De Vloek van Columbus

Van Kolonialisme tot de Nieuwe Wereldorde

Het Jaar 501, De Verovering Gaat Door
Noam Chomsky, Copyright © 1993

Vertaling van 'Year 501: The Conquest Continues' van Noam Chomsky
Dit deel verscheen als bijlage bij Extra! nummer 26 in januari 2004

hoofdstuk 11: De Derde Wereld in eigen land

1. De Paradox van 1992
2. Een strijd op leven en dood
3. Overleggen met onze buren

1. De Paradox van 1992

Als men de veroveringen uit de afgelopen 500 jaar slechts beschouwt als een strijd tussen de Europeanen – in de meest brede zin – en de onderworpen gebieden dan gaat men voorbij aan het centrale thema. Zoals Adam Smith benadrukte, de belangen van de ‘architecten van het beleid’ vallen niet samen met die van de bevolking; de binnenlandse klassenstrijd is een onlosmakelijk onderdeel van de verovering van de wereld. "Europese samenlevingen werden ook gekoloniseerd en geplunderd." Alhoewel de "beter georganiseerde" gemeenschappen, met "instituties voor economische regulatie en politieke zelf-organisatie" en een traditie van verzet, er voor gezorgd hebben dat bepaalde basisrechten behouden bleven en zelfs – door aanhoudende strijd – zijn uitgebreid 1

Door het beëindigen van de welvaartsstaat en het begin van het "nieuwe imperiale tijdperk" is deze binnenlandse klassenstrijd verscherpt. Een gevolg van de globalisering van de economie is dat de VS steeds meer karakteristieken van de Derde Wereld overnemen. Ze glijden gestaag af naar een twee-rangen maatschappij waarin grote delen van de bevolking overbodig zijn voor het vermeerderen van de rijkdom van de machthebbers. Meer dan ooit moet het gepeupel ideologisch en fysiek onder de duim worden gehouden. Het is daarbij belangrijk te voorkomen dat zij onderling contacten onderhouden en organisaties hebben die hen vertegenwoordigen, hetgeen de voorwaarde is voor constructief denken en sociaal handelen. "De kranten hebben ons één voor één een rad voor de ogen gedraaid en ons ervan overtuigd ‘hoe goed het tegenwoordig’ is," schrijft T-Bone Slim: "We krijgen niet meer de gelegenheid om met onze buren te overleggen om er achter te komen of de pers de waarheid spreekt. "2 Een grote meerderheid van de bevolking beschouwt het economisch systeem als "in de kern oneerlijk" en denkt over de Vietnamoorlog niet in termen van "vergissing" maar van "principieel fout en immoreel." Terwijl de VS zich in 1991 voorbereidden om Irak te bombarderen was de meerderheid voorstander van onderhandelingen (in plaats van oorlog), enzovoorts. Het blijven echter de persoonlijke opvattingen van individuen. Democratie en vrijheid, die hieruit zouden kunnen voortvloeien en waar men zo bevreesd voor is, vormen geen enkel gevaar zolang er geen goede manier wordt gevonden "om met onze buren te overleggen." Wat de gedachten van het individu ook mogen zijn, als collectief marcheren we gewoon door. Geen enkele presidentskandidaat kan bijvoorbeeld zeggen: "Ik was op principiële gronden tegen de Vietnamoorlog en het is mijn morele plicht om hen te ondersteunen die weigerden om in een oorlog te vechten die ‘principieel fout en immoreel’ was."

Voor iedere regeringsvorm zal het streven naar gehoorzaamheid uitermate belangrijk zijn. Niemand zou zich er over moeten verbazen dat er ideologische instituten bestaan om deze gehoorzaamheid te bewerkstelligen, en dat de cultuurmanagers die hierbinnen de leiding voeren ons de juiste weg tonen. De enige denkbare uitzondering hierop zou een maatschappij zijn met een eerlijke verdeling van de rijkdommen en directe deelname aan de besluitvorming door de bevolking: dat wil zeggen, een democratische maatschappij met libertaire sociale structuren. Maar een daadwerkelijke, inhoudelijke democratie is een ideaal dat in de verre toekomst ligt. Zij wordt beschouwd als een gevaar dat afgewend, niet als iets waardevols dat bereikt moet worden: de "onwetende en bemoeizuchtige buitenstaanders" moeten weten wat hun plaats is, namelijk die van toeschouwers, zoals Walter Lippmann dit oeroude thema onder woorden bracht. In de huidige missie wordt geprobeerd om zelfs iedere gedachte omtrent het uitoefenen van invloed op het eigen lot uit de hoofden van het gepeupel te verwijderen. Ieder individu dient een geïsoleerde ontvanger van propaganda te zijn, die hulpeloos is ten aanzien van twee externe en vijandige krachten: de regering en het bedrijfsleven, dat het heilige recht heeft om te bepalen in wat voor maatschappij we leven. Van deze twee externe krachten dient het bedrijfsleven in een waas van geheimzinnigheid gehuld te worden: zijn rechten en macht dienen niet alleen onaantastbaar te zijn, maar ook onzichtbaar, onderdeel van de natuurlijke gang van zaken. Er is in dit opzicht al een hoop bereikt.

De retoriek van de verkiezingscampagne uit 1992 illustreert dit proces. De republikeinen roepen op tot vertrouwen in de ondernemer en beschuldigen de "andere partij" ervan dat zij een instrument zijn in handen van sociale technocraten die de plaag van het communisme en de welvaartsstaat (wat is het verschil?) over ons hebben gebracht. De democraten brengen daar tegen in dat zij alleen zullen proberen om de efficiëntie van de private sector te verbeteren. Geen van beide partijen stelt de dictatoriale rechten die het bedrijfsleven over grote delen van het leven en het politieke proces heeft, aan de orde. Kandidaten zeggen "stem op mij" en ik zal dit en dat voor u doen. Er zijn maar weinig kiezers die het geloven, maar nog veel belangrijker is dat een andere gang van zaken ondenkbaar is: dat mensen in hun vakbonden, politieke clubs en andere gemeenschappen hun eigen plannen en projecten formuleren en kandidaten naar voren schuiven om hen te vertegenwoordigen. Het is nog ondenkbaarder dat de bevolking een stem zou hebben in besluitvorming omtrent investeringen, productie, aard van werk en andere basisaspecten van het leven. De minimale voorwaarden voor een daadwerkelijke democratie zijn uit het denken verbannen, een opmerkelijke overwinning voor het ideologische systeem.

Aan de meer totalitaire kant van het politieke spectrum proberen de zelfbenoemde "conservatieven" het gepeupel te verleiden met chauvinisme, religieus fanatisme, familiewaarden en andere standaardtrucs die bij het vak horen. In het buitenlandse commentaren reageerde men verbijsterd op dit spektakel. Naar aanleiding van een bezoek aan de Republikeinse conventie – met zowel de God en Natie-reünie op de openingsdag die nog stamt uit het tijdperk van vóór de Verlichting als het door evangelische extremisten in elkaar gezette partijplatform – en van het feit dat de Democratische kandidaat "zes maal God noemde in zijn welkomstspeech" en "citeerde uit de bijbel," verbaasde de Economist zich er dat de VS het enige land in de geïndustrialiseerde wereld is "dat nog niet klaar is voor openlijk niet-gelovige leiders." Anderen keken vol ongeloof toe hoe een debat tussen de vice-president en een tv-personage de volle aandacht kreeg. Het is tekenend voor de succesvolle uitholling van de formele democratische gang van zaken en de eliminatie van iedere bedreiging voor de macht van het bedrijfsleven.3

Onwillekeurig denkt men bij het huidige debat ter rechterzijde aan eerdere aantijgingen tegen het "liberalisme", met haar roep om "gelijkheid voor vrouwen" en haar ontkennen van de eeuwenoude waarheid dat de "wereld van een vrouw draait om haar man, haar familie, haar kinderen en haar huis" (Adolf Hitler). Of de waarschuwing van diezelfde persoon dat het "een zonde is tegenover de wil van de Almachtige dat vele duizenden van zijn meest begaafde schepselen gedwongen worden ten onder te gaan in het proletarische moeras terwijl Kaffers en Hottentotten opgeleid worden voor de liberale beroepen." In de tegenwoordige versies van dit gedachtengoed kunnen bepaalde woorden niet meer gebruikt worden, maar de suggestie is overduidelijk. Het terugvallen op "culturele" thema’s en het religieus-chauvinistische fanatisme is een klassieke fascistische techniek om juist die mensen te mobiliseren die het leven zuur wordt gemaakt. Met name het aanmoedigen van het "religieus" enthousiasme heeft een lange geschiedenis. E.P. Thompson noemde dit "de psychische methoden van de contra-revolutie". Om de massa’s te temmen wordt "het wanhopige verlangen naar een duizendjarig vredesrijk" aangekweekt: het voeden van de wanhoop over deze wereld die niets te bieden heeft en de onmogelijkheid om hierin verandering te brengen.4

Onderzoek naar de publieke opinie biedt verdere inzichten. Uit een Gallupenquête uit juni 1992 bleek dat 75 procent van de bevolking niet denkt dat de kwaliteit van het leven beter zal worden voor de komende generatie Amerikanen – niet echt verbazingwekkend gezien het feit dat de reële lonen al 20 jaar dalen, met een versnelde teruggang onder het "conservatisme" van Reagan dat er tevens toe leidde dat ook hoger opgeleiden problemen voorzagen. De attitudes van de bevolking worden nog duidelijker door de hedendaagse populariteit van ex-presidenten: Carter staat onbedreigd bovenaan (74 procent) gevolgd door de vrijwel onbekende Ford (68 procent), Reagan krijgt slechts 58 procent, net boven Nixon (54 procent). De afkeer van Reagan is met name hoog onder gewone mensen en "Reagan Democraten," die hem "met de hoogste score [63 procent] de laagste beoordeling gaven van een groot aantal openbare functionarissen." De populariteit van Reagan was altijd al grotendeels een mediaverzinsel; de "grote communicator" werd dan ook snel aan de kant geschoven toen de farce niet langer in stand kon worden gehouden.5

Het enquetebureau Harris meet al 25 jaar de vervreemding van openbare instellingen. Uit hun laatste onderzoek, over 1991, bleek de vervreemding te zijn toegenomen tot 66 procent van de bevolking, het hoogste cijfer ooit. Drieëntachtig procent van de bevolking heeft het gevoel dat "de rijken rijker worden en de armen armer." Men vindt dat "het economisch systeem in de kern oneerlijk is," aldus Humphrey Taylor, topman van Harris. Binnen het politieke systeem is er echter geen plaats voor de noden van de overgrote meerderheid van de bevolking; zij kunnen zelfs nauwelijks onder woorden worden gebracht, laat staan dat iemand er naar luistert. De journalist die verslag doet van deze feiten, haalt er alleen maar uit dat mensen boos zijn op "hun goedbetaalde politici": ze willen "meer macht voor de mensen" in plaats van "meer macht voor de regering." Dat de regering er misschien zou moeten zijn voor en door de bevolking is een gedachte die niet onder woorden kan worden gebracht, noch het idee dat de bevolking misschien het economische systeem wil veranderen, dat door 83 procent wordt beschouwd als "in de kern oneerlijk."6

Een andere enquete toonde aan dat "het geloof in God het belangrijkste onderdeel in het leven van Amerikanen is." Veertig procent " zei dat zij hun relatie tot God boven al het andere plaatsten"; 29 procent koos een "goede gezondheid" en 21 procent een "gelukkig huwelijk." Bevredigend werk werd door 5 procent gekozen en een goede verstandhouding met mensen in de gemeenschap door 2 procent. Dat de wereld misschien iets te bieden heeft in de zin van minimale kenmerken voor een menselijk bestaan, is nauwelijks een overweging. Dit soort resultaten zou je verwachten in een in ontbinding verkerende boerensamenleving. De visioenen over een duizendjarig vredesrijk worden vooral aangetroffen onder zwarten; en ook dat mag geen verbazing wekken, als we in de New England Journal of Medicine lezen dat "zwarte mannen in Harlem minder kans hebben om 65 jaar te worden dan mannen in Bangladesh."7

Wat ook uit het denken is verwijderd is ieder benul van solidariteit en gemeenschapszin. Onderwijshervormingen zijn ontworpen voor die ouders die het kunnen betalen, of in ieder geval gemotiveerd zijn "om vooruit te komen." Het idee dat er iets van een algemene zorg voor kinderen – om het maar niet over anderen te hebben – dient te zijn, moet onderdrukt worden. We moeten "duidelijk maken wat het kost om zonder getrouwd te zijn een kind te verwekken," dat moeten we doen door "die kosten meteen door te berekenen – namelijk vanaf de geboorte van het kind"; de puber die door zwangerschap de school niet afmaakt moet zich realiseren dat haar kind geen hulp van ons krijgt (Michael Kaus). In deze toenemende "cultuur van wreedheid," schrijft Ruth Conniff, "zijn de belastingbetaler uit de middenklasse, de politicus en de rijken uit de bovenklasse allemaal het slachtoffer" van de profiterende armen, die gedisciplineerd en gestraft moeten worden voor hun verdorvenheid, zelfs tot in de volgende generaties.

Toen de Caterpillar corporation onderkruipers (vervangende arbeiders) aannam om een staking van de United Auto Workers (UAW) te breken, was de vakbond "met stomheid geslagen" toen deze zag dat werkloze arbeiders zonder contract zonder enige schaamte de demonstratie passeerden, terwijl de arbeiders van Caterpillar nauwelijks enige "morele steun" kregen vanuit hun gemeenschap. De vakbond, dankzij wie "de levensstandaard van de complete gemeenschap waarin haar leden woonden, verbeterd was," had "niet goed begrepen dat de sympathie van het publiek niet bij de vakbond ligt," luidt de conclusie van een onderzoek door drie van de Chicago Tribune – nog een overwinning in de niet-aflatende campagne van het bedrijfsleven die al vele decennia duurt en die de leiders van de vakbonden maar niet onder ogen willen zien. Nog niet zo lang geleden, in 1978, uitte Doug Fraser president van de United Auto Workers kritiek op "de leidinggevenden van het bedrijfsleven" die er voor kozen "om in dit land een eenzijdige klassenstrijd te voeren – een oorlog tegen de werkende mensen, de werklozen, de armen, de minderheden, de kinderen, de ouderen en zelfs tegen de middenklasse in onze maatschappij." Daarmee werd "een tere en ongeschreven afspraak, die stand hield in de voorafgaande periode van groei en vooruitgang," verbroken en afgedankt. In 1978 kwam deze kritiek al veel te laat, en met de gevoerde lijn van de verachtelijke schoothond van de rijken die kort daarop het vaandel overnam, bleef er nog maar weinig over.8

In het onderzoek van de Chicago Tribune werd de nederlaag van de vakbond afgeschilderd als "het einde van een tijdperk, het einde van wat misschien wel de meest trotse creatie van de Amerikaanse vakbeweging in de 20ste eeuw was: een grote middenklasse van geschoolde arbeiders." Dat tijdperk, gebaseerd op een overeenkomst tussen vakbonden en bedrijfsleven in een door de staat gesubsidieerde private economie, was al 20 jaar eerder geëindigd en al lang daarvoor had de "eenzijdige klassenstrijd" een aanvang genomen. Een ander onderdeel van de overeenkomst was dat vakbondleiders accoord gingen "politieke macht in te ruilen voor geld" (David Milton), een ruil die stand hield zolang de heersers er hun voordeel in zagen. Vertrouwen op het woord en de welwillendheid van de meester kon ook tot geen andere uitkomst leiden.

In de campagne die overheid en bedrijfsleven voeren vormt het ideologisch offensief een cruciaal onderdeel om "de crisis van de democratie" te bezweren. Deze crisis wordt veroorzaakt door de pogingen van het gepeupel om hun zegje te doen in de politieke arena, die gereserveerd dient te blijven voor hun meerderen. Eén facet hiervan is het ondermijnen van de solidariteit tussen gewone mensen. In zijn studie naar de verbeelding van arbeid in de media komt Walter Puette met overvloedig bewijs dat vakbonden in speelfilms, op televisie en in de schrijvende pers in het algemeen "niet representatief en venijnig negatief" worden afgeschilderd. Vakbonden worden neergezet als corrupt, als maatschappelijke buitenstaanders, als vertolkers van een "eigenbelang" dat niets met arbeiders van doen heeft, of zelfs als schadelijk voor de belangen van arbeiders en van de bevolking: "on-Amerikaans in hun waarden, strategieën en lidmaatschap." Dit thema "is diep geworteld en heeft een lange geschiedenis in de media". Het "heeft er aan bijgedragen dat de waarden en doelen van de Amerikaanse vakbeweging geen onderdeel meer zijn van de linkse agenda." Dit project vormt sinds lange tijd een stuwende kracht, en wanneer nodig worden de duimschroeven aangedraaid.9

In het onderzoek van de Chicago Tribune staat dat Caterpillar in de jaren ’80 besloot dat de CAO met de United Auto Workers "iets uit het verleden" was: het bedrijf besloot "dat de arbeidsovereenkomst permanent zou worden aangepast door te dreigen de arbeiders te vervangen door anderen." Deze taktiek die in de 19e eeuw standaard was, werd door Ronald Reagan nieuw leven ingeblazen om in 1981 de vakbond van luchtverkeersleiders (PATCO) te slopen. Het is één van de vele methodes die worden toegepast om de vakbonden te ondermijnen en om manieren van doen die normaal zijn in de Derde Wereld ook in eigen land te introduceren. In 1990 bracht Caterpillar een deel van de productie over naar een kleine staalfabriek die was ingezet om de Teamsters vakbond te breken door onderkruipers de productie te laten overnemen: "een vlugge en verbluffende slag voor de arbeiders, en een voorbode." Twee jaar later kwam de klap. Voor het eerst in 60 jaar tijd voelde een belangrijke Amerikaanse fabrikant zich sterk genoeg om het ultieme wapen in de strijd tegen georganiseerde arbeid in te zetten. Dit werd snel daarna door het Congres ondersteund door het recht op staking van treinpersoneel te verbieden, die een conflikt hadden met het management dat leidde tot stilstand van de treinen.

De algemene rekenkamer van het Congres vermeldde dat bedrijven zich veel vrijer voelden om te dreigen met "permanent vervangende arbeiders" nadat Reagan deze truc had gebruikt in 1981. Van 1985 tot 1989 maakten de werkgevers hiervan gebruik door bij één op de drie stakingen te dreigen met vervangende arbeiders, en in 17 procent van de stakingen in 1990 gingen zij daadwerkelijk over tot vervanging van arbeiders. Uit een onderzoek uit 1992 blijkt dat "vier van de vijf werkgevers bereid zijn om het wapen van het vervangen van arbeiders te overwegen," meldt de Wall Street Journal na de staking bij Caterpillar, eenderde zegt het direct te zullen toepassen.

Verslaggever John Hoerr, specialist op arbeidskwesties, maakt duidelijk dat de afname van het inkomen van arbeiders vanaf het begin van de jaren ’70 gelijke tred houdt met de teruggang van het aantal stakingen, dat nu op het laagste niveau staat sinds de Tweede Wereldoorlog. Militante vakbonden brachten tijdens de Great Depression (de jaren ’30, noot vertalers) de eerste – en laatste – politieke overwinningen tot stand, vooral de National Labor Relations Act (Wagner Act) uit 1935. Hiermee had de arbeidersbeweging rechten veroverd die in andere industrielanden al lang ingeburgerd waren. Alhoewel het recht op organisatie al snel werd afgezwakt door uitspraken van de Hoge Raad, duurde het nog tot de jaren ’80 voordat het Amerikaanse bedrijfsleven zich sterk genoeg voelde om terug te keren naar de goede oude tijd, waarmee de VS wederom de normale gang van zaken in de rest van de wereld de rug toekeerden. In reactie op een klacht van de grootste Amerikaanse vakbond AFL-CIO in 1991 merkte de Internationale Arbeids Organisatie (ILO) op dat het recht op staken niets om het lijf heeft als arbeiders het risico lopen hun werk te verliezen ten gunste van vervangende arbeiders. Het ILO adviseerde dat de VS haar beleid zouden herzien in het licht van de internationale normen – ferme taal voor een organisatie die van oudsher verplichtingen heeft ten aanzien van de machtigen die de rekening betalen. Van alle industriële landen zijn het slechts de VS en Zuid-Afrika die de oude methoden om vakbonden te slopen toestaan.10

"Paradox van 1992: zwakke economie, hoge winsten." Deze kop van een hoofdartikel in de economiebijlage van de New York Times toont de gevolgen van de "eenzijdige klassenstrijd" die met hernieuwde hevigheid wordt gevoerd sinds het einde van de welvaartsstaat. "Amerika doet het niet erg goed, maar haar bedrijven doen het prima," begint het artikel, de bedrijfswinsten "bereiken nieuwe hoogten door het vergroten van de winstmarges." Het is een onverklaarbare en onoplosbare paradox. En deze paradox zal alleen maar toenemen zolang de architecten van het beleid kunnen doorgaan zonder tussenkomst van "bemoeizuchtige buitenstaanders."11

Wat deze "paradox" zal betekenen voor de rest van de bevolking wordt duidelijk uit de ontelbare studies naar de verdeling van inkomen, reële lonen, armoede, honger, kindersterfte en andere sociale indicatoren. Een onderzoek dat door het Economic Policy Institute op de dag van de arbeid in 1992 werd gepresenteerd, gaf een gedetailleerd beeld van wat iedereen uit eigen ervaring al wist: na een decennium van Reaganism "werken de meeste Amerikanen meer uren voor lagere lonen en aanzienlijk minder zekerheden," en "een overweldigende meerderheid" is "in vele opzichten slechter af" dan aan het einde van de jaren ’70. Vanaf 1987 zijn de reële lonen gedaald, zelfs voor diegenen die een hogere opleiding hadden genoten. "De omvang van de armoede is groot zelfs in historisch perspectief," en "zij die arm waren in 1989 waren aanzienlijk armer dan de armen in 1979." De armoede nam verder toe in 1991, aldus het Bureau voor Volkstelling (Census Bureau). In een rapport van het Congres dat een paar dagen later verscheen, wordt geschat dat de honger met 50 procent is toegenomen sinds het midden van de jaren ’80 en nu zo’n 30 miljoen mensen treft. Andere studies laten zien dat één op de acht kinderen onder de 12 jaar honger lijdt. Dit probleem ontstond na 1982 nadat allerlei overheidsprogramma’s die tot stand kwamen in de jaren ’60 werden opgeheven. Twee onderzoekers melden dat het aantal kinderen in New York dat opgroeit in armoede meer dan verdubbeld is tot 40 procent, terwijl landelijk gezien "de hoeveelheid hongerende Amerikaanse kinderen is toegenomen met 26 procent" doordat de hulp voor kinderen sterk werd verminderd in "de overdonderend succesvolle jaren ’80" – "één van de meest glorieuze episodes uit de geschiedenis van de mensheid," zoals een woordvoerder van de cultuur van de wreedheid uitriep (Tom Wolfe).12

Wat de precieze gevolgen zijn, blijkt heel duidelijk uit kleinere onderzoeken; bijvoorbeeld, in het Boston City Hospital vonden onderzoekers dat "het aantal kinderen dat door ondervoeding aan ondergewicht lijdt na de koudste wintermaanden op dramatische wijze steeg," omdat ouders voor de verschrikkelijke keuze staan tussen zich warm houden of zich voeden. In de kliniek voor ondervoede kinderen van het ziekenhuis werden in de eerste negen maanden van 1992 meer kinderen behandeld, dan gedurende heel 1991; de wachttijden liepen op tot twee maanden, als gevolg waarvan de leiding gedwongen werd "over te gaan tot een schifting." Sommige kinderen lijden aan een mate van ondervoeding zoals men die alleen in de Derde Wereld ziet en moeten worden opgenomen. Zij zijn de slachtoffers van "de sociale en financiële rampen die de families getroffen hebben" en van de "massale bezuinigingen op sociale programma’s."13 Langs de weg staan mensen met borden waarop staat "Ik werk in ruil voor eten," een beeld dat de zwartste dagen van de Great Depression in herinnering roept.

Maar er is één groot verschil. Hoewel de huidige recessie veel minder erg is, lijkt er tegenwoordig veel minder hoop te zijn dat het nog goed zal komen. Voor de eerste keer in de moderne geschiedenis van een industriële samenleving is er het wijdverbreide gevoel dat het niet beter zal worden, dat er geen uitweg meer is.

 


2. Een strijd op leven en dood

De overwinning van de arbeiders en voor de democratie in 1935 was een grote schok voor het bedrijfsleven. De Nationale Associatie van Industriëlen (NAM) waarschuwde in 1938 voor het "gevaar dat industriëlen boven het hoofd hangt" in "de zojuist gerealiseerde politieke macht van de massa’s"; "Als we er niet in slagen om hun denken te beïnvloeden dan gaat het defintief de verkeerde kant op." Al snel werd er een tegenoffensief ingezet, waarbij het bedrijfsleven zoals vanouds schuilde onder de vleugels van het moorddadig staatsgeweld. Men besefte echter dat dit niet voldoende zou zijn, daarom wierp het Amerikaanse bedrijfsleven zich op "wetenschappelijke methoden om stakingen te breken," op "menselijke relaties," en op enorme prcampagnes om gemeenschappen te mobiliseren tegen de "buitenstaanders" die "communisme en anarchie" prediken en proberen om onze gemeenschappen te vernietigen, enzovoorts. Deze methoden waren een voortzetting van eerdere projecten van het bedrijfsleven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hield het bedrijfsleven zich in, om direct daarna de draad weer zeer kordaat op te pakken. Tegelijkertijd werden de behaalde overwinningen van de arbeiders door wetgeving en propaganda stukje bij beetje teruggedraaid, waaraan ook de top van de vakbonden zijn steentje bijdroeg. Dit alles heeft geleid tot de huidige situatie.14

De schok die de overwinningen van de vakbonden in de jaren ’30 veroorzaakten, was met name zo heftig omdat in kringen van het bedrijfsleven het idee leefde dat vakbonden en democratisering voor eeuwig een halt waren toegeroepen. De eerste waarschuwing kwam in 1932 met de Norris-LaGuardia Act die stelde dat vakbonden niet vielen onder de anti-trust wetgeving. Dit soort arbeidswetgeving was in Engeland al zestig jaar eerder tot stand gekomen. De Wagner Act van 1935 was totaal onacceptabel en is nu door samenwerking tussen de staat, de media en het bedrijfsleven praktisch gezien volledig teruggedraaid.

Aan het einde van de 19e eeuw boekten Amerikaanse arbeiders ondanks het extreem vijandige klimaat toch vooruitgang. In de staalindustrie, het hart van de zich ontwikkelende economie, waren ongeveer evenveel mensen georganiseerd in vakbonden als in Engeland in die periode. Dat zou spoedig veranderen. In een offensief van staat en bedrijfsleven werden de vakbonden door middel van veel geweld uitgeschakeld, en niet alleen in de staalindustrie. In de euforische jaren ‘20 dacht het bedrijfsleven dat het beest voorgoed ten grave was gedragen.

De Amerikaanse arbeidsgeschiedenis is buitengewoon gewelddadig, aanzienlijk veel gewelddadiger dan die van andere industriële landen. Uit het onderzoek van Patricia Sexton blijkt dat er in de periode van 1877 tot 1986 naar schatting 700 stakers zijn gedood en duizenden zijn verwond. Deze cijfers zouden weleens "een veel te lage schatting van de totale hoeveelheid slachtoffers kunnen zijn." Er is namelijk nooit serieus onderzoek naar gedaan. Ter vergelijking: sinds 1911 is er slechts één Britse staker gedood.15

In 1892 werd aan de arbeidersbeweging een enorme klap uitgedeeld, toen Andrew Carnegie de Amalgamated Association of Iron and Steel Workers (AAISW), een vakbond met 60.000 leden, vernietigde door het inzetten van onderkruipers. Alweer een verjaardag die in 1992 zou kunnen worden herdacht, toen de United Auto Workers (UAW) buitenspel werd gezet met dezelfde methoden die zestig jaar lang uit den boze waren. De vooraanstaande historicus Herbert Gutman, specialist op het gebied van de sociale geschiedenis, beschrijft 1892 als "hét beslissende jaar" waarin "het bewustzijn werd gevormd én hervormd van leiders uit de arbeidersklasse, radicalen en vakbondsactivisten." Het toepassen van de staatsmacht voor het bereiken van de doelen van het bedrijfsleven "was overweldigend," en leidde tot "een groeiend bewustzijn onder arbeiders dat de staat steeds ontoegankelijker voor hen was geworden, en geen oog had voor hun politieke en sociale noden en eisen." Dit zou onveranderd blijven tot de Great Depression in de jaren ’30.

Bij de confrontatie in 1892 in Homestead, beter bekend als "de Homestead staking," werden de arbeiders buitengesloten door Carnegie en en zijn plaatselijke manager, de ploertige Henry Clay Frick. Carnegie zelf besloot om op vakantie te gaan naar Schotland om zich te wijden aan de bibliotheken die hij had geschonken. Op 1 juli kondigde de zojuist hervormde Carnegie Steel Corporation aan dat "vanaf nu geen enkele vakbond ooit erkend zal worden door de Homestead Steel Works." De buitengesloten arbeiders zouden op individuele basis opnieuw kunnen solliciteren, meer niet. Het zou "een strijd op leven en dood zijn tegen de georganiseerde arbeid," verkondigde de Pittsburghse pers. Een "doodsstrijd tussen de Carnegie Steel Company Ltd, met 25.000.000 dollar kapitaal en de arbeiders van Homestead," aldus de New York Times.

Carnegie en Frick wisten de arbeiders van Homestead met geweld te verslaan. Allereerst werden de veiligheidsmensen van Pinkerton gestuurd. Toen zij werden verslagen en door de lokale bevolking verbannen, kwam de Pennsylvania National Guard in actie. "Het buitensluiten verpletterde de grootste vakbond in Amerika, de AAISW, en vernielde de levens van haar meest toegewijde leden," schrijft Paul Krause in zijn historische overzicht. Pas na 45 jaar kwamen de vakbonden in Homestead weer tot leven. Maar er waren veel meer gevolgen.

Het kapot maken van vakbonden was slechts één aspect van het algemene project om de arbeiders in het gareel te krijgen. De geschoolde arbeiders moesten ook ontschoold worden, zodat zij nog slechts volgzame werktuigen zouden zijn in de handen van "wetenschappelijk management." Het management was met name gepikeerd over het feit dat in Homestead "de mannen de fabriek runnen en de voorman weinig autoriteit heeft," zoals een functionaris achteraf zei. Het is aannemelijk dat de huidige malaise in de Amerikaanse industrie gedeeltelijk te herleiden is tot het succes van het project om arbeiders "zo stom en onwetend te maken als voor een menselijk wezen mogelijk is," zoals Adam Smith het noemde. Smith waarschuwde dat de regering "er naar moet streven om te voorkomen" dat dit lot de "slechtbetaalde arbeiders" treft als de "onzichtbare hand" haar wrede werk doet (zie hoofdstukken 1 en 4). Maar in plaats daarvan riep het bedrijfsleven de hulp in van de staat om het proces te versnellen. Het elimineren van alle mechanismen om onderling te overleggen is een begeleidend proces in het temmen van de kudde.

Homestead was met name een verleidelijk doelwit omdat de arbeiders daar "goed georganiseerd" waren en ook het lokale politieke leven beheersten. Terwijl een paar kilometer verderop in Pittsburgh de arbeiders het ene nederlaag na de andere moesten incasseren, hield Homestead gedurende de jaren ’80 van de 19e eeuw vastberaden stand. De arbeiders van vele verschillende etnische achtergronden eisten dezelfde rechten "als vrijgeboren Amerikaanse burgers" in wat door Kraus beschreven wordt als een "arbeidersversie van een moderne Amerikaanse republiek," waarin arbeiders in vrijheid een waardig leven zouden kunnen leiden. Homestead was "de meest vooraanstaande arbeidersstad van het land," schrijft Kraus. Het werd Carnegie’s volgende doelwit in zijn aanhoudende campagne om het recht op organisatie te vernietigen.16

Carnegie’s overwinning in Homestead stelde hem in staat om de lonen flink te verlagen, de twaalf-urige werkdag in te voeren, banen te laten verdwijnen en om monumentale winsten te verdienen. Deze "glorieuze staat van dienst was met name te danken aan de overwinning van het bedrijf in Homestead," schreef een historicus in dienst van het bedrijf in 1903. De "vrije markt"-successen van Carnegie steunden niet alleen op het gebruik van staatsgeweld om de vakbonden te breken. Zoals het geval is in andere industrieën, van textiel tot electronica, waren overheidssteun en bescherming doorslaggevend voor het succes van Carnegie. De Pittsburgh Post schreef aan de vooravond van de buitensluiting: "Dankzij de schoonheid van het protectionistische tariefsysteem bloeiden de aandelen van de fabriek op en werden gigantische rijkdommen vergaard," terwijl Carnegie en de zijnen voorbereidingen troffen voor een "enorme verlaging van de lonen van hun werknemers." Carnegie was ook nog een meesteroplichter die Pittsburgh met behulp van de stadsbestuurders oplichtte. Befaamd als pacifist en filantroop, keek hij uit naar "de miljoenen die verdiend zouden gaan worden met pantser" voor de constructie van oorlogsschepen. Hij legde uit dat dit niet strijdig was met zijn pacifistische principes, omdat deze oorlogsschepen ter verdediging waren. In 1890 sloot Carnegie een miljoenencontract met de marine voor zijn nieuwe fabriek in Homestead. "Dankzij … machtige politici en sluwe financiers die opereerden op het hoogste (internationale) regeringsniveau – evenals de achterkamertjes van zakenmannen en stadsbestuurders van Pittsburgh – was Carnegie in staat om zijn gigantische industriële imperium op te bouwen," schrijft Krause: het eerste miljardenbedrijf in de wereld, US Steel. Tegelijkertijd verdedigde de nieuwe marine de VS voor de kusten van Brazilië en Chili, en aan de andere kant van de Stille Oceaan.17

De pers gaf de Company zoals gewoonlijk alle steun van de wereld. De Britse pers schetste een iets ander beeld. De London Times bespotte "deze Schotse-Yankee plutocraat die op een vierspan door Schotland doolt om openbare bibliotheken te openen, terwijl de armzalige arbeiders die hem voorzien van rijkdommen en middelen voor zijn zelfverheerlijking wegkwijnen in Pittsburgh." De ultra conservatieve Britse pers bespotte Carnegie’s gepreek over "de rechten en plichten van rijkdom." Zij deed zijn boek Triumphant Democracy, waarin hij zichzelf bewierookt, af als "een heilzaam stuk satire" in het licht van zijn wrede methoden om stakingen te breken. "In een beschaafd land moet dat niet worden toegestaan, noch zou het noodzakelijk moeten zijn," voegde de London Times er aan toe.

In de VS werden de stakers afgeschilderd als "struikrovers", "afpersers waar de hele wereld van walgt" (Harper’s Weekly), een "Meute gericht op verderf" (Chicago Tribune), "anarchisten en socialisten … die bereid zijn om de Centrale Bank op te blazen" en al het geld uit de schatkist "te jatten" (Washington Post). Eugene Debs was een "wetsovertreder op vrije voeten, een vijand van de mensheid," die in de gevangenis gegooid zou moeten worden (hetgeen snel zou gebeuren), "en er moet snel een einde gemaakt worden aan de wanorde die zijn gepreek heeft veroorzaakt" (New York Times). Toen gouverneur John Altgeld van Illinois aan president Cleveland liet weten dat de verhalen in de pers over de misdrijven van de stakers vaak "pure verzinsels" of "sterk overdreven" waren, nagelde de Nation hem aan de schandpaal als "een pummel, onbeschaamd en onbenullig"; de president zou hem onmiddellijk terecht moeten wijzen wegens "zijn slechte manieren" en "de smerige stank van zijn principes." De stakers zijn "ongure types" van de "laagste allooi," vervolgde de Nation: er zal ze geleerd moeten worden dat de maatschappij "onaantastbaar" is. Er kan niet worden toegestaan dat zij het voor elkaar krijgen om "de handel en wandel van een groots land lam te leggen, zelfs niet voor één dag, alleen maar om tien of twintig cent loon per dag meer af te persen van hun werkgevers.

Niet alleen de pers nam het op voor de noodlijdende zakenman. De zeer gerespecteerde dominee Henry Ward Beecher veroordeelde "de import van communistische en dat soort Europese ideeën als gruwelen. Hun ideeën en theorieën dat de regering paternalistisch zou moeten zijn en zou moeten zorgen voor haar onderdanen en voor werk moet zorgen, is on-Amerikaans … het is de wil van God dat de groten groot zijn, en de kleinen klein." Wat is er toch een hoop veranderd in een eeuw tijd.18

Na de overwinning in Homestead zette het bedrijf door en trachtte de laatste restjes van onafhankelijkheid van de arbeidersbeweging uit te roeien. Een Europese bezoeker aan Homestead in 1900 beschrijft Carnegie’s "Triumphant Democracy" als "Terug naar het Feodale Stelsel." Hij schrijft dat er een sfeer hangt van "teleurstelling en hulpeloosheid," men is er "bang om te praten." Tien jaar later schrijft John Fitch, die met andere stadssociologen onderzoek deed in Homestead, dat de werknemers van het bedrijf weigeren om te praten met vreemdelingen, zelfs in hun eigen huis. "Ze wantrouwen elkaar, hun buren en hun vrienden." Ze "durven niet openlijk over hun overtuigingen te praten," of "bij elkaar te komen om te praten over zaken die voor hen als staalarbeiders van belang zijn." Velen zijn ontslagen "omdat ze het lef hadden een openbare vergadering bij te wonen." Een nationaal vakbondstijdschrift beschreef in 1919 Homestead als de "meest despotische gemeente," toen de 89-jarige Mother Jones in "hun smerige gevangenis werd gesmeten, omdat zij het lef had om te spreken ten bate van de geknechte staalarbeiders." Alhoewel kort daarop enkelen werd "toegestaan om voor het eerst in 28 jaar in Homestead in het openbaar te spreken," herinnerde Mother Jones zich. Dat was de normale gang van zaken totdat de bewegingen in de jaren ’30 een doorbraak forceerden. In deze geschiedenis wordt de relatie tussen organisatie vanuit de bevolking met democratie levendig geïllustreerd.19

Het is niet helemaal terecht om te zeggen dat met het huidige offensief van het bedrijfsleven de organisatie en cultuur van de werkende klasse is teruggebracht tot het niveau van een eeuw geleden. Toentertijd waren de werkende mensen en de armen lang niet zo geïsoleerd als tegenwoordig, noch dat ze zó onderworpen waren aan het door het bedrijfsleven gestuurde ideologische monopolie van de media. "Rond de eeuwwisseling," schrijft Jon Bekken, "publiceerde de Amerikaanse arbeidersbeweging honderden kranten," variërend van lokale en regionale tot aan nationale week- en maandbladen. Deze waren "een geïntegreerd onderdeel van de arbeidersgemeenschappen. Ze brachten niet alleen een overzicht van het nieuws van de dag of van de week, maar boden ook een platform waarin de lezers met elkaar in debat gingen over politieke, economische en culturele zaken." Sommigen waren "net zo groot, en in vele opzichten net zo professioneel als vele van de kapitalistische kranten die gepubliceerd werden." "Net als de arbeidersbeweging zelf omspande deze pers een breed spectrum, variërend van speciale aandachtspunten zoals arbeidsomstandigheden tot aan oproepen voor een sociale revolutie." De socialistische pers alleen al had voor de Eerste Wereldoorlog een oplage van 2 miljoen exemplaren; het belangrijkste tijdschrift, het weekblad Appeal To Reason, had meer dan 760.000 abonnees. De arbeiders "richtten ook een bonte reeks aan gemeenschaps-, fabrieks-, etnische, en politieke organisaties op," die allen deel uitmaakten van "levendige arbeidersculturen" die alle domeinen van het leven besloegen en die in stand bleven tot aan de Tweede Wereldoorlog, ondanks de harde repressie van de overheid met name onder president Wilson. Los van de repressie, bezweek de arbeiderspers uiteindelijk aan de natuurlijke gevolgen van de concentratie van rijkdom: adverteerders richtten zich op de kapitalistische concurrenten die zodoende konden produceren onder de kostprijs. Ook andere marktkrachten droegen hier hun steentje aan bij. Op dezelfde wijze werd in Engeland de enorme arbeiderspers, die stand hield tot in de jaren ’60, om zeep geholpen. Door soortgelijke factoren, en met steun van de federale overheid, werden de pogingen in de jaren ’30 om te voorkomen dat radio praktisch gezien een bedrijfsmonopolie werd, ondermijnd.20

Linkse intellectuelen namen actief deel aan de levendige arbeiderscultuur. Een aantal van hen zetten scholingsprogramma’s voor arbeiders op ter compensatie van het klassenkarakter van de culturele instituties, of schreven goedverkopende boeken over wiskunde, wetenschap en andere onderwerpen voor de gewone mensen. Het is opmerkelijk hoe vaak hedendaagse linkse intellectuelen aan gewone mensen de boodschap verkopen dat ze zich niet moeten bezig houden met deze middelen van emancipatie. De uitleg hierbij is dat het "project van de Verlichting" een doodlopende straat is en dat we de "illusies" van wetenschap en rationaliteit moeten laten varen. Deze boodschap is natuurlijk koren op de molen van de machtigen die met genoegen deze instrumenten voor hun eigen gebruik monopoliseren. Het roept herinneringen op aan de evangelische kerk die soortgelijke lessen aan de wanordelijke massa’s onderwees, zoals hun erfgenamen tegenwoordig nog doen in de boerengemeenschappen in Midden-Amerika.

Het is vooral opmerkelijk dat deze zelf-destructieve tendensen de kop op steken in een tijd dat de overweldigende meerderheid van de bevolking verandering wil brengen aan het "in de kern oneerlijke" economische systeem, en het geloof in de morele basisprincipes van het traditionele socialisme opmerkelijk hoog is (zie hoofdstuk 3). Bovendien is door de val van de Sovjet-tirannie, eindelijk een oude, zich voortslepende belemmering voor het verwezenlijken van deze idealen uit de weg geruimd. Hoe verdienstelijk de persoonlijke motieven ook mogen wezen, deze fenomenen in links intellectuele kringen, zijn naar mijn mening tekenend voor de zoveelste ideologische overwinning van de cultuur van de machtigen. Sterker nog, het draagt bij aan die overwinning. Het zijn dezelfde tendenzen die ook een handje helpen bij de immer voortwoekerende pogingen om de geschiedenis te vervalsen. Tijdens de periodes dat de bevolking in beweging is, zijn er veel meer mogelijkheden om brokstukken waarheid boven tafel te krijgen uit het moeras van "informatie" die door de dienaren van de macht verspreid wordt. Veel mensen grijpen niet alleen de gelegenheid aan om "te overleggen met onze buren," ze leren ook een hoop over de wereld; Indochina en Midden-Amerika zijn hiervan twee uitstekende voorbeelden. Wanneer het activisme afneemt, neemt de klasse van commissarissen, die in hun taak geen moment van rust kennen, de leiding weer in handen. Terwijl linkse intellectuelen in meervoudige lettergrepen met elkaar debatteren, worden eenvoudige waarheden die vroeger zo goed begrepen werden, begraven. De geschiedenis wordt herschreven en dusdanig vervormd dat het kan dienen als machtsinstrument. Op die wijze wordt de basis gelegd voor de volgende fase.

 


3. Overleggen met onze buren

"Van de mannen en vrouwen die in 1892 voor ziel en zaligheid streden, is een belangrijke les te leren die voor onze tijd net zo belangrijk is als het toentertijd was," schrijft historicus David Montgomery, specialist op het gebied van de arbeidersgeschiedenis, in een overzichtsartikel van een serie rapporten over Homestead. "Mensen werken met het doel zich te voorzien in hun materiële behoeften, maar met die dagelijkse inspanning wordt ook een gemeenschap opgebouwd waarvan de betekenis verder gaat dan ieders persoonlijke verrijking. De afgelopen 100 jaar hebben laten zien in hoeverre een gezonde politieke democratie in een moderne industriële samenleving samenhangt met het succes waarmee de werkende bevolking in staat is om persoonlijke en groepsverschillen te overstijgen ten einde hun eigen stem te doen gelden in het vormgeven van hun eigen toekomst. Die strijd voor ziel en zaligheid is nog steeds van belang."21

De gemeenschap van Homestead werd vernietigd door staatsgeweld " dat te hulp was geroepen ter bescherming van de aanspraak van het bedrijfsleven op het ongestoorde gebruik van hun eigendom in het najagen van persoonlijke rijkdom," schrijft Montgomery. De gevolgen voor het dagelijkse leven van de arbeiders waren gigantisch. Nadat in 1919 wederom de pogingen om tot organisatie te komen gestopt werden – in dit geval met behulp van president Wilson’s Red Scare – "was de gemiddelde verplichte werkweek in Amerikaanse hoogovens twintig uur langer dan in de Britse, en ook langer dan in 1914 of zelfs in 1910," merkt Patricia Sexton op. De gemeenschappelijke waarden verbrokkelden. Toen Homestead nog een vakbondsstad was, werden er belangrijke stappen gezet om het traditionele onderscheid tussen geschoolde en ongeschoolde arbeiders, en het woekerende anti-immigrant racisme, tegen te gaan. Immigrantarbeiders, die in die tijd in sterke mate geminacht werden, stonden vooraan in de strijd en werden hiervoor geëerd als "dappere Hongaren, harde werkers, …die strijden voor het goede." "Zulk een eerbetoon van ‘Amerikaanse’ arbeiders werd nog zelden gehoord" in latere jaren, merkt Montgomery op.22

Democratie en burgerlijke vrijheden verdwenen tegelijkertijd met de vakbond. "Als je in Homestead wilt spreken dan spreek je met jezelf," zeiden de inwoners; buitenstaanders waren getroffen door de sfeer van achterdocht en angst. In 1892 was de lokale politiek in handen van de gewone bevolking. In 1919 gaven de stadsfunctionarissen geen toestemming aan mensen van de vakbond om vergaderingen te houden en werden "buitenlandse sprekers" geweerd. Toen door een uitspraak van de rechtbank de vergaderingen niet geweigerd konden worden, werd staatspolitie op het podium geplaatst om "sprekers te waarschuwen geen opruiiende opmerkingen of kritiek op lokale en nationale autoriteiten te uiten" (Montgomery). In andere delen van de VS waren mensen woedend over de behandeling van Mother Jones, maar slechts weinigen konden zich er in Homestead over uitspreken.

Veertig jaar na het vernietigen van de vakbond en de vrijheid "werden rechten voor arbeiders tot stand gebracht, door erkenning van de vakbond, hand in hand met de heropleving van democratie in het politieke leven" in Homestead, vervolgt Montgomery. Werkende mensen organiseren zich, de democratie leeft op; zoals altijd, de mogelijkheid om met onze buren te overleggen op een grondige en systematische wijze is doorslaggevend voor het tot stand brengen van democratie. Priesters in El Salvador weten dit, net zo goed als de vakbondsactivisten uit Homestead, en zeker ook zij die ieder middel aangrijpen om het gepeupel verspreid en tam te houden. De strijd voor democratie en vrijheid verloopt grillig. Gedurende de afgelopen decennia hebben de instituties van macht en hun priesterschap een paar indrukwekkende overwinningen behaald, en wisten zich ondanks een paar serieuze tegenvallers staande te houden.

De tendensen die wijzen op een nieuw imperiaal tijdperk, die door de internationale financiële pers wordt toegejuichd, zijn overduidelijk en ook begrijpelijk. Net als het vervagen van de grenzen tussen Noord en Zuid doordat ook in het leefgebied van de rijken een Derde Wereld vaste grond krijgt. Maar er gebeuren ook dingen, die in een andere richting wijzen. In het gehele Noorden, met name in de Verenigde Staten, is er in de afgelopen dertig jaar veel veranderd, met name op cultureel en moreel vlak. Deze veranderingen zijn zeker nog niet geinstitutionaliseerd. Maar als de vijfhonderdjarige viering van de Oude Wereldorde had plaatsgevonden in 1962, dan zou het net als vroeger worden gevierd als de bevrijding van het halfrond. In 1992 was dat onmogelijk. Net als dat het tegenwoordig onmogelijk is om openlijk te spreken over onze missie om "bomen en Indianen te vellen." De Europese invasie heet nu officiëel een "ontmoeting", en grote delen van de bevolking verwerpen dit eufemisme als iets dat slechts een klein beetje minder beledigend is.

Er zijn nog meer voorbeelden van het verzet tegen het nieuwe imperiaal tijdperk. Bijvoorbeeld het feit dat het Amerikaanse politieke leiderschap zich er terdege van bewust is dat het ongelimiteerd toepassen van staatsgeweld vanuit eigen land wordt belemmerd. Heel veel mensen waren somber over het onvermogen van de vredesbeweging om de Golfoorlog te voorkomen, zonder in te zien dat het misschien wel voor het eerst in de geschiedenis is dat er grootschalige protesten waren vóórdat de bombardementen begonnen. Dat is een radikale verandering in vergelijking met de Amerikaanse aanval op Zuid-Vietnam dertig jaar eerder, met de kanttekening dat er toen bovendien niet eens de schijn was van een goede reden om aan te vallen. Het gerommel uit de jaren ’60 verspreidde zich in de daaropvolgende jaren over brede lagen van de bevolking. Het gevolg hiervan was dat men zich zorgen ging maken over racistische en sexistische onderdrukking, over het milieu en dat er zich een respect ontwikkelde voor andere culturen en voor mensenrechten. Eén van de meest opzienbarende voorbeelden is de ontwikkeling van de Derde Wereld solidariteitsbewegingen uit de jaren ’80, met hun ongekende betrokkenheid bij de levens en het lot van de slachtoffers. Dit proces van democratisering en van de zorg voor sociale rechtvaardigheid zou grote gevolgen kunnen hebben.

Deze ontwikkelingen worden door de machthebbers gezien als gevaarlijk en subversief, en scherp veroordeeld. Ook dat is begrijpelijk: het is namelijk een bedreiging voor wat Adam Smith omschreef als "het afschuwelijke principe van de heersers van de mensheid": "Alles voor onszelf, en niets voor andere mensen." Het verzet dat zich heeft ontwikkeld vormt de enige hoop voor grote groepen mensen in de wereld. Het is ook de enige hoop voor de overleving van de menselijke soort in een tijdperk van milieu- en andere problemen die de aarde bedreigen, want de oplossingen daarvoor zullen zeker niet voortkomen vanuit de primitieve sociale en culturele structuren gebaseerd op kortetermijn winsten, waarin menselijke wezens slechts worden beschouwd als middel, niet als doel.

 

Hyper-Noten

1   Zie hfdst. 1 en 3.
2   T-Bone Slim, Juice, 68.
3   Economist, 22 augustus 1992.
4   Brady, Spirit, hfdst. VI; Schoenbaum, Hitler's Social Revolution, hfdst. VI. Thompson, Making, hfdst. 11.
5   Steven Greenhouse, "Income Data Show Years of Erosion for U.S. Workers," NYT, 7 september; Adam Pertman, BG, 15 juli; Garry Wills, New York Review, 24 september 1992.Over de uitzonderlijke pogingen van de regering en rechtse analisten om de economische feiten te verbergen en te verdraaien, zie Paul Krugman, "The Right, the Rich, and the Facts," American Prospects, Herfst 1992.
6   John Dillin, CSM, 14 juli 1992.
7   AP, BG, 4 april 1991. NE J. of Med., januari 1990, geciteerd door Melvin Konner, NYT, 24 februari 1990.
8   Zie hfdst. 4. Conniff, Progressive, september 1992, die een bespreking geeft van Kaus, End of Equality. Stephen Franklin, Peter Kendall and Colin McMahon, "Caterpillar strikers face the bitter truth," deel 3 uit een serie, Chicago Tribune, 6, 7 en 9 september 1992. Fraser geciteerd in Moody, Injury, 147.
9   Milton, Politics, 155; Puette, Through Jaundiced Eyes.
10   Franklin, et al., op. cit.; RR lockout, Alexander Cockburn, Los Angeles Times, 13 juli; Robert Rose, WSJ, 20 april 1992. Hoerr, American Prospect, Zomer 1992.
11   Floyd Norris, NYT, 30 augustus 1992.
12   Peter Gosselin, BG, 7 september; Frank Swoboda, WP weekly, 14-20 september 1992. Shlomo Maital en Kim Morgan, Challenge, juli 1992. Wolfe, BG, 18 februari 1990.
13   Diego Ribadeneira en Cheong Chow, BG, 8 september; Ribadeneira, BG, 25 september 1992.
14   Zie Alex Carey, "Managing Public Opinion: The Corporate Offensive," ms., U. of New South Wales, 1986; Milton, Moody, op. cit., Sexton, War. Ook Ginger en Christiano, Cold War.
15   Sexton, War, 76, 55.
16   Demarest, "River", 44, 55, 216. Krause, Battle, 287, 13, 294, 205ff. 152, 178, 253, 486 (citaat van Gutman-interview).
17   Demarest, "River", 32; Krause, Battle, 361, 274ff.
18   Demarest, "River", 159; Sexton, War, 83, 106ff.
19   Demarest, "River", 199, 210f.; Krause, hfdst. 22.
20   Bekken, in Solomon en McChesney, New Perspectives. Engeland, zie MC, hfdst. 1.
21   Demarest, "River", Nawoord.
22   Ibid.; Sexton, War, 87.


Met dank aan Noam Chomsky.

Inhoud
Bibliografie en Afkortingen
Noamchomsky.com
Noam Chomsky Archive




Terug