Agency heeft naar verluid meer dan 900 officieren uitgezonden naar zo'n 50 landen om de verkoop van Amerikaanse wapens te promoten. Volgens ambtenaren van het Pentagon is dit begonnen in juli 1990. Toen kreeg het Amerikaanse ambassadepersoneel namelijk de opdracht meer steun te verlenen aan Amerikaanse wapenexporteurs; de Golfoorlog die kort daarop uitbrak, was vooral een middel om de verkoop van wapens te stimuleren. Op een conferentie georganiseerd door het Pentagon en de wapenindustrie in mei 1991 vroeg de industrie aan de regering om de kosten voor het vervoer van militair materieel en personeel naar wapenbeursen waar ook ter wereld op zich te nemen. Het Pentagon ging akkoord, waarmee een einde kwam aan een beleid van 25 jaar. De eerste door de belastingbetaler gesubsidieerde demonstratie vond plaats tijdens de Parijse Lucht Show in juni 1991.

Lawrence Korb van het Brookings Institution, de voormalige staatssecretaris van defensie die zich bezighield met logistiek, stelde vast dat de te verwachten verkoop van wapens er voor zorgde dat de voorraden van de wapenfabrikanten groot bleven ondanks het einde van de Koude Oorlog. De verkoop van wapens nam inderdaad toe van 12 miljard dollar in 1989 tot bijna 40 miljard dollar in 1991. De lichte afname van wapenverkopen door het Amerikaanse leger werd ruimschoots goed gemaakt door Amerikaanse bedrijven. AP correspondent Barry Schweid berichtte begin 1992 dat sinds "de oproep van president Bush afgelopen mei [1991] om terughoudend te zijn met de verkoop van wapens aan het Midden-Oosten, de Verenigde Staten voor meer dan 6 miljard dollar aan wapens naar de regio heeft verscheept." Dit maakte deel uit van de 19 miljard dollar aan Amerikaanse wapens die sinds de Iraakse invasie van Koeweit naar het Midden-Oosten is geëxporteerd. Van 1989 tot 1991 zijn de Amerikaanse wapenexporten aan de Derde Wereld met 138 procent toegenomen, waarmee de VS veruit de grootste wapenexporteur ter wereld zijn. De verkopen sinds mei 1991 "zijn volledig in overeenstemming met de initiatieven en richtlijnen van de president" die opriep tot terughoudendheid, aldus Richard Boucher, woordvoerder van Buitenlandse Zaken - en dat klopt, als we naar de daadwerkelijke bedoelingen kijken.

De oproep tot terughoudendheid van de regering-Bush viel precies samen met de triomfantelijke viering van de overwinning op Irak en maakte deel uit van de PR-campagne over het nieuwe tijdperk van vrede dat, dankzij de heldhaftigheid van onze grote leider was aangebroken. Op 6 februari 1991 deelde minister van Buitenlandse Zaken James Baker de Commissie Buitenland van het Huis van Afgevaardigden mee dat de tijd was gekomen om een halt toe te roepen aan de toestroom van wapens naar het Midden-Oosten, "een regio waar zich al veel te veel wapens bevinden." Op 6 maart kondigde de president, in zijn triomfantelijke en luid bejubelde toespraak voor het Congres, aan dat het beheersen van de wapenverkoop een van zijn belangrijkste na-oorlogse doelen zou zijn. "Het zou tragisch zijn," zei hij, "wanneer de landen in het Midden-Oosten en de Golfregio in de nasleep van de oorlog een nieuwe wapenwedloop zouden beginnen."

Met de omvang van de tragedie duidelijk voor ogen had de regering een paar dagen eerder het Senaats Comité voor Buitenlandse Zaken een vertrouwelijke lijst overhandigd met de geplande verkopen die alle records zouden verbreken. Meer dan de helft van deze verkopen was bedoeld voor het Midden-Oosten. Bovendien werd het Congres geïnformeerd dat er aan Egypte voor 1,6 miljard dollar aan geavanceerde gevechtsvliegtuigen was verkocht. Een week later werd het Congres op de hoogte gebracht van het feit dat er een deal ter waarde van 670 miljoen dollar was gesloten met de Verenigde Arabische Emiraten voor de levering van Apache helikopters. Vervolgens greep het Pentagon de Parijse Luchtshow aan als gelegenheid om op nooit eerder vertoonde schaal wapens te koop aan te bieden. Vol trots (en optimisme) toonde men er de producten die op zo'n geweldige wijze een weerloos derde Wereld land hadden vernietigd. Minister van Defensie Cheney kondigde behalve nieuwe wapenleveranties aan Israël ook plannen aan wapenvoorraden aan te leggen ter waarde van 200 miljard dollar. In juli werd de verkoop van nog eens 7 miljard aan wapens aangekondigd, voornamelijk aan het Midden-Oosten. Engeland volgde dit voorbeeld. China was de enige wapenexporteur die opriep tot een concrete limiet aan de wapenverkoop aan het Midden-Oosten, een voorstel dat snel van de hand werd gewezen door de VS en haar bondgenoten.9

Militair keynesiaanse initiatieven bleven niet beperkt tot door de belastingbetaler gefinancierde subsidies (voor onderzoek en ontwikkeling) en een door de staat gegarandeerde afzetmarkt. William Hartung wijst er op dat, terwijl de VS "sterk achterblijft bij landen als Japan en Duitsland als het gaat om de uitgave per hoofd van de bevolking voor buitenlandse economische steun," ongeveer een derde van het budget voor buitenlandse hulp "wordt gebruikt voor directe subsidies of leningen aan buitenlandse regeringen voor de aanschaf van miltair materieel in de VS.

Dit gezegd hebbende mogen we echter niet vergeten dat bij het in stand houden van de hightech-industrie een hoofdrol is weggelegd voor het Pentagon-systeem (waartoe ook de NASA en het Ministerie van Energie behoren). De staat is tevens de belangrijkste steunpilaar voor de biotechnologie, de farmaceutische industrie, de grootschalige landbouw en andere sectoren van de economie met een sterke concurrentiepositie. Onder Reagan nam het aantal protectionistische maatregelen sterk toe en werden de inspanningen om zieltogende banken en industrieën te helpen flink opgevoerd. Van het gevoerde beleid profiteerde overigens het gehele bedrijfsleven in de VS.

Volgens de richtlijnen van het IMF zijn de Verenigde Staten, na een decennium van dwaasheden begaan door de Reaganites een volmaakte kandidaat voor zware bezuinigingsmaatregelen. De Verenigde Staten zijn echter veel te machtig om zich te onderwerpen aan regels die zijn bedoeld voor de zwakkeren.

Zoals reeds eerder opgemerkt, schat de Wereldbank dat door de protectionistische maatregelen van de geïndustrialiseerde landen - die gelijke tred houden met de bombast over de vrije markt - het verlies aan inkomen van de derdewereldlanden twee keer zo groot is als de officiële "ontwikkelingshulp". Deze "hulp" is soms voordelig en soms nadelig voor de ontvangers, maar daar gaat het om. In het algemeen is het een vorm van export-promotie. Een opmerkelijk voorbeeld hiervan is het Voedsel voor Vrede pogramma dat niet alleen is opgezet om de grootschalige landbouw in de VS te subsidiëren en om andere landen er toe te bewegen om "van ons afhankelijk te worden voor voedsel" (Senator Hubert Humphrey), maar ook om het veiligheidsnetwerk over de hele wereld te ondersteunen dat de orde in de Derde Wereld handhaaft en vervolgens van lokale overheden te eisen dat ze hier fondsen tegenover stellen voor de aankoop van wapens (waarmee ze dus eveneens Amerikaanse wapenfabrikanten subsidiëren).

Een veel invloedrijker voorbeeld is het Marshall Plan. Het doel ervan was om "economische, sociale en politieke chaos in Europa te voorkomen, de verspreiding van het communisme tegen te gaan (niet uit angst voor een interventie van de Sovjet-Unie, maar uit angst voor het succes van communistische partijen in onder andere West Europa), te voorkomen dat de Amerikaanse export zou instorten en om een een wereldwijde markt te creëren." Maar ook om een belangrijke economische impuls te geven aan "particuliere initiatieven en privé-ondernemingen in zowel Europa als de Verenigde Staten." Op deze wijze hoopte men "experimenten met socialistische staatsondernemingen en overheidscontrole" te verijdelen. Deze zouden ook in de Verenigde Staten het "particulier ondernemersschap in gevaar brengen," (Michael Hogan, in een belangrijke wetenschappelijke studie). Tevens bood het Marshall Plan "het bedrijfleven in de VS de mogelijkheid tot het doen van directe investeringen in Europa, en dat op enorme schaal" aldus een rapport van Reagan's Ministerie van Handel in 1984. Het vormde de basis voor de moderne mutinationale onderneming, die "tot grote bloei kwam en zich uitbreidde over de overzeese gebieden, ... en die aanvankelijk werd gevoed door de dollars van het Marshall Plan" en beschermd tegen "negatieve ontwikkelingen" door de "overkoepelende Amerikaanse macht," aldus een artikel uit Bussiness Week uit 1975 waarin men de vrees uitspreekt dat dit gouden tijdperk van overheidsingrijpen misschien spoedig voorbij is. De hulp die Israël, Egypte en Turkije de laatste jaren ontvangen, heeft vooral te maken met de rol die zij spelen bij het in stand houden van de dominante positie van de VS in het Midden-Oosten met haar enorme olievoorraden.10

De bruikbaarheid van de vrije markt als wapen tegen de armen wordt geïllustreerd door een rapport van de Wereldbank over het opwarmen van de aarde. Volgens de economisch correspondent van de New York Times, Silvia Nasar, was het rapport opgesteld om "consensus te smeden onder de economen," in voorbereiding op de Rio-conferentie in juni 1992 over hetzelfde onderwerp. De titel van het artikel was: "Kan het Kapitalisme de Ozonlaag Redden?" (het artikel suggereerde van wel). De Harvard econoom Lawrence Summers, hoofdeconoom van de Wereldbank, legt uit dat de milieuproblemen van de wereld grotendeels "het gevolg zijn van beleid dat ondoordacht is aangezien het is gebaseerd op bekrompen economische overwegingen," met name van het beleid van de arme landen die "hun olie, kolen en gas voor een habbekrats verkopen aan binnenlandse klanten in de hoop daarmee de industrie te ondersteunen en de kosten voor levensonderhoud van de arbeiders in de steden laag te houden" (Nasar). Als de arme landen alleen maar de moed zouden hebben om weerstand te bieden "aan de extreme druk om de prestaties van hun economieën te verbeteren" en hun bevolking te beschermen tegen uithongering, dan zouden de milieuproblemen zeker verminderen. De Wereldbank komt tot de conclusie dat "Het opzetten van vrije markten in Rusland en andere arme landen waarschijnlijk meer zal bijdragen aan een vertraging van de opwarming van de aarde dan alle maatregelen die in de jaren 90 door de rijke landen zouden kunnen worden genomen" - en dat klopt, aangezien het zeer onwaarschijnlijk is dat de rijken maatregelen zullen nemen die nadelig zijn voor hun eigen belangen. In de kleine lettertjes erkennen "consensus-economen" echter dat door " effectievere overheidsmaatregelen" de vervuiling afneemt. Maar het klein houden van de armen heeft zo zijn voordelen.

Op de zelfde pagina van de New York Times' business sectie staat een item over een vertrouwelijk memo van de Wereldbank dat aan de Economist is gelekt. De schrijver ervan is dezelfde Lawrence Summers. Hij schrijft: "Tussen ons gezegd en gezwegen, zou de Wereldbank de migratie van smerige industrieën naar de [Derde Wereld] niet meer moeten aanmoedigen?" Daar zijn goede redenen voor legt Summers uit: een kankerverwekkende bijvoorbeeld stof zal meer schade veroorzaken "in een land waar de mensen zó oud worden dat ze prostaatkanker krijgen, dan in een land waar de mortaliteit onder de 5 jaar 200 per duizend bedraagt." Arme landen zijn "ondervervuild," en daarom is het alleen maar redelijk om "smerige industrieën" aan te moedigen daarheen te verhuizen. "Er zit een feilloze economische logica achter het dumpen van giftig afval in de armste landen en dat moeten we onder ogen zien." Natuurlijk, er zijn "argumenten tegen dit soort voorstellen" om vervuiling naar de Derde Wereld te exporteren: "fundamentele rechten op bepaalde zaken, morele redenen, sociale overwegingen, gebrek aan goedwerkende markten, enzovoorts." Maar al deze argumenten hebben een fatale tekortkoming: "ze kunnen ook worden omgekeerd en op meer of minder effectieve wijze worden gebruikt tegen alle voorstellen van de Wereldbank voor liberalisering."

"Meneer Summers stelt de vragen die de Wereldbank liever zou willen negeren," merkt de Economist op, maar " zijn punt betreffende de economische aspecten is moeilijk te weerleggen." Het aardige is dat dit altijd waar is. Of er wordt gesteld dat er geen alternatief mogelijk is, waarmee de ideologische onderbouwing dus niet van belang is. Of we accepteren de conclusie dat we op grond van economische rationaliteit vervuiling naar derdewereldlanden moeten exporteren, die op hun beurt zouden moeten bezuinigen op hun "ondoordachte" pogingen om economische ontwikkeling te bevorderen en de bevolking te beschermen tegen rampspoed. Op deze manier kan het kapitalisme de milieucrisis overwinnen. Vrijemarktkapitalisme is inderdaad een schitterend instrument. Eigenlijk zouden er jaarlijks twee Nobelprijzen moeten worden uitgereikt, en niet slechts één.

Geconfronteerd met het memo, zei Summers dat het alleen "bedoeld was om een discussie op gang te brengen" - later liet hij weten dat het een "sarcastisch antwoord" was op een ander voorstel van de Wereldbank. Misschien geldt dit ook voor de studie van de Wereldbank om "consensus te smeden onder de economen". Het is vaak moeilijk om in te schatten of de hersenspinsels van de experts serieus bedoeld zijn of een perverse vorm van sarcasme. De meeste van de miljoenen mensen die het slachtoffer zijn van deze economische overtuigingen verkeren niet in de luxe-positie om over deze intrigerende vraag te mijmeren.11

Hoewel niet voor ons bedoeld, "heeft vrijhandel toch zijn nut," aldus Arthur MacEwan in een artikel waarin hij de vele door staatsbemoeienis bepaalde overeenkomsten tussen de ontwikkeling van de industrie en de landbouw bespreekt. "Hoog ontwikkelde landen kunnen vrijhandel gebruiken om hun macht en controle over de rijkdommen van de wereld uit te breiden en het bedrijfsleven kan het als wapen gebruiken tegen arbeid. Het belangrijkste is dat vrijhandel beperkingen oplegt aan de pogingen tot het nivelleren van inkomens, dat het progressieve sociale programma's ondermijnt en dat het mensen de mogelijkheden ontneemt om democratische invloed uit te oefenen op het economische leven." Het mag geen verbazing wekken dat de "Nieuwe Evangelisten" van de neoliberale theologie een verpletterende overwinning hebben behaald binnen het ideologische systeem. De bewijzen voor succesvolle ontwikkeling en de feitelijke gevolgen van de neoliberale ideologie worden binnen het huidige intellectuele klimaat niet geaccepteerd maar met een minachtend gebaar ter zijde geschoven. Hetgeen natuurlijk de enige manier is om met dit soort flauwekul om te gaan. "Het volbrengen van [God's] plan ... is de Geschiedenis van de wereld," legt Hegel uit: "Alles wat daarmee niet in overeenstemming is, is een negatieve bestaanswijze, zonder enige waarde."12


3. Het goede nieuws

Nu het tijdperk van overvloed voorbij is, brengen de ideologische instellingen met bezieling Het Woord over de Verheven Waarheden. Men verkondigt de wonderen van de vrije markt aan de mensen in het Zuiden, wiens levens door deze zelfde doctrine zijn verwoest. Bovendien zijn de Oost-Europeanen nu ook uitgenodigd om aan het feest van voorspoed deel te nemen. De elites in de beoogde landen zijn bijzonder enthousiast. Zij gaan er van uit dat, wat er ook met de lagere klassen gebeurt, zij zullen profiteren.

Een van de aspecten van de mondialisering van de economie is dat het derdewereld model van de gepolariseerde maatschappij zich zal uitbreiden naar de rijke Westerse landen. De markt-doctrine wordt nu aldus ook een belangrijk ideologisch wapen in deze landen en de hoogst selectieve toepassing ervan zal aan het oog worden ontrokken door het heersende ideologische systeem. Welvaart en macht worden in toenemende mate geconcentreerd in de handen van investeerders en de hoger opgeleide experts die profiteren van de mondialisering van de kapitaalstromen en de communicatie. Openbare diensten die zijn bedoeld voor het gewone volk, zoals onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer en bibliotheken worden net zo overbodig als de mensen voor wie ze zijn bedoeld en kunnen dus ingeperkt of zelfs volledig worden afgebroken. Dat neemt niet weg dat sommige van deze diensten, in het bijzonder gevangenissen, nog steeds nodig zijn. Gevangenissen moeten zelfs worden uitgebreid om zodoende de overbodige mensen te kunnen opbergen. Uit een onderzoek van de National Alliance for the Mentally Ill en Ralph Nader's Public Citizen komt naar voren dat naarmate de zorg voor mensen met een geestesziekte steeds verder afbrokkelt, de gevangenissen steeds meer "surrogaat inrichtingen" worden. De psychiater die het onderzoek leidde constateert dat "er 100 jaar geleden veel minder mensen met een psychose in de gevangenis zaten dan tegenwoordig" en dat we terugvallen naar praktijken waar in de 19e eeuw een eind aan is gemaakt. In bijna 30 procent van de gevangenissen zitten mensen met psychische stoornissen waartegen geen aanklachten lopen. De oorlog tegen drugs heeft ook in belangrijke mate bijgedragen aan deze techniek voor sociale controle. De dramatische toename van het aantal gevangenen aan het eind van de jaren tachtig is niet toe te schrijven aan toegenomen criminaliteit, maar voornamelijk aan het bezit van en handel in cocaïne en de zwaardere straffen waar de "conservatieven" zo op aandrongen. Er is geen land ter wereld waar procentueel zoveel mensen in de gevangenis zitten als in de VS en dat "grotendeels vanwege drugs-gerelateerde delicten" (Mathea Falco). Volgens de Wall Street Journal wonen we godzijfrank niet in China waar de "heersende totalitaire mentaliteit bitter weinig ruimte laat voor het soort creatieve oplossingen die het Westen prefereert als het gaat om het aanpakken van drugsverslaving en andere sociale misstanden."

Gevangenissen geven ook een Keynesiaanse impuls aan de economie, niet alleen voor de bouwsector, het is ook gunstig voor de werkgelegenheid van de lagere ambtenarij; beveiliging is nu de snelst groeiende beroepssector. Bovendien biedt het mogelijkheden om de economie te hervormen op een acceptabele wijze, die geen inbreuk maakt op de voorrechten van het bedrijfsleven. "Fort Devens is toplocatie voor nieuwe gevangenis," is de juichende kop op de voorpagina van de Boston Globe; de nieuwe federale gevangenis biedt de mogelijkheid om de schade aan de lokale economie, bij het sluiten van de legerbasis, op te vangen.13

Hoog op de lijst van doelwitten van de Nieuwe Evangelisten staat het openbaar onderwijs. Aangezien de rijken toch alles waar ze behoefte aan hebben op de "educatieve markt" kunnen kopen, is dat in hun ogen een overbodige zaak. Het idee dat men misschien ook zorg dient te dragen voor de maatschappij als geheel is, samen met een aantal andere acherhaalde ideeën, naar de vuilnisbelt van de geschiedenis verwezen. Een optimistisch artikel in de links liberale Boston Globe verhaalt over een experiment in de "wanhopige stad" Baltimore, waar het schoolsysteem bezig is in elkaar te storten. Verschillende scholen worden overgenomen door commerciële bedrijven die de leerlingen kennis willen laten maken met "de ondernemingsgeest". "Het invoeren van bedrijfsmatige efficiëntie en een nieuwe leermethode...houdt bijvoorbeeld in dat men conciërges inhuurt die geen lid zijn van een vakbond en dat men studenten die een opleiding volgen, laat lesgeven aan gewone scholieren." De duurdere, voormalige leerkrachten en de beter betaalde conciërges die wel lid zijn van een vakbond, treden in dienst bij scholen die nog steeds openbaar zijn. Een andere prestatie van de "ondernemingsgeest" is het vervangen van dure leerkrachten door goedkope assistenten en vrijwilligers (ouders). Uit deze wonderbaarlijke resultaten van het kapitalisme moeten "waardevolle lessen worden getrokken bij Amerika's zoektocht naar een beter educatief systeem."14

Centraal in het huidige ideologische offensief staat de aanval op de "machtige staat " en het pleidooi om de 'arme' betaler te verlichten. Overigens wordt er in de VS veel minder belasting betaald in vergelijking met andere Westerse landen, die een veel progressiever belastingstelsel kennen15 , een belangrijke oorzaak van de gestage verslechtering van het onderwijs, de gezondheidszorg, het wegennet en alle overige zaken waar het gewone volk van zou kunnen profiteren. Ondertussen worden protectionistische maatregelen, subsidies, financiële reddingsoperaties, en andere voor de rijken bedoelde en bekende instrumenten van de welvaartsstaat rustig uitgebreid, begeleid door oorverdovende loftuitingen voor de vrije markt. Dat er tegen dit alles nauwelijks protest is, is zonder twijfel een indrukwekkende prestatie van staat, bedrijfsleven en media, die elkaar feilloos weten te vinden.

 


4. Het hervormen van de industriŽle politiek

De wereld is gecompliceerder dan je denkt; zelfs de meest succesvolle plannen gaan gepaard met onverwachte kosten. "Het Reaganiaanse nachtmerrie-scenario van een aanbod-economie en militair Keynesianisme" had in de Wall Street Journal haar meest enthousiaste supporter, dezelfde krant die nu klaagt over de voorspelbare effecten ervan nu er gevolgen zijn voor de positie van de rijken en de machtigen. "Het hoger openbaar onderwijs Ė een van de weinige gebieden waarop de VS nog steeds eenzaam aan de top staat Ėgaat kapot aan het snijden in de overheidsuitgaven," aldus de Journal, die hiermee de zorgen van het bedrijfsleven reproduceert dat immers "niet zonder een constante stroom afgestudeerden kan." Het is één van de reeds lang geleden voorspelde gevolgen van het bezuinigen op die federale overheidsdiensten die niet alleen maar zijn bedoeld voor de rijken en de machtigen en ten gevolge waarvan staten en lokale gemeenschappen te gronde zijn gericht. Het is niet altijd zo eenvoudig om de klassenoorlog precies af te stellen.

De erfenis van de economische managers van de jaren tachtig in de VS bestond niet alleen uit ongekende overheids- en bedrijfsschulden, maar ook de laagste netto-investeringen door het bedrijfsleven van alle belangrijke industriële landen. De netto nieuwe investeringen in de jaren tachtig bereikten hun laagste niveau (als percentage van het nationale inkomen) sinds de Tweede Wereldoorlog. In de periode 1989-1990, streefde Japan, voor wat betreft het absolute niveau van industriële investeringen, de VS, met twee keer zoveel inwoners, zelfs voorbij. De positie van de VS op het gebied van high-tech industrie begon ook te vezwakken. Een andere erfenis van het "nachtmerrie-scenario" is dat de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling zijn teruggelopen, onder andere de uitgaven voor gezondheidszorg en onderwijs, "investeringen" voor de toekomst. De beleidsmakers van the National Science Foundation (National Science Board) - het wetenschappelijke politieke adviesorgaan voor de president en het Congres - rapporteerde in een uit 1992 daterende studie dat de uitgaven voor Research and Development [R&D; onderzoek en ontwikkeling] tot een "gevaarlijk" niveau zijn gedaald. De uitgaven door het bedrijfsleven, die daarvóór nog gestaag groeiden, bleven vanaf 1985 steken op een constant niveau ( in dollars). Als deze trends doorzetten zou dat wel eens fataal kunnen zijn voor de "concurrentiepositie van de VS op technologisch gebied," aldus de vice-voorzitter. De National Science Board, die slecht management en bedrijfsschulden aanwijst als de oorzaken, bericht dat de VS voor wat betreft uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling achterblijft bij haar belangrijkste handelsconcurrenten en dat zij 25 procent minder uitgeeft aan niet-mililitair onderzoek. De schulden van het bedrijfsleven namen zo'n hoge vlucht dat "toen in juli 1990 de recessie begon, 44 procent van de bruto winsten opging aan de rente op schulden, meer dan twee keer het gemiddelde over de jaren '60 en '70, schrijft de econoom Robert Pollin. Geldleningen werden gebruikt voor consumptie en financiële speculatie. Dit is inclusief één biljoen dat werd uitgegeven aan fusies en acquisities (overnames), zonder dat er duidelijke economische redenen voor waren, al zijn de gevolgen voor de schuldenlast duidelijk genoeg en de afname met 5 procent van de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling. Ter vergelijking; bij bedrijven die zich niet inlieten met deze praktijken stegen de uitgaven voor R&D, volgens de the National Science Foundation, in de periode 1986-1987 met vijf procent.16

De afgelopen 40 jaar is de industriële politiek van de VS gebaseerd geweest op het Pentagon systeem dat wordt gekenmerkt door regelmatige steun aan high-tech industrieën en een door de staat gegarandeerde markt om het besluitvormignsproces voor het management niet al te ingewikkeld te maken. Als er behoefte bestond aan een stimulans van de overheid verzon men gewoon een levensbedreigende situatie: de Koreaanse oorlog in 1950, de "missile gap" [het verschil in langeafstandsraketten tussen de Amerikanen en de Russen, dat veiligheidsrapporten altijd werd voorgesteld alsof de Russen een enorme voorsprong hadden, terwijl het in werkelijkheid precies andersom was, noot vertalers] van de regering Kennedy, de nakende greep naar de wereldmacht door de Russen, en het "venster van kwetsbaarheid" dat stamde uit het einde van de regeringsperiode Carter en het begin van Reagan. Hoewel het bedrog in elk van deze gevallen evident was, waren de macht en het despotisme van de Sovjet-Unie reeël genoeg. En dat was voldoende. Door de grootschalige overheidbemoeienis met de economie waren de VS hun concurrenten in de geavanceerde technologische sectoren ver vooruit. Ideologen en topmensen uit het bedrijfsleven geven nu toe dat de overheid "een belangrijke pijler van de economie was." Zij betreuren nu het verdwijnen van de Sovjet-gevaar dat immers altijd kon worden aangehaald om zich te verzekeren van overheidssteun. Een hooggeplaatste econoom aan de Boston Federal Reserve Bank constateert dat in de na-oorlogse periode recessies werden beëindigd door defensieuitgaven en dat "een toename van de defensieuitgaven nu meer zou betekenen voor de economie dan ooit." Menig econoom beschouwt de afname van millitaire aankopen als de belangrijkste oorzaak van de recessie onder Bush. Deze bij fabrieken geplaatste orders namen niet alleen een aanzienlijk deel van de productie van goederen en diensten voor hun rekening, maar hadden ook een sneeuwbaleffect doordat zij werkgelegenheid creeërden in bedrijven die consumptiegoederen produceren voor de relatief goedbetaalde arbeiders in bedrijven die dankzij de subsidie van de belastingbetaler winstgevend zijn."De klap is groter dan de cijfers doen vermoeden," aldus de conservatieve econoom van het American Enterprise Institute [Amerikaans Ondernemersinstituut], Herbert Stein. "Het plotselinge uiteenvallen van de Sovjet-Unie", schrijft economisch correspondent van de New York Times Louis Uchitelle, heeft de methode ondermijnd die was ingesteld om de economie na de Tweede Wereldoorlog gaande te houden. Hierdoor zijn "toonaangevende militaire bedrijven" zoals General Electric in het bijzonder en de high-tech industrie in het algemeen in de problemen geraakt.17

Nu de oude voorwendsels hun beste tijd hebben gehad, is het niet meer zo makkelijk om de loftrompet te steken over de vrije markt en tegelijkertijd te blijven snoepen uit de gemeenschapspot. Dus zoekt men naar nieuwe methoden.

Ondertussen is het accent bezig te verschuiven naar andere sectoren en dan vooral naar de biotechnologie. De farmaceutische- en de agro-industrie hebben, net als andere sectoren van de economie die het goed doen, altijd geprofiteerd van overheidssubsidies voor onderzoek, ontwikkeling en marketing. Deze sectoren krijgen nu een steeds grotere rol in de planning voor de komende jaren. In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog leidde onderzoek tot het ontstaan van electronica- en computerbedrijven. Tegenwoordig schieten op grond van ongeveer dezelfde mechanismen rondom de onderzoeksinstituten de biotechnologische bedrijven als paddenstoelen uit de grond.

De Amerikaanse National Institutes of Health (NIH; Nationale Instituten voor Gezondheid) zijn momenteel bezig met "de grootste race voor eigendom sinds de grote land rush van 1889," zoals de Wall Street Journal het omschrijft. In dit geval gaat het om "het veiligstellen van duizenden Amerikaanse patenten op stukken genetisch materiaal - DNA - waarvan de NIH-wetenschappers denken dat het gaat om fragmenten van onbekende genen." De NIH legt uit dat het doel is om er voor te zorgen dat Amerikaanse bedrijven de biotechnologische handel zullen domineren, waarvan de regering verwacht dat "de jaarlijkse opbrengsten 50 miljard dollar zullen bedragen in het jaar 2000" en nog veel meer daarna. Een patent op een gewone menselijke bloedcel biedt een bedrijf uit California de mogelijkheid "op een monopoliepositie in de markt voor een breed spectrum van levensreddende technologieën." Om maar een voorbeeld te noemen. De handel in biotechnologie kon van start gaan na een uitspraak van de Hoge Raad in 1980, waarbij er een patent werd toegekend op een micro-organisme dat olie kan afbreken dat werd ontwikkeld door middel van genetische manipulatie, aldus de Wall Street Journal. Ook medische procedures, zoals beenmerg transplantaties en gentherapieën zullen worden beschermd door patenten. Hetzelfde zal gelden voor gemanipuleerde dieren en zaden.

Dit gaat over de beheersing van de kern van het leven. In vergelijking hiermee gaat electronica nog over leuke hebbedingetjes.

Buitenlandse regeringen, tot zover zij daar toe in staat zijn, zullen dit niet over zich heen laten gaan. Ook wetenschappers, zowel uit de VS als uit de rest van de wereld, hebben zich tegen deze onderneming uitgesproken. Een cynische wetenschapper merkte op dat als de pogingen van de regering en industrie worden doorgezet, op een goede dag ouders royalties zullen moeten betalen voor het krijgen van kinderen. Op een bijeenkomst van de National Academy of Sciences ( NAS; Nationale Academie van Wetenschappen) werd "er gewaarschuwd dat de VS en de internationale genetica-gemeenschap zich nog steeds uit alle macht verzetten tegen de stappen van de NIH," aldus het blad Science. Afgevaardigden van de Amerikaanse en Europese wetenschappelijke organisaties "stellen dat als de NIH de kans krijgt om door te gaan, er een stormloop op patenten zal komen die de internationale samenwerking zal vernietigen en de ontwikkeling van producten in de weg zal staan." Op de eerste Zuid-Noord Human Genome Conference (Conferentie over het Menselijk Genoom) werd unaniem een resolutie aangenomen waarin stond dat "intelectueel eigendom gebaseerd moet zijn op de toepassingen van sequenties en niet op de sequenties zelf." Vooraanstaande Europese wetenschappers riepen op tot een internationaal verdrag om de patentering van louter genetische sequenties te verbieden. Een afgevaardigde van de (Amerikaanse) Industrial Biotechnology Association merkte op dat de industrie ook zo zijn bedenkingen heeft, maar dat de organisatie "gelooft dat de NIH geen andere keuze heeft dan door te gaan met de aanvragen." De directeur van de NIH, Bernardine Healy, zei dat de NIH zal doorgaan "met het veiligstellen van haar belangen - en die van de belastingbetalers," waarbij die laatste groep een eufemisme is voor hen die de winsten zullen opstrijken. Sociaal beleid in het staatskapitalistische systeem betekent vaak niet meer dan een welvaartsstaat voor de rijken.

In maart 1992 kwam Senator Mark Hatfield met een wetsvoorstel voor een moratorium op het patenteren van genetisch gemanipuleerde organismen, dat hij echter weer introk na "brede tegenwerking vanuit de industrie, met name de grootscheepse lobby van de Industrial Biotechnology Association," volgens de nieuwsbrief van de health research industry (gezondheidsonderzoek industrie). Ook vertegenwoordigers van de regering en de Congressional Biotechnology Caucus (Commissie Biotechnologie van het Congres) lobbyden tegen het wetsvoorstel. Door een moratorium "zouden we onze voorsprong in de biotechnologie verspelen. Patentrechten zijn de sleutel voor grotere investeringen die nodig zijn voor de ontwikkeling van producten," beweerde de minister voor Gezondheid en Sociale Zaken. Ondertussen werd in een onderzoek van de National Academy of Sciences and Engineering (Nationale Academie voor Wetenschappen en Techniek) het voorstel gedaan om een semi-overheidsbedrijf op te richten met 5 miljard dollar "om overheidsgeld over te hevelen naar toegepast onderzoek van het bedrijfsleven": onderzoek uit de algemene middelen die uiteindelijk privé-winsten zullen opleveren. In een ander onderzoek met de titel De Rol van de Regering in Technologieën voor de Burgers: het Opbouwen van een Nieuwe Alliantie, wordt opgeroepen om hernieuwde energie te steken om de "nauwe en lang gevestigde" banden tussen regering en industrie "die de basis zijn van de commerciële biotechnologische industrie" uit te breiden. Er wordt de aanbeveling gegeven om een door de overheid betaalde "Civilian Technology Corporation" (Burger Technologiebedrijf) op te richten om de Amerikaanse industrie te ondersteunen in het commercialiseren van de technologie door het aanmoedigen van "coöperatieve ondernemingen voor onderzoek & ontwikkeling op pre-commerciële gebieden." Deze ondernemingen zijn "coöperatief" - dat wil zeggen dat de kosten door de bevolking moet worden gedragen - tot dat er een product ontwikkeld is. Vanaf dat moment kan er winst gemaakt worden en moet de overheid de onderneming overdragen aan het bedrijfsleven.18

Een logisch uitvloeisel van het "afschuwelijke principe van de meesters," zoals Adam Smith het noemt, in een staatkapitalistische samenleving is dat er uit de algemene middelen iets wordt op gebouwd en dat de uiteindelijke winsten vervolgens naar het bedrijfsleven gaan.

Een paar weken na het verschijnen van deze rapporten trad het hoofd van de NIH af, met vrijwel zijn gehele staf, om een eigen laboratorium op te zetten met een kapitaal van 70 miljoen dollar van een groep speculatieve investeerders. De voorzitter van de financieringsonderneming "zei dat hij zich opeens realiseerde dat er een internationale race gaande was om het menselijk genoom vast te leggen," en dat de NIH niet voldoende fondsen tot zijn beschikking had om te winnen; "Opeens zei ik tegen mezelf, 'Mijn God - als dit niet op een goede manier wordt aangepakt in de Verenigde Staten, dan is dat het einde van de biotechnologie in de VS'." Misschien dat er ook nog wel een paar stuivers over blijven voor de weldoeners die de Amerikaanse economie proberen te redden, die de rechten behouden op ieder product dat er wordt ontwikkeld. Wetenschappers "zijn verbijsterd door de mogelijkheid dat het menselijk genoom zou kunnen worden vastgelegd en beheerd door privé-investeerders." Zij merken eveneens op dat de techniek die gebruikt wordt om het gen te isoleren wordt losgekoppeld van het wetenschappelijke werk, namelijk het determineren van de functies van genen die al gepatenteerd zijn. Alle wetenschappers roepen op tot internationale afspraken om dit soort patenten te verbieden. Vooralsnog gaat de race om de toekomstige biotech industrie in patenten vast te leggen gewoon door.19

Door deze ontwikkelingen zijn de VS er nog meer op gebrand om hun eisen ter bescherming van "intellectueel eigendom" - waaronder patenten - door te drukken op de gestaag voortgaande GATT [voorganger van de World Trade Organisation (WTO), de Wereldhandelsorganisatie, noot vertalers] onderhandelingen. "De Amerikaanse belangstelling voor intellectueel eigendom is in het geheel niet altruïstisch," merkt de Economist op. "Variërend van films tot microchips heeft Amerika in 1990 een gezond handelsoverschot van 12 miljard dollar op de handel in ideeën," terwijl de meeste andere ontwikkelde landen verlies draaien en de Derde Wereld niet eens meedoen. Deze nieuwe protectionistische maatregelen zijn bedoeld om er voor te zorgen dat het Amerikaanse bedrijfsleven de gezondheids- en landbouwindustrie zullen domineren, waardoor ze de controle krijgen over de essentie van het menselijke leven; en waarmee uiteraard gingantische winsten voor Amerikaanse farmaceutische bedrijven worden gewaarborgd. De prijzen van de 20 meest gebruikte geneesmiddelen op recept zijn in de periode van 1984 tot 1991 gestegen met een factor vier maal boven inflatie, volgens een studie uit 1992. De winsten van de farmaceutische bedrijven vlogen helemaal de pan uit; bijna de helft van de jaarlijkse omzetstijging van 10 procent werd besteed aan marketing, winsten en administratieve uitgaven.

"Fundamenteel biomedisch onderzoek wordt al sinds lange tijd zwaar gesubsidieerd door de Amerikaanse belastingbetaler," valt te lezen in de business pagina's van de New York Times: "high-tech farmaceuten danken hun ontstaan grotendeels aan deze investeringen en aan Regeringswetenschappers," betaald met miljarden dollars belastinggeld. Maar de medicijnen zijn zó duur dat ze niet beschikbaar zijn voor een groot deel van de bevolking die de ontwikkeling ervan heeft gesubsidieerd, om het maar niet te hebben over de rest van de wereld. De bescherming van "intelectueel eigendom" is zo ontworpen dat monopoliewinsten gegarandeerd zijn voor de door de overheid gesubsidieerde ondernemingen, niet voor hen die er voor betaald hebben; en wordt het Zuiden het recht ontnomen om medicijnen, zaden en andere noodzakelijkheden te produceren tegen een fractie van de prijs.

Om dezelfde redenen hebben de VS geweigerd om een verdrag te ondertekenen ter bescherming van de biodiversiteit van de aarde. De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, Curtis Bohlen, zei dat het verdrag "niet voldoende bescherming bood voor de patenten van de Amerikaanse bedrijven die de biotechnologie overbrengen naar de ontwikkelde landen," en dat het verdrag "probeert om genetisch gemanipuleerd materiaal te reguleren, een gebied met grote concurentie waarin de Verenigde Staten een leidende rol hebben," zo viel te lezen in de New York Times.20

De Internationale Handelscommissie van de VS schat dat Amerikaanse bedrijven 61 miljard dollar zullen verdienen aan de Derde Wereld als de "intellectuele eigendomsrechten" worden beschermd in overeenstemming met de eisen van VS. De kosten voor het Zuiden zullen naar schatting tussen de 100 en 300 miljard dollar bedragen, wanneer men dat extrapoleert naar de andere industriële landen. Hierbij vergeleken is de huidige kapitaalstroom van Zuid naar Noord in de vorm van aflossing van schulden slechts een schijntje. Door de Amerikaanse eisen zullen de arme boeren royalties moeten betalen aan multinationals voor het gebruik van zaden, daar hen het traditionele recht op hergebruik van zaden van de oogst wordt ontnomen. Gekloonde variaties van commerciële gewassen voor de export door het Zuiden (palmolie, katoen, rubber, enzovoorts) zullen ook commercieel eigendom zijn en worden onderworpen aan stijgende royalties. "Zij die zullen profiteren zijn vooral het handjevol zaad- en farmaceutische bedrijven die meer dan 70 procent van de wereldhandel in zaad controleren," en de landbouwindustrie in het algemeen, merkt Kevin Watkins op.21

Terwijl de VS zich inspannen om het monopolie voor de toekomst zeker te stellen, slaan de farmaceutische bedrijven op vrolijke wijze een slaatje uit de verzamelde kennis van de inheemse culturen voor producten die jaarlijks een slordige 100 miljard dollar aan winsten opleveren. De inheemse volken die de wetenschappers op weg helpen in de speurtocht naar medicijnen, zaden en andere producten en die zij de afgelopen duizenden jaren hebben ontwikkeld en verfijnd, krijgen hiervoor vrijwel niets terug. "De jaarlijkse waarde op de wereldmarkt voor medicijnen die zijn afgeleid van medicinale planten die zijn ontdekt door inheemse volkeren is 43 miljard dollar," volgens de schatting van de ethno-botanist Darrell Posey. "Minder dan 0,001 procent van de winsten van de medicijnen die hun oorsprong hebben in traditionele medicijnen is ooit toegekomen aan de inheemse bevolkingen die de wetenschappers de weg hebben gewezen." Winsten van gelijke grootte komen van de natuurlijke insecticides, insectenwerende middelen en genetische materialen van planten, schat Posey. Alleen al de internationale zaadindustrie neemt zo'n 15 miljard voor zijn rekening, voornamelijk gebaseerd op genetische materialen van variaties van gewassen die zijn "geselecteerd, verzorgd, verbeterd en ontwikkeld door innovatieve boeren uit de Derde Wereld over een periode van honderden, zelfs duizenden jaren," voegt Maria Elena Hurtado hier aan toe.22

Alleen de kennis van de rijken en machtigen verdient bescherming.

De directeur van de Indiaase Werk Groep voor Patent Wetgeving merkt op dat "de tegenstrijdigheden en hypocrisie ontstellend zijn." De rijken "roepen op tot concurrentie, maar wat ze willen is een monopolie. Het is chantage. Wat ze nu proberen door middel van economische wetgeving werd vroeger gedaan met invasielegers en bezettingen." De manager van een farmaceutisch bedrijf uit Bombay voegt er aan toe dat het Westen "hun eigen opkomende industrieën hebben beschermd en door middel van wereldwijde piraterij hun rijkdommen hebben opgebouwd. Ze pleiten er nu voor dat andere landen zich gaan houden aan regels waaraan zij zich zelf nooit hebben gehouden." De ontwikkelde landen "stonden zelf pas patenten op producten toe, nadat zij hun eigen binnenlandse industrie en infrastructuur hadden opgebouwd. Voor farmaceutische producten gelden in Duitsland pas vanaf 1966 patentrechten, in Japan was dat vanaf 1976 en in Italië vanaf 1982." Het resultaat van de economische wetgeving zal zijn dat landen als India ervan worden weerhouden om levensreddende medicijnen te maken tegen een fractie van de kosten die worden berekend door de staatsgesubsidieerde bedrijven in de rijke landen.

Net als andere ontwikkelde landen houden de VS zich niet aan de regels die ze aan anderen opleggen. In de 19e eeuw verwierpen de VS buitenlandse aanspraken op intellectueel eigendom met het argument dat het hun economische ontwikkeling zou schaden. Voor Japan geldt hetzelfde. Maar vandaag de dag is het concept van de "intellectuele eigendomsrechten" zo in elkaar gezet dat het in overeenstemming is met de behoeftes van de machtigen. Op precies dezelfde wijze als dat het geval is met het fenomeen "vrijhandel".23

Het pakket aan maatregelen van de heersers wordt door het Zuiden als "een daad van ongebreidelde piraterij" gezien, merkt Watkins op, verwijzend naar het feit dat het door Westerse ondernemingen gebruikte genetische materiaal om hun gepatenteerde en beschermde producten te fabriceren ontleend is aan de in vele generaties gecultiveerde gewassen en wilde planten uit de Derde Wereld. De zaad- en farmaceutische bedrijven "oogsten op deze manier monopoliewinsten, terwijl het genie van de boeren uit de Derde Wereld in het selecteren en ontwikkelen van de verschillende soorten zaad niet wordt beloond." Deze Nieuwe Wereldorde in al haar verschillende facetten wordt door de vooraanstaande Egyptische krant, al-Ahram, omschreven als "in wetgeving vastgelegde internationale piraterij," in dit specifieke geval refererend aan de pogingen van de regering-Bush om een confrontatie met Khadaffi te fabriceren, voor binnenlands gebruik op een wijze die routine is. De terminologie is treffend en juist.24

De ongebreidelde piraterij wordt een steeds nijpender probleem nu de inheemse landbouw en kennis worden ondermijnd door de druk op het Zuiden om de productie voor de binnenlandse markt in te ruilen voor de in ecologisch opzicht uitputtende landbouwexport ten behoeve van multinationals. Eén van de consequenties is dat de biologische reserves van de wereld - grotendeels te vinden in het Zuiden - aan het afnemen zijn, waarmee de gevaren van ziektes en aantasting in potentie een ernstig probleem kunnen worden. Wat voor oplossingen er ook zullen worden bedacht door de biotechnologie, áls er al oplossingen worden gevonden, het resultaat zal zijn dat er nog meer macht en rijkdom in handen van de heersers van de wereld zal komen, als de eisen van de bedrijven voor meer protectie worden verwezenlijkt. Dat staat eigenlijk al vrijwel zeker vast, als we de verdeling van macht in ogenschouw nemen en de manier waarop de besluitvorming zich voltrekt, volledig geïsoleerd van de bevolking, in dit nieuwe koloniale tijdperk.

 

Hyper-Noten

 

1  Rabe, Road, 129.
2  Asia Watch, Human Rights; Shorrock, Third World Quarterly, oktober 1986. Harvard Human Rights Journal 4, Lente 1991; zie mijn artikel in Peters, Collateral Damage.
3  Fitzgerald, Between, citeerd Ryutaro Komiya, et al., Industry Policy of Japan (Tokyo, 1984; Academic press, 1988). Johnson, National Interest, herfst 1989.
4  Amsden, "Diffusion of Development: the Late-Industrializing Model and Greater East Asia," AEA Papers and Proceedings, 81.2, Mei 1991. Zie met name van haar hand Asia's Next Giant. Smith, Industrial Policy; citeerd Hollis Chenery, Sherman Robinson en Moises Syrquin, Industrialization and Growth: A Comparative Study (Oxford, 1986). Brazil, zie hoofdstuk 7. Comparisons, zie DD, hfdst. 7.7.
5  Francis, CSM, Mei 14, 1992. Amsden, op.cit. Huelshoff, Sperling, in Merkl, Federal. Ronald van de Krol, FT, 28 september; Economist, 23 mei 1992. Dertouzos et al., Made in America. Felix, "On Financial Blowups and Authoritarian Regimes in Latin America," in Jonathan Hartlyn en Samuel A. Morley, eds., Latin American Political Economy (Westview, 1986). Eveneens Lazonick, Business Organization, 43. Ibid., over de rol van banken in de Duitse industriŽle ontwikkeling. Gerschenkron, Economic Backwardness, Landes, Unbound, voor uitgebreide discussie.
6  Bils, geciteerd door Du Boff, Accumulation, 56. Bartel, editor, Challenge, juli/augustus 1992. Zie Du Boff over dit onderwerp in het algemeen. Brady, Business, over de 20-er en 30-er jaren. Een klassieke studie over het loslaten van de vrije markt komt van Polanyi, Great Transformation. Voor verdere verwijzingen, zie DD, hfdst. 1, noot 19.
7  Lazonick, Business Organization.
8  Taylor, Dollars & Sense, november 1991.
9  Steven Elliott-Gower, adjunct-directeur van het Center for East-West Trade Policy, Universiteit van Georgia, NYT News Service, 23 december 1991. Jeffrey Smith, WP weekly, 18-24 mei; Korb, CSM, 30 januari; Schweid, BG, 15 februari 1992. Hartung, World Policy Journal, Lente 1992. De ambitieuze plannen werden niet gerealiseerd, volgens het rapport van de Congressional Research Service in juli 1992, terwijl de verkoop in 1991 afnam. Alhoewel de VS nog steeds 57 procent van de wapenverkoop aan de Derde Wereld voor haar rekening neemt; Robert Pear, NYT, 21 juli 1992.
10  Over Voedsel voor Vrede, zie NI, 363, en de daar geciteerde bronnen, met name Borden, Pacific Alliance. Hogan, Marshall Plan, 42-3, 45. Analyse van het Minsterie van Handel, Wachtel, Money Mandarins, 44f. BW, 7 april 1975.
11  Nasar, NYT, 7 februari; "Furor on Memo at World Bank," NYT, 7 februari; Reuters and Peter Gosselin, BG, 7 februari 1992. Economist, 8 februari, 15 februari 1992 (brief van Summers).
12  MacEwan, Dollars & Sense, november 1991. Hegel, Philosophy, 36.
13  "Criminalizing the Seriously Mentally Ill"; Anita Diamant, BG, 10 september 1992. Falco, en andere artikelen, Daedalus, "Political Pharmacology," zomer 1992. James McGregor, WSJ, 29 september 1992; dit voorpagina verhaal over opium uit Birma in China laat volledig achterwege wat de belangrijke rol van de CIA was in het creŽren van deze vloek; zie McCoy, Politics. Victoria Benning, BG, 27 juni 1992.
14  Paul Hemp, BG, 30 augustus 1992.
15  Louis Ferleger en Jay Mandle, Challenge, juli/augustus 1991. De hoogte van belasting in de VS is in vergelijking met Japan (95%) en West-Europa (71%) laag, aldus de geciteerde getallen van de econoom Herbert Stein, die daarmee kritiek heeft op de "mythe" dat de Amerikaanse belastingen hoog zijn in internationale of historische vergelijkingen; WP Weekly, 7 september 1992.
16  Sonia Nazario, WSJ, 5 oktober 1992. Wachtel, op. cit., "Afterword"; John Zysman, "US power, trade and technology," International Affairs (London), januari 1991. Benjamin Friedman, NYRB, 13 augustus; CSM, 14 augustus; Science, 21 augustus; Pollin, Guardian (NY), augustus 1992.
17  Uchitelle, NYT, A1, 12 augustus 1992.
18  Michael Waldholz en Hilary Stout, "Rights to Life," WSJ, 7 april; Leslie Roberts, Science, 29 mei 1992. The Blue Sheet, 8 & 15 april 1992.
19  Gina Kolata, NYT, 28 juli 1992.
20  Economist, 22 augustus 1992. Richard Knox, BG, 11 september 1992, studie van de Families USA Foundation; ook medicijnfabrikanten ondersteunden deze conclusies. Fazlur Rahman, NYT, 26 april; William Stevens, NYT, 24 mei 1992.
21  Watkins, Fixing, 94-5.
22  "Intellectual Property Rights," Anthropology Today (UK), augustus 1990.
23  Jeremy Seabrook, Race & Class, juli 1992. Watkins, Fixing, 96.
24  David Hirst, Guardian (London), 23 maart 1992.

Met dank aan Noam Chomsky.

Inhoud
Bibliografie en Afkortingen
NoamChomsky.com
Noam Chomsky Archive




Terug