De Vloek van Columbus

Van Kolonialisme tot de Nieuwe Wereldorde

Het Jaar 501, De Verovering Gaat Door
Noam Chomsky, Copyright © 1993

Vertaling van 'Year 501: The Conquest Continues' van Noam Chomsky
Dit deel verscheen als bijlage bij Extra! nummer 24 en 25 in december 2003

hoofdstuk 10: Geschiedvervalsing

1. Een zwarte bladzijde uit de geschiedenis
2. Ontbrekende stukjes
3. Enkele lessen in Politieke Correctheid
4. "Zelfmedelijden" en andere karakterzwaktes
5. Overgevoeligheid voor de geschiedenis
6. "Houdt de dief!"
7. Een minder bekende zwarte bladzijde uit de geschiedenis

Een paar maanden voordat het Jaar 500 ten einde liep, verscheen in de Times Book Review een voorpagina-artikel met de kop: "Je kunt de geschiedenis niet vervalsen." Het overzichtsartikel met die les behandelde slechts één voorbeeld: "In de oude Sovjet-Unie was de geschiedenis als kanker in het menselijk lichaam. Haar onzichtbaar bestaan werd hardnekkig ontkend en ieder denkbaar wapen werd er tegen ingezet." Het artikel beschrijft één treffend voorbeeld van "deze ziekte in het Russische politieke lichaam," het verhaal van de moord op de Tsaar en zijn familie. Dat verhaal herinnert "aan die almachtige Sovjet-functionarissen die tot taak hadden om deze akelige episode uit het geheugen van de bevolking te wissen," maar die uiteindelijk "het tij niet konden keren." 1

Een paar andere voorbeelden van het vervalsen van de geschiedenis die misschien het overdenken waard zijn, met name op dit moment in de geschiedenis, kwamen in deze overdenkingen niet voor. De gewoonte wil dat men nadenkt over de betekenis van de geschiedenis en de vragen die zij oproept in meervouden van 10 jaar. Dit geldt waarschijnlijk ook voor het vervalsen van de geschiedenis door degenen die haar bewaken, en die zoals in iedere maatschappij de misstanden van officiële vijanden uiterst nauwgezet in de gaten houden. Die gewoonte is nuttig. Als we volgens die gewoonte een paar verjaardagen bestuderen die vallen in het 500ste jaar, kunnen we iets leren over onszelf, met name over de ideologische grondslagen van de Westerse cultuur. Dat is een zeer belangrijk onderwerp omdat het de basis blootlegt van zoveel geweld, dwang en de ontkenning daarvan.


1. Een zwarte bladzijde uit de geschiedenis

Terwijl het Jaar 500 begon in oktober 1991, waren er andere herinneringen die de aanstaande 500-jarige herdenking naar de achtergrond drongen. Op 7 december zou het de 50ste gedenkdag van het Japanse bombardement op Pearl Harbor zijn, "een zwarte bladzijde uit de geschiedenis." Vervolgens werden de Japanse manieren van denken en doen nauwgezet gewogen en te licht bevonden. Door één of andere diepgewortelde tekortkoming hunnerzijds weigerden die vreemde Japanners hun excuses aan te bieden voor hun afschuwelijke daad.

In een interview in de Washington Post bracht minister van Buitenlandse Zaken Michio Watanabe het "diep berouw" onder woorden, "voor het ondraaglijke leed en verdriet dat Japan had toegebracht aan de Amerikaanse bevolking en de volkeren van Azië en de Stille Zuidzee tijdens de Pacifische Oorlog, een oorlog die Japan begon met de verrassingsaanval op Pearl Harbor." Hij zei dat het Nationale Parlement op de 50ste verjaardag van deze misdaad een resolutie zou aannemen waaruit het Japanse berouw zou blijken. Maar dit bleek eens te meer een voorbeeld te zijn van het Japanse verraad. Steven Weisman, chef van het Tokio Bureau van de New York Times, ontmaskerde de leugens. Hij onthulde dat Watanabe het woord hansei had gebruikt, "dat gewoonlijk wordt vertaald als 'zelf-reflectie' en niet als 'berouw'." De verklaring van de minister van Buitenlandse Zaken telt niet als een oprechte verontschuldiging. Bovendien is de kans klein dat het Japanse Parlement een resolutie zal aannemen, voegde hij er aan toe, gezien het feit dat president Bush iedere vorm van verontschuldiging voor de bombardementen op Hiroshima en Nagasaki resoluut van de hand heeft gewezen.

Niemand overweegt een verontschuldiging voor het bombardement met 1000 vliegtuigen dat plaats vond vijf dagen ná Nagasaki op alles dat nog overeind stond in de belangrijkste Japanse steden. Het was een triomf voor het militaire management, aldus de officiële geschiedenis van de Luchtmacht, bedoeld als een "zo'n groot mogelijke finale." Zelfs Stormin' Norman zou onder de indruk zijn geweest. Generaal Spaatz wilde een derde atoombom op Tokio gooien voor die grote finale, maar kwam tot de conclusie dat verdere verwoesting van de "gehavende stad", niet het beoogde effect zou hebben. Tokio was al verwijderd van de eerste lijst met doelwitten om dezelfde reden: het was "één grote puinhoop," zoals deskundigen concludeerden. Op die manier zou de vernietigende kracht van de atoombom niet goed genoeg zichtbaar worden gemaakt. Het bombardement met 1000 vliegtuigen werd daarom verspreid over zeven verschillende doelen, zo leert de luchtmachtgeschiedenis ons. Duizenden burgers werden gedood terwijl tegelijkertijd tussen de bommen strooibiljetten naar beneden dwarrelden waarop stond: "Uw regering heeft zich overgegeven. De oorlog is voorbij."2

George Bush weigerde zelfs om ook maar te denken aan verontschuldigingen voor het gebruik van atoomwapens waarbij 200.000 burgers werden gedood; sommigen gingen zelfs nog verder. De democratische senator Ernest Hollings vertelde arbeiders in South Carolina dat ze "een wolk in de vorm van een paddestoel moesten tekenen met daaronder geschreven: 'Gemaakt in Amerika door luie en ongeletterde Amerikanen en getest in Japan'." De menigte reageerde met applaus. Hollings verdedigde die opmerking door haar als "grap" te presenteren, als reactie op het "demoniseren van Amerika" door Japan. De humorloze Japanners konden er niet om lachen. Over dit voorval werd maar mondjesmaat verslag gedaan, en tot een onderzoek naar de Amerikaanse volksgeest leidde het niet.3

De Japanse obsessie met de bom, waarmee bij ons de spot wordt gedreven, bleek na één van de luchtshows in Texas waar jaarlijks de nucleaire bombardementen werden nagespeeld (en misschien gebeurt dat daar nog steeds wel) voor een bewonderend publiek van tienduizenden mensen. De B-29 werd bestuurd door de gepensioneerde luchtmachtgeneraal Paul Tibbets, die het het nucleaire tijdperk nog hoogst persoonlijk in Hiroshima had ingeluid. Japan veroordeelde deze vertoning als "getuigend van slechte smaak en beledigend voor het Japanse volk," maar zonder succes. Het zou kunnen dat de hypergevoelige Japanners na vertoning van een film getiteld "Hiroshima" aan het begin van de jaren '50 in Boston's "gevechtszone", een red-light district waar pornografische films worden vertoond, dezelfde kritiek zouden hebben gehad. "Hiroshima" was een Japanse documentaire met live beelden die te verschrikkelijk zijn om te beschrijven, en die bij het publiek bulderend gelach en enthousiast applaus losmaakten.

In de iets bedachtzamere intellectuele kringen zijn er maar weinigen die oog hadden voor de bevindingen van rechter Röling uit Nederland na het Tokio Tribunaal waar Japanse oorlogsmisdadigers werden berecht en veroordeeld: "Van de Tweede Wereldoorlog zijn er boven alles twee zaken die in de herinnering blijven: de Duitse gaskamers en de Amerikaanse nucleaire bombardementen." Of het indrukwekkende tegengeluid van de enige onafhankelijke Aziatische rechter, Radhabinod Pal uit India, die schreef: "Als het gaat om het handelen van staten dan is misschien volgens het recht alleen het verliezen een misdaad ... maar, als het zonder onderscheid vernietigen van burgerlevens en bezittingen nog steeds onwettig is in oorlogstijd, dan komt in de Pacifische Oorlog alléén de beslissing om de atoombom toe te passen in de buurt van de richtlijnen ... van de Nazi-leiders ... Geen van de beklaagden [tijdens het Tokio Tribunaal] kan worden beschuldigd van iets vergelijkbaars." Zeven van hen werden opgehangen en meer dan 900 andere Japanners werden geëxecuteerd wegens oorlogsmisdaden; onder hen was Generaal Yamashita die werd geëxecuteerd voor gruweldaden begaan door zijn troepen aan het einde van de oorlog toen hij geen controle meer over hen had.

Zelfs de reacties van hooggeplaatste Amerikaanse militaire functionarissen zijn nauwelijks opgemerkt. Admiraal William Leahy bijvoorbeeld, legerleider onder de regeringen van Roosevelt en Truman, beschouwde nucleaire wapens als "nieuwe en verschrikkelijke instrumenten van onbeschaafde oorlogsvoering," en "een moderne vorm van barbarij die een Christen onwaardig is." Het was volgens hem een terugkeer naar de "ethische maatstaven van de barbaren uit de Donkere Middeleeuwen" en het gebruik ervan "zou ons terugwerpen naar de wreedheden jegens niet-strijders uit de tijd van Genghis Khan."4

Met oog voor waar de macht ligt in de wereld nam Minister-president Watanabe de Amerikaanse gewoontes over bij het uitdrukken van het Japanse berouw: Hij stelde dat de misdaden van Japan begonnen op 7 december 1941. Daarmee liet hij impliciet afgrijselijke misdaden buiten beschouwing. Volgens conservatieve schattingen werden van 1937 tot aan 1945 tussen de 10 en 13 miljoen Chinezen gedood, om nog maar te zwijgen over misdaden van nog eerder datum.5

Zonder iets te zeggen over Watanabe's gebruik van het verkeerde tijdskader van Japans schuld, is voor Weisman slechts één vraag van belang: het ontwijkende in het gebaar van verontschuldiging. De 50-jarige herdenking was gebaseerd op dezelfde principes: moorden, martelen en anderszins mishandelen van tientallen miljoenen mensen is dan misschien niet iets om trots op te zijn, maar een "sluip-aanval" op een marinebasis in een Amerikaanse kolonie is een misdaad van een geheel andere orde. Zeker, om de Japanse onrechtvaardigheid aan de kaak te stellen worden de gruweldaden en agressie van Japan elders in Azië vaak aan de aanklacht toegevoegd, maar meer als bijzaak: de aanval op Pearl Harbor is de echte misdaad, de eerste daad van agressie.

Die keuze heeft vele voordelen. Het geeft ons de mogelijkheid om de vreemde tekortkomingen in het Japanse karakter te overdenken zonder bepaalde feiten te noemen die we het liefst uit de geschiedenis zouden willen weggelaten. Zoals het feit dat in de periode vòòr Pearl Harbor het merendeel van de Amerikaanse ondernemers en veel Amerikaanse functionarissen "de algemeen aanvaarde theorie [verwierpen] dat Japan een dwingeland was en China het vertrapte slachtoffer" (ambassadeur Joseph Grew, een vooraanstaande figuur in beleidskringen voor het Verre Oosten). De Amerikaanse bezwaren tegen Japans Nieuwe Orde in Azië, verklaarde Grew in een speech in Tokio in 1939, hadden betrekking op het feit dat Japan "een systeem van een gesloten economie" oplegde "waardoor de Amerikanen werden beroofd van hun langgevestigde rechten in China." Hij maakte geen woorden vuil aan China's rechten op nationale onafhankelijkheid, de verwoesting van Nanking, de invasie in Mansjoerije, en andere marginale kwesties. Minister van Buitenlandse Zaken Cordell Hull stelde dezelfde prioriteiten bij zijn onderhandelingen met de Japanse Admiraal Nomura voor de aanval op Pearl Harbor en legde de nadruk op gelijke rechten voor de VS in de door Japan veroverde gebieden in China. Op 7 november ging Japan eindelijk akkoord met de Amerikaanse eisen en accepteerde daarmee "het principe van non-discriminatie in handelsrelaties" in het Pacifisch gebied, waaronder China. Maar de sluwe Japanners stelden nog wel één voorwaarde: ze accepteerden het principe van non-discriminatie alleen wanneer het "zou gelden voor de gehele wereld."

Minister Hull was hevig geschokt door deze brutaliteit. Hij gaf de schaamteloze strebers te verstaan dat het principe enkel en alleen gold voor de Japanse invloedssfeer. Van de VS en andere westerse grootmachten kon niet worden verwacht dat zij hun invloedssferen zouden open stellen. Daaronder waren India, Indonesië, de Filippijnen, Cuba en andere gebieden waaruit de Japanners door middel van extreem hoge tariefmuren op effectieve wijze werden geweerd. Dit ving aan in de jaren '20 toen Japan op oneerlijke wijze de handelscompetitie naar hun hand wisten te zetten.

Hull wees het gewaagde Japanse beroep op de Amerikaanse en Britse precedenten van de hand. Hij was bedroefd over de "simpelheid van geest die het de [Japanse generaals] moeilijk maakte (...) te begrijpen waarom aan de ene kant de Verenigde Staten met de Monroe Doctrine het leiderschap van het Westelijk Halfrond op zich hadden genomen, en aan de andere kant zich bemoeiden met Japan dat streefde naar het leiderschap in Azië." Hij riep de Japanse regering op om dit elementaire verschil "uit te leggen aan de generaals" en herinnerde zijn achtergebleven leerlingen eraan dat de Monroe Doctrine, "zoals wij die interpreteren en zonder uitzonderingen toepassen sinds 1823, slechts gebaseerd is op overwegingen gerelateerd aan onze fysieke veiligheid." Gerespecteerde wetenschappers vielen hem bij en onderstreepten deze manier van denken. Zij spraken hun verontwaardiging uit over die kleine gele mannetjes die maar niet het verschil wilden zien tussen een grootmacht zoals de Verenigde Staten en een kleine ondernemer als Japan. En die maar niet wilden erkennen dat "De Verenigde Staten geen militair machtsvertoon nodig hebben om de Caraïbische republieken aan te sporen Amerikaans kapitaal toe te laten voor winstgevende investeringen. De deuren staan open op basis van vrijwilligheid" - zoals zelfs de meest oppervlakkige bestudering van de geschiedenis zal aantoont.6

 


2. Ontbrekende stukjes

Wat ook onvermeld bleef in de historische beschouwingen is de herkenbaarheid van het soort acties van Japan in Mantsjoerije bij het vestigen van de "onafhankelijke" staat Mantsjoekuo in 1932 onder de voormalige Mantsjoe-keizer. Deze procedure was "herkenbaar", schreef Walter Lippmann in die tijd, want zij kwam overeen met Amerikaanse voorbeelden "in Nicaragua, Haïti en elders." Mantsjoerije maakte aanspraak op een onafhankelijke status, en dat was zonder twijfel een beter onderbouwde aanspraak dan bijvoorbeeld die van Zuid-Vietnam 25 jaar later. (Het Amerikaanse satelliet-regime onderkende dat, ondanks het feit dat het zichzelf de Regering van geheel Vietnam noemde. Deze titel was zelfs opgenomen in de door de VS opgelegde grondwet en kon niet worden gewijzigd). Wetenschappers merkten op dat zonder de Westerse steun aan de Chinese heerschappij over de buitenregio's, die voortkwam uit het verlangen om "de toekomstige sfeer van westerse investeringen en exploitatie" uit te breiden, de Tibetanen, Mongolen en Mantsjoerijnen zich vrijwel zeker in de richting van onafhankelijkheid zouden hebben bewogen (Owen Lattimore, 1934). Japan nam de taak op zich om de "onafhankelijke staat" "te verdedigen" tegen "bandieten" die vanuit China aanvallen uitvoerden. Het doel van het Japanse Kwantoeng-leger was om "de massa's te bevrijden" van de uitbuiting door de militaire en feodale kliek en hen te beschermen tegen de Communistische terroristen. Het Japanse militaire leiderschap voerde counterinsurgency [opstandbestrijding] campagnes uit, op dezelfde manier als later de Kennedy-duiven zouden doen in Vietnam, compleet met "strategische dorpen", oprechte pogingen om de harten en hoofden van de bevolking te winnen en dat soort overbekende methoden. Bij de reeks onplezierige - en daarom onvermeldbare - feiten hoort de overeenkomst van deze operaties met de niet minder wrede en gruwelijke daden die de Verenigde Staten enkele jaren later pleegden in Indochina. Die operaties bereikten een hoogtepunt in wreedheid kort na de publicatie van Japanse documenten over Mantsjoerije door de RAND Corporation in 1967. De documenten werden door de cultuurmanagers in stilte weggemoffeld.7

Deze overeenkomst is niet toevallig. Los van het feit dat dezelfde gedachten van nature opkomen bij personen die worden geconfronteerd met gelijksoortige omstandigheden, werd de Amerikaanse counterinsurgency doctrine bewust gemodelleerd naar het voorbeeld van het fascisme in de Tweede Wereldoorlog, alhoewel het voorbeeld van de Nazi's eigenlijk de voorkeur had. In zijn overzicht van de Amerikaanse legerhandleidingen uit de jaren '50 schetst Michael McClintock de "verontrustende overeenkomst tussen het wereldbeeld van de Nazi's en dat van de Amerikanen tijdens de Koude Oorlog." De handleidingen erkennen dat Hitler's taken veel overeenkomsten vertoonden met die van de Amerikanen weeldwijd, nu zij de strijd tegen het anti-fascistisch verzet en andere criminelen (meestal "Communisten" of "terroristen" genoemd) hadden overgenomen. In de loop der tijd namen zij het referentiekader van de Nazi's over: de partizanen waren de "terroristen", terwijl de Nazi's de bevolking "beschermden" tegen hun geweld en dwang. Het vermoorden van iedereen "die deze partizanen direct of indirect steun geeft," valt "juridisch gezien zonder problemen onder de voorwaarden van de Geneefse Conventie," lichtten de legerhandleidingen toe. De Duitsers en hun collaborateurs waren de "bevrijders" van het Russische volk. Voormalige Wehrmacht officieren hielpen bij de totstandkoming van de handleidingen, waarin de belangrijke praktijklessen werden opgesomd: bijvoorbeeld, het nut van "evacuatie van alle oorspronkelijke bewoners uit de door partizanen geteisterde gebieden, en daarop aansluitend vernietiging van al hun boerderijen, dorpen en faciliteiten in het gebied." Dit beleid werd door de als 'duiven' bekend staande adviseurs van Kennedy bepleit en het is standaard Amerikaans beleid in Midden-Amerika. Met dezelfde logica beschermde de overheid vanaf het einde van de jaren '40 Nazi-oorlogsmisdadigers en bood hen werk aan in hun oude vakgebied (Reinhard Gehlen, Klaus Barbie en anderen). Als ze niet langer konden worden beschermd, werden zij overgebracht naar Latijns-Amerika en dat soort gebieden om in alle veiligheid hun werk voort te zetten.8

Deze ideeën werden verder uitgewerkt onder Kennedy, geïnspireerd door de welbekende fascinatie van de president met onconventionele oorlogsvoering. Amerikaanse legerhandleidingen en "anti-terrorisme experts" uit die periode pleitten voor "de tactiek van intimidatie, ontvoering of moord van zorgvuldig geselecteerde leden van de oppositie op een wijze die de grootst mogelijke psychologische winst zou opleveren." Het doel was "iedereen bang te maken om samen te werken met de guerrillabeweging." Gerespecteerde Amerikaanse historici en zedenmeesters zouden deze methoden later van een intellectuele en morele rechtvaardiging voorzien. Met name Guenter Lewy, die in een alom geprezen geschiedenis van de Vietnam-oorlog uitlegt dat de VS geen schuld hadden aan misdaden tegen "onschuldige burgers." Sterker nog: dat was onmogelijk. Zij die zich aansloten bij onze rechtvaardige zaak werd geen schade berokkend (behalve per ongeluk, de ergste misdaad was onopzettelijke moord). Zij die weigerden om mee te werken met de "legitieme regering," die door de VS met geweld aan Zuid-Vietnam was opgedrongen, zijn per definitie niet onschuldig. Niemand kan zich beroepen op zijn onschuld, als hij weigert een "veilig" heenkomen te zoeken zoals dat door hun bevrijders werd aangeboden: Dit geldt ook voor zuigelingen in de Mekong Delta of in de binnenlanden van Cambodja. Daarom verdienen zij hun lot.9

Sommigen verliezen hun onschuld omdat ze zich toevallig op de verkeerde plaats bevinden, bijvoorbeeld de bevolking van de stad Vinh. In een hoofdartikel in Times Magazine over het uitblijven van de overwinning van het kapitalisme in Vietnam noemt Philip Shenon de stad tussen neus en lippen "het Dresden van Vietnam." Vinh "werd platgegooid door Amerikaanse B-52 bommenwerpers" omdat het "door haar ligging vervloekt" was. Het was een "natuurlijk doel" voor de bommenwerpers, net als Rotterdam en Coventry. Volgens een verslag van Canadese overheidsfunctionarissen werd deze stad met 60.000 inwoners in 1965 "weggevaagd" en werd een enorme gebied rondom de stad veranderd in een maanlandschap.10 Dit en andere verslagen waren te vinden buiten de mainstream media, die dit soort zaken in het algemeen negeerden, of zelfs keihard ontkenden. Guenter Lewy bijvoorbeeld, verzekert ons op basis van officiële regeringsverklaringen, dat de bombardementen waren gericht op militaire doelen en dat de schade aan burgers minimaal was.

Zoals duidelijk blijkt, is het beter om de geschiedenis geheim te houden. De Politiek Correcte aanpak was om de misdadige koers van Japan te herleiden tot de "sluip-aanval" op Pearl Harbor en daar hield iedereen zich aan, zonder opzienbarende uitzonderingen. Eerdere gruweldaden van Japan werden alleen maar gebruikt om het verschil duidelijk te maken tussen hun kwaadaardige natuur en onze zuiverheid. Ook werd er niet dieper in gegaan op de merkwaardige discrepantie tussen het idee dat de oorlog begon op 7 december 1941 en het feit dat we Japan aanklagen voor misdaden die zij begingen in de jaren '30, die bovendien binnen invloedrijke kringen als acceptabel werden gezien. In het algemeen is het beter om die feiten uit ons denken te bannen die niet zo goed in te passen zijn in onze officiële geschiedenis en huidige manier van denken en handelen. Het is interessant om te zien wat de reacties zijn wanneer de regels van het fatsoen nu en dan worden geschonden. Bijvoorbeeld het beleid en het handelen van Japan met dat van ons in Vietnam te vergelijken. In het algemeen is deze vergelijking zó ondenkbaar dat men niet eens in staat is deze te maken, of het als absurd van de hand wijst. Soms wordt de vergelijking afgedaan als een poging om de misdaden van Japan goed te praten. Deze interpretatie is goed te begrijpen. Omdat wij het toonbeeld van deugdzaamheid zijn, per definitie, volgt dat het trekken van een vergelijking betekent dat anderen iets van onze nobelheid overnemen en dat dus hun misdaden worden goed gepraat. Volgens dezelfde onweerlegbare logica volgt dat het toejuichen van onze misdaden helemaal niets van doen heeft met goedpraten: het is een gepast eerbetoon aan onze grootsheid en het verzwijgen van misdaden is slechts iets minder verdienstelijk dan enthousiaste goedkeuring. Zij die niet in staat zijn om dit soort waarheden te bevatten zijn gedoemd door hun "irrationele haat jegens Amerika." Of, als ze er slechts een beetje naast zitten, kunnen ze natuurlijk altijd wat "uitleg" krijgen, net zoals de Japanse generaals.

Bij de herdenking van Pearl Harbor was het taboe op dit soort subversieve gedachten overduidelijk. We zullen er later in paragraaf 8 nog op terugkomen. Maar één voorbeeld hiervan was het commentaar dat de befaamde Japan-kenner John Dower op verzoek van de Washington Post schreef voor de herdenking. In zijn commentaar schrijft Dower dat het "toch wel een beetje ironisch [is] om te zien hoe Amerikanen blijven raaskallen over militair geweld en historische blinde vlekken," als je in overweging neemt hoe Vietnam en Korea in de officiëel aanvaarde geschiedenis worden afgedaan. Het commentaar, waarvoor hij was gevraagd, werd geweigerd.11

Er was nog een belangrijke vraag die in de bespiegelingen over de door Japan begonnen agressie op 7 december 1941 niet aan de orde kwam: Hoe kwamen we ook al weer aan een militaire basis op Pearl Harbor, of, algemener, aan de Hawaiiaanse kolonie? Het antwoord is dat we Hawaii met geweld en bedrog hebben gestolen van haar inwoners. Slechts een halve eeuw voor die zwarte bladzijde, onder andere met het doel om er een marinebasis te vestigen. De 100ste verjaardag van deze prestatie viel juist samen met de herdenking van "sluip-aanval" op Pearl Harbor, en verdiende toch wel enig commentaar. En al helemaal wanneer we ons beklagen over het onvermogen van Japan om haar geschiedenis onder ogen te zien. Het oplichten van de sluier is onthullend.

Zolang Engeland nog te sterk was, verdedigde de Amerikaanse regering vurig de onafhankelijkheid van Hawaii. In 1842 verklaarde president Tyler dat de VS "geen privileges verlangden, noch exclusieve macht over de regering van Hawaii, maar tevreden was met haar onafhankelijkheid en van harte hoopten dat het Hawaii voor de wind zou gaan." Dienovereenkomstig verzette Washington zich tegen iedere poging van welk land dan ook om "bezit te nemen van de archipel, haar te koloniseren en haar regering omver te werpen." Door middel van deze verklaring breidde president Tyler de Monroe Doctrine uit tot Hawaii. Haar onafhankelijkheid werd onder andere ook erkend door de belangrijkste Europese landen, en bekrachtigd door verschillende verdragen en verklaringen.

Aan het einde van de 19e eeuw verschoof de machtsbalans ten gunste van de Verenigde Staten hetgeen nieuwe mogelijkheden bood, zoals in Latijns-Amerika. Amerikaanse kolonisten vestigden een bloeiende suikerindustrie en de stijgende waarde van het eiland als opstapje naar een bredere Pacifische horizon werd steeds duidelijker. Admiraal DuPont merkte op: "Het commerciële en militaire belang van de eilanden van Hawaii kan niet hoog genoeg worden geschat." Het was duidelijk dat onze sfeer van legitieme zelfverdediging met deze trofee moest worden uitgebreid. Maar er waren enkele belemmeringen: de onafhankelijkheid van het koninkrijk, en het "demografische probleem", negentig procent van de bevolking, de overgrote meerderheid, bestond uit oorspronkelijke Hawaiianen (die overigens al tot eenzesde was geslonken sinds het eerste contact met de Europeanen). De kolonisten legden zich er daarom op toe deze mensen, die "geestelijk zo laag ontwikkeld waren", te leiden en te helpen, en hen te belonen met een goede regering - van ontwikkelde mensen.

In 1886 schrijft Planters' Monthly dat de Hawaiianen "zich nog niet realiseren" wat wij hen - "binnen de grenzen van het mogelijke" en met "inachtneming van morele en persoonlijke verplichtingen" - geschonken hebben:

"De blanken hebben voor de gewone man een regering ingesteld, hem het stemrecht gegeven en de mogelijkheid geschapen om te regeren en wetten te maken; maar het in handen geven van dit soort macht zonder te weten hoe het te gebruiken is als het geven van een scherp mes, puntige voorwerpen en gevaarlijke gereedschappen aan zuigelingen."

Soortgelijke zorgen over "het raaskallende gepeupel" en hun aangeboren stompzinnigheid en waardeloosheid zijn geuit gedurende de gehele moderne periode door de "beschaafde burgers", en vormen een belangrijk onderdeel binnen de democratische theorievorming.12

Het eerste optreden ter bescherming van de kolonisten was de marinierslanding in 1873, net 30 jaar na president Tyler's klinkende ondersteuning van de onafhankelijkheid van Hawaii. Nadat de poging om met de verkiezingen van 1886 de macht te grijpen was mislukt, bereidde de plantage-oligarchie een staatsgreep voor, die een jaar later plaatsvond met behulp van hun militaire tak, de Hawaiian Rifles. De "Bajonet Grondwet" werd aan de koning opgedrongen, waarmee Amerikaanse burgers het recht kregen om te stemmen, terwijl een groot deel van de oorspronkelijke bevolking hiervan werd uitgesloten door stemrecht te koppelen aan bezit. Aziatische immigranten werden geweerd als ongewenste vreemdelingen. Een ander gevolg van de coup was dat de riviermonding van de Pearl River aan de Verenigde Staten werd overgedragen als marinebasis.

Minister van Buitenlandse Zaken James Blaine merkte in 1889 op dat "er slechts drie gebieden waardevol genoeg [zijn] om te bezitten. De eerste is Hawaii. De andere twee zijn Cuba en Puerto Rico." Volgens zijn latere opvolger Cordell Hull is het een indrukwekkend voorbeeld van de "consequente" interpretatie van de Monroe Doctrine. Het zou niet lang meer duren tot ze alle drie in juiste handen waren.

Verschillende militaire interventies zorgden ervoor dat de locals zich goed bleven gedragen. In 1891 werd de USS Pensacola uitgezonden "ter bescherming van Amerikaanse belangen," die tegen die tijd onder meer bestonden uit zo'n viervijfde van het vruchtbare land. In januari 1893 deed koningin Liliokalani een laatste poging om de Hawaiiaanse soevereiniteit te behouden door het stemrecht in de verkiezingen van Hawaii te beperken tot Hawaiianen, rijk en arm, zonder discriminatie. Op bevel van de Amerikaanse staatssecretaris John Stevens landden Amerikaanse troepen en kondigden de staat van beleg af - ter bescherming van "de goede burgers en negentig procent van de bezittende klasse van het land," zoals een leidinggevend officier het onder woorden bracht. Stevens liet zijn minister van Buitenlandse Zaken weten: "De Hawaiiaanse peer is nu volledig rijp. Dit is het gouden tijdstip voor de Verenigde Staten om haar te plukken." Lang daarvoor gebruikte John Quincy Adams dezelfde beeldspraak voor dat andere "waardevolle gebied," Cuba. Een "rijpe vrucht" die in onze handen zou vallen zodra de Britse afschrikkingsmacht verdreven zou zijn (zie hoofdstuk 6).

De Amerikaanse plantage-eigenaren en hun Hawaiiaanse collaborateurs schreven een verklaring volgens welke het de overtuiging van de "overweldigende meerderheid van het conservatieve en verantwoordelijke deel van de gemeenschap" was - bestaande uit een paar honderd mensen - "dat een onafhankelijke, constitutionele, representatieve en verantwoordelijke regering, onder het huidige regeringssysteem op dit moment niet langer in staat zal zijn zichzelf te beschermen tegen revolutionaire opstanden en koninklijke agressie in Hawaii." Geconfronteerd met de "overweldigende macht van de Verenigde Staten van Amerika" en hun troepen gaf de Koningin zich gewonnen. Ze stond de troon af in de hoop haar aanhangers te redden van de doodstraf; zelf werd ze veroordeeld tot een boete van 5000 dollar en vijf jaar in een strafkamp voor haar misdaden tegen de gevestige orde (in 1896 kreeg ze strafvermindering). De Republiek Hawaii werd gevestigd en de Amerikaanse planter Sanford Dole riep zichzelf op 4 juli 1894 uit tot president. Iedere slok ananassap van Dole biedt de mogelijkheid te toosten op alweer een overwinning van de westerse beschaving.

In 1898 nam het Congres een resolutie aan betreffende de annexatie, terwijl de VS ten strijde trokken tegen Spanje en het marine eskader van Commandant George Dewey een vervallen Spaanse vloot in Manilla tot zinken bracht. Het was de inleiding tot de daaropvolgende afslachting van honderdduizenden Filippijnen terwijl er nog zo'n sappig stuk fruit van de boom werd geplukt. President McKinley ondertekende de annexatie-resolutie op 7 juli 1898 en een krant van de "conservatieve en verantwoordelijke leden van de gemeenschap" verklaarde triomfantelijk dat daarmee "De Eerste Buitenpost van een Groter Amerika" tot stand was gekomen. Hun gewelddadige overheersing maakte een einde aan alle vormen van bemoeizucht van de "onwetende meerderheid", zoals de planters de oorspronkelijke bewoners, toen nog zo'n 90 procent van de bevolking, noemden. Ze zouden spoedig uiteengejaagd worden, en vielen ten slotte ten prooi aan armoede en onderdrukking. Hun eigen cultuur werd gemarginaliseerd en hun land gestolen.13

Zó werd Pearl Harbor een belangrijke militaire basis in de Amerikaanse kolonie Hawaii, en een halve eeuw later het slachtoffer van een schandalige "sluip-aanval" door Japanse monsters die voortgingen op het pad der misdaad.

Op 2 januari 1992 publiceerde het Instituut voor de Bevordering van Hawaiiaanse Zaken een artikel met de titel "De Zaak van de Hawaiiaanse Soevereiniteit." Daarin staat een overzicht van deze geschiedenis ter voorbereiding van de "honderdjarige herdenking van de onderwerping van Hawaii" in januari 1993.14 Tenzij er een revolutie plaatsvindt in de dominante intellectuele cultuur zal deze herdenking verdwijnen in de annalen van de geschiedenis, net als andere herdenkingen die aandacht vragen voor het lot van de slachtoffers van 500 jaar verovering.

 


3. Enkele lessen in Politieke Correctheid

Laten we terugkeren naar de publieke herdenking van de 50ste verjaardag van die zwarte bladzijde, zorgvuldig ontdaan en gevrijwaard van onbetamelijke gedachten. Amerikanen zijn nogal geërgerd door de onwil van Japanners om hun schuld ten aanzien van Pearl Harbor onder ogen te zien, schrijft Urban Lehner in een lang Wall Street Journal artikel over het Japanse "revisionisme". Hij haalt de historicus van het Pearl Harbor herdenkingspark aan over "de volledige afwezigheid van besef van hun eigen geschiedenis in Japan." Ter illustratie van "Japan's dubbelzinnige houding jegens het herinneren van de geschiedenis," beschrijft Lehner een bezoek thuis bij een "hoffelijke" Japanse militair-historicus, die "niet kan begrijpen waarom de VS het niet gewoon achter zich laten. 'Als de VS en Japan bondgenoten zijn, waarom nog altijd over Pearl Harbor praten? Dat denken de Japanners,' zegt hij. 'Waarom blijven jullie ons er aan herinneren?'"15

Zo eindigt het artikel. Commentaar is niet meer noodzakelijk, dit volstaat om de unieke zonden van de Japanners duidelijk aan te tonen.

De New York Times Magazine besteedde een hoofdartikel aan deze eigenaardige Japanse ziekte. Het was geschreven door Tokio Bureauchef Weisman, met als kop "Pearl Harbor in het Denken van Japan." Er is "nauwelijks berouw" staat er in de subtitel en "er zijn geen herdenkingsceremonieën in Japan." De VS zullen die gebeurtenis "vanuit een geheel ander perspectief" bezien, schrijft Weisman, vanzelfsprekend veronderstellend dat dat perspectief goed en juist is, daar worden geen vraagtekens bij geplaatst. Zijn studie van dit onderwerp is een prima voorbeeld van hoe men het onderwerp in het algemeen benadert en is een handige inleiding op de technieken der Politieke Correctheid, waarbij vele van de standaardzetten aan bod komen.16

Vroeger gingen Amerikanen niet altijd zo gemakkelijk om met simpele waarheden als tegenwoordig, merkt Weisman op. Eind jaren '60 "als gevolg van schuldgevoelens door het conflict in Vietnam (...) stonden Amerikaanse historici er meer voor open om vraagtekens te plaatsen bij de Amerikaanse motieven in Azië. Tegenwoordig is hun toon veel minder verontschuldigend" - een interessante woordkeuze. Met de Golfoorlog en de val van het communisme "zijn de tijden veranderd," en "het trekken van een streep in het zand zoals Roosevelt deed, wordt niet langer gezien als onbehoorlijk."

Er zit een kern van waarheid in Weisman's bewering over het einde van de jaren '60: de historici die betrokken waren bij de anti-oorlogsbeweging begonnen inderdaad verboden vragen te stellen. Ze waren genoodzaakt om hun eigen professionele vereniging op te richten (the Committee of Concerned Asian Scholars) om hun subversieve gedachten over de mogelijke tekortkomingen in de "Amerikaanse motieven" te bespreken. Er waren maar weinig oudere faculteitsleden die zich bij hen aansloten. Hoewel ze het neusje van de zalm van de toenmalige studenten waren, zijn slechts enkelen van hen er in geslaagd om de autoritaire structuren te overleven. Sommigen van hen werden de academische wereld uitgewerkt door ontslag op politieke gronden, anderen werden op de gebruikelijke wijze gemarginaliseerd. Deze jonge wetenschappers kregen wel enige steun vanuit de mainstream. Met name van John King Fairbank, hoofd van de faculteit Azië-studies en iemand die zich staande wist te houden aan de meest extreme kant van de mainstream. Hij werd er vaak van beschuldigd het communisme goed te praten. Fairbank omschreef zijn eigen positie in zijn toespraak als voorzitter voor de Amerikaanse Historische Associatie in december 1968, lang nadat het bedrijfsleven had opgeroepen om de oorlog te beëindigen. De oorlog was een "vergissing", legde Fairbanks uit, het gevolg van misverstanden en naïviteit, alweer zo'n voorbeeld van "onze overdaad aan rechtvaardigheid en belangeloze goedertierendheid."17

Er werden toentertijd in de respectabele kringen nauwelijks vraagtekens geplaatst bij de Amerikaanse motieven, en dat is onveranderd gebleven.

Bepaalde onwaarheden blijven terugkeren omdat ze functioneel zijn en de belangen van de gevestigde orde dienen. De verhalen van Weisman over het einde van de jaren '60 zijn hiervan een goed voorbeeld: ze versterken het beeld dat de wetenschap, de media en de intellectuele kringen in het algemeen door links werden overheerst. Er waren nog slechts een paar dappere mensen over die de simpele waarheden en intellectuele waarden verdedigden, en die daarom alle steun van de wereld nodig hadden voor hun eenzame kruistocht. Een project dat uitstekend voldoedt aan de huidige ideologische noodzaak (zie hoofdstuk 2.4).

Zoals alle redelijke mensen is het voor Weisman ondenkbaar dat er misschien vraagtekens geplaatst zouden kunnen worden bij het Amerikaanse optreden in de Golfoorlog en in de Koude Oorlog. Zeker geen vragen over de "Amerikaanse motieven". Zoals gebruikelijk gaat ook hij volledig voorbij aan het onderwerp van gedeelde verantwoordelijkheid voor de Pacifische oorlog. De kwestie was niet dat "Roosevelt een streep in het zand trok," maar veel meer de beslissing van de traditionele imperiale grootmachten (Groot-Brittannië, Frankrijk, Nederland en de VS) om Japan niet toe te laten in hun invloedssferen, toen bleek dat het met iets te veel succes de spelregels van de "vrije handel" volgde. Het Amerikaanse standpunt hierin, en daar werd tot het bittere einde aan vastgehouden, was dat het Amerikaans-Japanse conflict kon worden opgelost als Japan de VS zou toestaan om te delen in de exploitatie van geheel Azië, zonder dat Japan omgekeerd dezelfde rechten kon opeisen in de door de VS gedomineerde gebieden. Weisman erkent nog wel dat zulke zaken werden besproken, maar hij zorgt er voor dat alles in het juiste kader wordt geplaatst. Hij refereert in het geheel niet aan de discussie over de imperiale machthebbers die toentertijd speelde binnen de westerse wetenschap, noch aan de bevindingen sindsdien. Hij laat deze "schokkende" interpretatie over aan minister-president Hideki Tojo, die als Klasse A oorlogsmisdadiger in 1948 werd opgehangen. Tojo "verdedigde zonder iets van terughoudendheid de aanval op Pearl Harbor door te wijzen op de 'onmenselijke' economische sancties die door Washington waren opgelegd," en die "de vernietiging van het land zouden inhouden," als Japan niet had gereageerd. Zou er in die gedachte misschien een heel klein beetje waarheid schuilen? Deze vraag kan als niet relevant terzijde worden geschoven, omdat het geen serieuze vraag is.

Weisman schrijft dat "de meeste Amerikaanse historici uiteraard geen enkel probleem zullen hebben om hun oordeel te vellen over Japan's volledige verantwoordelijkheid, zo niet schuld," betreffende de "annexatie van Mantsjoerije in 1931" door Japan, en hun "bloeddorstige overmeestering van China" in 1937 en later in Indochina, waarbij het Franse koloniale regime werd verdreven. Er wordt geen woord vuil gemaakt aan de houding van de VS in die periode, behalve een zijdelingse hint: "Met het besluit om in 1940 marineschepen te mobiliseren, reageerden de VS op de Japanse militaire agressie met waarschuwingen en protesten" - negen jaar ná de invasie van Mantsjoerije, drie jaar na de moorddadige escalatie in China. Waarom zo lang uitstel? Weisman laat ook andere vragen liggen: Waarom waren de aanspraken van het Westen op hún koloniale gebieden sterker dan die van Japan, en waarom stonden de inheemse nationalisten vaak positief tegenover de Japanse veroveringen, waarbij de traditionele onderdrukkers verdreven werden? Ook eenvoudige logika brengt Weisman niet in problemen: Als dit de misdaden van Japan zijn, waarom herdenken we dan een gebeurtenis die veel later heeft plaatsgevonden als "een zwarte bladzijde uit de geschiedenis "? Waarom is de tragedie van 50 jaar geleden de reden van Weisman's onderzoek naar de tekortkomingen in de psyche van Japan?

Weisman geeft toe dat er ook een bepaalde mate van Amerikaanse verantwoordelijkheid in het spel was: niet voor wat er was gebeurd, maar voor Japan's onvermogen om haar misdaden onder ogen te zien. De VS wilden na de oorlog "een democratie creëren," maar "nadat China in 1949 was gevallen voor de communisten en een jaar later de Korea-oorlog uitbrak, veranderde Washington van gedachten en besloot om in Japan een stabiele conservatieve Regering te installeren om een dam op te werpen tegen het oprukkende Communisme in Azië." Daarbij werd door de vingers gezien dat zelfs oorlogsmisdadigers soms in ere werden hersteld.

Ook het herschrijven van deze geschiedenis is zeer functioneel: volgens de wetten van de Politieke Correctheid is het toegestaan om nu en dan te erkennen dat we niet helemaal perfect zijn, als het maar kan worden geïnterpreteerd als een begrijpelijke overreactie op het kwaadaardige handelen van bepaalde boosdoeners. In feite, zoals Weisman heus wel weet, vond Washington's "koerswijziging" plaats in 1947, en dus lang voor de "val van China" (ter vertaling: de omverwerping van een corrupte door de VS-gesteunde tirannie door een inheemse beweging); en drie jaar vóór dat wat officiëel gezien wordt als de Korea-oorlog [1950-'53]. In de fase die voorafging aan de officiële-erkende Korea-oorlog was het door de VS-opgelegde regime al volledig op stoom en waren zij bezig - geholpen door de fascistische collaborateurs, in ere hersteld door de Amerikaanse bezettingsmacht - om zo'n 100.000 anti-fascisten en andere aanhangers van de volksbeweging uit te roeien, omdat de Amerikaanse cliënten geen enkele kans zouden maken in de politieke arena.

Washington's "koerswijziging" maakte een einde aan de democratische experimenten die een bedreiging vormden voor de gevestigde macht. De VS speelden een doorslaggevende rol bij het breken van de Japanse vakbonden en de heroprichting van de traditionele industriële-financiële conglomeraten. Hierbij werden fascistische collaborateurs gesteund en anti-fascistische elementen buitengesloten: de traditionele conservatieve overheersing van het bedrijfsleven werd in ere hersteld. Zoals werd uitgelegd in een in 1947 geschreven verhandeling onder leiding van George Kennan, de geestelijk vader van de "koerswijziging," hebben de VS "een moreel recht op ingrijpen" ter behoud van "stabiliteit" tegen "stromannen" van de Communisten: "Met het inzicht dat de voormalige commerciële en financiële leiders van Japan de meest bekwame leiders van het land zijn, dat zij het meest stabiele element vormen, dat zij de sterkste natuurlijke banden met de VS hebben, is het daarom gewenst dat het Amerikaanse beleid er op is gericht om de belemmeringen die voor het natuurlijke Japanse leiderschap een obstakel vormen uit de weg te ruimen." De zuiveringen tegen oorlogsmisdadigers werden beëindigd, en de kernstructuur van het fascistische regime werd heropgericht. De koerswijziging in Japan was slechts één onderdeel van een Amerikaanse campagne over de hele wereld, in diezelfde periode met dezelfde doelen, allemaal vóór 1949.18

De wederopbouw van wat door Amerikaanse technische experts op afkeurende wijze werd bestempeld als "totalitair staatskapitalisme" en de onderdrukking van volkse en democratische krachten, was zelfs begonnen lang vóór de koerswijziging van 1947. De Bezetting bepaalde eveneens vanaf het begin dat de belangrijkste issues aangaande oorlogsmisdaden niet aan bod zouden komen. Generaal McArthur "wilde niet toestaan dat de keizer zou worden aangeklaagd, noch als getuige zou optreden, of zelfs zou worden geïnterviewd door onderzoekers van de International Prosecution" tijdens de Oorlogstribunalen, schrijft Herbert Bix.19 Dit ondanks het overvloedige bewijs betreffende zijn directe verantwoordelijkheid voor Japanse oorlogsmisdaden - ter beschikking van McArthur, maar geheim gehouden. Het rehabiliteren van de monarchie had "gewichtige" gevolgen voor de hervestiging van de traditionele conservatieve orde en het aan de kant schuiven van het veel democratischer alternatief, concludeert Bix.

Weisman merkt terecht op dat het Japan's "doel was om toegang te krijgen tot grondstoffen, markten en vrijheid op de zeeën." Deze doelen zijn nu bereikt, voegt hij er aan toe, door "er zelf hard voor te werken" en door "de vrijgevigheid (en het eigenbelang) van de Verenigde Staten." Hij impliceert dat Japan 50 jaar geleden hetzelfde had kunnen bereiken, ware het niet dat het in de greep van een fascistische ideologie en primitieve waandenkbeelden was. Hierbij worden een paar voor de handliggende vragen over het hoofd gezien. Als Japan deze doelen had kunnen bereiken door zich te houden aan de westerse normen, waarom dan deden de Britten, de Amerikanen en de andere imperiale staten niet eenvoudigweg afstand van de hoge tariefmuren, die zij opgetrokken rond hun koloniën met als doel Japan buiten te sluiten? Of, als dat te veel gevraagd was, waarom accepteerde de minister van Buitenlandse Zaken Hull dan in ieder geval niet het Japanse aanbod op wederzijdse exploitatie? Met dit soort vragen overtreden we de grenzen van het betamelijke en betreden we het verboden territorium van de "Amerikaanse motieven".

In werkelijkheid gaf de Japanse agressie een doorslaggevende kracht aan de nationalistische bewegingen die de koloniale heerschappij omverwierpen ten gunste van meer subtiele vormen van overheersing in het post-koloniale tijdperk. Bovendien bracht het de VS in een positie om de nieuwe wereldorde vorm te geven. In deze nieuwe omstandigheden kon Japan haar "Imperium in het Zuiden" (zoals Kennan het noemde) worden aangeboden. Uiteraard binnen grenzen: de VS wilden "grip houden over de importen van Japan in het geval van olie en dergelijke zaken" zodat "we vetorecht hebben over wat ze nodig hebben op militair en industriëel gebied," zoals Kennan in 1949 adviseerde.20 Deze stand van zaken bleef gehandhaafd tot die onverwachte kink in de kabel, de Vietnam-oorlog, waarbij de VS voor de kosten opdraaiden en de winsten vloeiden naar Japan en andere industriële rivalen.

Er is nog iets mis met die Japanners, merkt Weisman op, de "oorlogszuchtige taal" waarmee ze spreken over de Japans-Amerikaanse verhoudingen: het toont hun neiging tot militarisme. De Japanners spreken over "hun 'tweede slag': als Washington de Japanse importen beperkt. Tokio is in staat om de Amerikaanse economie te wurgen door te stoppen met investeren of de aankoop van Staatsobligaties." Zelfs als we Weisman's klakkeloos geponeerde oordeel over zo'n vergelding zouden overnemen, dan nog is het niets in vergelijking met de standaard Amerikaanse praktijken: bijvoorbeeld de verwoestende en illegale economische oorlogsvoering die regelmatig wordt losgelaten op vijanden zoals daar zijn Cuba, Chili, Nicaragua en Vietnam; of bijvoorbeeld de 19e eeuwse pogingen van president Jackson en zijn Democraten om "alle landen aan ons te onderwerpen," met name de Britse vijand, door het verkrijgen van het monopolie op de belangrijkste handelswaar in de wereldhandel.

Japan's grootste zonde evenwel, is haar neiging tot "zelfmedelijden," de weigering om herstelbetalingen te verrichten aan haar slachtoffers, de "onhandige pogingen om het verleden te zuiveren" en in het algemeen het tekortschieten "om naar buiten te treden met een definitieve verklaring over de verantwoordelijkheid voor de oorlog." Hiermee bevindt Weisman zich op bekend terrein - althans, dat zou zo zijn, wanneer hij of zijn redacteuren en collega's binnen het ideologische systeem zich zouden houden aan de principes die zij omhelzen als het anderen betreft. Dat doen zij echter niet, niet eens bij uitzondering, zoals keer op keer duidelijk wordt.

[Wordt vervolgd]

 


4. "Zelfmedelijden" en andere karakterzwaktes

De vijftigste verjaardag van Pearl Harbor werd herdacht met voorpagina-artikelen in de belangrijkste weekbladen, verhalen in de dagbladpers en documentaires op televisie. Wall Street Journal-critica Dorothy Rabinowitz was zeer te spreken over een flink aantal ervan wegens de "onverzettelijke en strenge historische visie op de Pearl Harbor-aanval," zonder allerlei dubbelzinnigheden, met duidelijke keuze voor het onderscheid tussen zuivere rechtvaardigheid en het absolute kwaad (2 december). Haar kritiek gaat slechts uit naar "journalisten die het hip vinden om links te zijn en zij die altijd rechts zullen blijven" die "steevast" de Japanners afschilderen "als slachtoffers" van die lafhartige Amerikanen. Ze geeft geen enkel voorbeeld van deze waanzin, noch dat ze in gaat op de daadwerkelijke historische gebeurtenissen.

Op de tegenoverliggende pagina staat een artikel van Robert Greenberger met de titel "Amerikaans-Vietnamese verhoudingen zijn bevroren wegens het MIA-issue," (MIA, missing in action: soldaten die sinds de Vietnamoorlog vermist zijn, noot vertalers). Het artikel gaat over een Vietnamees plan "om de belangrijkste kwestie die de hervatting van de verhoudingen in de weg staat op te lossen: het verschaffen van duidelijkheid over de sinds de Vietnamoorlog vermiste Amerikanen." Dit berichtje is zó conventioneel dat het geen enkele bijzondere aandacht verdient. Het enige interessante is hoe het verhaal gekaderd wordt. Het is standaard in de media, en in de cultuur in het algemeen, dat wij de partij zijn die onrecht wordt aangedaan. Wij zijn de onschuldige slachtoffers van wat John F. Kennedy (12 november 1963) de "aanval van binnenuit" noemde, de "binnenlandse agressie" van Zuid-Vietnamese boeren tegen hun wettelijke regering en tegen ons die die regering onder dwang hebben opgelegd en die wij, als redders van het land, beschermden tegen de eigen bevolking.21 Later werden we op verraderlijke wijze aangevallen door de Noord-Vietnemezen. Niet tevreden gesteld met de aanval op ons, hebben ze ook Amerikanen gevangen genomen die op geheimzinnige wijze in hun handen waren gevallen. Zonder ophouden zetten de Vietnamese agressors na het einde van de oorlog hun mishandelingen jegens ons voort door te weigeren zich volledig in te spannen duidelijkheid te verschaffen over het lot van de MIA's en van Amerikaanse piloten die zij op zulk een gemene manier uit de lucht hebben geschoten.

De enige morele kwestie die overblijft na een kwart eeuw van geweld is ons lijden door toedoen van deze barbaren. Het begon allemaal met onze forse steun voor de poging van de Fransen om hun voormalige koloniën te heroveren. De daaruit voortvloeiende diplomatieke overeenkomst werd door ons niet geaccepteerd en we installeerden een regime van corrupte en moordzuchtige boeven in het zuidelijke deel waar we onze overheersing deden gelden. En toen de terreur en repressie van onze cliënten een tegenreactie opriep die zij niet konden beheersen gingen we direct over tot de aanval op Zuid-Vietnam. We breidden onze agressie uit over geheel Indochina [Noord-Vietnam, Laos en Cambodja, noot vertalers] met grootschalige bombardementen van dichtbevolkte gebieden, chemische oorlogvoering om gewassen en vegetatie te vernietigen en het bombarderen van dijken. Toen het creëren van vluchtelingen, het verwijderen van de bevolking en het platbuldozeren van hun dorpen niet het beoogde effect bereikten, gingen we uiteindelijk over tot gigantische massamoordoperaties en terreurprogramma's. Met als eindresultaat dat drie landen volledig verwoest achterbleven, misschien zelfs zonder de hoop ooit te kunnen herstellen. De bodem is bezaaid met miljoenen lijken en niet-ontplofte munitie, met ontelbare verminkten en ontheemden die van alles te kort komen, mismaakte foetussen in de ziekenhuizen in het zuiden die bij de "pro-leven" enthousiastelingen geen gevoelige snaar raken, en andere verschrikkingen die te afschuwelijk zijn om op te sommen. Een regio die "als culturele en historische eenheid met uitsterven wordt bedreigd terwijl het land letterlijk sterft onder de slagen die worden toegebracht door de grootste militaire machine die ooit op een gebied van deze afmetingen is losgelaten," in de woorden van de havik-achtige historicus Bernard Fall, éen van de meest vooraanstaande experts van Vietnam. Dit zei Fall al in 1967 - dat wil zeggen voordat de grootste Amerikaanse gruweldaden begonnen waren.22

Van dit alles blijft slechts één aspect over: de afschuwelijke mishandelingen die wij moeten doorstaan in handen van onze folteraars.

De reacties op onze tegenspoed zijn niet geheel unaniem. Aan het meest duif-achtige extreem vinden we John Kerry, die waarschuwt dat we nooit meer een oorlog moeten vechten "zonder dat we voldoende materiaal hebben om te winnen"; andere problemen ziet hij niet. En dan is er nog President Carter, befaamde moreel lichtbaken en apostel der mensenrechten, die ons verzekert dat wij geen schuld hebben ten aanzien van Vietnam en geen verantwoordelijkheid dragen om hen hulp te geven omdat "de vernietiging wederzijds was." Dit wordt beschouwd als een doodnormale opmerking. Niemand die er commentaar op heeft. Zij die minder geneigd zijn om de andere wang toe te keren, leggen onomwonden alle schuld bij de Vietnamese communisten, en nagelen al die anti-Amerikaanse extremisten, die maar door blijven zeuren, aan de schandpaal.23

In de New York Times staan verhalen met de titel "Vietnam dat probeert om aardiger te zijn, zal nog iets meer haar best moeten doen," van Azië-correspondent Barbara Crossette. Ze schrijft dat alhoewel de Vietnamezen enige vooruitgang maken "op het gebied van de vermiste Amerikanen," ze nog niet in de buurt komen van onze hoogstaande morele standaard. En nog honderd van dit soort artikelen met dezelfde toon en inhoud. Zoals het een staatsman betaamt verklaarde President Bush: "Het was een verbeten conflict, maar Hanoi weet nu dat we oplossingen proberen te bereiken zonder de dreiging van vergelding voor het verleden." Hun misdaden tegen ons zullen nooit vergeten worden, maar "we kunnen nu beginnen om het laatste hoofdstuk van de Vietnamoorlog te schrijven," als zij zich tenminste met voldoende inzet zullen wijden aan het lot van de MIA's. Het is misschien zelfs mogelijk "dat we een begin maken met hulp aan de Vietnamezen bij het vinden en identificeren van hun eigen soldaten die vermist zijn," zo schrijft Crossette. Op dezelfde voorpagina staat wederom het verhaal over de Japanse tekortkomingen, om "zonder dubbelzinnigheden" de schuld te aanvaarden "voor haar oorlogsagressie." 24

Toen de presidentsverkiezingen van 1992 losbarstten, werd Vietnams wrede behandeling van het noodlijdende Amerika een belangrijke kwestie: had Washington wel voldoende gedaan om deze mishandeling te voorkomen, of was er een samenzwering gaande om deze kwestie in de doofpot te stoppen. Een voorpagina-artikel in de New York Times van Patrick Tyler geeft de sfeer weer. Tyler doet verslag van het feit dat het Witte Huis het voorstel van Ross Perot uit 1987 verwierp. Zijn voorstel was om de druk op Hanoi te verminderen omdat het misschien "een manier zou zijn om het repatriëren van Amerikaanse militairen die nog steeds in Zuidoost-Azië worden vastgehouden te bereiken." "In die tijd," merkt Tyler op, "volgde Washington met hetzelfde doel een hardere diplomatiek lijn te aanzien van Hanoi." "De geschiedenis laat zien dat het doen van concessies zonder dat er iets veranderd is, helemaal niets oplevert," zei Richard Childress, een functionaris van de Nationale Veiligheidsraad die verantwoordelijk is voor het MIA/POW beleid [POW, prisoners of war, krijgsgevangenen. Noot vertalers]. "Zij nemen en nemen maar," voegde hij er aan toe: "Dat hebben we geleerd in de afgelopen 25 jaar." "Vanuit een positie van overmacht richtten Amerikaanse onderhandelaars zich op een stap-voor-stap 'routekaart', door middel van samenwerking op het gebied van de POW/MIA, ter verbetering van de onderlinge relaties," voegt Tyler er aan toe. Er wordt in het geheel geen enkel vraagteken geplaatst bij de door Washington naar voren gebrachte doelstellingen of de vaagste hint gegeven dat er misschien mensen bestaan die niet zo onder de indruk zijn van dit soort rechtvaardigheid.25

Het land verdiept zich op plechtige wijze in "de Volksgeest van Japan". Iedereen betreurt het schandelijke "zelfmedelijden" van de Japanners, hun tekortschieten in het aanbieden van herstelbetalingen voor haar slachtoffers of om zelfs maar "voor de dag te komen met een definitieve verklaring omtrent de verantwoordelijkheid voor de oorlog." Terwijl tegelijkertijd de afkeuring van de Amerikaanse regering en de media over de criminelen in Hanoi een hoogtepunt bereikt: ze weigeren niet alleen om hun schuld te erkennen, maar houden vast aan hun schandalige behandeling van het onschuldig Amerika. Barbara Crossette doet op uitgebreide wijze verslag van deze toenemende verontwaardiging ten aanzien van Vietnams morbide handelswijze 17 jaar nadat de oorlog officieel beëindigd is. Ze schrijft dat er de kans is dat de diplomatieke relaties tussen de VS en Vietnam "het gevaar lopen bevroren te worden door het oprakelen van één van die zaken die nooit geregeld is en ook nooit zal verdwijnen: het lot van de vermiste Amerikanen."

Met gepaste woede over het onrechtvaardig handelen van Vietnam opende George Bush het Jaar 500 in oktober 1991 door nogmaals de pogingen van Europa en Japan te dwarsbomen. Zij probeerden namelijk om het in 1975 door de VS opgelegde embargo te beëindigen. Tegelijkertijd liet minister van Defensie Dick Cheney aan het congres weten dat "ondanks verbeterde samenwerking" de Vietnamezen meer zullen moeten doen voordat wij ze toegang zullen verlenen tot de beschaafde wereld. "Wezenlijke vooruitgang" op het gebied van de MIA is een noodzakelijke voorwaarde voor de normalisering van de betrekkingen, zei minister van Buitenlandse Zaken James Baker, hetgeen nog wel vele jaren zal duren. Aan de andere kant blijven de functionarissen van één van de armste landen ter wereld zich ergeren, zoals "afgelopen week toen de VS een voorstel van Frankrijk blokkeerden waarin werd opgeroepen om vanuit het Internationale Monetaire Fonds geld te lenen aan Vietnam," aldus de Times. 26

Een tijd lang werd het embargo in stand gehouden om Vietnam te straffen voor nog een andere misdaad: haar aanval op Pol Pot als reactie op de moorddadige aanvallen van de Rode Khmer in Vietnamese grensgebieden. De VS streefden er naar om de relaties te normaliseren ondanks Vietnams wrede behandeling van ons, meldt Barbara Crossette onder de titel "Indochina's vermisten: een zaak die weigert te verdwijnen." Maar, vervolgt ze, "president Carters pogingen om de banden met Hanoi aan te halen werden gedwarsboomd door de Vietnamese invasie van Cambodja in 1978." Uiteraard kon de heilige moralist deze niet-geprovoceerde agressie niet door de vingers zien. Als Bush president was geweest dan had hij zonder twijfel Stormin' Norman er op af gestuurd om de agressors te verpletteren (dat wil zeggen, als het zeker was geweest dat er niemand zou terugschieten).27

Hoe moeilijk Carter het emotioneel heeft met oorlogsmisdaden was voor iedereen die dat wilde zien al duidelijk naar aanleiding van zijn reactie op de Indonesische invasie van Oost-Timor - hij deed geen enkele poging om de verschrikkelijke aanval op de bevolking te stoppen. In tegendeel. Toen het Indonesische geweld in 1978 op genocide dreigde uit te lopen en de militaire voorraden uitgeput raakten, zorgde de Carter-regering er voor dat de stroom wapens aan haar Indonesische bondgenoot flink werd opgevoerd. Om de door het congres opgelegde beperkingen te omzeilen werden gevechtsvliegtuigen via de Israëlische connectie gestuurd. Negentig procent van de Indonesische wapens werden door de VS geleverd, onder de strikte voorwaarde dat zij alleen voor defensieve doeleinden gebruikt konden worden. Met zijn hoog ontwikkelde morele overtuigingen nam Carter de Vietnamese misdaad van agressie in ogenschouw en stopte de pogingen om Vietnam de gemeenschap van beschaafde naties binnen te brengen, zo wordt ons geleerd. De principiële weerstand van de VS tegen het gebruik van geweld op het terrein van de internationale betrekkingen werd ook geopenbaard in de jaren '80. Bijvoorbeeld door de doorslaggevende steun die Washington gaf bij de Israëlische invasie van Libanon en de daarmee samenhangende slachtingen. Of door de reacties van de regering en de media op de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof in 1986 waarin de VS werden opgeroepen om te stoppen met hun "onrechtmatig gebruik van geweld" tegen Nicaragua. Of door de Panama-invasie van George Bush ter viering van de val van de Berlijnse muur en het einde van de Koude oorlog. En zo zijn er nog heel wat meer voorbeelden te geven.28

Volgens de versie van de Amerikaanse regering/New York Times weigerde Washington "de relaties te normaliseren zo lang de door Vietnam gesteunde regering van Cambodja zich bleef verzetten om door middel van onderhandelingen een einde aan de burgeroorlog te maken" (Steven Greenhouse). Deze 'burgeroorlog' betrof het conflict met de Rode Khmer, en hun aanvallen op Cambodjaanse plattelandsgebieden vanuit Thailand. In deze 'burgeroorlog' werden de Rode Khmer gesteund door China en Thailand (en indirect door de VS en haar bondgenoten).29

De werkelijkheid ziet er echter iets anders uit. De regering Carter koos "er voor om het Vietnamese aanbod ter herstel van de relaties niet te aanvaarden," merkt Raymond Garthoff op, met name gebaseerd op de in begin 1978 begonnen "toenadering tot China" en daarmee ook naar China's bondgenoot de Rode Khmer. Dat was dus al voordat Vietnam Cambodja binnenviel. Ondertussen kon Pol Pot doorgaan en beging hij juist in deze periode de ergste misdaden van zijn bewind, die door de CIA in een latere demografische studie verdoezeld werden, waarschijnlijk wegens banden met de VS. Nadat de Rode Khmer verdreven waren door de Vietnamezen onthielden vele Europese landen zich van stemming in de VN over de "legitieme regering" van Cambodja. De VS niet. Zij "sloten zich aan bij China in steun voor de Rode Khmer" (Garthoff). De VS steunden daarop China's invasie "ter bestraffing van Vietnam" en gingen er toe over om steun te geven aan de in Thailand gevestigde coalitie waarin de Rode Khmer het belangrijkste element vormden. De VS "moedigden de Chinezen aan om Pol Pot te ondersteunen," zoals Carters Nationale Veiligheidsadviseur, Zbigniew Brzezinski, later zei. Deng Xiaoping, dé favoriet van de regeringen Reagan en Bush, zette uiteen: "het is verstandig om de Vietnamezen te dwingen in Kampuchea [Cambodja] te blijven omdat ze op die manier meer zullen lijden en niet in staat zullen zijn om hun hand op Thailand, Maleisië en Singapore te leggen," hetgeen zij zonder enige twijfel zouden hebben veroverd als ze niet op tijd tegengehouden waren. Na de hulp ter heroprichting van de verslagen troepen van Pol Pot gaf de coalitie van VS-China-Thailand (en het Westen in het algemeen) ook diplomatieke steun aan Pol Pot. Er werd een embargo jegens Cambodja ingesteld en hulp uit andere bronnen werden geblokkeerd, waaronder humanitaire hulp. Iedere poging om door middel van onderhandelingen tot een overeenkomst te komen waarin de Rode Khmer geen belangrijke rol kreeg, werd ondermijnd. De VS dreigden Thailand zelfs met het verlies van handelsprivileges wanneer zij weigerde om de Rode Khmer te steunen, aldus een verslag van de Far Eastern Economic Review uit 1989.

Het was onder druk van de vijf permanente leden van de VN Veiligheidsraad dat "de Cambodjanen werden gedwongen ... om de terugkeer van de Rode Khmer te accepteren," onderstreepte Sihanouk in zijn eerste speech na zijn triomfantelijke terugkeer naar Cambodja in november 1991. Een jaar daarvoor had hij de Amerikaanse journalist T.D. Allman laten weten: "Om Cambodja te redden.. was het enige noodzakelijke om [in 1979] Pol Pot te laten sterven. Pol Pot was aan het sterven en jullie brachten hem weer tot leven."30

Een iets accuratere weergave van de Times-speak is dan ook dat Vietnams pogingen om relaties te herstellen gedwarsboomd werden door Carters "toenadering" tot China en de Rode Khmer, dat de VS het voorwendsel van de Vietnamese invasie gebruikten om de bevolking van Vietnam en Cambodja zo hard mogelijk te treffen en dat Washington iedere onderhandelde uitkomst, waarin de Rode Khmer geen belangrijke rol kreeg toebedeeld, weigerde te accepteren.

Door het verdrijven van Pol Pot en het verzwakken van de Rode Khmer heeft Vietnam "lof toegezwaaid gekregen van de meeste Cambodjanen," schrijft Globe-redacteur H.D.S. Greenway. Maar deze actie "wordt door het grote deel van de rest van de wereld als een schande gezien" - met name door die delen van de wereld die achter de VS aanlopen. Nadat Vietnam zich had teruggetrokken uit Cambodja verviel dat als voorwendsel om het embargo in stand te houden, zodat alleen nog de MIA-kwestie overbleef. Amerikaanse moraalridders in de pers en de regering stelden dat deze zich voortslepende misdaad het noodzakelijk maakt dat we doorgaan met het embargo. Met als gevolg dat Vietnam geen leningen en investeringen krijgt vanuit de internationale financiële instituties, omdat die door de VS overheerst worden. De Europeanen en Japanners binden in omdat ze bang zijn op de tenen van hun machtige en meedogenloze bondgenoot te stappen.31

Op de Pearl Harbor verjaardag werd er in een redactioneel van de Washington Post opgemerkt dat hoewel Vietnam vooruitgang had geboekt, "sommige MIA pleitbezorgers" beweren dat er "overblijfselen achter de hand gehouden worden." "Er is vanuit Hanoi een substantiële openheid noodzakelijk en van de kant van Washington een zorgvuldig onderzoek, om in deze kwestie duidelijkheid te scheppen," concluderen de redacteuren standvastig. Als de Vietnamezen zich van hun beste kant tonen en volledig samenwerken, dan kunnen wij het misschien toestaan dat ze toetreden tot de wereldgemeenschap, alhoewel we ze nimmer zullen vergeven voor de schade en de pijn die zij ons nu al meer dan 40 jaar toebrengen, net zoals we nimmer de schande die Japan slechts enkele jaren daarvoor over ons bracht, zullen kunnen vergeten.32

Om maar weer eens een uitstapje te maken naar de werkelijkheid, het zijn voornamelijk de Amerikaanse ondernemers die klagen over deze fanatieke toewijding om "Vietnam te laten bloeden"; ze zijn bevreesd dat er winstkansen aan hen voorbij gaan ten gunste van concurrenten uit het buitenland, dat zij niet "hun rechtmatige deel van de handel in Vietnam verkrijgen," zoals een directeur het uitdrukte. Deze overwegingen zijn daadwerkelijk een reden om onze houding te herzien. We zouden kunnen toegeven, vermeldt de pers, als Vietnam akkoord gaat met twee jaar opgravingen, stappen onderneemt om voor ons de weg naar Laos en Cambodja te openen, belooft om alle overblijfselen die ooit gevonden zullen worden over te dragen en ons verzekert van "directe toegang tot het Vietnamese platteland" en tot de militaire archieven. Tegelijkertijd, omdat wij de benadeelde partij zijn, mogen Vietnamese VN-diplomaten zich in New York niet vrij bewegen, en wat betreft de toegang tot Amerikaanse militaire archieven,... Ach, ja.33

"Er zijn Vietnamezen zoals de staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken Le Mai, die zegt dat hij 'begrijpt waarom het zo belangrijk is voor de Amerikaanse regering om de Amerikaanse mensen te overtuigen wat betreft de MIA's'," schrijft Greenway. "De Vietnamezen begrijpen ook dat de kwestie van de vermiste Amerikanen het enige belangrijke obstakel is om van het door de Amerikanen-opgelegde handelsembargo af te komen, de diplomatieke relaties met de VS te herstellen en toe te treden tot de wereldgemeenschap." Maar, voegt Greenway er aan toe, "er zijn ook Vietnamezen die met grote verbittering spreken over wat zij zien als Amerika dat een politieke kwestie creëert met het land waarvan het verloren heeft, en dat zelf twee- tot driehonderdduizend vermiste soldaten heeft, waarvan helemaal niets bekend is." Eén Vietnamese oorlogsveteraan suggereerde dat de "Amerikanen terug moeten komen en ons vertellen waar de Vietnamezen begraven zijn." "Wat een heidens karwei," schrijft Greenway vanuit zijn lange ervaring als oorlogscorrespondent, "terugdenkend aan die sinds lange tijd onderdrukte herinneringen aan bulldozers die Vietnamese lijken in kuilen gooien en aan helikopterladingen, waarbij armen en benen door de netten staken, die in één of ander ongemarkeerd graf werden gedumpt."34

Greenway verdient een pluim voor het uit het gelid treden met dit verhaal, hetgeen zeer uitzonderlijk is. Al blijft het onvermeld wie nu die geheimzinnige daders zijn, die nóg wel het een en ander op hun kerfstok hebben.

Niets van dit alles - het is allemaal nauwelijks een geheim - maakt dat er enige belemmering voor de VS is "om toe te treden tot de wereldgemeenschap." Er is geen roep om hansei - of het nu om "berouw" of om "zelf-refelectie" gaat.

Andere stemmen zijn te zwak om gehoord te worden te midden van onze orgie van zelfmedelijden over wat ons is aangedaan. Om maar één voorbeeld te noemen van een chirurg die in februari 1990 door middel van een ingewikkelde operatie een Amerikaanse granaatscherf verwijderde bij één van de vele slachtoffers die sinds het einde van de oorlog werden gedood of gewond raakten als gevolg van de niet-ontplofte munitie. Toen die ellendige Communisten landkaarten vrijgaven waarop de landmijnen in Afghanistan stonden aangegeven zodat burgers beschermd konden worden tegen deze dodelijke nalatenschap van hun agressie, werden zij alom in alle toonaarden met verachting overladen. Er zijn in het geheel geen afkeuringen van de Verenigde Staten, om de eenvoudige reden dat Washington weigerde om landkaarten met mijnen over te dragen aan de uit burgers bestaande landmijnenopruimingsteams in Indochina. Zoals een woordvoerder van het Pentagon verklaarde, "mensen moeten gewoon niet in die gebieden gaan wonen. Ze weten wat het probleem is." En wie zou het bezaaien van het platteland met landmijnen en anti-persoonsbommen durven veroordelen? Het is namelijk elementaire logica dat wij dat hebben gedaan uit "onze overdaad aan rechtvaardigheid en belangeloze goedertierenheid."35

Zij die de buitenlandse pers lezen kunnen de stem horen van de elfjarige Tran Viet Cuong uit de stad Vinh - de stad die zo'n pech had omdat het zoals de Times het bedachtzaam uitdrukte "door haar ligging vervloekt" was (zie hoofdstuk 10, deel 1). Zijn ouders willen uit alle macht dat hij naar school gaat, maar omdat de stad zich geen boeken kan veroorloven, krijgt Tran geen ontbijt zodat zijn ouders boeken voor hem kunnen kopen (als hij geluk heeft, dan koopt zijn leraar krijt van het salaris dat hij overhoudt van twee of drie baantjes). De lokale overheid "kan het zich eveneens niet veroorloven om vele van de wegen, ziekenhuizen en riolen die twintig jaar geleden door Amerikaanse bommenwerpers vernield zijn te repareren," schrijft John Stackhouse vanuit deze gehavende stad. In 1991 werd het kinderziekenhuis gedwongen om 50 van de 250 bedden af te stoten en om de patiënten zelf te vragen voor medicijnen te zorgen. Doktoren doen de chirurgische operaties op een tafel die gedoneerd is door Polen, grotendeels zonder instrumenten. In het Vinh Medisch Centrum, waar de apotheek van het ziekenhuis nog immer een "berg stenen" is, verklaart een dokter wat iedereen al weet: "de problemen hier zijn het gevolg van de Amerikaanse oorlog, en het embargo heeft het verergerd."

Het embargo, merkt Stackhouse op, heeft "Vietnam internationaal geïsoleerd, haar afgesneden van handels- en hulpstromen." Hulp van ontwikkelingsorganisaties waar de VS "een feitelijk veto" over hebben is geblokkeerd, waaronder die van de in Manilla gevestigde Asian Development Bank die bereid is om 300 miljoen dollar te lenen, hierin zijn fondsen opgenomen voor irrigatieprojecten die de landbouwopbrengsten met een derde zouden doen toenemen. Alhoewel Vietnam de bezuinigingen (SAP's, structural adjustment programs) heeft doorgevoerd die een eis zijn van de officiële geldleners, lang voor dat Oost-Europa dat heeft gedaan, krijgt het geen enkele van de lage-kosten Wereldbankfondsen die bedoeld zijn om de zware gevolgen van de bezuinigingen te verlichten, dankzij het hardvochtige veto van de VS. Het resultaat is dat de kindersterfte twee tot driemaal zo hoog is als in Bangladesh en dat het schoolsysteem, "dat ooit een enorm geschoolde bevolking produceerde," in elkaar is gestort. Commerciële banken en andere donoren en investeerders kunnen niets doen totdat de VS het toestaan, en doordat buitenlandse markten grotendeels afgesloten zijn, is er geen vooruitzicht op banen in de marktsector. Zelfs een beroep van UNICEF faalde: "Niemand wil de VS voor het hoofd stoten," merkt de directeur van UNICEF's Ho Chi Minh-stad bureau op.36

Lezers van de buitenlandse pers kunnen ook de stemmen horen van de bergvolkeren in 1991, toen zij "aan de autoriteiten toestemming vroegen om een Amerikaanse helikopter neer te schieten toen zij hoorden dat die zou komen om bewijs te onderzoeken betreffende vermiste Amerikaanse soldaten." "Het is niet moeilijk om de bron voor deze opgekropte agressie [hier] te vinden," schrijft Canadees correspondent Philip Smucker: "Het enige dat nodig is is om te zien in welk dorp onlangs een kind verwond of gedood is door een 'bomblet', een klein bom die al sinds 18 jaar in de grond verborgen zit." In deze regio hebben "grootschalige bombardementen en dioxine-besproeiingen door Amerikaanse vliegtuigen (...) de bossen vernietigd, en een groot deel van het platteland veranderd in een bergachtig maanlandschap doorboord met kraters ter grote van Caddilacs." De bodem is doordrenkt met meer dan 200 liters [aan chemische vergiften] per hectare," zodat "het aantal misvormde kinderen veel groter is dan in het noorden waar er niet is besproeid." Alleen al in dit geïsoleerde gebied "zijn meer dan 5000 mensen verwond of gedood" als gevolg van de niet-ontplofte bommen sinds 1975. "Ik haat de man die deze bom heeft gegooid," zegt een boer "staande voor een krater die tien keer zo groot is als hijzelf en die letterlijk voor zijn deur ligt," één van de souvenirs van de B-52 bombardementen die zijn vrouw doodde in 1969. Een andere krater vertelt het verhaal van zijn 8-jarige zoon die net een paar weken daarvoor aan stukken werd gereten toen hij een rond metalen voorwerp uit de modder opraapte; nog een kinderdood die "in de annalen van de Vietnamoorlog onvermeld zal blijven."37

Dit soort verhalen werpt uiteraard geen enkele schaduw op ons brandschone geweten, terwijl wij de verwrongen volksgeest van die verraderlijke Japanners proberen te doorgronden. We zijn dol op dat soort psychische afwijkingen die ons zo in verwarring brengen en tegelijkertijd zo nieuwsgierig maken. Met de principes van 500 jaar westerse veroveringen in het achterhoofd is het niet moeilijk om de morele kloof die tussen ons en de Japanners ligt te begrijpen: moraliteit komt uit de loop van een geweer - en wij hebben de geweren.

Alsof het er om ging dit punt te onderstrepen kwam de wetenschapsbijlage van de New York Times met het volgende artikel: "Studie naar effecten van dioxine in Vietnam wordt bemoeilijkt door diplomatieke breuk." Deze "diplomatieke breuk" wordt weergegeven volgens objectieve journalistieke eisen der symmetrie ("Vietnamese en Amerikaanse functionarissen komen stapje voor stapje langzaam tot elkaar in de onderhandelingen om de onderlinge relaties te verbeteren," enzovoorts). Maar het artikel is opzienbarend omdat het de vinger legt op een aantal ongelukkige gevolgen van deze vreemde wederzijdse verwarring. Het probleem is dat de "17-jarige breuk in de relaties tussen Vietnam en de Verenigde Staten een belemmering is voor essentieel onderzoek naar de lange termijn effecten van Agent Orange en andere vormen van dioxine op militaire en burgerpopulaties." Dit is hoogst ongelukkig want er kan veel geleerd worden "over de potentiële gevaren van industriële dioxine in het Westen door de mensen te bestuderen in die gebieden die tijdens de Vietnamoorlog werden besproeid met grote doses Amerikaanse ontbladeringsmiddelen die dioxine bevatten."

"Vietnam is een ideale locatie voor verder onderzoek naar de potentiële verbinding tussen dioxine en kanker, dysfunctie bij de voortplanting, hormoonproblemen, tekortkomingen van het immuunsysteem, stoornissen van het centrale zenuwstelsel, schade aan de lever, diabetes en stofwisselingsaandoeningen," vervolgt het artikel. Er bestaat de mogelijkheid om een antwoord te vinden voor het "cruciale" probleem te bepalen "op welk niveau het gevaarlijk voor de mens wordt." Dat de wezens die onderzocht worden ook nog enkele noden hebben waaraan iets gedaan zou moeten worden, misschien door die geheimzinnige dader die hiervoor verantwoordelijk is, is een te exotische gedachte die in het geheel niet aan de orde komt, zelfs niet in een vage hint.

Er zijn twee redenen waarom "Vietnam uitstekende mogelijkheden voor onderzoek biedt." "Ten eerste een grote hoeveelheid mensen van alle leeftijden en beide seksen is blootgesteld aan dioxine," waaronder "veel vrouwen en kinderen," terwijl in het Westen industriële ongelukken of "besmetting van een woonwijk" zoals in Seveso, Italië en Love Canal "beperkt is gebleven tot kleine groepen in beperkte gebieden," van meestal mannen. Ten tweede, Vietnam "verschaft een uitgebreide controlegroep," omdat de noordelingen "niet werden besproeid." Het is ook zeer handig dat "veel Vietnamezen zijn blootgesteld aan grote hoeveelheden dioxine." "Tachtig procent van de Vietnamezen leefde op het platteland en liep vaak op blote voeten of op sandalen," merkt een Amerikaanse onderzoeker op. "Samenwerking in Vietnam is prima," maar "we laten een unieke mogelijkheid voorbijgaan; "Als we niet opschieten met de onderzoekingen naar mensen die zijn blootgesteld aan besproeiingen, dan zijn we te laat."38

Misschien dat er binnen het kader van dit reuze interessante onderzoeksproject ook wat aandacht kan worden gegeven aan de kinderen die aan kanker sterven, aan allerlei geboorteafwijkingen of aan de vrouwen met vreemde kwaadaardige tumoren die te vinden zijn in de ziekenhuizen in het zuiden. Dus niet in het noorden, dat voor déze specifieke gruwelen gespaard is gebleven. Of dat de onderzoekers een kijkje nemen in de afgesloten containers met afschuwelijke, mismaakte babies, en andere "angstaanjagende" scènes waar zo nu en dan in de buitenlandse pers verslag van wordt gedaan, of bij ons in tijdschriften die nauwelijks iemand onder ogen krijgt. Dat onderzoek zou ook wel iets kunnen opleveren voor de Verenigde Staten.39

Dit soort kritiek van wederzijdse tekortkomingen wijkt in ieder geval af van de normale conventies in de zin dat er een suggestie is dat er iets scheef zit. Maar zo als met heel veel andere zaken roept het de vraag op of de intellectuele cultuur écht zo in elkaar zit, of dat het een verhaal van Jonathan Swift is. Het doet denken aan de bezwaren die nu en dan opgeworpen worden over de zware censuur in Japan onder de Amerikaanse bezetting. De censuur werd in het geheim opgelegd (zelfs zinspelingen erop werden gecensureerd) terwijl de VS een grondwet ontwierpen voor Japan waarin stond "Er zal geen censuur zijn, noch zal de geheimhouding van wat voor communicatiemiddel dan ook worden geschonden." Generaal McArthur "vertelde de Japanse bevolking en Japanse journalisten op bewogen wijze dat persvrijheid en vrijheid van meningsuiting heel erg belangrijk voor hem waren en dat dat de vrijheden waren waarvoor de geallieerden de oorlog hadden gevochten" (Monica Braw). De censuur werd direct na de oorlog tot stand gebracht en werd vier jaar in stand gehouden. Tegen die tijd hadden de zuiveringen van dissidenten het beoogde doel bereikt en was censuur niet zo belangrijk meer. Eén van de belangrijkste redenen voor censuur, al vanaf het begin, was om iedere discussie over de atoombom en de effecten ervan te voorkomen. Dit werd zoveel mogelijk geheim gehouden binnen Japan, omdat men bezorgd was dat de waarheid gevolgen zou kunnen hebben voor de "de publieke rust" en zou impliceren dat "het bombardement een misdaad tegen de menselijkheid was," zoals één van de censors verklaarde bij het verwijderen van een ooggetuigenverslag van de Nagasaki-gruwelen. Zelfs Japanse wetenschappelijke bladen werden gecensureerd. Dát stuitte wel op enige bezwaren, niet omdat de censuur de behandeling van slachtoffers in de weg stond, een kwestie die grotendeels genegeerd werd; maar omdat er een unieke gelegenheid om meer te weten te komen over de schade die straling veroorzaakt op deze wijze verloren ging. 40

Terwijl Amerika op de vijftigste verjaardag de Japanse misdaden overdacht verscheen er een nieuw boek over die ene gruweldaad die inderdaad wordt erkend: de slachtingen in My Lai in maart 1968. Amerikaanse recensisten waren geschokt om te weten te komen dat de "beruchte luitenant Calley," die leiding gaf aan de moordenaars, "minder dan drie jaar gevangen had gezeten in het officiersverblijf waar hij ook tijdens zijn opleiding had gezeten, voor hij werd vrijgelaten" en dat hij tegenwoordig van het leven genoot als een zakenman in Georgia, die met zijn Mercedes heen en weer reed tussen zijn fijne huis en het winkelcentrum waar zijn juwelierswinkel is gevestigd. De recensist van de Washington Post sluit zijn overdenkingen over de slachting af met de volgende opmerking: "Ieder boek over dit onderwerp heeft de verantwoordelijkheid om de fouten te herleiden tot het complex van licht en donker van de individuele menselijke ziel."

In de Londense Financial Times stond een geheel andere reactie van Justin Wintle:

"Zoals vrijwel ieder ander boek over Vietnam dat in het Westen wordt gepubliceerd, richt Four Hours in My Lai zich op Amerika, en de schade die is toegebracht aan het Amerikaanse gevoel van eigenwaarde. De andere kant van het verhaal wordt gemarginaliseerd. Alhoewel [de schrijvers] plichtmatig de ooggetuigeverslagen van het handjevol overlevenden van My Lai optekenen, blijft het overweldigende leed waarvan Quang Ngai nog steeds is doordrongen als gevolg van de achtjarige bezetting door Amerikaanse en Zuid-Koreaanse troepen nog steeds onverteld. In plaats daarvan wordt de lezer overspoeld met een grote hoeveelheid, vaak triviale biografische details die betrekking hebben op de levens van vrijwel alle in de tekst genoemde Amerikanen."

Dat is van het begin af aan de normale manier van doen. Vrijwel niemand vertrok een spier toen de New York Times in maart 1973 een overdenkingsartikel schreef vanuit My Lai ter ere van de vijfde verjaardag van de slachting. Er wordt geschreven dat het dorp en de regio nog steeds "stil en onveilig" zijn, alhoewel de Amerikanen nog steeds "pogingen doen om veiligheid te brengen" door middel van meedogenloze bombardementen en beschietingen. De verslaggever citeert dorpelingen die de Amerikanen beschuldigen van het vermoorden van veel mensen en hij voegt er filosofisch aan toe: "Zij kunnen niet bevatten wat de naam My Lai betekent voor Amerikanen."41

De recensie van de Washington Post houdt zich aan de wetten van de politieke correctheid door ons op het hart te drukken dat we het donkerste van "de individuele menselijke ziel" met al haar complexiteiten zullen moeten betreden om My Lai te kunnen begrijpen als een bepaald soort universele tekortkoming van de menselijke soort. Het heeft helemaal niets met het Amerikaanse beleid en instituties van doen. De wetmatigheid schrijft voor dat de VS alleen reageren op de misdaden van anderen, en geen ander beleid voeren dan dat van algemene goedertierenheid. In de provincie Quang Ngai bestond het beleid er alleen maar uit om te proberen "veiligheid te brengen" aan de noodlijdende Vietnamezen die wij "beschermen". Het klopt, er waren verwoestingen in Indochina, maar in het algemeen ligt de verantwoordelijkheid daarvoor bij de een of andere geheimzinnige dader. Er zijn "aanzienlijke stukken land door de oorlog onbruikbaar geworden," schrijft de belangrijkste Azië-specialist van de Times Fox Butterfield. Zo een zin zou zelfs Orwell naar adem doen snakken. Zijn collega Craig Whitney vat de "nalatenschap van de oorlog" als volgt samen: "[de Vietnamezen] en hun land werden bestraft toen zij de communisten toestonden om vrijelijk in het land te opereren" en de dorpelingen "werden van huis en haard verdreven door de gevechten." Het is allemaal een soort natuurramp, onbegrijpelijk. Het enige dat misschien iets oplevert is om te filosoferen over de zwarte kant van de individuele menselijke ziel.42

De Britse recensist kwam met het advies een stap verder te gaan: te kijken naar "de doelen van de beleidsmakers in Washington," en niet alleen naar de ziel van luitenant Calley en de half-doorgedraaide soldaten in het veld die de slachting uitvoerden, die slechts wisten dat iedere Vietnamees in de puinhopen van een dorp in Quang Ngai - man, vrouw of kind - een potentieel gevaar voor hun leven was. Een eerste stap om deze beleidsdoelstellingen te bepalen zou een onderzoek kunnen zijn naar Operatie Wheeler Wallawa, waarvan de officiële body count [getelde doden] 10.000 vijanden telt, waaronder de slachtoffers van My Lai. In een gedetailleerd onderzoek naar deze en andere massamoordoperaties uit die periode schrijft Kevin Buckley, bureauchef van Newsweek, dat My Lai "onderdeel was van een zeer ijzingwekkende toepassing van een groter beleid dat vele malen tot dezelfde gevolgen leidde op veel verschillende plaatsen." Bijvoorbeeld, in één gebied dat vier dorpen omvatte werd de bevolking uitgedund van 16.000 naar 1600. In een ander gebied toonden de plaatsbepalingen van het Amerikaanse militaire opperbevel aan dat de bombardementen met B-52 bommenwerpers precies gericht waren op de dorpen. In weer andere gebieden werden de mensen die op het veld werkten met helikopters achtervolgd en vermoord. "Uiteraard kan de schuld daarvoor niet in de schoenen van een voortsukkelende luitenant worden geschoven," merkt Buckley op: "Calley was een uitzondering, maar 'Wheeler Wallawa' niet." En dat geldt voor heel veel soortgelijke operaties. Dit gegeven roept bepaalde gedachten in herinnering.43

Noord-Amerikanen die in Quang Ngai voor een hulporganisatie werkten wisten direct van de slachting in My Lai. Zij en de lokale bevolking schonken er geen bijzondere aandacht aan, omdat zij het beschouwden als dagelijkse kost, niets opmerkelijks. Gepensioneerd legerofficier Edward King schreef dat "My Lai voor de gemiddelde beroepssoldaat niets meer betekende dan te worden meegezogen in een cover-up van zaken waarvan hij wist dat het zich al sinds lange tijd voordeed op een kleinere schaal." Door toeval stuitte de militaire commissie die onderzoek deed naar de My Lai slachting op een soortgelijke slachting een paar kilometer verderop, in My Khe. De commissie liet de aanklachten tegen de verantwoordelijke officier vallen op grond van het feit dat het een volslagen normale operatie was waarbij het dorp werd verwoest en 100 mensen gedood. De overlevenden van het dorp werden, net als de overlevenden van My Lai, onder dwang overgebracht naar een kamp zonder water op Batangan Peninsula, waar een vaandel hing met de tekst: "We danken jullie voor het bevrijden van ons uit handen van de communistische terreur." Daar werden zij onderworpen aan Operatie Bold Mariner, nog meer "pogingen om veiligheid te brengen" met hoogstwaarschijnlijk zelfs grotere slachtingen en ecologische verwoestingen tot gevolg.44

Zouden er misschien nog meer kandidaten denkbaar zijn voor de oorlogstribunalen, behalve generaal Yamashita en duizend anderen die geëxecuteerd werden voor hun misdaden in de Pacifische oorlog?

 


5. Overgevoeligheid voor de geschiedenis

Diegenen in de VS die zich bezighielden met het onderzoek naar de "Japanse volksgeest" kwamen tot de conclusie dat deze verschillende gebreken kent. Eén ervan is "de onhandige wijze waarop Japan haar eigen verleden probeert goed te praten" en "de volledige afwezigheid van enig begrip ervan." Hierin lijken zij op de Sovjet-functionarissen die "ieder denkbaar middel aangrepen (...) om de herinneringen van het volk" aan de "gruwelijke episodes", die hun weerga in de geschiedenis niet kennen, "te onderdrukken." Uiteindelijk bleek dit gedoemd te mislukken aangezien je "het verleden niet de nek kunt omdraaien."

Of misschien toch wel? Als we zien wat er over blijft van de oorlogen in Indochina in de ideologie van de VS dan is er reden genoeg om dieper op deze kwestie in te gaan. Een recenter voorbeeld hiervan is het lot van Midden-Amerika in de jaren tachtig: enkele toekomstige historici zullen met stomme verbazing kennis nemen van onze zelfbewieroking voor onze aldaar gepleegde misdaden, die veel erger waren dan de misdaden in de daaraan voorafgaande periode, die er al voor gezorgd hadden dat onze "achtertuin" in een miserabele toestand bleef.

Het is werkelijk schokkend dat Amerikaanse intellectuelen een oordeel vellen over de wijze waarop andere landen met hun verleden in het reine trachten te komen. Immers, wie van ons durft niet de waarheid over slavernij of over de uitroeiing van de oorspronkelijke bevolking onder ogen te zien? Is het bijvoorbeeld denkbaar dat er één inwoner uit het beschaafde New England is die de lugubere details van de eerste omvangrijke uitroeiingscampagne, namelijk het afslachten van de Pequot-indianen in 1637 en het als slaven verkopen van de overlevenden, niet van buiten kent? We kennen natuurlijk allemaal het door de Puriteinen in 1643 geschreven, trotse verslag van deze inspirerende daden waarin tevens wordt beschreven hoe de Pequot-samenleving door de koloniale autoriteiten officieel werd ontmanteld. Zelfs de naam "Pequot" werd verboden "waardoor deze naam (evenals die van de Amalekieten) van de aardbodem is verdwenen, aangezien zij niet meer bestaan of (althans) deze naam niet meer durven te gebruiken." Uiteraard wordt aan alle Amerikaanse kinderen die trouw zweren aan ons "door God gezegende Land" geleerd hoe de Puriteinen gebruik maakten van de retoriek en beelden uit het Oude Testament en zichzelf op bewuste wijze voordeden als "Gods Uitverkoren Volk" die op Zijn bevel "de Kanaänieten 'geselden' en uit het Beloofde Land verdreven" (Neil Salisbury). Wie voelde geen hansei bij het bestuderen van de kronieken waarin onze nobele voorouders worden verheerlijkt voor het uitvoeren van hun "Goddelijke missie" en waarin wordt beschreven hoe op instigatie van hun religieuze leiders het belangrijkste dorp van de Pequot-indianen tijdens een verassingsaanval met de grond gelijk werd gemaakt. Vlak voor het ochtendgloren en terwijl de meeste mannen afwezig waren begonnen de Puriteinen een slachting van waarlijk bijbelse dimensies onder de aanwezige vrouwen, kinderen en ouderen. Volgens eigen zeggen veranderden de Puriteinen de hutten in "vuurovens" waarin de slachtoffers van de "gruwelijkst denkbare dood" werden achtergelaten "om door het vuur verteerd te worden dat tegelijkertijd door de stromen bloed werd gesmoord." Deze dienaren van de Heer ondertussen "loofden God, die hen zo gunstig gezind was." Is het mogelijk dat er iemand is die zich niet heeft afgevraagd of er in onze geschiedenis echo's van recentere datum bestaan van dit soort uitzinnige vreugde over het uitroeien van hen "die zichzelf op hoogmoedige wijze verheven voelden" en weigerden afstand te doen van hun eigendommen?45

Maar misschien is het zuiden van Connecticut een te exotisch gebied voor de intellectuele en morele elite in New York. In dat geval hadden ze toch alle gelegenheid om zich te verdiepen in de archieven die de verslagen bevatten van de acties waarmee het gebied rond New York enige jaren later werd bevrijd van de inheemse pest. Neem bijvoorbeeld het verslag van David de Vries over zijn ervaringen in Lower Manhattan in 1643. Hierin beschrijft hij hoe Hollandse soldaten vredelievende Algonquin-indianen aan de overkant van de Hudson afslachtten en uiteindelijk alle inheemse Amerikanen uit het gebied van de huidige Newyorkse metropool vermoordden of verdreven. In dit geval baseerden de moordenaars zich weer op een ander favoriet voorbeeld van de Founding Fathers,

Die vonden dat ze een staaltje Romeinse dapperheid ten beste hadden gegeven door zo veel mensen in hun slaap te vermoorden. Zuigelingen werden uit de armen van hun moeder gerukt en voor de ogen van hun ouders in stukken gehakt. De lichaamsdelen werden vervolgens in het vuur en in het water gegooid. Andere zuigelingen werden aan kleine beddenplanken vastgebonden en vervolgens opengesneden, gestoken, doorboord en afgeslacht op een wijze die zelfs de meest harteloze persoon niet onberoerd zou laten. Sommigen werden in de rivier gegooid en wanneer hun ouders hen poogden te redden lieten de soldaten ze niet meer aan land en verdronken zowel ouders als kinderen.

Deze actie lijkt sterk op de slachtpartij die in 1980 langs de Rio Sumpul op de grens van El Salvador en Honduras plaatsvond. Het was de eerste grote gruweldaad in de door de VS geleide oorlog in El Salvador. Het is niet ondenkbaar dat op een goede dag zelfs de New York Times er een keer een berichtje over zal schrijven. Of over één van de talloze andere, vergelijkbare operaties die werden uitgevoerd door de elite-bataljons - vers van hun training in de VS, met Amerikaanse wapens en opererend volgens de richtlijnen die wij er bij hen jaar na jaar ingestampt hebben.46

Niemand kan ons er van betichten dat wij de schoonveegacties in de regio New York geheim hebben gehouden: de feiten zijn eenvoudig beschikbaar voor iedereen die daar interesse in zou hebben. Deze staan namelijk vermeld in Native American Place Names in New York City, een misschien niet zo bekende uitgave van het Museum of the City Of New York.

Het toneelstukje over ons "historisch bewustzijn" is zo obsceen dat we er geen aandacht aan zouden moeten besteden. Al is het niet geheel juist om te zeggen dat wij ons verleden negeren. Diegenen die zich de lessen uit hun kindertijd kunnen herinneren weten waarom. Dat wil zeggen in ieder geval diegenen wier kindertijd zich afspeelde vòòrdat de invloed van de protestbewegingen uit de jaren zestig merkbaar werd. Hetgeen tot een storm van verontwaardiging leidde over de overname van onze vrome politieke cultuur door politiek-correct Links. Mijn eigen herinneringen werden een paar weken na de onthulling van de moordpartij in My Lai nieuw leven ingeblazen, toen ik door een boekje over het koloniale New England bladerde. Dit boekje was bestemd voor kinderen uit de vierde klas van een keurige lagere school in een buitenwijk van Boston. De kinderen kregen inderdaad een redelijk accuraat verslag te lezen over de slachtpartij onder de Pequot-indianen - in het boekje werd het toegejuicht, op vrijwel dezelfde wijze als in het door de Puriteinen zelf gemaakte verslag uit 1643.47

En zo gaat het maar door. In de Times Book Review recenseerde de historicus Caleb Carr een boek over de opstand van de Sioux-indianen in Minnesota in 1862. De "confrontatie in Minnesota", legt Carr uit, was "een totale oorlog tussen twee rivaliserende volkeren die bereid waren te sterven voor de controle over een gebied waar ze beiden aanspraak op maakten." Er was echter één fundamenteel verschil. Voor de kolonisten lag "hun laatste hoop op vestiging": voor hen "stond niet alleen hun lot op het spel, maar hing ook hun leven af van de hoop op het opbouwen van een nieuw bestaan in dit maagdelijke gebied." Voor de indianen was het conflict in den beginne "geen kwestie van leven of dood"; zij konden immers altijd nog verder westwaarts trekken. Carr schrijft dat de confrontatie "niet bepaald een verheffend schouwspel" was en prijst de auteur voor het inzicht dat beide partijen zich schuldig maakten aan misdaden. De misdaden van de Sioux worden tot in het smerigste detail uit de doeken gedaan ("beestachtig gedrag", "sadisme en bloeddorstigheid", een eigenaardige voorkeur voor het martelen van baby's en kinderen, enzovoorts). De toon verandert scherp wanneer Carr komt te schrijven over de kolonisten die trachten een nieuw bestaan op te bouwen (geschonden verdragen, het ophangen van 38 Sioux-indianen, het verdrijven van een aantal indianen die zich niet hadden verzet, enzovoorts). De scherpe verandering van toon is natuurlijk terecht als men het fundamentele verschil in deze "confrontatie" in ogenschouw neemt.

Stel je voor dat de Nazi's de oorlog in Europa hadden gewonnen. Het is niet ondenkbaar dat één of andere Nazi-ideoloog in retrospectie zou toegeven dat de "confrontatie" tussen de Duitsers en de Slavische volkeren aan het oostfront "niet bepaald een verheffend schouwspel" was. Maar dat we eerlijkheidshalve niet moeten vergeten dat het een "totale oorlog was tussen twee rivaliserende volkeren die bereid waren te sterven voor de controle over een gebied waar ze beiden aanspraak op maakten." En dat voor de Slaven de belangen in het conflict "geen kwestie van leven of dood" waren. Dit gold echter wel voor de Duitsers die immers Lebensraum nodig hadden. Voor hen "stond niet alleen hun lot op het spel, maar hing ook hun leven af van de hoop op het opbouwen van een nieuw bestaan in dit maagdelijke gebied." De Slaven konden per slot van rekening altijd nog naar Siberië verkassen.48

Het is veelzeggend dat Carr zijn recensie begint met een tirade tegen de cultuur der politieke correctheid, dat wil zeggen tegen de pogingen van een paar verwarde individuen om bepaalde historische waarheden onder ogen te zien. Dit is de normale gang van zaken: in de New York Times is het bij dit soort onderwerpen zelfs strikt noodzakelijk. Een andere Times-recensist Michio Kakutani geeft hiervan nog een typisch voorbeeld. Hij bespreekt een roman over het leven van Columbus waar de verbitterdheid werkelijk van afdruipt. De roman "houdt zich strikt aan het multiculturele perspectief" en gaat vooral over dat wat de auteur "ziet als de verwoestende gevolgen die de komst van Columbus in de Nieuwe Wereld had voor de inheemse volken," waaronder de "veronderstelde dood van duizenden mensen." Alleen een modieuze "multiculturalist" is in staat te geloven dat de verovering "verwoestende" gevolgen had of kan "veronderstellen" dat "duizenden" oorspronkelijke bewoners het leven lieten. Een tweede recensent van hetzelfde boek in dezelfde krant, voormalig literatuurcriticus van Newsweek Paul Prescott, valt Michio Kakutani bij door middel van een hysterische aanval op de "ideologisch correcte" auteur die het lef heeft te schrijven dat de Spanjolen de oorspronkelijke inwoners van Hispaniola veel schade berokkenden maar die niet schrijft over "de niet-politiek correcte bladzijden uit de geschiedenis": namelijk dat de oorspronkelijke bevolking Columbus "vertelde dat het kannibalisme door de Caraïbiërs hun grootste probleem was." Hoe zij Columbus dit verschrikkelijke verhaal "vertelden" en waarom er geen enkele historische bron ter ondersteuning voor te vinden is, legt Prescott echter niet uit. Voor hen die willen weten wat hun "grootste probleem" was, kunnen te rade gaan bij de eigentijdse waarnemer Las Casas, die bovendien niets heel laat van de door Columbus verzonnen beschuldiging van kannibalisme (zie hoofdstuk 8).49

Het is niet onaannemelijk dat de verschrikkelijk onbehouwen, maar effectieve propagandacampagne over de linkse politiek-correcte fascisten die onze cultuur hebben overgenomen, voor een deel gemotiveerd was door de op handen zijnde viering van de 500-jarige ontdekking van Amerika, waarbij het gevaar bestond dat het enige vorm van "zelf-reflectie" zou ontlokken, of misschien zelfs van "berouw".

 


6. "Houdt de dief!"

Het wederom aanscherpen van de straffen tegen Vietnam wegens haar misdaden, de stemmen van de niet-gehoorde slachtoffers, de speurtocht naar de diepten van de "individuele menselijke ziel" in het geval waarin wordt toegegeven dat wij niet geheel zuiver hebben gehandeld (zonder verder te kijken) en onze bespiegelingen over "de Volksgeest van Japan" - het komt allemaal bij elkaar op de vijftigjarige herdenking van Pearl Harbor, te samen met de heropleving van zelfmedelijden over ons tragische lot.

Zij die misschien de illusie koesteren dat de POW/MIA-kwestie illustratief is voor de diep-menselijke drijfveren van onze leiders zullen snel uit hun droom worden geholpen als ze naar de volgende feiten kijken. Walter Wouk, een Vietnam-veteraan en voorzitter van de New York State Senate Vietnam Veterans Advisory Council schrijft;

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog hadden de VS 78.751 MIA's, dat wil zeggen 27 procent van de tijdens oorlogshandelingen omgekomen Amerikaanse soldaten. De Koreaanse oorlog resulteerde in 8.177 MIA's hetgeen neerkomt op 15,2 procent van het aantal op het slagveld omgekomen Amerikaanse soldaten. Van de 2,6 miljoen Amerikanen die in Vietnam dienden zijn er 2.505, minder dan 5,5 procent van het aantal omgekomen soldaten, als vermist opgegeven. Maar zelfs dat aantal is misleidend. Van dat aantal stierven er 1.113 op het slagveld zonder dat hun lichamen ooit zijn teruggevonden. Van nog eens 631 soldaten wordt aangenomen dat ze zijn omgekomen, op grond van de omstandigheden van hun verdwijning (d.w.z. vliegtuigbemanning waarvan bekend was dat ze in zee waren gestort), en nog 33 soldaten stierven in gevangenschap. De resterende 728 soldaten worden vermist. Echter, 590 van deze vermiste soldaten (81 procent) dienden in de luchtmacht en er zijn sterke aanwijzingen dat meer dan 442 hiervan (75 procent) met hun vliegtuig zijn neergestort.

De vraag rijst of de Vietnamese MIA's tot een speciale categorie horen vanwege de weigering van de communistische barbaren om mee te werken aan hun opsporing. In de belangrijkste studie naar de MIA-campagne wijst Bruce Franklin op het feit dat er op het Europese platteland, waar niemand de afgelopen 45 jaar het onderzoek een strobreed in de weg heeft gelegd, nog bijna ieder jaar overblijfselen worden gevonden van MIA's uit de Tweede Wereldoorlog. Er worden nog steeds overblijfselen aangetroffen van Generaal Custer´s slag uit 1876, evenals skeletten van Amerikaanse soldaten en hun bondgenoten die werden gedood in Canada in de Oorlog van 1812.50

Het antwoord op deze vraag ligt voor de hand. Overheid en media gebruiken een truc waarmee zakkenrollers en derderangs advocaten zeer vertrouwd zijn; Als je wordt betrapt met je hand in andermans broekzak schreeuw dan "Houdt de dief!" Ga jezelf niet verdedigen. Daarmee erken je namelijk dat er een probleem is. Het is veel beter om de schuld in de schoenen van de ander te schuiven en deze daarmee in het defensief te dwingen. Zolang je het ideologische systeem onder controle hebt, is deze techniek zeer effectief. Voor propagandisten is deze handelswijze haast een reflex. De campagne gericht tegen de politieke correctheid is hiervan een glashelder voorbeeld (zie hoofdstuk 2).

Deze methode is ook een tweede natuur van de leidinggevenden in het bedrijfsleven. Zij presenteren zichzelf maar al te graag als de weerloze slachtoffers van de linkse media, machtige vakbonden en vijandige regeringen die het hun niet gunnen om op eerlijke wijze een paar centen te verdienen. Hun vriendjes in de media spelen hetzelfde spelletje. Tijdens de mijnwerkersstaking in Pittston die in 1989 begon gaf de president van het bedrijf iedere dag een persconferentie. Dat was eigenlijk volslagen overdreven aangezien de media stonden te popelen om de klus voor hem te klaren. In het eerste (en enige) televisie-itempje dat iets dieper op de staking inging, zei CBS-verslaggever Robert Kulwich dat de president van de Pittston Coal Group "Mike Odom wel kwijt wil dat de vakbond een zeer gladde pr-campagne heeft gevoerd en dat hij daar nog heel wat van kan leren." Dat verklaart meteen waarom de nationale media - als ze al aandacht besteedden aan dit historische arbeidsconflict - onmiddellijk de visie van het bedrijf overnamen en de pogingen van de vakbond om de visie van de werknemers onder de aandacht te brengen op efficiënte wijze wisten af te slaan.51

Deze methode wordt ook standaard toegepast in debatten over de media. Het is kinderspel om de volgzaamheid van de media aan te tonen als het gaat over Indochina, Midden-Amerika en het Midden-Oosten. Maar het enige onderwerp dat in een debat toelaatbaar wordt geacht, is of de media niet te ver zijn gegaan in hun vijandigheid tegen de staat en daardoor misschien zelfs de grondslagen van de democratie hebben ondermijnd. (Deze kwesties werden met de nodige poeha besproken door de Trilateral Commission en door Freedom house). In een universitaire studie naar de berichtgeving van de media over Midden-Amerika en het Midden-Oosten, geleid door een persoon met de juiste liberale geloofsbrieven, werd alleen onderzocht of de media niet al te hard tegen de gevestigde orde waren tekeer gegaan. Waren de kritische noten te extreem of bleven de media binnen de grenzen van het betamelijke? Ook deze studie maakt duidelijk dat de "Houdt de dief!"-strategie vooral effectief is als de onderzoeker binnen het gegeven politieke spectrum als uiterst links kan worden bestempeld. Volgens deze formule deed ook Middenoosten-correspondent Jim Lederman, oudgediende van de NPR, onderzoek naar in hoeverre de Amerikaanse media pro-Palestijns zijn, hoe zij door Yasser Arafat gemanipuleerd worden en of zij door haat jegens Israël worden verteerd - allemaal zaken die voor iedereen overduidelijk zijn. Zoals het een links-liberaal betaamt komt hij tot de conclusie dat er, ondanks dat het er soms de schijn van heeft, geen bewijs is van een doelbewuste antisemitische samenzwering.52

Op deze manier kunnen stapels bewijs in een handomdraai opzijgeschoven worden. De techniek vereist onvoorwaardelijke loyaliteit van de kant van de culturele managers. De ongeciviliseerde massa's echter laten zich soms niet zo makkelijk paaien.

Neem bijvoorbeeld Vietnam. Aan het eind van de jaren zestig bekeerden steeds meer mensen zich tot wat McGeorge Bundy, de Nationale Veiligheidsadviseur van Kennedy en Johnson, "de woedende menigte achter de coulissen" noemde, die zo hun bedenkingen hadden over het "eerste team" dat de oorlog voerde. Zij begonnen zich zelfs af te vragen of de VS wel voor een rechtvaardige zaak streden.53 Ondanks de medewerking van de media werd het punt bereikt waarbij het niet langer mogelijk zou zijn om de barbaarsheid van de oorlog tegen Vietnam te verhullen, laat staan te verdedigen. De voorspelbare reactie hierop was om "Houdt de dief!" te schreeuwen. Het zou niemand moeten verbazen. Maar de oorlogen in Indochina maakten het zelfs noodzakelijk om er een schepje bovenop te doen.

Aan het einde van de jaren zestig riep de Weekly Reader, een krant die naar lagere scholen over het hele land gaat, leerlingen op om brieven te schrijven aan Ho Chi Minh met het verzoek gevangen genomen Amerikanen vrij te laten. Er werd gesuggereerd dat de gemene communisten hen hadden ontvoerd terwijl ze vreedzaam rondkuierden in een dorpje in Iowa en hen vervolgens bliksemsnel naar Hanoi hadden overgebracht met het doel ze te martelen. De pr-campagne ging in de hoogste versnelling in 1969 en wel om twee belangrijke redenen. De eerste was dat de door de VS begane gruweldaden een dusdanig niveau hadden bereikt dat ze niet meer ontkend konden worden. Dus richtte men de schijnwerpers op de kwade inborst van de vijand: hun misdaden tegen ons.

Ten tweede had het Amerikaanse bedrijfsleven bepaald dat er een einde moest komen aan de oorlog. Het zag er dus naar uit dat men niet langer diplomatie en onderhandelingen zou kunnen vermijden. Maar de Eisenhouwer- Kennedy-Johnson doctrine zat nog steeds stevig in het zadel: diplomatie was geen optie aangezien de VS en haar cliënten politiek te zwak waren en aan het kortste eind zouden trekken als het op onderhandelingen zou aankomen. Dus escaleerden Nixon en Kissinger het geweld razendsnel en trachtten ze uit alle macht de ongewenste onderhandelingen af te laten ketsen. Dat deden ze door op, historisch gezien, ongekende wijze de kwestie van de krijgsgevangenen te pushen, in de hoop dat Hanoi zich aan de Westerse normen zou houden en niet zou toegeven. In dat geval konden de communistische schoften aan de schandpaal worden genageld voor hun gemeenheid en de onderhandelingen worden uitgesteld.

Na de oorlog kwam er nog een motief bij. De verwoesting van Indochina werd niet als een volwaardige overwinning beschouwd: de Vietnamese vijand diende ook nog met andere middelen te worden vernietigd. De VS weigerden diplomatieke banden aan te knopen met Vietnam, begonnen een economische oorlog tegen het land en maakten verder gebruik van alle overige middelen die een supermacht tot zijn beschikking heeft. Het begon onder Carter en het kwam in een stroomversnelling terecht toen hij in 1978 van start ging met zijn "toenadering tot China." Zijn opvolgers continueerden dit beleid dat op brede politieke steun kon rekenen.

Over de gehele periode is de "Houdt de dief!"-techniek in alle opzichten een groot succes gebleken. Dat is in de eerste plaats te danken aan de media en aan de intellectuele elite. Franklin heeft hiervan een tamelijk gedetailleerde analyse gemaakt, waarin hij laat zien hoe de pers zich gewillig in de strijd wierp terwijl de filmindustrie en tv-producenten zich toelegden op de volgende ingenieuze strategie: Zij selecteerden de gruweldaden van de VS en haar Zuid-Vietnamese cliënt die de meeste media-aandacht hadden gekregen en keerden de rollen door deze misdaden in de schoenen van de communisten te schuiven.

Het toppunt van cynisme in deze hele onderneming was de episode waarin de voorgewende woede over de Killing Fields van Pol Pot genuanceerd moesten worden ten gunste van een complexer standpunt. Hierin figueerde Pol Pot als het vleesgeworden symbool van het communistische kwaad en de Vietnamese invasie die Cambodja bevrijde van deze horror als een nog groter kwaad. Geen eenvoudige opgave voor de media, zeker niet omdat ook de stilzwijgende Amerikaanse steun voor Pol Pot op de een of andere manier verdoezeld moest worden. Zelfs deze missie werd zonder problemen volbracht. De woede over de Killing Fields in Cambodja was overigens sowieso al een ongelofelijke hypocriete reactie van de regering en de intellectuele elite, zoals duidelijk blijkt uit hun reacties op de door de VS gepleegde misdaden in Cambodja enkele jaren daarvoor en op de misdaden van het door de VS gesteunde Indonesische regime op Oost-Timor in dezelfde periode.54 Toen Vietnam zich uit Cambodja terugtrok en nog slechts de POW/MIA-kwestie als voorwendsel overbleef om de inwoners van Indochina het leven zuur te maken, schakelden de ideologische instituten soepeltjes nog een tandje hoger.

Michael Vickery deed de volgende belangrijke constatering: iedere keer als Vietnam een kans had, hoe klein ook, om te ontsnappen aan de omstandigheden die het gevolg waren van het wrede en verwoestende tijdperk van de Franse koloniale overheersing dan grepen de VS in om dit te voorkomen. Toen met de Geneefse akkoorden van 1954 de basis was gelegd voor hereniging door middel van verkiezingen voor geheel Vietnam, blokkeerden de VS deze mogelijkheid omdat ze begrepen dat de verkeerde partij zeker zou winnen. Hoewel Noord- Vietnam geen toegang meer had tot de gebieden in het zuiden waar traditioneel voedseloverschot was, was Noord-Vietnam rond 1958 in staat om in haar eigen voedsel te voorzien en was de industriële sector zich volop aan het ontwikkelen. Deze successen waren een doorn in het oog van de beleidsmakers in de VS en deze drongen er dan ook op aan er alles aan te doen om de groei van de communistische economieën in Azië te vertragen. Dit goede voorbeeld kon immers navolging krijgen. Ze waren vooral bezorgd over de vooruitgang in Noord-Vietnam die in schril contrast stond met de mislukkingen van het door de VS opgelegde regime in het zuiden. In 1959 verwachtten de Amerikaanse inlichtingendiensten dat de ontwikkeling in het zuiden "achter zou blijven bij die in het noorden", waar de economie bleef groeien en "gericht was op de toekomst." Met het op escalatie gerichte beleid van Kennedy en de nasleep ervan werd aan deze dreiging een einde gemaakt.

Na de oorlog werd Vietnam toegelaten tot het IMF en in een vertrouwelijk rapport uit 1977 prees een team van de Wereldbank "de pogingen die de Vietnamese regering ondernam ter onwikkeling van haar enorme potentieel." De VS maakten ook aan dat gevaar direct een einde door iedere vorm van hulp te blokkeren en door het opleggen van een economische wurggreep. Vickery merkt verder op dat in 1988-'90 "Vietnam ondanks de uitermate ongunstige internationale positie is doorgebroken met een verrassend economisch succes," waarop het IMF een "rooskleurig rapport" presenteerde, aldus de Far Eastern Economic Review. Het antwoord van George Bush hierop was om het embargo nieuw leven in te blazen. Binnen de ideologische instituties ontstond er een heropleving van de woedeuitbarstingen over de mishandelingen die we moeten doorstaan in handen van deze criminele agressors.55

Er zit systeem in de waanzin. Los van de principiële weerstand tegen ontwikkeling in de Derde Wereld die zich buiten de bemoeienissen van de VS afspeelt, is het belangrijk voor de onderworpen volkeren om te begrijpen dat zij niet brutaal worden in aanwezigheid van de meester. Als zij dat toch doen, dan worden zij niet alleen met overweldigend geweld verwoest, maar dan zullen zij blijven boeten, zolang wij denken dat het in ons belang is. De huidige behandeling van Nicaragua illustreert dit patroon, net als Irak, waar de vriend en bondgenoot van Bush ongehoorzame dingen deed, zodat wij er voor moeten zorgen dat tienduizenden van zijn Irakese slachtoffers zullen sterven van de honger en ziekte na het beëindigen van de oorlog. Het Westen stelt zich streng op bij het vernietigen van de massavernietigingswapens die zij zelf aan het monster leverden toen het winstgevend en gunstig was, terwijl zij zelf "de vernietigende kracht van een ander massavernietigingswapen ontketenen - de volledige beperking van voedsel en andere benodigdheden voor het Irakese volk," merken twee specialisten op het gebied van honger in de wereld op.56 De lagere kaste moet leren wat hun plaats is in een wereld van orde en "stabiliteit".

In haar redactioneel over Vietnam die tekenend is voor de Pearl Harbor herdenking maken de redacteuren van de Washington Post een opmerking over de

"aanhoudende ironie dat de Verenigde Staten de oorlog op militair vlak hebben verloren, maar uiteindelijk toch een overwinnaarsdiktaat konden opleggen wat betreft de normalisering [van de betrekkingen]. Dat konden zij doen omdat het een land blijft dat staat voor de belangrijkste mondiale waarden en op krachtige wijze het regionale evenwicht en de internationale economie beïnvloedt. Zo komt het dat het Vietnam is die alle concessies doet."

Deze verklaring is op zijn plaats, al is enige aanvulling noodzakelijk. De "belangrijkste mondiale waarden" die zo opgehemeld worden door de Post-redacteuren zijn de waarden van hen die het zwaard hanteren en op die manier de regels bepalen.57

Het zal moeilijk zijn om een voorbeeld te vinden in de 500-jaar veroveringen dat zo laag, oneerlijk en lafhartig is als de zorgvuldig in elkaar gedraaide vertoning van zelfmedelijden van de kant van de moorddadige agressors die drie landen in puin legden, en bergen met lijken en ontelbare verminkten achterlieten. Het doel was om een politieke overeenkomst te dwarsbomen omdat ze wisten dat hun eigen cliënten geen enkele kans maakten - een feit dat heel duidelijk naar voren komt uit de interne documenten, in detail is uitgewerkt door militaire historici en zelfs wordt erkend door de meest fanatieke "wetenschappers" van de regering.58 De "aanhoudende ironie" is dat deze beschamende vertoning zonder belemmeringen doorgaat, hand in hand met het gemijmer over de tekortkomingen van de Japanse psyche.

 


7. Een minder bekende zwarte bladzijde uit de geschiedenis

Alsof het allemaal nog niet ironisch genoeg is, viel de vijftigste verjaardag van "de zwarte bladzijde uit de geschiedenis" op toevallige wijze samen met een andere verjaardag die nauwelijks werd opgemerkt. Dertig jaar tevoren werd het conflict in Vietnam door John F. Kennedy van internationaal terrorisme op grote schaal, uitgebreid tot directe oorlogsvoering, ook bekend als agressie. Op 11 oktober 1961 gaf Kennedy de opdracht om het Farmgate squadron van de Amerikaanse luchtmacht over te brengen naar Zuid-Vietnam. Deze eenheid bestond uit twaalf toestellen speciaal uitgerust voor opstandsbestrijding (counterinsurgency warfare). De aangepaste T-28 gevechtsbommenwerpers, SC-47 en B-26 bommenwerpers werden al spoedig geautoriseerd om "gecoördineerde missies te vliegen met Vietnamese bemanning ter ondersteuning van de Vietnamese grondtroepen." Op 16 december af minister van Defensie McNamara toestemming om deel te nemen aan gevechtsoperaties. Dit was het begin van de directe Amerikaanse betrokkenheid bij het bombarderen en andere gevechtsoperaties in Zuid-Vietnam vanaf 1962, evenals sabotagemissies in het Noorden. Hiermee werd het grondwerk verricht voor de enorme uitbreiding van de oorlog in latere jaren.59

Zoals we hebben gezien verstreek deze verjaardag niet geheel onopgemerkt. Dertig jaar (bijna op de dag nauwkeurig) na die belangrijke eerste stap in de noodlottige richting door Kennedy, maakte Bush van de gelegenheid gebruik om de toelating van Vietnam tot de wereldgemeenschap te blokkeren. Het propaganda apparaat lanceerde een heropleving van de POW/MIA hypocrisie. Voor zover mij bekend werd het samenvallen van deze verjaardagen slechts driemaal vermeld in de media, door Michael Albert (in Z magazine) en tweemaal door Alexander Cockburn (in de Nation en de Los Angeles Times).60

Het is eigenlijk flauwekul om een vergelijking te trekken tussen de Japanse aanval op een marinebasis gelegen in een Amerikaanse kolonie, waar een aantal schermutselingen aan vooraf gingen, en de eerste omvangrijke daad van agressie tegen een onbeschermde burgermaatschappij duizenden kilometers bij ons vandaan. De geschiedenis levert geen betrouwbaar vergelijkingsmateriaal. Maar zij die toch een analogie willen trekken, zouden de Japanse sluipaanval misschien kunnen vergelijken met het Amerikaanse bombardement op Libië in 1986, die zorgvuldig getimed voor het zeven-uur journaal werd uitgevoerd. De pr-mensen van Reagan namen daarbij de fakkel over van Lyndon Johnson, die opdracht had gegeven om het vergeldingsbombardement voor het incident in de Golf van Tonkin in augustus 1964 eveneens uit te voeren voor het zeven-uur journaal, alhoewel in dat geval de militairen iets te laat waren. Men zou echter kunnen stellen dat de vergelijking met Libië niet helemaal eerlijk is voor de Japanners. De Amerikaanse aanval op Libië was namelijk gericht op burgerdoelen, onder het mom van de een of andere smoes. Ook de "vergelding" voor de Golf van Tonkin werd overigens al snel ontmaskert als een smoes, in ieder geval buiten mainstream die zich zoals gewoonlijk nogal volgzaam opstellen.61

Het is ongetwijfeld te bizar om over dit soort dingen na te denken. Beter is het om hierover te zwijgen, al zijn er altijd mensen die met de huidige viering van de 500-jarige verovering er iets waardevols in ontdekken. De samenloop van omstandigheden is zeer treffend: enorme verontwaardiging bij de vijftigste verjaardag van Pearl Harbor zonder op de relevante achtergronden in te gaan; stemmige bespiegelingen over de Volksgeest van Japan, en de sociale en culturele tekortkomingen die zich hierin openbaren. Daar tegenover de stilte bij de dertigste verjaardag van de escalatie tegen de burgermaatschappij van Zuid-Vietnam door John F. Kennedy. De combinatie is een zeldzaam eerbetoon aan de morele lafhartigheid en intellectuele verdorvenheid, die het natuurlijke bijproducten zijn van onbedreigde privileges.

Nog één laatste toevallige bijkomstigheid dient nog te worden opgemerkt, die op zichzelf genomen niet onbelangrijk is. Hoewel er geen aandacht was voor de dertigste verjaardag van JFK's agressie, werd er daarentegen ruimschoots aandacht geschonken aan de gevallen leider in de vorm van een overweldigende verering. Er werd met de nodige passie beweerd dat JFK van plan was geweest om zich uit Vietnam terug te trekken, een feit dat door de media was verzwegen. Hij was dan ook om die reden vermoord, zo werd onomwonden beweerd. De eerbiedige bewondering voor Kennedy, de eenzame held, neergeschoten terwijl hij (en misschien omdat hij) de oorlog in Vietnam probeerde te voorkomen, geeft een interessante draai aan het vraagstuk betreffende de hansei. Dit drama speelde zich af op verschillende niveaus van cinema tot wetenschap, waarbij een aantal van de bekendste Kennedy-intellectuelen van zich deden spreken, evenals een flink deel van de burgerbeweging die grotendeels voortkwam uit de oppositie tegen de Vietnamoorlog. Alhoewel er grote onderlinge verschillen zijn betreffende Kennedy en andere zaken, heerst er in het algemeen genomen binnen dit spectrum de overtuiging dat de geschiedenis op dramatische wijze een andere koers insloeg met de moord op Kennedy in november 1963: deze gebeurtenis wierp een donkere schaduw op alles dat volgde. Los van de specifieke timing is de hernieuwing van het Camelot [Kennedy]-enthousiasme een interessante en verhelderende manifestatie van het culturele en politieke klimaat aan het begin van de jaren negentig.

Er bestaat geen enkele twijfel over de ingrijpende gevolgen van de beslissing van Kennedy in 1961 om over te gaan tot directe agressie in Vietnam. De aard van zijn plannen en de reacties daarop zijn daarom van groot belang. Het heeft invloed op hoe we tegen de huidige werkelijkheid en tegen het verleden aankijken. Ideeën over een betere toekomst kunnen op belangrijke wijze beïnvloed worden door wat er daadwerkelijk is gebeurd. Aan de ene kant van het spectrum van opvattingen wordt de moord op de president, hoe tragisch dan ook de dood van een individu, gezien als een gebeurtenis met onduidelijke politieke gevolgen. Men kan erover speculeren, maar er is geen basis om er verregaande conclusies over te trekken;62 aan de andere kant heerst de opvatting dat het hier een gewichtige historische gebeurtenis betreft, met doorslaggevende gevolgen op de lange termijn van een onheilspellende betekenis.

Er is voor het bepalen van een standpunt hierover een ruime hoeveelheid bewijsmateriaal beschikbaar: met name in de vorm van gedocumenteerde interne debatten, veel meer dan in andere gevallen. Terwijl het in de geschiedenis nooit mogelijk is om een definitief oordeel te vellen, bestaat er, in mijn opinie, in dit geval de mogelijkheid om een aantal uitzonderlijk betrouwbare conclusies te trekken door de ruime beschikbaarheid van relevante documenten en de consistentie ervan. Deze zaak is van dermate belang dat ik er ergens anders een uitgebreide discussie aan wijd, die ik hier alleen zal samenvatten. Het verhaal dat naar voren komt uit de vrijgekomen documenten en uit andere bronnen komt naar mijn idee neer op het volgende.63

Het beleid jegens Vietnam valt binnen het denken en het algemene raamwerk voor het vestigen van een na-oorlogse wereldorde, zoals dat na de Tweede Wereldoorlog tot stand is gekomen. Zonder al te veel belemmeringen kon dit beleid worden voortgezet tot het begin van de jaren '70, waarna het algemene raamwerk werd aangepast. De VS verbond snel na de Tweede wereldoorlog haar lot aan dat van Frankrijk. Vanaf het begin was men er zich volledig van bewust dat de strijd moest worden aangebonden met de nationalistische krachten in Indochina én dat de eigen marionetten niet in staat zouden zijn overeind te blijven in een politieke strijd. Als gevolg daarvan waren vreedzame middelen nimmer een optie; veel meer een bedreiging die voorkomen diende te worden. Men was er zich ook voortdurend van bewust dat de binnenlandse steun voor Amerikaanse inmenging en oorlogen flinterdun was. Het was daarom noodzakelijk om de gehele operatie zo snel mogelijk af te ronden, en Indochina achter te laten in handen van cliëntregimes, voor zover dat mogelijk was.

Dit beleid vormde de basis binnen besluitvormende kringen (en binnen de elite in het algemeen) vanaf 1950 tot aan het begin van de jaren '70, alhoewel er tegen het einde serieuze vragen aan de orde kwamen over wat voor alternatieven er waren en wat de kosten zouden zijn. De in 1954 in Genève gesloten overeenkomsten werden direct door de VS ondermijnd. De VS brachten een zwak cliëntregime aan de macht in dat deel dat "Zuid-Vietnam" werd genoemd. Omdat het regime nauwelijks steun kreeg van de bevolking ging het over tot grootscheepse terreur om de bevolking te overheersen. Dit leidde uiteindelijk tot verzet, dat het regime al snel boven het hoofd groeide. Met de ambtsaanvaarding van Kennedy leek het er op dat de Amerikaanse positie op instorten stond. Daarom escaleerde Kennedy de oorlog tot directe Amerikaanse agressie in 1961-'62. Het militaire opperbevel was in hun nopjes over de successen die werden behaald met het verhoogde geweldsniveau. Volgens hen kon de oorlog spoedig worden beëindigd; na de overwinning zouden de VS zich kunnen terugtrekken. Kennedy schaarde zich achter deze voorspellingen, maar met een aantal reserves, hij heeft zich nooit geschaard achter de voorstellen tot terugtrekken. Halverwege 1963 leken de dwangmethoden op het platteland succesvol te zijn, maar de interne repressie had geleid tot een grootschalig protest in de steden. Bovendien riep het cliëntregime op tot een vermindering van de Amerikaanse bemoeienissen en zelfs tot terugtrekking, en deed het pogingen om te komen tot een vreedzame overeenkomst met het Noorden. De Kennedy-regering besloot daarom het cliëntregime omver te werpen ten gunste van een militair regime, dat zich zou inzetten voor een militaire overwinning. Dit resultaat werd bereikt met de militaire coup van 1 november 1963.

Zoals het Amerikaanse opperbevel al had voorspeld leidde de coup vooral tot nog meer desintegratie, en met het uiteenvallen van de bureaucratische structuren van het voormalige regime tot een late erkenning dat de rapporten over de militaire vooruitgang op zand waren gebouwd. De tactieken werden toen aangepast in het licht van twee nieuwe factoren: (1) De hoop dat er eindelijk een stabiele basis was gelegd voor een uitbreiding van de militaire acties en (2) de erkenning dat de militaire situatie op het platteland aan duigen lag. De eerste factor maakte een militaire escalatie mogelijk, de tweede factor noodzakelijk, met name omdat de eerdere hoop een luchtspiegeling bleek te zijn. De plannen over terugtrekken, die altijd gebaseerd waren op een overwinning, moesten losgelaten worden met het afbrokkelen van de juiste voorwaarden. In het begin van 1965 kon alleen door middel van grootschalige Amerikaanse agressie een politieke overeenkomst worden voorkomen. De beleidsaannamen (die niet ter discussie stonden) lieten weinig andere opties over: de aanval tegen Zuid-Vietnam werd in het begin van 1965 hevig opgevoerd en de oorlog werd uitgebreid naar het Noorden.

Het Tet-offensief in januari 1968 toonde dat de oorlog niet snel gewonnen zou gaan worden. Tegen die tijd waren binnenlandse elites tot de overtuiging gekomen, door interne protesten en door verslechtering van de Amerikaanse economie ten opzichte van haar industriële rivalen, dat de VS zich zouden moesten losmaken van het conflict.

Deze besluiten leidden er toe dat de Amerikaanse grondtroepen werden teruggetrokken, gecombineerd met een nog hevigere escalatie van de militaire aanval op Zuid-Vietnam, en tegen die tijd de rest van Indochina, in de hoop dat het basisbeleid toch nog op de een of andere manier tot stand zou kunnen worden gebracht. Onderhandelingen werden zo lang als het mogelijk was uitgesteld, en toen de VS uiteindelijk werden gedwongen om in januari 1973 een "vredesverdrag" te ondertekenen, kondigde Washington direct aan, in hele duidelijke bewoordingen, dat zij het verdrag op alle cruciale onderdelen zou ondermijnen. Dat gebeurde ook, met name door het verhevigen van het geweld in het Zuiden hetgeen een schending van het zojuist ondertekende verdrag was. Dit werd in de VS, toen het succesvol leek te zijn, luid toegejuicht. Het verhaal over het ondermijnen van het vredesverdrag was direct beschikbaar in de dissidente pers, maar binnen de mainstream werden dit soort ketterse waarheden niet toegelaten, en nog steeds niet. De ban hierop wordt met een indrukwekkende onbuigzaamheid in stand gehouden.64 De voortzetting van gewelddadigheden van de VS en haar cliënten leidden opnieuw tot een reactie. Nogmaals viel het cliëntregime uit elkaar. Ditmaal konden de VS niet meer optreden om het te redden. In 1975 eindigde de oorlog.

De VS hadden slechts een gedeeltelijke overwinning behaald. Aan de minkant stond het feit dat het cliëntregime gevallen was. Aan de pluskant het feit dat de gehele regio in puin lag, en dat er geen angst meer behoefde te zijn dat het "virus" van een succesvolle onafhankelijke ontwikkeling anderen zou "aansteken". Het was allemaal des te mooier omdat de rest van de regio beschermd werd tegen het "virus" door moorddadige militaire regimes die door de VS aan de macht waren geholpen en werden ondersteund. Een ander gevolg, zoals jaren tevoren al was voorspeld, was dat de binnenlandse krachten in Zuid-Vietnam en Laos door de Amerikaanse slachtingen gedecimeerd waren, zodat Noord-Vietnam overbleef als de dominante kracht in Indochina. Wat er zou zijn gebeurd wanneer deze krachten het overleefd hadden en de landen zich op eigen wijze hadden kunnen ontwikkelen, daarover kan men slechts speculeren.65 De pers en opiniebladen vertellen met genoegen de gewenste gruwelverhalen, maar dat zijn slechts standaardformules die vooral voortkomen uit ideologische noodzaak. Dit soort verhalen zegt helemaal niets over werkelijkheid, of hoe de werkelijkheid er uit had kunnen zien.

Het standaard beleid bleef in de kern ongewijzigd: zo snel mogelijk terugtrekken uit het onpopulaire en geldverslindende waagstuk, maar wel onder de voorwaarde dat het virus vernietigd was en de overwinning op zak. (Hierbij kwamen in de jaren '70 de toenemende twijfels of de Amerikaanse cliëntregimes stand zouden houden). De tactieken werden aangepast aan de veranderende omstandigheden en waarnemingen. Wanneer men de objectieve situatie en hoe die werd waargenomen in ogenschouw neemt, dan hadden de regeringswisselingen, waaronder als gevolg van de moord op Kennedy, geen doorslaggevende effecten op het beleid, en zelfs nauwelijks op de gevoerde tactieken.

De schaal van deze koloniale oorlogen en de aangerichte verwoestingen waren uitzonderlijk groot. Dat geldt ook voor de effecten op de lange termijn voor de binnenlandse en internationale gemeenschappen. Maar, in de kern vallen de oorlogen in Indochina zonder problemen binnen de geschiedenis van de 500-jarige veroveringen, en meer specifiek voor de hedendaagse periode ervan, binnen het raamwerk van de Amerikaanse hegemonie.

Hyper-Noten

1   Frederick Starr, NYT Book Review, 19 juli 1992.
2   WP-BG, 4 december; Weisman, NYT, 6 december 1991. Over de bombardementen van 14 augustus, zie APNM, hfdst. 2, waaronder een passage uit de luchtmachtgeschiedenis en een ooggetuige verslag uit Osaka van de Japanse schrijver Makoto Oda. Over Tokio als doelwit, zie Barton Bernstein, International Security, Lente 1991.
3   AP, NYT, 4, 5 maart 1992. Langere verhalen in de Boston Globe, dezelfde dagen.
4   Zie PEHR, II 32f., 39. Over de principes bij het toepassen van het recht, zie ook FRS, hfdst. 3, herdruk van een Yale Law Review symposium over Nuremberg en Vietnam. Voor passages van Pal's afwijkende mening, zie APNM. Zie Minnear, Victor's Justice. Leahy, geciteerd door Braw, Atomic Bomb, uit zijn autobiografie, I Was There, uit 1950.
5   Japan-historcus Herbert Bix, BG, 19 april 1992.
6   APNM, hfdst. 2, voor meer passages en bronnen.
7   Ibid., voor fragmenten.
8   Zie TTT, 194f.; Simpson, Blowback; Reese, Gehlen.
9   McClintock, Instruments, 59ff., 230ff. Lewy, America in Vietnam. Voor een bespreking van deze parodie van de geschiedenis, zie de recensie van Chomsky en Edward Herman, herdrukt in TNCW. Voor de overdenkingen van Lewy over hoe de plaag van het onafhankelijke denken in de VS uit te roeien, zie NI, 350f.
10   Bernard Fall, Ramparts, december 1965, herdrukt in Last Reflections. Voor een na-oorlogse ooggetuigebeschrijving, zie John Pilger, New Statesman, 15 september 1978. Shenon, NYT magazine, 5 januari 1992.
11   Dower, "Remembering (and Forgetting) War," ms, MIT.
12   Hietala, Manifest Design, 61; Kent, Hawaii, 41f. Daws, Shoal of Time, 241. Poka Laenui, "The Theft of the Hawaiian Nation," Indigenous Thought, Oktober 1991. Zie de eerdere hfdstk. 1 en 2; DD, hfdst. 12.
13   Kent, Daws, Laenui, op. cit.
14   Institute for the Advancement of Hawaiian Affairs, 86-649 Puuhulu Rd., Wai`anae Hawaii 96792.
15   Lehner, WSJ, 6 december 1991.
16   Weisman, NYT magazine, 3 november 1991.
17   Over de ideeën van Fairbank, zie TNCW, 400-1.
18   DD, hfdst. 11, en de daar geciteerde bronnen. Kennan, geciteerd in Cumings, Origins, II, 57; zie delen I, II over de campagne van massamoord in het door de VS-bezette deel van Korea voorafgaande aan dat wat bekend staat als de Korea-oorlog.
19   Sherwood Fine, geciteerd door Moore, Japanese Workers, p. 18; Moore, over het algemene onderwerp. Bix, "The Showa Emperor's `Monologue' and the Problem of War Responsibility," J. of Japanese Studies, 18.2, 1992 (met citaat van John Dower, Japan Times, 9 januari 1989).
20   Cumings, Origins, II, 57.
21   Adlai Stevenson, die in de VN de Amerikaanse oorlog verdedigde. Zie FRS, p. 114f.
22   Fall, Last Reflections.
23   Elizabeth Neuffer, BG, 27 februari; Pamela Constable, BG, 21 februari 1992. Carter, persconferentie, 24 maart 1977; zie MC, 240.
24   Ibid., 240ff. and NI, 33ff., voor voorbeelden uit de pers. NYT, 24 oktober 1992.
25   Tyler, NYT, 5 juli 1992.
26   Crossette, NYT, 6 januari 1992. Mary Kay Magistad, BG, 20 oktober; Eric Schmitt, NYT, 6 november; Steven Greenhouse, NYT, 24 oktober 1991.
27   Barbara Crossette, NYT, 14 augustus 1992.
28   Zie hfdst. 5, noot 18. Voor een vergelijking van de verslaggeving over de verschrikkingen van Pol Pot met die op Oost-Timor, zie PEHR. Voor de verhelderende reacties op deze ontmaskering, zie MC, 6.2.8; NI, app. I. sec 1.
29   Greenhouse, NYT, 24 oktober 1991.
30   Zie MC, 6.2.7, en de daar geciteerde bronnen. Garthoff, Détente, 701, 751. Sihanouk geciteerd door Ben Kiernan, Broadside (Sydney, Australia), 3 juni 1992; Allman, Vanity Fair, april 1990, geciteerd door Michael Vickery, "Cambodia After the `Peace'" (hfdst. 7, noot 24). Voor een bijgewerkt overzicht, zie Kiernan, "Cambodia's Missed Chance: Superpower obstruction of a viable path to peace," Indochina Newsletter, november-december 1991, die FEER citeerd. Zie ook Kiernan, Bulletin of Concerned Asian Scholars, Vol. 21, 2-4, 1989; Vol. 24, 2, 1992. Voor uitgebreide achtergronden, zie Vickery, Cambodia, en Chandler, Cambodia.
31   Greenway, BG, 13 december 13; Uli Schmetzer, CT, 2 september 1991. Susumu Awanohara, FEER, 30 april 1992.
32   Redactioneel, WP weekly, 2-8 december 1991.
33   Barbara Crossette, NYT, 31 maart 1992.
34   Greenway, BG, 20 december 1991.
35   AP, 14 maart 1990; NI, 35.
36   John Stockhouse, G&M, 12 juni 1992.
37   Smucker, G&M, 7 oktober 1991.
38   Barbara Crossette, NYT, 18 augustus 1992.
39   Zie NI, 38-9, citaat van Israëlische journalist Amnon Kapeliouk en Amerikaanse wetenschapper Dr. Grace Ziem.
40   Braw, Atomic Bomb.
41   Robert Olen Butler, WP-MG, 5 april; Wintle, FT, 16-17mei 1992; artikelen van Michael Bilton en Kevin Sim, Four Hours in My Lai. AP, "Five years later, My Lai is a no man's town, silent and unsafe," NYT, 16 maart 1973.
42   Butterfield, NYT, 1 mei 1977; Whitney, NYT, 1 april 1973.
43   Buckley's niet-gepubliceerde aantekeningen. Zie PEHR, I, sec. 5.1.3.
44   Ibid.; FRS, 222. King, The Death of the Army (1972), geciteerd door Kinnard, War Managers.
45   John Underhill, John Mason, en William Bradford. Zie Laurence Hauptman, in Hauptman en Wherry, Pequots; Salisbury, Manitou, 218ff. Zie Jennings, Invasion, voor bespreking en algemene achtergronden.
46   Robert Venables, "The Cost of Columbus: Was There a Holocaust?," View from the Shore, Northeast Indian Quarterly (Cornell, Herfst 1990). Rio Sumpul, zie TNCW.
47   Voor details, zie AWWA, 102-3.
48   Carr, NYT Book Review, 22 maart 1992. De reactie van Carr op dit commentaar dat min of meer in deze vorm was verschenen in Lies of Our Times, Mei 1992, is misschien ook nog interessant. Zijn volledige reactie luidde als volgt: "Het idee dat er in de Amerikaanse geschiedenis momenten zijn geweest waarin geen van beide zijden zich veel beter heeft gedragen dan bloeddorstige beesten is waarschijnlijk moreel gezien te ingewikkeld voor velen om te verdragen" (Brieven, NYT Book Review, 23 augustus 1992, op volledig misplaatste wijze toegevoegd aan een antwoord op kritiek die over hele andere zaken ging). Ik laat het aan de lezer zelf over om de Nazi-analogie te construeren.
49   Times-recensist Michio Kakutani, NYT, 28 augustus; Prescott, NYT Book Review, 20 september 1992; recensies van Jay Parini, Bay of Arrows. Over de kannibalisme-mythologie waardoor de westerse ideologen zich zo laten meeslepen, zie Sale, Conquest. Ethnohistoricus Jalil Sued-Badillo schrijft dat "Archeologische studies zijn tot op heden nog niet in staat geweest om de praktijken van kannibalisme waar dan ook in Amerika te bevestigen"; Monthly Review, juli-augustus 1992. Voor een verslag uit de tweede hand over kannibalisme rituelen in Noord-Amerika, zie Axtell, Invasion, 263; voor verslagen van Indianen, Jennings, Empire, 446-7.
50   Wouk, CT, 2 juni 1992. Franklin, MIA.
51   Puette, Through Jaundiced Eyes, hfdst. 7.
52   Voor een bespreking van deze voorbeelden, zie TNCW, 68f., 89f. MC, secs. 5.1, 5.5.2, App. 3. NI, App. I, sec. 2. Lederman, Battle Lines; zie mijn "Letter from Lexington," Lies of Our Times, september 1992, voor details.
53   Bundy, Foreign Affairs, januari 1967. Zie MC, 175.
54   Over deze verhelderende en daarom onacceptabele vergelijkingen, zie PEHR, vols. I, II; MC.
55   Vickery, Cambodia After the `Peace'. Over de interne Amerikaanse documenten, zie FRS, 31f., 36f.
56   Drèze and Gazdar, Hunger and Poverty.
57   Zie noot 32. Over het idee dat de VS "de oorlog verloren hebben," en de betekenis daarvan, zie MC, 241ff.; en verderop.
58   E.g., Douglas Pike. Voor bronnen en bespreking, zie MC, 180f.; PEHR, vol. I, 338f. Zie RC, hfdst. 2.3.
59   Foreign Relations of the United States, Vietnam, 1961-1963, I, 343; III, 4n. Gibbons, US Government, 70-1, citaat geschiedenis van de luchtmacht.
60   Albert, Z magazine, december 1991; Cockburn, LAT, 5 december; Nation, 23 decemeber 1991.
61   Zie hfdst. 2.1-2. Tonkin Gulf, MC, 5.5.1; en RC. Over de timing, zie Foreign Relations of the United States, Vietnam, 1964-1968, 609.
62   Eén van de speculaties is dat Kennedy in Vietnam waarschijnlijk aan de kant stond van de enclave-strategie zoals die door generaal Maxwell Taylor en anderen werd gepropageerd of wijzigingen zou doorvoeren zoals Nixon dat deed met het opvoeren van bombardementen en moorddadige "versnelde pacificatie" maar met minder Amerikaanse grondtroepen; terwijl hij in de VS misschien de "Great Society" programma's van Johnson niet zo krachtdadig zou doorvoeren.
63   Zie mijn artikel "Vain Hopes, False Dreams," Z magazine, oktober 1992, en voor een veel uitgebreider overzicht en bespreking, zie Rethinking Camelot. Eerder geciteerde bronnen, en andere in de dissidente literatuur, gaven in het algemeen een juist beeld terwijl de gebeurtenissen zich voltrokken, die slechts weinig aanpassingen behoeven in het licht van wat nu allemaal bekend is. Voor een overzicht, zie MC.
64   Over de opmerkelijke medeplichtigheid van de intellectuele gemeenschap bij het verzwijgen van de eenvoudig beschikbare feiten over de Amerikaanse ondermijning van de diplomatie, zie TNCW, hfdst. 3; MC, hfdst. 5.5.3. Het volledige verhaal over deze verzwijging – in sommige gevallen, opzettelijk – moet nog eens verteld worden.
65   Over dit vooruitzicht, zie AWWA, 286.


Met dank aan Noam Chomsky.

Inhoud
Bibliografie en Afkortingen
NoamChomsky.com
Noam Chomsky Archive




Terug