De Vloek van Columbus

Van Kolonialisme tot de Nieuwe Wereldorde

Het Jaar 501, De Verovering Gaat Door
Noam Chomsky, Copyright © 1993

Vertaling van 'Year 501: The Conquest Continues' van Noam Chomsky
Dit deel verscheen als bijlage bij Extra! nummer 23, 24 okt 2003

hoofdstuk 9: Het dragen van verantwoordelijkheid

1. Irrationele minachting
2. Proefdieren
3. Het verwjderen van Indianen
4. "De Amerikaanse psyche"

1. Irrationele minachting

Terwijl de VS na de Tweede Wereldoorlog steeds meer “de verantwoordelijkheid op zich namen, uit eigenbelang, voor het welzijn van het kapitalistische wereldsysteem,” werden ook de “experimenten in pragmatisme” uitgebreid om “het proces van nationale groei te versnellen en verspilling te voorkomen” (Gerald Haines, Ulysses Weatherby). Deze “experimenten” waren tot dusver beperkt tot gebieden dichtbij huis. Een opvallend kenmerk van deze “wetenschappelijke methoden voor ontwikkeling”, bestemd voor onze beschermelingen, wordt door Hans Schmidt de “irrationele minachting voor de landbouwkennis van lokale boeren” genoemd. Dit is de oorzaak van “een reeks aan catastrofale mislukkingen” doordat Amerikaanse deskundigen probeerden om “de laatste ontwikkelingen uit de landbouwwetenschappen” toe te passen in hun Haïtiaanse proefgebied – zoals gewoonlijk met de oprechte overtuiging er iets groots te verrichten, terwijl (en dat is louter toeval) Amerikaanse bedrijven hun graantje meepikten. Uit een studie uit 1929 blijkt dat “Haïtiaanse boeren succesvoller waren met de teelt van katoen dan de Amerikaanse plantages die de laatste wetenschappelijke methoden toepasten,” merkt Schmidt op. Het hoofd van de Amerikaanse landbouwdeskundigen rapporteert aan het ministerie van Buitenlandse Zaken dat Amerikaanse ondernemingen “failliet waren gegaan omdat de managers geen zin hadden de technieken te bestuderen die door de lokale bevolking werden gebruikt en die door generaties van praktische ervaring levensvatbare methoden hadden ontwikkeld,” als gevolg waarvan de inheemse bevolking succesvoller was in het telen van katoen dan de plantages die op “wetenschappelijke wijze gecultiveerd” werden.

Er verandert niets als de regering wordt overgedragen aan Haïtiaanse opzichters. In 1941 werd de HaïtiaansAmerikaanse Maatschappij voor Landbouwontwikkeling (SHADA) opgezet, een hulpproject onder begeleiding van Amerikaanse landbouwkundigen, die de adviezen en protesten van de Haïtiaanse experts met de gebruikelijke minachting van de hand wezen. Met miljoenen dollars aan Amerikaanse regeringskredieten richtte SHADA zich op het verbouwen van sisal en rubber die toen nodig waren voor oorlogsdoeleinden. Het project verwierf 5 procent van de beste landbouwgronden van Haïti, waarbij 40.000 boerenfamilies verdreven werden, die als ze geluk hadden ingehuurd konden worden als dagloners. Na vier productiejaren bracht het project niet meer op dan een belachelijke vijf ton aan rubber. Het werd vervolgens gestaakt, deels omdat de markt ervoor was verdwenen. Sommige boeren gingen terug naar hun voormalig land, maar waren niet in staat om het weer te bewerken omdat het land was verwoest door het SHADAproject. Velen konden zelfs hun eigen velden niet meer vinden omdat bomen, heuvels en bosjes weggebuldozerd waren.

“Haïtiaanse bezwaren tegen Amerikaanse hulpprojecten klinken paranoïde,” merkt Amy Wilentz op na bespreking van dit niet atypische voorbeeld.2 Soms zit er echter een kern van waarheid in dit soort ergerlijke bezwaren.

In 1978 begonnen Amerikaanse deskundigen zich zorgen te maken dat de varkensgriep in de Dominicaanse Republiek een gevaar zou vormen voor de Amerikaanse varkensindustrie. De VS startten een ruimings en fokprogramma dat 23 miljoen dollar kostte, gericht op het vervangen van alle 1,3 miljoen Haïtiaanse varkens, die voor de boeren één van de belangrijkste bezittingen zijn en zelfs worden beschouwd als “bankrekening” in geval van nood. Men trof slechts een klein aantal Haïtiaanse varkens aan die geïnfecteerd waren en er waren er maar weinig gestorven, waarschijnlijk als gevolg van de opmerkelijke ziekteresistentie, aldus een aantal veterinaire deskundigen. De boeren waren skeptisch. Zij speculeerden dat de hele zaak in elkaar was gedraaid zodat de “Amerikanen geld konden verdienen aan het verkopen van hun varkens.” Het programma werd opgestart in 1982, lang nadat de laatste sporen van de ziekte waren verdwenen. Twee jaar later waren er geen varkens meer in Haïti.

Boeren beschouwden het als “de laatst overgebleven manier om ons te straffen, met alles wat ons al is overkomen.” Een Haïtiaanse econoom beschreef de onderneming als “het ergste onheil dat de boer ooit heeft getroffen,” zelfs los van de 600 miljoen dollar waarde aan vernietigde veestapel: “Het echte verlies voor de boer is onschatbaar … [De boereneconomie] wankelt door de gevolgen die het resultaat zijn door de afwezigheid van de varkens. Een totale manier van leven is vernietigd in deze overlevingseconomie.” Met het instorten van deze marginale economie werd er ook voor de rest nauwelijks nog iets verkocht en daalde de inschrijving voor school met 4050 procent. Met een USAIDOAS programma werden vervolgens varkens uit Iowa gestuurd – hetgeen voor veel boeren een bevestiging van hun achterdocht was. Deze nieuwe varkens waren echter alleen beschikbaar voor boeren die konden aantonen dat ze het noodzakelijke kapitaal hadden om ze te voeden en ze te behuizen volgens de specifieke aanwijzingen. In tegenstelling tot de Haïtiaanse varkens bezweken de vervangers uit Iowa vaak aan ziekten en konden ze alleen overleven op duur voedsel, waarvan de kosten opliepen tot 250 dollar per jaar, een enorme som geld voor verarmde boeren. Eén voorspelbaar resultaat waren de nieuwe rijkdommen voor de Duvalierkliek en hun opvolgers die de controle verwierven over de voedselmarkt. Een Haïtiaans ontwikkelingsprogramma van de kerk dat had geprobeerd om de problemen te bestrijden had hun poging gestaakt omdat het “tijdverspilling” was. “Deze varkens zullen het nooit redden in Haïti … Wat er nog bij moet komen, is dat we een generator en airconditioning voor ze moeten installeren.”3

Andere experimenten hebben vaak tot dezelfde gevolgen geleid. In zijn bestudering van een ander langdurig “testgebied,” Liberia, vond de antropoloog Gordon Thomasson dezelfde “irrationele minachting” voor de lokale intellectuele verworvenheden, en dezelfde rampspoed – voor de lokale bevolking. In de loop van eeuwen hebben de Kpele honderden soorten rijst ontwikkeld die precies waren afgestemd op de microomgevingen in specifieke ecosystemen; er werden wel tot tientallen verschillende zaden geplant in kleine veldjes, met zeer hoge opbrengsten. Amerikaanse landbouwdeskundigen adviseerden kapitaalintensieve “groene revolutie” technieken met gebruik van petrochemische producten die, los van het feit dat ze veel te duur zijn voor een arm land, ook nog zorgden voor een veel lagere opbrengst. Het zorgde ook voor het verlies van de traditionele kennis en de brede variatie aan zaden, die in een periode van eeuwen waren gekweekt, geselecteerd, verrijkt en instandgehouden. Thomasson schat dat de landbouwopbrengsten met 50 procent zullen afnemen als de overvloedige genetische pool van rijstvariaties, “het product van eeuwenlange hoogontwikkelde teelt en selectie,” verloren is gegaan en wordt vervangen door buitenlandse invoer: “veel landbouwgebieden in Liberia zullen ondanks alle goede bedoelingen ophouden te bestaan, evenals veel van de inheemse culturen van Liberia.”

De minachting van de deskundigen werd versterkt door het feit dat het om “vrouwenkennis” gaat die wordt overgedragen door oudere vrouwen op de meisjes, die veel tijd besteden aan het verwerven van de vaardigheden en traditionele kennis. Deze houding komt men tegen op allerlei gebieden. Max Allen, conservator van één van de belangrijkste textielmusea in de wereld, merkt op dat “In de meeste traditionele samenlevingen uit het Noorden, de meest indrukwekkende door de mens gemaakte kunstvoorwerpen helemaal niet door mannen zijn gemaakt, maar door vrouwen,” namelijk textielproducten, die “zonder enige twijfel artistiek zijn,” alhoewel ze in de Westerse traditie niet worden erkend als “kunst”. Ze worden ingedeeld in de categorie ambachtelijk, niet in die van kunst. Het feit dat de artistieke tradities die zich uitstrekken over duizenden jaren “het werk van vrouwen” is, heeft waarschijnlijk bijgedragen aan deze dubieuze interpretatie, aldus Allen.4

De “skeptici” zullen niet over het hoofd zien dat hoe slecht het ook allemaal uitpakt voor Liberia, de “wetenschappelijke methoden van ontwikkeling” veel voordelen bieden voor het westerse bedrijfsleven, traditioneel voor de agrobusiness en petrochemische sectoren, en wie weet in dit geval ook andere sectoren. Terwijl de variatie aan gewassen is afgenomen en ziektes en verderf een toenemend gevaar vormen, zou misschien het genetisch modificeren een oplossing kunnen bieden door middel van kunstmatig gefabriceerde gewassen, hetgeen ook de opkomende biotechindustrie mogelijkheden biedt voor groei en winst.

Volgens het standaardrecept adviseren de Amerikaanse deskundigen Liberia om landbouwgronden om te zetten in plantages voor exportgewasssen (hetgeen overigens, ook gunstig is voor Amerikaanse bedrijven). De tegenvallende resultaten leidden er toe dat USAID aandrong op de ontwikkeling van rijst in moerassen, waarmee de inzet van de Wereldgezondheidsorganisatie om mensen uit deze gebieden te weren wegens de extreme gezondheidsrisico’s genegeerd werd. De Kpelle waren ook in de metaalkundige technologie ver ontwikkeld, hetgeen hen de mogelijkheid bood om zeer efficiënte gereedschappen te maken. In dit geval, schrijft Thomasson, werden hun prestaties “kapot gemaakt door kolonialisme en monopoliekapitalisme, niet omdat het vervaardigde product op wat voor manier dan ook inferieur was of te duur voor de markt.” Dit gebeurde door middel van subsidies aan kusthandelaren en andere manieren van inbreuk op de vrije markt, die waren ontwikkeld door economische deskundigen en werden opgedrongen door de Amerikaanse regering, “waardoor uiteindelijk de economie, de nationale munt en binnenlandse industrie werden weggevaagd.” En wederom waren er ook die er garen bij spinden: multinationale mijnbouwbedrijven, buitenlandse producenten die de importeurs bedienden en de buitenlandse banken waarheen de winsten verscheept werden.5

Er kan nog een overwinning geturfd worden voor de waarden van de “vrije markt”.

Sommigen vinden het misschien niet eerlijk om Liberia en Haïti als voorbeelden te nemen. Zoals Robert Lansing, minister van Buitenlandse Zaken onder Wilson, uitlegt:

De ervaringen met Liberia en Haïti maken duidelijk dat het Afrikaanse ras niet de capaciteiten heeft voor politieke organisatie of het talent voor bestuur. Er is zonder twijfel een diepgewortelde neiging om terug te vallen tot barbaarsheid en om de ketens der beschaving, die hinderlijk zijn voor hun natuurlijke aard, af te werpen. Uiteraard zijn er vele uitzonderingen op deze raciale zwakheid, maar voor de massa is dit het geval, zoals we geleerd hebben bij onze ervaringen in dit land. Dat maakt dat het probleem van de neger vrijwel onoplosbaar is.6 Misschien is het deze raciale zwakheid die heeft geleid tot de resultaten van de experimenten in Liberia en Haïti – en die zich herhalen in alle domeinen van de ondergeschikten.

Deze reguliere kenmerken van de 500jarige verovering zullen steeds belangrijker worden in de jaren die voor ons liggen, als de ecologische gevolgen van de nietduurzame kapitaalintensieve landbouw een schaal bereiken die niet meer genegeerd kan worden, zelfs niet door de rijken. Dan pas zullen dit soort problemen op de agenda komen, zoals met de ozonlaag, hetgeen “belangrijk” werd toen het aannemelijk werd dat ook de rijke blanke mensen gevaar zullen lopen. In de tussentijd zullen de experimenten doorgaan in de testgebieden.

2. Proefdieren

Het concept “testgebied” verdient speciale aandacht. Op soortgelijke wijze: “Amerikaanse strategen hebben de burgeroorlog in El Salvador beschreven als het ‘ideale testgebied’ voor het implementeren van de lowintensity conflict doctrine” (ook wel internationaal terrorisme genoemd). Dit is de conclusie van een door het ministerie van Defensie gesponserd onderzoek uitgevoerd door de RAND Corporation. Al eerder werd Vietnam beschreven als “een doorlopend laboratorium waar we subversieve opstandigheid zien ... die in alle vormen wordt toegepast” (Maxwell Taylor), hetgeen mogelijkheden biedt voor “experimenten met methoden van bevolkings en bestaansmiddelencontrole” en “nation building”. Zoals we al eerder hebben gezien (in hoofdstuk 8) werd de bezetting van Haïti door mariniers in dezelfde termen beschreven. De voortdurend uitgedragen technologische ijdelheid lijkt er in ieder geval voor te zorgen dat het zelfbeeld in stand blijft.7

Er is geen enkele hint te vinden dat de proefpersonen mis schien zelf ook het recht zouden moeten hebben om een toestemmingsspapiertje te ondertekenen, of zelfs alleen maar te weten wat er met hen zal gebeuren. Integendeel, ze hebben ongeveer net zoveel rechten als proefdieren. Wij bepalen wat goed voor hen is, zoals we dat altijd al gedaan hebben; nog een kenmerk van de 500 jaar verovering.

Onze wijze mensen weten nu eenmaal bijvoorbeeld dat het zoveel mogelijk consumeren een menselijke kernwaarde is: “Als we de wereld niet deze richting op sturen, dan zou iemand anders dat wel doen, omdat alles wat er gebeurt een uitdrukking is van de basale menselijke behoefte om te kunnen consumeren,” legt Lawrence Wortzel, managementprofessor van Boston University, uit. Amerikaanse ondernemers hebben het goed getroffen dat zij zo op één lijn met de menslijke natuur zitten. Het is waar dat langzame studenten af en toe geholpen moeten worden om hun ware natuur te begrijpen. De reklameindustrie besteedt jaarlijks miljarden dollars aan het stimuleren van dit zelfbewustzijn, en in het begin van de industriële revolutie was het niet eenvoudig om onafhankelijke boeren te leren begrijpen dat ze eigenlijk gereedschappen der productie wensten te zijn, zodat zij hun “basale menselijke behoefte om te consumeren” konden bevredigen. De zeer “zichtbare hand” van de overheid heeft ook een steentje bijgedragen. Toen de radio een belangrijk medium werd, werd door de Federale Radio Commissie “kapitalistische uitzendingen gelijkgesteld met ‘algemene publieksdienst’ uitzendingen” omdat het zou zorgen voor waar “de markt behoefte aan heeft,” schrijft Robert McChesney, terwijl pogingen van vakbonden en andere organisaties vanuit de bevolking, of educatieve programma’s werden beoordeeld als “propaganda”. Het was daarom noodzakelijk “om kapitalistische omroeporganisaties te begunstigen” bij de toegang tot kanalen, evenals met andere manieren van steun.8

Los van de herhaaldelijke bombardementen op de zintuigen door middel van reklame en afschildering in de media vanhetlevenzoalshetgeleefdzoumoetenworden, worden er vanuit regering en bedrijfssleven op gigantische schaal initiatieven ondernomen om de smaak van de consument vorm te geven. Eén veelzeggend voorbeeld is de “Los Angelizing” van de Amerikaanse economie, een gigantische campagne vanuit de staat en het bedrijfsleven om de voorkeur van de consument te sturen in de richting van “uitdijende voorsteden en individueel vervoer – in tegenstelling tot geclusterde voorsteden die aangesloten zijn op een mengeling van trein, bus en autowegen,” merkt Richard Du Boff op in zijn economische geschiedenis van de Verenigde Staten. Dit beleid ging gepaard met een “gigantische vernietiging van binnenstedelijk aandelenkapitaal” en het “hervestigen in plaats van vermeerderen van de voorraad huizen, commerciële structuren en infrastructuur.” De rol van de federale overheid was om fondsen vrij te maken voor “de totale motorisering en de verzwakking van het openbaar vervoer”; dat was het belangrijkste doel t 1944, 1956 en 1968. Met deze wetgeving werd de door Alfred Sloane, de baas van General Motors, ontwikkelde strategie geïmplementeerd. Grote hoeveelheden geld werden besteed aan de interstate snelwegen. Er waren in het geheel geen tegenwerkingen, omdat het Congres de controle had overgedragen aan het Bureau voor Publieke Autowegen; slechts 1 procent van de totale som werd besteed aan vervoer per spoor. De Federale Snelweg Authoriteit schatte de totale uitgaven op 80 miljard dollar tot 1981, met nog zo’n 40 miljard dollar in de planning voor het komende decennium. Staats en lokale overheden bestuurden het proces ter plaatse.

Het bedrijfsleven opereerde parallel hieraan: “Tussen 1936 en 1950 kocht National City Lines, een houdstermaatschappij gesponserd en gefinancierd door General Motors (GM), Firestone en Standard Oil of California, meer dan 100 trammaatschappijen in 45 steden (waaronder New York, Philidelphia, St, Louis, Salt Lake City, Tulsa en Los Angeles) die ontmanteld werden en vervangen door bussen van General Motors. ... In 1949 werden GM en haar partners voor deze zaak veroordeeld door een Amerikaanse rechtbank in Chicago wegens criminele samenzwering en kregen een boete van 5000 dollar.” In het midden van de jaren ’60 was één op de zes zakenondernemingen direct afhankelijk van de gemotoriseerde voertuigenindustrie. Met de uitgaven van de federale overheid werd de economie draaiende gehouden. De angst van Eisenhouwer dat er “nog een Crisis zou komen na de Koreaanse oorlog” was daarmee voorbij, aldus het verslag van een functionaris van het Amerikaanse Vervoersdepartement. Eén van de architecten van het snelwegprogramma uit het congres, John Blatnik uit Minnesota, merkt op dat “Het heeft gezorgd voor een goede solide bodem onder de gehele economie in het geval van een recessie.” Deze regeringsprogramma’s waren een enorme subsidie voor de hoogtechnologieindustrie, via het militaire systeem, hetgeen de belangrijkste impuls en steun was voor de instandhouding van het ten dode opgeschreven systeem van privéondernemingen dat in de jaren ’30 in elkaar was gestort.9

De algemene invloed hiervan op de cultuur en samenleving was immens, los van de economie zelf. Democratische besluitvorming speelde nauwelijks een rol in dit omvangrijke project ter herinrichting van de hedendaagse wereld, en slechts in zeer marginale opzichten was het een afspiegeling van de keuze van de consumenten. Consumenten maken zonder twijfel keuzes, net zoals stemgerechtigden, maar dat blijft binnen de grenzen zoals die worden vastgesteld door hen die eigenaar zijn van de samenleving en haar besturen met hun eigen belangen voor ogen. De werkelijke wereld heeft weinig overeenkomsten met de dromerige fantasieën, zoals die nu mode zijn, over de Geschiedenis die zal uitlopen op het ideaal van de liberale democratie hetgeen de ultieme verwezelijking is van Vrijheid.

De primitieve mensen voor wier zorgen wij opkomen, schieten in het algemeen te kort in zelfbewustzijn, en hebben hulp nodig om te ontdekken wat ze echt willen. De pogingen van de Jezuïten die trachten om de Amerikaanse indianen op te voeden vanuit “hun natuurlijke staat van onbeschaafdheid en barbaarsheid ... richtten zich allereerst, en dat was zeer verstandig, op het creëren van verlangens – de bron van de menselijke activiteit,” waarin deze wezens in ernstige mate tekortschoten, zo legt Hegel op erudiete wijze uit. Een eeuw later merkt de Amerikaanse onderkoning van Haïti, Financieel adviseur Arthur Millspaugh, op dat “de boeren, die leven op een manier die op ons overkomt als lui en onbeholpen, zijn begerenswaardig zorgeloos en tevreden; maar, als ze burgers willen worden van een onafhankelijke zelfbestuurde staat, dan zullen ze, of in ieder geval een groter aantal van hen, moeten leren om een nieuw pakket behoeftes zich eigen te maken” – hetgeen de reklame industrie graag zal stimuleren, en Amerikaanse exporteurs op genereuze wijze zullen vervullen.10

De afschaffing van de slavernij bracht het probleem van het creëren van behoeftes op scherpe wijze naar voren. Het probleem speelde al over een lange periode toen boeren gedwongen werden tot loonslavernij in de beginfase van industrialisatie. Gezien de plotselinge overgang in het geval van de afschaffing van de slavernij moest het probleem oprecht en zelfbewust onder ogen worden gezien. Thomas Holt heeft hierover een interessante studie gedaan in het geval van Jamaïca, waar de Britse overheersers in 1834 na een slavenopstand de slavernij afschaften. Het probleem was om er voor te zorgen het plantagesysteem in stand te houden zonder al te veel essentiële veranderingen. Functionarissen begrepen dat voorkomen moest worden dat de vrije mensen zouden terugvallen “in barbaarse vadsigheid.” “Wanneer we alles over zouden laten aan de natuurlijke gang van zaken,” merkt Koloniaal Secretaris Lord Glenelg op, “dan kunnen we geen arbeid aantrekken voor het verbouwen van exportproducten,” dat wil zeggen suiker. Hij drong daarom aan op een reeks aan regeringsmaatregelen om te voorkomen dat bevrijde slaven het vruchtbare land, dat toen in ruime mate voorradig was, zouden kunnen verkrijgen, dit ondanks alle liberale geloofsover tuigingen. Een ander koloniaal functionaris zag in dat er meer nodig was: het creëren van “kunstmatige behoeftes,” die “op de lange duur echte behoeftes zullen worden.” Met de voorbereiding van de afschaffing (1833) merkt een Brits parlementslid op dat “Om ze te laten werken en ze het gevoel voor luxedingetjes en comfort te geven, moet ze geleidelijk aan geleerd worden om te verlangen naar die objecten die verkregen kunnen worden met menselijke arbeid. Er is een reguliere ontwikkeling van het bezit van noodzakelijkheden naar het verlangen naar luxeartikelen, en wat ooit luxeartikelen waren, zullen langzaamaan …. noodzakelijk zijn. Dit is de ontwikkeling die de negers zullen moeten doormaken, en dit is de educatie aan welk zij zouden moeten worden onderworpen in hun proefperiode” na de emancipatie. Anders, “zouden zij nauwelijks een drijfveer hebben om te werken,” merkt een hoog geplaatst koloniaal functionaris, Gouverneur Charles Metcalve, later (1840) op. Op deze wijze moet het mogelijk zijn, merkt een andere functionaris op, om het verlangde doel te bereiken: “het veranderen van een slaafse menigte in een orderlijke en gelukkige boerenstand,” die in de kern dezelfde taken verrichten als onder slavernij, met de “oligarchy van slavendrijvers” die “een natuurlijke bovenklasse” zal worden.11

De United Fruit Company (UFCo) stond met betrekking tot haar Middenamerikaanse plantages voor hetzelfde probleem. In het geval van vrije arbeid moest worden voorkomen dat arbeiders zich op de een of ander manier zouden kunnen redden met een zichzelf in stand houdende economie. Geen eenvoudige opgave. Mensen wilden “alleen werken wanneer ze daartoe gedwongen werden, en dat was niet eenvoudig omdat het land hen dat weinige gaf dat ze nodig hadden,” schreef een historicus van de UFCo in 1929. Om dit probleem uit de weg te ruimen probeerde de UFCo om consumentenwaarden te implanteren. Ze hadden goed door dat “Het verlangen naar artikelen… is iets dat gecultiveerd moet worden.” De United Fruit Company was in staat “om verlangens op te wekken door middel van reklame en verkoopkunde,” schreef dezelfde historicus goedkeurend; dit had “tot resultaat dat verlangens opgewekt werden, … net zoals in de Verenigde Staten,” waar, zoals het bedrijfsleven goed begreep, “verlangens” op kunstmatige wijze gestimuleerd en vormgegeven moesten worden. De nieuw opgewekte verlangens – voor zijden kousen in plaats van katoenen, dure Stetson hoeden en “een flitsend zijden shirt terwijl ze geen schoenen hadden,” enzovoorts – konden bevredigd worden in de winkels van UFCo. Deze list werd “herhaaldelijk misbruikt” door het bedrijf, geeft haar officiële historicus toe, door artikelen te verkopen “aan de arbeiders tegen schandalige prijzen – en maar al te vaak op krediet,” hetgeen hen “rechtstreeks terugbracht in een afhankelijke positie.”12

Het zelfde probleem kwam ter sprake bij de opening van China voor het Westen, maar dan op een grotere schaal. Het was niet eenvoudig. Een Britse missie werd in 1793 toegelaten tot Bejing en had voorbeelden meegenomen van vrijwel alles dat Engeland kon produceren. Het was “het meest grondige en dure diplomatieke initiatief dat ooit was ondernomen door een Britse regering,” schrijft John Keay in zijn geschiedenis van de East India Company, die het monopolie op de handel met China hadden tot ver in de 19e eeuw. De Chinese Keizer nam op hoffelijke wijze de aanbiedingen in ontvangst als een “Eerbetoon van het Koninkrijk Engeland,” en prees de “eervolle geest van nederigheid” van de Britse afgezant. Er zou echter geen handel tot stand worden gebracht: “Ons hemelse imperium bezit alle dingen in een rijke overvloed,” liet de Keizer hem weten, maar “ik zal de eenzame afzondering van uw eiland in gedachten dragen.” Europese handelaren konden in het zuiden van China hier en daar een stap zetten, maar werden voor de rest geblokkeerd door de macht van de Keizer.

Eén handelsartikel waarvoor de Britten wel een markt konden vinden was Bengaalse opium. In het begin van de 19e eeuw werden de inkomsten van de opiumverkoop aan China alleen nog overschreden door de inkomsten op land, “de winsten waren hoog genoeg om wat voor morele gewetensbezwaren die de Britten voelden tot zwijgen te brengen en om de droogleggingen die regelmatig door de Chinezen werden ingesteld simpelweg te negeren,” schrijft Keay. Een paar jaar later probeerden de Chinezen de aanvoer te stoppen, dit had wel effekt op de Britse morele gewetensbezwaren. GrootBrittannië pleitte voor de deugden van vrije handel en dwong China de deur open te zetten voor de dodelijke drugs. Hierbij werd gebruik gemaakt van de enorme militaire superioriteit, die ook zo’n opsteker was voor de spirit van de Britse chauvinisten tijdens de Golfoorlog van 1991. “Er moest een gepantserde stoomboot, de Nemesis, gemaakt en snel uitgezonden worden om het Centrale Keizerrijk tot rede te brengen,” schrijft de militair historicus Geoffrey Parker sardonisch: de kanonnen van de Nemesis “waren in staat om in slechts één dag in februari 1841 negen oude oorlogsroestbakken, vijf forten, twee militaire stations en een kustbatterij in de Pearl rivier te vernietigen,” en kort daarna kon China genieten van de voordelen van het liberale internationalisme. De VS wilden dezelfde privileges die Engeland had verkregen, ook onder het mom van hogere principes. John Quincy Adams sprak zijn afkeuring uit over de weigering van China om opium te accepteren uit de Britse kolonie. Volgens hem was het een schending van het Christelijke principe “heb uw naaste lief” en “een grote schande voor de rechten van de menselijke natuur, en voor de hoogste principes van de rechten der naties.” Tegelijkertijd brachten de missionarissen een lofzang “op het grote ontwerp van de Voorzienigheid om de slechtheid van de mens te gebruiken met het doel om China de genade te brengen, door het neerhalen van de muur die buitensluit, en het brengen van het imperium in een meer direct contact met westerse en christelijke naties.”

Op dit soort manieren slaagde Engeland er in om nieuwe behoeftes te creëren in China, net zoals de VS Aziatische landen tegenwoordig dwingt, op straffe van hevige handelssancties, om de in Amerika gekweekte dodelijke drugs [sigaretten] toe te laten, die per jaar in de Verenigde Staten ongeveer 50 tot 100 keer meer mensen doodt dan alle hard drugs bij elkaar. En uiteraard moet er ook de vrijheid zijn om gericht te adverteren voor nieuwe markten, in het bijzonder die van vrouwen en kinderen.13

3. Het verwijderen van Indianen

Om het bewustzijn over hun ware verlangens in de hoofden van de “onbeschaafde barbaren” te krijgen, was ook een probleem voor de Amerikaanse regering in de loop van haar plannen voor annexatie en het verwijderen van Indianen. Het meest typische voorbeeld kwam misschien wel aan de orde aan het einde van de 19e eeuw, toen Washington voorbereidingen trof om de plechtige verdragen, die het landeigendom van de Vijf Beschaafde Stammen in Oostelijk Oklahoma erkenden, teniet te doen. Het Indianen Gebied was voor de eeuwigheid toegekend aan deze volkeren nadat ze op wrede wijze waren verdreven van hun traditionele gronden. Dit “verdrag” werd in 1835 opgedrongen aan verschillende Indiaanse leiders, die onder ogen zagen dat ze niet konden weigeren, omdat “zij sterk zijn en wij zwak”; “We hebben ons allemaal verzet om ons land in het oosten te verkopen,” schreven de ondertekenaars van het verdrag aan het Congres. Ze veroordeelden de Amerikaanse regering omdat “wij verschoppelingen en vogelvrij worden gemaakt in ons eigen land, tegelijkertijd worden we in de afgrond van het morele verval gestort, die onze mensen ten prooi werpt aan snelle vernietiging.” Voor de Engelse kolonisten hadden vredesverdragen een speciale betekenis, zoals duidelijk uitgelegd door de Staatsraad van Virginia in de 17e eeuw: wanneer de Indianen “zich veilig voelen door een verdrag, hebben we het grote Voordeel om ze én te verrassen, & hun graan weg te maaien.” Dit concept houdt stand tot de dag van vandaag.

Het verdrag uit 1835 verving eerdere verdragen, sommigen uit 1785, toen de kolonisten die zich zojuist (1776) uit de Britse overheersing hadden ontworsteld aan de Cherokees een verdrag opdrongen. De Cherokees hadden tijdens de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog, met het vooruitzicht op wat er zou gaan gebeuren als de kolonisten zouden winnen, de Britten gesteund. De gebieden die ze werden afgenomen, waren hen al onder weer eerdere verdragen toegekend. In het Congres werd verklaard, dat we “geen van uw gebieden willen, noch iets anders dat aan u toebehoort.” Het was een “menselijke en genereuze daad van de Verenigde Staten,” verklaarde de VSafgevaardigde. In 1790 verzekerde George Washington de Cherokees dat “In de toekomst zal niemand op bedriegelijke wijze u uw gebieden afnemen”: de nieuwe regering “zal u beschermen in al uw rechtvaardige aanspraken … De Verenigde Staten zal oprecht en betrouwbaar zijn ten aanzien van al haar verplichtingen.” President Jefferson voegde er aan toe: “Ik hoop oprecht dat u zult slagen in uw lovenswaardige pogingen om de overblijfselen van uw natie te redden door nijvere werkzaamheden en een regering gebaseerd op reguliere wetgeving. Voor dit kunt u altijd vertrouwen op de steun en raad van de Verenigde Staten.”

In de daaropvolgende jaren maakten de kolonisteninbreuk op het Indianengebied en werden nieuwe verdragen gedicteerd, waarmee nog meer land werd afgenomen. In dat wat er overbleef werd een succesvolle landbouwgemeenschap opgebouwd, en vanaf 1800 textielfabrieken, scholen, drukkerijen en een goedfunctionerende regering die door buitenstaanders ten zeerste werd bewonderd. Een rapport dat in 1825 wordt voorgelegd aan het ministerie van Oorlog geeft een “bewonderende beschrijving van het Cherokee land en natie,” schrijft Helen Jackson in haar (in vele opzichten) uitzonderlijke 19e eeuwse historische studie over het verwijderen van Indianen, waarin ze uitvoerige passages citeert met lofgezangen voor de vergevorderde beschaving die de Cherokees hadden ontwikkeld likeinse republikeinseprincipes” waarop deze was gebaseerd. Tegelijkertijd hielden vooraanstaande Europese denkers lezingen over de vreemde afwezigheid van “psychische kracht” die er voor zorgde dat de Indianen “verdwenen” en “de laatste adem uitbliezen bij de benadering van de Geest,” de aanwezigheid van Europeanen.

Hoe indrukwekkend dan ook, de vooruitgang werd geboekt door de verkeerde mensen. Het was een blokkade voor de “vooruitgang” in de Politiek Correcte betekenis van het woord. De Indianen Verwijder Wet van Andrew Jackson uit 1830, werd gevolgd door het opgelegde verdrag uit 1835, waarin de ondertekenaars afstand deden van alle rechten van de Beschaafde Stammen op hun gebieden ten oosten van de Mississippi. Jackson was zeer ontroerd door zijn eigen vrijgevigheid, omdat hij “zijn plicht had gedaan ten aanzien van zijn eigen rode kinderen”; “als mijn goede bedoelingen op wat voor manier ook tekortschieten, dan zal dat liggen aan hun tekortschietende verantwoordelijkheid ten aanzien van henzelf, niet aan mij.” Hij schonk “deze kinderen van het bos” niet alleen de mogelijkheid “om een beter leven op te bouwen in een onbekend land” zoals “onze voorvaderen” deden, maar hij betaalde zelfs voor “de kosten van de verwijdering,” een bewijs van de “vriendelijke gevoelens,” die, als het voor hen ook zou gelden, “duizenden van onze eigen mensen graag zouden willen ontvangen.”

Drie jaar later werden 17,000 Cherokees met de punt van de bajonet in de rug door het Amerikaanse leger verdreven naar Oklahoma “over een route gemarkeerd door zoveel verse graven, dat het sindsdien bekend staat als het Spoor der Tranen (Trail of Tears)” (Thurman Wilkins); misschien dat de helft van hen “het genereuze en verlichte beleid” van de Amerikaanse regering, zoals de operatie door de minister van Oorlog werd omschreven, heeft overleefd. Deze zelfbewieroking voor onbenoembare gruweldaden is routine.

In haar overzicht van de opmerkelijke prestaties van de Cherokee natie, voor en na de Trail of Tears, en de wijze waarop ze behandeld worden, schrijft Helen Jackson dat “In de totale geschiedenis van het handelen van onze Regering met de Indianenstammen, is er geen zo zwart, als de geschiedenis van verradelijkheid ten aanzien van deze natie. Er zal een tijd komen in de verre toekomst dat het voor een student van de Amerikaanse geschiedenis, bijna ongelofelijk zal lijken” – een oordeel waar niet veel tegen in te brengen is, al is die toekomst nog immer verre.14

In 1870 erkent het ministerie van Binnenlandse Zaken dat “de Cherokees, en de andere beschaafde stammen [van het Oklahoma territorium] hun gebieden voor niet minder dan eeuwig kunnen behouden, beschermd door eigendomsbewijzen zoals bepaald door de hoogste wet van het land,” een “permanent thuis” verleend “onder de meest plechtige garantie van de Verenigde Staten,” die “voor altijd de hunnen zal zijn – een thuis dat nimmer in de toekomst gehinderd zal worden door uitbreidingen van een Territorium of een Staat, of de jurisdictie ervan,” of op wat voor wijze dan ook. Zes jaar later verklaarde het ministerie dat de aangelegenheden in het Indiaanse Territorium “complex en verwarrend zijn, en dat roept vragen op of het moet worden toegestaan dat een aanzienlijk deel van het land voor onbepaalde tijd vrijwel onontwikkeld en braakliggend moet blijven, of dat de Regering zal bepalen de omvang van het reservaat te beperken.” Het ministerie had kort daarvoor het “onontwikkelde en braakliggende” land beschreven als een wonder der vooruitgang, met succesvolle productie door mensen die in comfortabele omstandigheden leven, met een hoge graad van geletterdheid, en een niveau van “beschaving en verlichting” vergelijkbaar met de rest van de wereld: “Waar de Britten vijfhonderd jaar nodig hadden om dit te bereiken, dat hebben zij bereikt in slechts honderd jaar,” verklaarde het ministerie vol bewondering.15

Helen Jackson beëindigt haar verslag in 1880 met een vraag: “Zal de Regering van de Verenigde Staten er toe besluiten om ‘de omvang van het reservaat te verminderen’?” Hierop kwam al snel het antwoord, precies op de wijze zoals zij dat al had verwacht. Wederom vormde de ontwikkelde beschaving van de Indianen een blokkade voor de voortgang van de beschaving, zoals die op juiste wijze moet worden gezien.

Wat er volgde wordt beschreven door Angie Debo in haar klassieke studie And Still the Waters Run. In het onafhankelijke Indianen Territorium werd het land collectief beheerd en was het leven welvarend en tevreden. Het Federale Bureau voor Indianen verzette zich tegen het collectieve eigendom van land uit ideologisch dogmatische overwegingen, evenals wegens pragmatische redenen: het voorkwam de overname van land door blanke binnendringers. In 1883 begon een groep van zelfbenoemde filantropen en idealisten zich te buigen over de problemen van de Indianen. Bij hun derde bijeenkomst werd een rede gehouden door Senator Henry Dawes van Massachusetts, die werd beschouwd als een “gerenommeerde Indianen kenner,” die zojuist een inspectiebezoek door het Indianen Territorium had beëindigd. Zoals eerdere waarnemers beschreef hij dat wat hij had gezien op schilderachtige wijze: “Er is in dat land geen bedelaar te vinden, en het land heeft geen dollar schuld. Ze bouwden hun eigen parlementsgebouw, waarin we dit onderzoek hielden, en ze bouwden hun scholen en ziekenhuizen.” Geen enkele familie zat zonder een huis.

Dawes adviseerde vervolgens dat de gemeenschap zou worden ontbonden, omdat er een fataal gebrek was, waarvan de onwetende inboorlingen zich in het geheel niet bewust waren: “

Desalniettemin was de tekortkoming van het systeem duidelijk. Verder dan dit zullen zij nooit kunnen komen, omdat zij hun land in collectief eigendom hebben. Met zo’n systeem is er geen initiatief om je eigen huis beter te maken dan dat van je buren. Er is geen egoïsme, hetgeen de basis van de beschaving is. Totdat deze mensen zullen toestemmen om hun land op te geven en het te verdelen onder hun burgers, zodat een ieder het land dat hij bewerkt in eigendom kan hebben, zullen zij niet veel meer vooruitgaan.”

Kortom hoewel oppervlakkig gezien beschaafd en ontwikkeld, blijven de mensen cultureel achtergesteld, niet in staat om “de basale menselijke drang om te consumeren” in te voelen en te begrijpen hoe belangrijk het is om beter dan de buren te zijn. Kortom ze zijn zich niet bewust van het “verachtelijke adagium van de meesters van de mensheid,” zoals Adam Smith dit noemde, “alles voor ons zelf, en niets voor anderen.”

Het voorstel van Dawes om de verlichting over te brengen aan de barbaren werd goedgekeurd door de idealistische wereldverbeteraars van de Oostkust, en al snel ten uitvoer gebracht. Dawes stelde wetgeving op die het communale landeigendom verbood en gaf leiding aan de Commissie die toezicht hield op de onteigening van de Indianen die daar onvermijdelijk op volgde. Hun land en eigendommen werden geplunderd, en zij zelf werden uiteengedreven naar verweggelegen stedelijke gebieden waar ze leden aan verschrikkelijke armoede en gebrek.

Zo gaat dat met experimenten, het loopt niet altijd goed af. Feitelijk gezien slagen de experimenten zoals die worden uitgevoerd in de verschillende “testgebieden” in het algemeen zeer goed, zoals ook dit experiment, voor hen die ze bedenken en uitvoeren: De “architecten van het beleid” zoals ze door Adam Smith worden genoemd. De respectabele mannen, die altijd weer worden geleid door de meest nobele intenties, die toevalligerwijze altijd weer overeenstemmen met hun eigen belangen. Als de experimenten niet slagen voor de oorspronkelijke bewoners van NoordAmerika – of voor Brazilianen, of Haïtianen, of Guatemalteken, of Afrikanen, of Bengalen, of moeders met uitkeringen, of anderen die in de weg staan voor de mannen die heersen – dan zoeken we de oorzaken daarvoor in hun genetisch materiaal, of andere “gebreken” en tekortkomingen. Of we mijmeren wat over de ironieën van de geschiedenis.

Het is makkelijk om te begrijpen waarom het werk van Reinhold Niebuhr, de “theoloog van het establishment”, zo een aantrekkingskracht had op de intellectuelen van na de Tweede Wereldoorlog en de guru was van de intellectuelen rond Kennedy, George Kennan en anderen. Hoe comfortabel moet het zijn om te filosoferen over de “paradox van de deugd”, de kern van zijn ideeën: de onvermijdelijke “sporen van zonde over alle historische prestaties,” de noodzaak om “bewust voor het kwade te kiezen om het goede te bereiken” – geruststellende overtuigingen voor hen die zich voorbereiden “om de verantwoordelijkheden van macht” te aanvaarden, of in gewoon Nederlands, voor hen die zich voorbereiden op een misdadig leven.16

4. “De Amerikaanse psyche”

Het verbond staatbedrijfsleven spaart kosten nog moeite om er voor te zorgen dat het gemeen volk begrijpt wat het wil en nodig heeft. Dat is al heel lang zo, van de tijd dat onafhankelijke boeren veranderd moesten worden in dagloners en consumenten. En het is ook nooit een eenvoudige opgave. Velen van hen blijven steken in het moeras van onwetendheid en bijgeloof. Sommigen van hen gaven zelfs aandacht aan de woorden van zo’n schurk als Uriah Stephens, de oprichter en eerste voorzitter van de vakbond Knights of Labor (Ridders van de Arbeid), die in 1871 het einddoel voor de arbeiders beschreef: “De producenten van de rijkdommen moeten zich bevrijden van de afhankelijkheid en van loonslavernij.” Dit idee is direct te herleiden tot de belangrijkste principes van het klassieke liberalisme. Velen beschouwden de manier waarop de “vrije arbeid” georganiseerd was als “een systeem van slavernij dat even omvangrijk als vernederend is, als dat wat tot voor kort in het Zuiden heerste,” zoals een verslaggever van de New York Times het nieuwe tijdperk beschreef. Een tijdperk waarin de “fabriekskapitalisten” de meesters zijn.17

Zelfs vandaag de dag, na een eeuw van intensieve en toegewijde pogingen van de cultuurmanagers, begrijpt de bevolking vaak nog steeds niet wat hun ware behoeftes zijn. Het debat over de gezondheidszorg is hiervan een goed voorbeeld. Tekenend is een groot artikel van Thomas Palmer, van de linksliberale kant van het politieke spectrum, in de Boston Globe. Palmer begint zijn verslag met het gegeven dat bijna 70 procent van de Amerikanen de voorkeur geven aan een systeem van gezondheidszorg zoals ze dat in Canada hebben – een opvallend hoog getal, aangezien dit soort achterlijk socialisme herhaaldelijk aan de kaak wordt gesteld als zijnde onAmerikaans. Maar de bevolking begrijpt er gewoon helemaal niets van, legt Palmer uit. Om twee redenen.

De eerste reden is een technische. Het wordt uitgelegd door president Bush, die “benadrukte hoe belangrijk het is om de problemen van een bureaucratisch, universeel zorgsyteem zoals in Canada te vermijden.” In het verslag van New York Times correspondent Robert Pear valt te lezen: “Mr. Bush beschuldigt de Democratische kandidaat ervan de voorkeur te geven aan een door de staat georganiseerd systeem met Sovjetachtige elementen.” Volgens presidentieel adviseur Gail Wilensky gaat het om een “nationaal ziekenfonds via een achterdeur.”

Deze “beschuldigingen worden door Mr. Clinton en andere Democraten ontkend,” voegt Pears er aan toe volgens de juiste journalistieke objectiviteitsnormen van hoorenwederhoor, met de beschuldigingen van cryptocommunisme aan de ene kant en boze ontkenningen aan de andere. Het is simpelweg pure logica dat de Communistische gezondheidszorgsystemen zoals die in de gehele geïndustrialiseerde wereld voorkomen behalve in de Verenigde Staten (en ZuidAfrika) niet efficiënt zijn. Dat de enorm gebureaucratiseerde private gezondheidszorg in de VS vele malen inefficiënter is, doet er helemaal niets toe. Het is volslagen irrelevant dat het Blauwe Kruis van Massachusetts 6680 mensen in dienst heeft, dat wil zeggen meer mensen dan alle gezondheidsprogramma’s in Canada bij elkaar, waarbij nota bene 10 keer zoveel mensen verzekerd zijn. Ook doet het er niets toe dat het deel van het gezondheidsbudget dat besteed wordt aan administratieve kosten tweemaal zo hoog is in de VS als in Canada. Logica dient nooit verward te worden met feiten. Feiten zijn alleen maar lastig, of zoals Hegel het zei: “negatief, een bestaan zonder waarde.”

Interessanter is de tweede reden, die “spiritueel” is, vervolgt Palmer. Er is een “verschil in benadering” ten noorden en zuiden van de grens: “theoretische verschillen die onderzoekers van de twee landen waarnemen in de psyche van de gemiddelde Amerikaan en Canadees.” Studie van deze scherpzinnige wetenschappers laat zien dat het Canadese systeem zou zorgen voor “een soort verdeling van gezondheidszorg die Amerikanen nimmer zouden accepteren … Het Amerikaanse systeem verdeelt door middel van de prijs; als je het je kunt veroorloven, dan is het er. De Canadezen verdelen de gezondheidszorg door iedereen van dezelfde zorg te voorzien. De minder urgente procedures of zij die een speciale voorkeur hebben, moeten eenvoudigweg wachten.”

Het is duidelijk, dat stemt in het geheel niet overeen met het “Amerikaanse ongeduld,” legt “één van de onderzoekers van de twee landen” uit. Stel je voor, zegt hij, dat “hoe arm je ook bent, je in het ziekenhuis komt en dezelfde zorg ontvangt als de rijkste persoon uit je gemeenschap. Het maakt niet uit met wie je bevriend bent en hoe rijk je bent, beter dan dat kun je het niet krijgen.” Amerikanen zullen dat nooit accepteren, leren we van deze expert (hij is toevallig ook nog directeur van een adviesbedrijf in de gezondheidszorg). Verdere inzichten over de Amerikaanse psyche worden gegeven door de vicepresident van een handelsonderneming voor commerciële ziekteverzekeraars.18 De 70 procent van de Amerikanen die hun eigen psyche niet be grijpen, werden voor het artikel niet om hun mening gevraagd. En dat is uiteraard ook meer dan redelijk. Zij doen geen onderzoek naar de Amerikaanse psyche, en al sinds lange tijd weet iedereen dat zij hulp nodig hebben om hun ware aard te begrijpen. “de Amerikaanse psyche.

Hyper-Noten

1  Schmidt, US Occupation, 16, 181.
2  Wilentz, Rainy Season, 2712.
3  Farmer, AIDS, 37ff.
4  Allen, Birth Symbol.
5  Thomasson, Cultural Survival Quarterly, Zomer 1991.
6  Geciteerd door Schmidt, US Occupation, 623.
7  Schwarz, American Counterinsurgency Doctrine. FRS, 246;APNM, hfdst. 1.
8  David Holstrom, CSM, 30 april 1992. McChesney, Labor.
9  Du Boff, Accumulation, 1013.
10  Hegel, Philosophy, 82. Schmidt, US Occupation, 158.
11  Holt, Problem, 45, 71ff., 54f.
12  A. Chomsky, Plantation Society.
13  De Schweinitz, Rise and Fall, 165; Keay, Honorable Company, 435f., 454f. M.N. Pearson, Parker, in Tracy, Merchant Empires. DD, hfdst. 4; Zie ook hfdst. 2 in dit boek.
14  Jackson, Century. Wilkins, Cherokee Tragedy, 3, 4, 287. Vredesverdrag, Stannard, American Holocaust, 106. Andrew Jackson, Rogin, Fathers, 215f. Over schattingen van het aantal slachtoffers, zie Lenore Stiffarm met Phil Lane, “The Demography of Native North America,” in Jaimes, State.
15  Jackson, Century.
16  Voor details, zie mijn “Divine License to Kill,” met een bespreking van het werk door en over Niebuhr, dat grotendeels is gepubliceerd in Grand Street, winter 1987.
17  Krause, Battle, 823.
18  Palmer, BG, 9 februari; Pear, NYT, 12 augustus 1992. Feiten over gezondheidszorg zijn van Nancy Watzman, Multinational Monitor, mei 1992.
Boeken van Chomsky worden in de noten aangeduid met de volgende afkortingen:
FRS – For Reasons of State (Pantheon, 1973)
APNM – American Power and the New Mandarins (Pantheon, 1969)
DD – Deterring Democracy (Verso, 1991; updated edition, Hill & Wang, 1991)
Chomsky Bibliografie en Afkortingen


Met dank aan Noam Chomsky.

Inhoud
Bibliografie en Afkortingen
NoamChomsky.com
Noam Chomsky Archive




Terug