De Vloek van Columbus

Van Kolonialisme tot de Nieuwe Wereldorde

Het Jaar 501, De Verovering Gaat Door
Noam Chomsky, Copyright © 1993

Vertaling van 'Year 501: The Conquest Continues' van Noam Chomsky
Dit deel verscheen als bijlage bij Extra! nummer 22, 19 sept 2003

hoofdstuk 8: De Haοtiaanse tragedie

1. "Het Eerste Vrije Land van Vrije Mensen"
2. "Onbaatzuchtige Interventie"
3. "Politiek, niet Principes"

1. "Het Eerste Vrije Land van Vrije Mensen"

"Haïti was méér dan de op een na oudste republiek van de Nieuwe Wereld," merkt antropoloog Ira Lowenthal op, "méér nog zelfs dan de eerste zwarte republiek van de moderne wereld. Haiti was het eerste vrije land van vrije mensen dat ontstond binnen, en in verzet tegen, het opkomende stelsel van het Westeuropese imperium." De interactie van de twee oudste republieken van de Nieuwe Wereld in de afgelopen 200 jaar toont nogmaals de hardnekkigheid van de belangrijkste beleidsthema's, de institutionele wortels ervan en de culturele bijverschijnselen.

De Republiek Haïti werd op 1 januari 1804 opgericht, nadat door een slavenopstand de Franse koloniale overheersers en hun bondgenoten waren verdreven. De revolutionaire leiders ontdeden zich van het Franse "Saint-Domingue" en kozen in plaats daarvan voor de naam die het land was gegeven door de mensen die Columbus in 1492 hadden verwelkomd, toen die daar de eerste nederzetting in Europa's Nieuwe Wereld vestigde. De nakomelingen van de oorspronkelijke bewoners waren er niet meer om die bevrijding te vieren. Binnen vijftig jaar waren er nog maar een paar honderd van hen in leven, van een totaal bevolkingsaantal dat voor de periode vòòr de komst van Columbus wordt geschat op enkele honderdduizenden tot 8 miljoen. Toen Frankrijk het westelijke gedeelte van het eiland Hispaniola, het tegenwoordige Haïti, van Spanje overnam in 1697, was er volgens toenmalige Franse wetenschappers niemand van de oorspronkelijke bevolking nog in leven. De leider van de opstand, Toussaint L'Ouverture, kon de overwinning ook niet meer vieren. Hij was door een smerige truc gevangen genomen en in een Franse gevangenis gestopt om "een langzame dood, van kou en ellende" te sterven, in de woorden van een 19e eeuwse historicus. Medisch antropoloog Paul Farmer merkt op dat de Haïtiaanse schoolkinderen tot de dag van vandaag zijn laatste woorden uit het hoofd kennen, die hij uitsprak toen hij naar de gevangenis werd gebracht: "Door mij ten val te brengen, hebben jullie in Saint-Domingue alleen maar de boom van de vrijheid omgehakt. Die boom zal opnieuw groeien, want zijn wortels zijn talrijk en zitten diep."1

De boom van de vrijheid groeide in 1985 opnieuw, met de opstand van de bevolking tegen de moorddadige dictatuur van Duvalier. Na een bittere strijd leidde de volksrevolutie tot de overweldigende overwinning van de eerste vrij verkozen president van Haïti, de populaire priester Jean-Bertrand Aristide. Zeven maanden na zijn officiële aanvaarding van het presidentschap in februari 1991 werd hij uit zijn ambt gezet door de militairen en de economische elite die al 200 jaar aan de touwtjes trekken, en die niet tolereerden dat ze hun traditionele rechten op terreur en uitbuiting zouden verliezen.

"Zodra de laatste Duvalier Haïti ontvlucht was," vertelt de Puertoricaanse ethnohistoricus Jalil Sued-Badillo uitvoerig, "haalde een woedende menigte het standbeeld van Christopher Columbus in Port-au-Prince omver en wierp het in zee." Het was een protest "tegen de verwoestingen van het kolonialisme" onder "een lange reeks tirannen" van Columbus via Duvalier, tot aan de heersers van vandaag, die de wreedheden van Duvalier weer in praktijk brengen.

Vergelijkbare beelden waren te zien in de naburige Dominicaanse Republiek, die vanaf een invasie van de Marine in 1965 gebukt ging onder een terreurregime dat door de VS was geïnstalleerd en vanaf de vroege jaren '80 slachtoffer werd van het Fundamentalisme van het IMF. President Balaguer liet in februari 1992 "zijn veiligheidstroepen los op vreedzame demonstranten, die protesteerden tegen de exorbitante kosten die waren gemaakt voor de viering van de 500e verjaardag van de ontdekking, terwijl de gemiddelde Dominicaan sterft van de honger," aldus de Raad voor Zaken van het Westelijk Halfrond (Council on Hemispheric Affairs). Het pronkstuk van die viering is een liggend kruis van 30 meter hoog en 800 meter lang, dat miljoenen dollars heeft gekost. Het heeft krachtige zoeklichten en "torent uit boven een sloppenwijk, waar ratten de hutten teisteren en waar ondervoede, analfabete kinderen waden door het stinkende water dat tijdens de tropische regenstormen de straten overspoelt," meldden de nieuwsdiensten. Sloppenwijken zijn ontruimd om plaats te maken voor uitgestrekte tuinen, opgebouwd uit terrassen. Een stenen muur verbergt "de wanhopige armoede die de lichtstralen binnenkort zullen verlichten." Die enorme uitgaven "worden gedaan tijdens één van de ergste economische crises sinds de jaren '30," legt de voormalige president van de Centrale Bank uit. Na tien jaar structurele aanpassing is het niveau van gezondheidszorg en onderwijs drastisch gedaald, wordt om energie te sparen tot 24 uur achter elkaar de electriciteit afgesloten, ligt de werkloosheid boven de 25 procent en heeft de armoede snel om zich heen gegrepen. "De grote vissen eten de kleintjes," zegt een oude vrouw in een nabij gelegen sloppenwijk.2

Columbus beschreef de mensen die hij aantrof als "sympathiek, volgzaam, vredelievend, vriendelijk, fatsoenlijk," en hun land als rijk en overvloedig. Hispaniola was "misschien wel de meest dichtbevolkte plek van de wereld," schreef Las Casas, "een bijenkorf gonzend van mensen," die "van het gehele, oneindige universum der mensheid, ... de meest onschuldigen, het minst behept met iedere vorm van slechtheid en onbetrouwbaarheid zijn." Gedreven door "onverzadigbare hebzucht en ambitie," wierpen de Spanjaarden zich op hen "als roofzuchtige wilde beesten, ... die de oorspronkelijke bevolking vermoordden, terroriseerden, kwelden, martelden en vernietigden" met "de meest bizarre en gevarieerde nieuwe methoden van wreedheid, nooit eerder gezien of gehoord, en zó verregaand" dat de bevolking nog maar bestaat uit 200 personen, schreef hij in 1552, "gebaseerd op de daden waarvan ik zelf getuige ben geweest." "Het was een algemene regel onder de Spanjaarden om wreed te zijn," schreef hij: "niet simpelweg wreed, maar zó buitengewoon wreed dat die harde en bittere behandeling zou voorkomen dat de Indianen zichzelf als mensen durfden te zien." "Terwijl zij zichzelf iedere dag verder zagen wegkwijnen onder de wrede en onmenselijke behandeling door de Spanjaarden, tegen de grond verpletterd door paarden, door zwaarden in stukken gehakt, opgevreten en uiteengereten door honden, velen levend begraven en slachtoffer van allerlei geraffineerde vormen van marteling, ... besloten [zij] zich over te geven aan hun ongelukkige lot zonder zich nog te verzetten, waarbij zij zichzelf in handen legden van hun vijanden die met hen mochten doen wat zij wilden."

Met het doormalen van de propagandamolens werd dit beeld bijgesteld, zodat wat er was aangericht achteraf kon worden gerechtvaardigd. Tegen 1776 was het verhaal dat Columbus "niets anders had aangetroffen dan een land dat vrijwel geheel overdekt was met bos, onbebouwd, en enkel bewoond door een paar stammen van naakte en armzalige wilden" (Adam Smith). Zoals eerder is opgemerkt begon pas in de jaren '60 de waarheid hierover aan het licht te komen, wat leidde tot minachting en protest door verontwaardigde loyalisten.3

De Spaanse poging om de rijkdommen van het eiland te plunderen door het onderwerpen van haar zachtaardige bewoners was geen succes; ze stierven te snel, als ze al niet omkwamen door toedoen van de "wilde beesten" of door grootschalige zelfmoord. Vanaf het begin van de 16e eeuw werden er Afrikaanse slaven gestuurd; later, met de vestiging van de plantage-economie, werd dat een grote stroom. "Saint Domingue was de rijkste Europese kolonie in de Nieuwe Wereld," schrijft Hans Schmidt; het nam in 1789 driekwart van de suikerproduktie in de wereld voor zijn rekening, en liep ook voorop in de produktie van koffie, katoen, indigo en rum. De slavenmeesters voorzagen Frankrijk met de enorme rijkdommen van de arbeid van hun 450.000 slaven, net zoals in de Britse Westindische koloniën. De blanke bevolking, waaronder arme opzichters en handwerkers, telde 40.000 mensen. Zo'n 30.000 mulatten en vrije negers genoten economische voorrechten, maar zonder dat sprake was van sociale en politieke gelijkheid. Daarmee was de basis gelegd van het klassenverschil dat leidde tot de harde onderdrukking na de onafhankelijkheid en de opleving van geweld van vandaag de dag.

Cubanen mochten dan van "twijfelachtige blankheid" zijn, de opstandelingen in Haïti die de koloniale overheersing omverwierpen kwamen niet eens in de buurt van die status. De slavenopstand die aan het einde van 1791 een serieuze omvang bereikte, bracht ontzetting teweeg in Europa en de Verenigde Staten die zojuist (1776) hun eigen onafhankelijkheid hadden uitgeroepen. Groot-Brittannië viel in 1793 binnen; de overwinning zou "een monopolie van suiker, indigo, katoen en koffie" opleveren van een eiland dat "tijdenlang zoveel steun en extra kracht zou geven aan het bedrijfsleven dat het met groot genoegen in alle delen van het imperium gevoeld zou worden," schreef een Britse militaire officier aan minister-president Pitt. De Verenigde Staten, die een levendige handel met de Franse kolonie hadden, stuurden de Franse overheersers 750.000 dollar in militaire steun en een paar legereenheden om te helpen de opstand de kop in te drukken. De Fransen zonden een gigantisch leger, met onder meer Poolse, Nederlandse, Duitse en Zwitserse troepen. De commandant schreef uiteindelijk aan Napoleon dat het noodzakelijk zou zijn vrijwel de gehele zwarte bevolking uit te roeien om de Franse heerschappij te kunnen opleggen. Zijn veldtocht mislukte en Haïti werd het enige voorbeeld in de geschiedenis "van een tot slaven gemaakt volk dat zijn eigen kettingen openbrak en militaire kracht gebruikte om een sterke koloniale macht terug te slaan" (Farmer).

De opstand had verreikende consequenties. Niet alleen werd de Britse overheersing in het Caraïbisch gebied er door gevestigd, het moedigde haar voormalige kolonieën (de VS) ook aan om in westelijke richting uit te breiden doordat Napoleon zijn hoop op een imperium in de Nieuwe Wereld liet varen en het territorium Louisiana verkocht aan de Verenigde Staten. De overwinning van de opstandelingen bracht gigantische kosten met zich mee. Veel van de landbouwrijkdommen van het land waren vernietigd, net als ongeveer eenderde van de bevolking. De overwinning wekte de afschuw van de slavenhoudende buren van Haïti, die de aanspraken van Frankrijk op herstelbetalingen ondersteunden. De heersende elite van Haïti accepteerde die claims uiteindelijk in 1825, omdat ze inzag dat dat een voorwaarde was om te kunnen deelnemen aan de wereldmarkt. Het resultaat was een "decennialange Franse overheersing van de Haïtiaanse financiën" met "catastrofale gevolgen voor de zwakke economie van het nieuwe land," merkt Farmer op. Frankrijk erkende daarop Haïti, evenals Engeland in 1833. Simon Bolívar, die in zijn strijd tegen de Spaanse overheersing gesteund werd door de Haïtiaanse Republiek op voorwaarde dat hij slaven zou bevrijden, weigerde diplomatieke relaties met Haïti aan te gaan toen hij president werd van Groot-Colombia, omdat Haïti volgens hem "aanzette tot rassenconflicten" – een weigering "typerend voor de intrede van Haïti in een volstrekt racistische wereld," merkt Farmer op. De Haïtiaanse elites bleven voortdurend bang voor herovering van hun land en herinvoering van van slavernij, één van de redenen voor hun kostbare en vernietigende invasies van de Dominicaanse Republiek in de jaren '50 van de 19e eeuw.

De VS waren de laatste grootmacht die het bestaan van Haïti als land bleef ontkennen; ze erkenden het pas in 1862. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog vormde de bevrijding van slaven door Haïti niet langer een struikelblok voor erkenning, in tegendeel zelfs: president Lincoln en anderen zagen Haïti als een land dat zwarten, gestimuleerd de Verenigde Staten te verlaten, zou kunnen opnemen (Liberia werd in hetzelfde jaar erkend, deels om dezelfde reden). Haïtiaanse havens werden door de Unie gebruikt voor operaties tegen opstandelingen. In de jaren daarna werd de strategische ligging van Haïti voor de beheersing van het Caraïbisch gebied steeds belangrijker voor de Amerikaanse planning; Haïti werd steeds meer een speelbal tussen rivaliserende koloniale grootmachten. Tegelijkertijd monopoliseerde de heersende Haïtiaanse elite de handel, terwijl de boerenproducenten in het binnenland geïsoleerd bleven van de buitenwereld.

 


2. "Onbaatzuchtige Interventie"

Tussen 1849 en 1913 trokken Amerikaanse marineschepen 24 keer de Haïtiaanse wateren binnen "om Amerikaanse levens en eigendom te beschermen." Haïti's onafhankelijkheid kreeg nauwelijks zelfs maar "symbolische erkenning", merkt Schmidt op in zijn historische standaardwerk, en er werd weinig rekening gehouden met de rechten van zijn bewoners. Het is "een minderwaardig soort mensen," niet in staat "om een zekere mate van beschaving, door de Fransen overgeleverd, in stand te houden of om enige vorm van zelfbestuur te ontwikkelen en daarmee internationaal respect en vertrouwen te krijgen", schreef de secretaris van Buitenlandse Zaken William Philips. Hij raadde dan ook aan over te gaan tot invasie en het instellen van een Amerikaanse militaire regering, en dat advies werd al snel door president Wilson overgenomen. Er hoeven weinig woorden te worden vuilgemaakt aan de beschaving die werd achtergelaten aan 90 procent van de bevolking door de Fransen die, zoals een ex-slaaf vertelde, "mannen ophingen met het hoofd naar beneden, hen verdronken in zakken, kruisigden op planken, levend begroeven, verpletterden ..., dwongen stront te eten, ... levend in kuilen wierpen om te worden verslonden door wurmen, of op mierenhopen, of geselden aan palen in het moeras om aangevreten te worden door muggen, ... of in ketels met kokende suikerrietstroop gooiden" – als ze ze niet "afranselden met de zweep" om de rijkdom eruit te persen waarmee Frankrijk zijn lidmaatschap verwierf voor de Club van Rijkelui.

Philips geeft de heersende overtuigingen adequaat weer, net als de minister van Buitenlandse zaken William Jennings Bryan, die de Haïtiaanse elite nogal vermakelijk vond: "Stel je toch eens voor, nikkers die Frans spreken," merkte hij op. De feitelijke heerser van Haïti, Kolonel der Mariniers L.W.T. Waller, net terug van de weerzinwekkende wreedheden rondom de verovering van de Filippijnen, was not amused. "Het zijn echte negers en vergis je niet...echte nikkers tot op het bot," zei hij. Hij keurde iedere onderhandeling of andere vormen "van hielenlikkerij met deze roetmoppen" af, met name ten aanzien van de opgeleide Haïtianen voor wie deze bloeddorstige boerenpummel een bijzondere haat koesterde. De secretaris van de Marine, Franklin Delano Roosevelt, deelde de gevoelens van zijn collega's, hoewel hij het racistische fanatisme en de gewelddadigheid van zijn verre familielid Theodore Roosevelt nooit benaderde. Bij een bezoek aan het bezette Haïti in 1917 tekende hij in zijn dagboek een opmerking op van een reisgenoot, die later de belangrijkste burgerfunctionaris van de bezetting zou worden. Geïntrigeerd door de Haïtiaanse minister van Landbouw kon hij "het idee niet van [zich] afzetten," vertelde hij F.D. Roosevelt, "dat die man bij een veiling in New Orleans in 1860 zo'n $1500 dollar zou opleveren vanwege zijn kwaliteiten als dekhengst." "Roosevelt leek nogal te genieten van het verhaal," merkt Schmidt op, "en vertelde het ook aan de Amerikaanse predikant Norman Armour bij zijn bezoek aan Haïti in 1934 als president." De rol die racisme speelt in de beleidsvorming moet niet worden onderschat, zelfs vandaag de dag niet.

Deze manier van denken was niet ongewoon ten tijde van Wilson's interventie, en niet alleen in de Verenigde Staten. Winston Churchill gaf immers kort daarna toestemming voor het gebruik van chemische wapens "als experiment tegen ongehoorzame Arabieren." Hij hekelde de "overgevoeligheid" van degenen die bezwaar hadden tegen "het gebruik van gifgas tegen onbeschaafde stammen," met name Koerden. Daarvan was hij een groot voorstander, omdat het "een verschrikkelijke paniek zou verspreiden." Voor Engeland zelf had hij iets andere plannen. Als minister van Binnenlandse Zaken in 1910 had hij in het geheim voorgesteld om 100.000 "mentaal gedegenereerden" te steriliseren en tienduizenden anderen naar staatswerkkampen te sturen; één en ander om het "Britse ras" te behoeden voor het verval dat het toestaan van voortplanting door haar "inferieure" leden onherroepelijk zou betekenen. Die ideeën vielen binnen de grenzen van de verlichte opinie in die dagen, maar werden geheim gehouden in de archieven van het Ministerie van Binnenlandse zaken omdat ze nogal gevoelig lagen, met name toen Hitler ze overnam.4

Gezien het culturele klimaat van die dagen komt het karakter van de invasie van Wilson in 1915 niet als een grote verrassing. Die was nog beestachtiger en vernietigender dan zijn invasie in de Dominicaanse Republiek in diezelfde jaren. De troepen van Wilson moordden en plunderden, de slavernij werd in ere hersteld en het constitutionele systeem gesloopt. Na een overheersing van 20 jaar lieten de VS "de inferieure mensen" over aan de Nationale Garde die door hen was opgericht en aan de traditionele heersers. In de jaren '50 nam de diktatuur van Duvalier de macht over, die de zaakjes regelde zoals in Guatemala, altijd met flinke steun van Washington.

De wreedheid en het racisme van de indringers, en het onteigenen van de boeren wanneer Amerikaanse bedrijven de buit overnamen, riepen weerstand op. De reactie van de mariniers was beestachtig, zoals bij het eerste vastgelegde geval van een gecoördineerde lucht-grondaanval: het bombarderen van rebellen (Cacos) die in het oerwoud waren omsingeld door de mariniers. Uit een intern onderzoek van de marine, uitgevoerd nadat de gruweldaden publiekelijk bekend werden, bleek dat 3250 opstandelingen waren gedood, ten minste 400 geëxecuteerd, terwijl er bij de mariniers en de plaatselijk gerecruteerde politiemacht 98 slachtoffers waren gevallen (gedood of gewond). Uitgelekte orders binnen de marine roepen op een einde te maken "aan het in wilde weg afmaken van inboorlingen" dat "nu al enige tijd aan de gang is." De Haïtische historicus Roger Gaillard schat het totaal aantal doden op 15.000, en telt daarbij de slachtoffers mee "van de onderdrukking en gevolgen van de oorlog", die "meer weg had van een slachtpartij." Majoor Smedley wees erop dat zijn troepen "op Cacos joegen als zwijnen." Zijn avonturen maakten indruk op F.D. Roosevelt die opdracht gaf hem de eremedaille van het Congres uit te reiken voor een gevecht waarbij 200 Cacos werden vermoord en waarbij niemand gevangen werd genomen, terwijl slechts één marinier werd geraakt door een steen en twee tanden verloor.

De leider van de opstand, Charlemagne Péralte, werd vermoord door mariniers die midden in de nacht in vermomming zijn kamp binnenslopen. In een poging tot psychologische oorlogvoering (psywar), als voorloper van een paar latere heldendaden van kolonel Edward Lansdale op de Filippijnen, brachten de mariniers foto's van het lichaam van Péralte in omloop met de hoop de guerrilla's te demoraliseren. Maar deze tactiek werkte averechts; de foto vertoonde gelijkenis met Christus aan het kruis, en werd een nationalistisch symbool. Péralte kreeg zijn plaats in het nationalistische Pantheon naast Toussaint L'Ouverture.

De binnendringers "legaliseerden" de bezetting met een eenzijdige verklaring die zij een "verdrag" noemden en opdrongen aan de regering, die in een afhankelijke positie was. Vervolgens stelde de VS, onder verwijzing naar dat verdrag, dat zij nu de plicht hadden de bezetting in stand te houden. Terwijl Wilson aan het hoofd stond van de overname van Haïti en de Dominicaanse Republiek, bouwde hij met een indrukwekkende welsprekendheid een reputatie op als nobele idealist die opkomt voor zelfbeschikking en de rechten van kleine landen. Het één spreekt het ander niet tegen. De doctrine van Wilson beperkte zich tot mensen van de juiste soort: voor hen "die nog staan op een laag stadium van beschaving" is die niet van toepassing, alhoewel de beschaafde koloniale machten hen moeten helpen met "vriendelijke bescherming, begeleiding en steun," zo legde hij uit. Met zijn befaamde Veertien Punten riep Wilson niet op tot zelfbeschikking en nationale onafhankelijkheid, maar stelde hij in feite dat, bij kwesties van soevereiniteit, "de belangen van betrokken bevolkingen even zwaar moeten wegen als de redelijke eisen van de regering wiens bestaansrecht ter discussie staat," de koloniale overheerser. De belangen van de bevolkingen "zouden worden bepaald door de beschaafde landen, die het beste de behoeften en het welzijn van de minder beschaafde landen kunnen inschatten," is het commentaar van William Stivers in een analyse van het belang van Wilson's schrijven en denken. Om één voorbeeld te noemen dat gevolgen had voor de lange termijn: een persoon die Wilson's steun kwam vragen voor vertegenwoordiging van de Vietnamezen in het Franse parlement en die de deur werd uitgejaagd zonder dat er iets met zijn verzoek werd gedaan, kreeg later wereldfaam onder de naam Ho Chi Minh.5

Een andere prestatie van Wilson's bezetting was een nieuwe grondwet. Het ongelukkige land kreeg die opgelegd nadat de Nationale Vergadering door de mariniers was ontbonden omdat ze weigerden het te ratificeren. Met de nieuwe door de VS ontworpen Grondwet werden wetten verworpen die buitenlanders verboden land te bezitten. Op die manier konden Amerikaanse bedrijven nemen wat ze wilden. FDR [Roosevelt] deed het voorkomen alsof hij de grondwet zelf had geschreven, hetgeen niet terecht lijkt te zijn, maar hij koesterde wel de hoop dat hij er profijt van zou hebben, en probeerde Haïti te gebruiken "voor zijn eigen persoonlijke gewin," merkt Schmidt op. Tien jaar later, in 1927, gaf Buitenlandse Zaken toe dat de VS gebruik hadden gemaakt van "nogal autoritaire methoden om de grondwet geaccepteerd te krijgen door het volk van Haïti" (in een door de mariniers georganiseerd referendum met een uitslag van 99,9 procent vòòr, terwijl minder dan 5 procent van de bevolking meedeed). Maar deze methoden waren onvermijdelijk: "Het was duidelijk dat er, om onze bezetting gunstig te maken voor Haïti en ter wille van de vooruitgang van het land, buitenlands kapitaal naar Haïti moest komen ..., [en] van Amerikanen kon nauwelijks worden verwacht dat zij hun geld zouden investeren in plantages en grote landbouwondernemingen in Haïti als zij niet zelf eigenaar konden worden van het land waarin zij hun geld zouden steken." Het was uit de oprechte wens de arme Haïtianen te helpen dat de VS hen dwongen hun land te laten overnemen door Amerikaanse investeerders, legde Buitenlandse Zaken uit. Het is de welbekende vorm die liefdadigheid aanneemt.

Verkiezingen werden niet toegestaan omdat men inzag dat anti-Amerikaanse kandidaten zouden winnen, en dat zou de Amerikaanse programma's om de noodlijdende bevolking te helpen alleen maar belemmeren. Deze programma's werden omschreven als "een experiment in pragmatisme" door een vrij typerende intellectuele commentator, die opmerkt dat "de pragmatici erop aandringen dat verstandige begeleiding van buitenaf soms het proces van nationale groei kan versnellen en veel verspilling kan voorkomen." Er zijn al wat voorbeelden de revue gepasseerd, van de Bengalen tot aan Brazilië en Guatemala, die hebben geprofiteerd van die "verstandige begeleiding". In hoofdstuk 9 gaan we wat dieper in op de ervaringen van Haïti.6

De bezetting "onderdrukte systematisch lokale democratische instituties en liet geen plaats voor elementaire politieke vrijheden," schrijft Schmidt. "In plaats van het uitbouwen van bestaande democratische instituties die op papier zeer indrukwekkend waren, en al sinds lange tijd deel uitmaakten van de liberale democratische filosofie en regeringsmachinerie verbonden met de Franse Revolutie, werden deze door de Verenigde Staten volledig terzijde geschoven en werd op illegale wijze een eigen autoritair, anti-democratisch systeem opgedrongen." "Voor het vestigen van een door het buitenland gedomineerde plantagelandbouw was het noodzakelijk om het bestaande minifundia landeigendomsysteem met haar ontelbare kleine onafhankelijke boeren te vernietigen" en ze te dwingen tot loonslavernij. De VS ondersteunden "een minderheid van collaborateurs" uit de binnenlandse elite die het Europese fascisme bewonderden maar die de massale steun van hun fascistische voorbeelden ontbeerden. "In feite," merkt Schmidt op, "belichaamde de bezetting alle progressieve waarden van het toenmalige Italiaanse fascisme, maar was het beperkt door de tekortkomingen in de menselijke verhoudingen" (gebrek aan steun van de bevolking). Het enige binnenlandse leiderschap dat de bezetting kon mobiliseren bestond uit de traditionele mulatten-elite, en hun racistische minachting voor het merendeel van de bevolking werd nu versterkt door de zelfs nog verdergaande overtuigingen van "etnische en raciale minachting" door de buitenlander met de wapens en dollars. Die buitenlander bracht "concepten van rassendiscriminatie" mee die sinds de onafhankelijkheid niet meer waren aangetroffen, met de bijbehorende "racistische koloniale realiteit" van dien.

De bezetting versterkte zo de binnenlandse klassen-/rassen onderdrukking die teruggaat tot de dagen van het Franse kolonialisme. Eén gevolg was de opkomst van het Noirisme, als antwoord op het racisme van de bezetters en hun collaborateurs-elite. "Papa Doc" Duvalier zou later van dit verzet gebruik maken, 20 jaar na het vertrek van de mariniers, door de macht te grijpen onder het voorwendsel dat hij deze in handen gaf van de zwarte meerderheid – in werkelijkheid werd die macht overgenomen door hemzelf, zijn persoonlijke moordenaarsbende (de Tontons Macoutes) en de traditionele elite, die het gedurende zijn hele moorddadige kleptocratie voor de wind ging.

"De bezetting versterkte de economische crisis doordat de verplichte bijdrage van de plattelandsbevolking voor het in stand houden van de Staat hoger werd," schrijft de Haïtiaanse historicus Michel-Rolph Trouillot. "Het verergerde de crisis door het centraliseren van het Haïtiaanse leger en het ontwapenen van [burgers in] de provincies," "en het vestigen van de structuren van militaire, fiscale en commerciële centralisatie" die leidden tot een "bloedige finale" onder de dynastie van Duvalier.

Tijdens de meest bloedige jaren van de bezetting zwegen de media of ondersteunden ze de bezetting. De index van de New York Times heeft geen enkel artikel voor Haïti in de periode 1917-1918. In een overzicht van de pers vond John Blassingame "wijdverbreide redactionele ondersteuning" voor de herhaaldelijke interventies in Haïti en de Dominicaanse Republiek van 1904 tot 1919, totdat eindelijk belangrijke gruwelverhalen boven water kwamen in 1920, wat leidde tot onderzoek door het congres. Haïtianen en Dominicanen werden omschreven als "roetmoppen," "bastaards," "verderfelijk," "een meute naakte nikkers," waarbij de Haïtianen zelfs als nog "gedegenereerder" werden afgeschilderd dan de Dominicanen. Ze hadden "frisse Angelsaksische invloed" nodig. "We gaan er simpelweg naar toe... om onze arme zwarte broeder te helpen zijn rommelige huis op orde te brengen," schreef één van de kranten. Bovendien, de VS hebben het recht om in te grijpen ter bescherming van "onze vrede en veiligheid" (New York Times).

De redacteuren van de Times prezen de "onzelfzuchtige en behulpzame" houding die de VS altijd ten toon hadden gespreid, ook nu weer nu het land "op vaderlijke manier" inging "op de vraag om hulp" vanuit Haïti. Onze "onbaatzuchtige interventie kwam vrijwel geheel voort uit het verlangen om de vruchten van de vrede te brengen aan mensen die gekweld worden door herhaaldelijke revoluties," zonder één enkele overweging van "commerciële, of welke andere voordelen ook" voor onszelf. "De mensen van het eiland zouden zich moeten realiseren dat [de Amerikaanse regering] hun beste vriend is." De VS probeerden alleen maar te garanderen dat "de mensen genezen worden van hun gewoonte in opstand te komen en dat ze zouden leren hoe te werken en leven"; ze "zouden moeten worden hervormd, begeleid en opgevoed," en deze "verantwoordelijkheid hebben de Verenigde Staten op zich genomen." Er is nog een voordeeltje voor onze "zwarte broeder": "Dat we deze mensen de gewoonte afleren te regeren door middel van wapens is voor hen ook een bescherming tegen onze eigen ergenis," die zou kunnen leiden tot nog meer interventies. "De goede wil en onzelfzuchtige bedoelingen van onze eigen regering" zijn af te leiden uit de resultaten, schreven de redacteuren in 1922, toen het allemaal niet meer te negeren was en de gruweldaden van de mariniers een storm van protest hadden losgemaakt.

Enkele hedendaagse wetenschappers nemen dezelfde houding aan. Met de hernieuwde aandacht voor Haïti in de publieke opinie door de val van Duvalier gaf David Landes, historicus van Harvard, daar wat achtergronden bij. Hij legde uit dat de mariniers "hadden gezorgd voor de noodzakelijke stabiliteit om het politieke systeem te laten werken en om de handel met het buitenland te bevorderen," alhoewel "zelfs een welwillende bezetting tegenstand creëert ... onder de begunstigden" en protest door "de meer verlichte leden van de heersende klasse," een aanhoudend probleem waar de weldoeners tegen aanlopen. Een andere befaamde wetenschapper, professor Hewson Ryan van de Fletcher School of Law and Diplomacy, was zelfs nog uitbundiger in zijn lofzang op wat we hebben bereikt in "twee eeuwen van goedbedoelde bemoeienissen." Voorwaar, merkt hij op, geen ander land als Haïti is zo uitzonderlijk bevoorrecht: "Weinig landen zijn over een zo lange aaneengesloten periode onderwerp geweest van zóveel goedbedoeld advies en steun." Hij beschreef de prestaties met veel ontzag, vooral ons vriendelijke aandringen op afschaffing van "niet-progressieve" onderdelen van het constitutionele systeem als de bepalingen tegen de overname van land door buitenlanders.7

Nu de barrières tegen eigendomsrechten voor buitenlanders waren geslecht – toegegeven, door middel van "nogal autoritaire methodes" –waren de Amerikaanse investeerders er als de kippen bij om grote lappen grond over te nemen voor nieuwe plantages. Extreem goedkope arbeid was een andere stimulans. Een op het bedrijfsleven gerichte krant uit New York beschrijft Haïti in 1926 als "een prachtige kans voor Amerikaanse investeringen": "De doorsnee Haïtiaan is handig, makkelijk te instrueren, en levert een dag hard werk voor 20 cent, terwijl in Panama diezelfde dag werk 3 dollar kost." Deze voordelen kregen bekendheid terwijl de laatste restjes landbouwrijkdom van Haïti stap voor stap werden vernietigd. Vanaf de jaren '60 namen de assemblagewerkzaamheden in het Caraïbisch gebied voor Amerikaanse bedrijven snel toe; voor Haïti waren er in 1966 13 bedrijven die daarop specifiek gericht waren en dat groeide tot 154 bedrijven in 1981. Deze bedrijven leverden ongeveer 40 procent van de Haïtiaanse export (in 1960 bestond die nog voor 100 procent uit grondstoffen), alhoewel één en ander nauwelijks iets aan werk of andere voordelen opleverde voor de Haïtianen, met uitzondering van nieuwe mogelijkheden voor de verrijking van de traditionele elite.

In de jaren '80 begon het IMF-fundamentalisme haar gebruikelijke tol te eisen, terwijl de economie verslechterde door de invloed van de structurele aanpassingsprogramma's. Deze leidden tot een teruglopende landbouwproductie, en afname van investeringen, handel en consumptie. De armoede werd nog verschrikkelijker. Tegen de tijd dat "Baby Doc" Duvalier verjaagd werd in 1986, had 60 procent van de bevolking volgens de Wereldbank een jaarinkomen van 60 dollar of minder, had de ondervoeding onder kinderen een hoge vlucht genomen, had de zuigelingensterfte een schokkende hoogte bereikt en was het land verworden tot een ecologisch en humanitair rampgebied, misschien zelfs zonder hoop op herstel. In de jaren '70 ontvluchtten duizenden per boot het verwoeste eiland, maar vrijwel allemaal werden ze door Amerikaanse functionarissen teruggestuurd. Bij ons werd daar nauwelijks aandacht aan besteed: het is de normale behandeling van vluchtelingen wier lijden geen enkele propagandawaarde heeft. In 1981 startte de Reagan-regering een nieuw uitsluitingsbeleid. Van de meer dan 24.000 Haïtianen die door de Amerikaanse Kustwacht werden onderschept in de daaropvolgende tien jaar werd aan 11 wegens politieke vervolging een asiel toegekend, in vergelijking met de 75.000 van de 75.000 Cubaanse vluchtelingen. Tijdens de korte ambtstermijn van Aristide nam de stroom vluchtelingen dramatisch af door de verminderde terreur en hoop op een betere toekomst. De VS reageerden door veel meer asielverzoeken te honoreren. In de tien jaar van Duvalier- en post-Duvalier terreur waren er achtentwintig toegelaten; in de zeveneneenhalve maand van Aristide's presidentschap waren dat er 20. Na de omverwerping van Aristide kwam er een nieuwe golf van bootvluchtelingen op gang, oplopend tot duizenden per maand, waarvan de meesten harteloos en met geweld werden teruggestuurd zonder op welke manier ook rekening te houden met de beroerde omstandigheden die hen boven het hoofd hingen. Voor de weinigen die het werd toegestaan onder een nieuw beleid een asielverzoek te doen was de behandeling nauwelijks beter. Een van de eersten was een Aristide-aanhanger wiens aanvraag werd verworpen omdat hij slechts het slachtoffer was van "tweederangs kwellingen" toen soldaten zijn huis doorzochten, in het rond schoten en zijn winkel vernietigden.

In 1981-82 werd een USAID-Wereldbank ontwikkelingsstrategie ingevoerd, die was gebaseerd op export van produkten uit assemblagefabrieken en industriële landbouw. Het resultaat was dat 30 procent van het bewerkte land niet langer werd gebruikt voor voedsel voor binnenlandse consumptie maar voor exportgewassen. AID voorspelde "een historische verandering, naar een verregaande afhankelijkheid van de markt van de Verenigde Staten" in het opkomende "Taiwan van het Caraïbisch gebied." In het Wereldbankrapport uit 1985 "Haïti: Beleidsvoorstellen voor Groei," werden de gebruikelijke ideeën verder uitgewerkt. Het riep op tot een export-gerichte ontwikkelingsstrategie, waarbij de binnenlandse consumptie "duidelijk werd teruggedrongen om de vereiste productietoename voor de export te gebruiken." De nadruk moest gelegd worden op "het uitbreiden van privé-ondernemingen," aldus de aanbeveling van de Bank. De kosten voor scholing zouden "teruggebracht moeten worden tot een minimum, " en "sociale doelstellingen" die nog overeind bleven zouden geprivatiseerd moeten worden. Liever zouden "privé-ondernemingen met hoog economisch rendement sterk ondersteund moeten worden" dan "openbare uitgaven in de sociale sector," en "er zou minder nadruk moeten komen op sociale doelstellingen die de consumptie doen toenemen" – "tijdelijk," tot de befaamde trickle down-effecten zijn waargenomen, ergens nadat de Messias is wedergekeerd. De aanbevelingen, zoveel is duidelijk, zijn een voorwaarde voor het verkrijgen van hulp, en een zonnige toekomst ligt in het verschiet.

Van de hele reeks voorspellingen die er werden gedaan, kwam er één uit: de migratie van de plattelandsbevolking naar de steden, en, voor velen, ook naar lekkende bootjes in een poging om de gevaarlijke, 1200 kilometer lange oversteek naar Florida te maken, om daar geconfronteerd te worden met gedwongen terugkeer, als ze het al halen (wat voor velen niet het geval is). Haïti blijft Haïti, niet Taiwan.

In haar overzicht van Amerikaanse hulp- en ontwikkelingsstrategieën voor Haïti schrijft Amy Wilentz dat er "twee strategische Amerikaanse doelen zijn bereikt – ten eerste, een geherstructureerde en afhankelijke landbouw die exporteert naar Amerikaanse markten en open is voor Amerikaanse exploitatie, en, ten tweede, een ontheemde plattelandsbevolking die niet alleen tewerkgesteld kan worden in de Amerikaanse industrieën in de steden, maar die ook gemakkelijker kan worden onderworpen aan controle door het leger."8

 


3. "Politiek, niet Principes"

In juni 1985 nam de Haïtiaanse wetgevende macht unaniem een nieuwe wet aan, die van iedere politieke partij eiste dat zij president-voor-het-leven Jean-Claude Duvalier erkende als allerhoogste rechter van het land; die de Christen-Democraten buiten de wet plaatste en de regering het recht gaf om zonder opgaaf van reden de rechten van welke partij dan ook op te schorten. Deze wet werd bekrachtigd door een meerderheid van 99,98 procent. Washington was onder de indruk. Het was "een bemoedigende stap voorwaarts," liet de Amerikaanse ambassadeur zijn gasten weten tijdens de viering van de 4e juli. De Reagan-regering verklaarde officieel tegenover het congres dat er vooruitgang zat in de "democratische ontwikkeling," dus dat de militaire en economische steun konden worden voortgezet, om voornamelijk te verdwijnen in de zakken van Baby Doc en zijn hofhouding. De regering liet het congres ook weten dat er verbetering was in de mensenrechtensituatie, zoals altijd wanneer een regime militaire steun nodig heeft om voor een of andere goede zaak de bevolking te onderdrukken. De commissie voor Buitenlandse Zaken van het Huis van Afgevaardigden, waar de Democraten de meerderheid hebben, had daarop vooruitlopend al haar goedkeuring gegeven, en riep de regering op "de vriendschappelijke relaties met de niet-communistische regering van Duvalier in stand te houden."

Deze bevredigende ontwikkelingen waren echter van korte duur. Tegen het einde van het jaar, in december, werden vanwege protesten van de bevolking de middelen van de staatsterreur tot het uiterste aangewend. Wat daarna volgde werd twee maanden later door de Wall Street Journal met innemende oprechtheid beschreven:

"Een regeringsfunctionaris verklaarde dat het Witte Huis vorig jaar tot de conclusie was gekomen, naar aanleiding van de enorme demonstraties die nooit eerder zo'n omvang hadden gehad, dat het regime aan het uiteenvallen was ... Amerikaanse analisten ontdekten dat de heersende elite van Haïti het vertrouwen had verloren in de 34-jarige president-voor-het-leven. Het gevolg was dat Amerikaanse functionarissen, waaronder minister van Buitenlandse Zaken George Shultz, openlijk begonnen te stellen dat een "democratisch proces" in Haïti nodig was."

Het cynisme werd onderstreept door het feit dat precies hetzelfde scenario werd opgevoerd in de Filippijnen, waar het leger en de elite duidelijk hadden gemaakt dat zij niet nog langer een gangster zouden ondersteunen voor wie Reagan en Bush hun bewondering hadden uitgesproken, kort daarvoor zelfs nog hun "liefde," zodat het Witte Huis ook daar overging "tot het openlijk oproepen tot een 'democratisch proces'." Beide gebeurtenissen zijn de geschiedenis ingegaan als voorbeelden van hoe, met name in de jaren '80, wij "in dienst hebben gestaan als bron van inspiratie voor de triomf van de democratie in onze tijd" (New Republic).9

Duvalier werd op gepaste wijze verwijderd; hij werd met een vliegtuig van de Amerikaanse Luchtmacht opgehaald en naar Frankrijk gezonden voor een behaaglijke ballingschap. Bevelhebber van het leger generaal Henri Namphy nam de macht over. Deze Amerikaanse favoriet van oudsher en trouwe compagnon van Duvalier was "de beste kans op democratie voor Haïti," maakte de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Elliot Abrams bekend, waarmee hij nog maar eens de diepgewortelde toewijding aan de democratie toonde waarom hij zo bekend staat. Niet iedereen was er gelukkig mee. Een plattelandspriester van een kleine kerk, Vader Jean-Betrand Aristide, zei dat "we blij zijn dat Duvalier vertrokken is" maar "wat we nu krijgen is Duvalierisme zonder Duvalier." Weinigen luisterden naar hem, maar de gebeurtenissen zouden hem al op korte termijn in het gelijk stellen.

De verkiezingen waren gepland voor november 1987, maar Namphy en zijn getrouwen, het leger en de oude elite, waren vastbesloten dat er niets mis zou gaan. De Tontons Macoutes werden gereorganiseerd en de terreur hield aan. Een uitzonderlijk gruwelijk bloedbad, waarbij het leger en de Tontons Macoutes betrokken waren, vond plaats in juli 1987. Dezelfde groepen waren verantwoordelijk voor het escaleren van het geweld dat leidde tot een bloedbad op de dag van de verkiezingen, wat Namphy een excuus gaf om de verkiezingen te annuleren. Van het begin tot het einde werd de Amerikaanse militaire hulp voortgezet met als uitgangspunt dat het steun was voor het leger om de orde te handhaven – die juist door geweld en wreedheden van leger en Macoutes werd verstoord. De militaire steun werd uiteindelijk opgeschort na de terreur van de verkiezingsdag, nadat meer dan 95 procent van de fondsen voor 1987 al waren uitgekeerd.

Daarop volgden bedrieglijke en door de militairen gerunde verkiezingen, en al snel een coup waarmee Namphy wederom de macht greep, en een uitbarsting van wreedheden van het leger en de Macoutes in de stijl van Duvalierisme-zonder-Duvalier, zoals herhaaldelijke aanvallen op vakbondskantoren en plattelandsgroepen. Door Amerikaanse mensenrechtenorganisaties geconfronteerd met deze gebeurtenissen zei Ambassadeur Brunson McKinley, "ik zie geen enkel bewijs van een beleid tegen de mensenrechten." Het klopt, er is wel geweld, maar dat hoort gewoon "bij de cultuur." De vraag is natuurlijk: bij wiens cultuur?10

Een maand later viel een bende moordenaars de kerk van Aristide aan terwijl hij de mis voordroeg. Daarbij vielen ten minste 13 doden en 77 gewonden. Aristide dook onder. Duvalierist Generaal Prosper Avril arresteerde Namphy bij alweer een coup en zette hem het land uit. Het Haïtiaanse hoofd van Aristide's Salesiaanse Orde gaf hem opdracht terug te keren naar zijn kerk, maar niet voor lang. Tot ontzetting van het conservatieve gezag van de Kerk bleef Aristide de vrijheid en het stoppen van de terreur prediken. Hij werd prompt door zijn superieuren uit Rome opgedragen het land te verlaten. Protesten van de bevolking belemmerden echter zijn vertrek en hij dook weer onder. Op het laatste moment besloot Aristide om deel te nemen aan de verkiezingen van december 1990. Totaal onverwacht kreeg hij 67 procent van de stemmen en versloeg hij de favoriet van de VS, voormalig functionaris van de Wereldbank Marc Bazin, die tweede werd met 14 procent. Deze moedige bevrijdingstheoloog, een geëngageerd aanhanger van "het kiezen voor de armen" van de Latijnsamerikaanse bisschoppen, trad in februari aan als de eerste democratisch gekozen president in de geschiedenis van Haïti – kortstondig, want op 30 september werd hij door een militaire coup ten val gebracht.

"Onder Aristide was het voor het eerst in de pijnlijke geschiedenis van de republiek dat Haïti op het punt stond zich te bevrijden van het systeem van despotisme en tirannie dat alle voorgaande pogingen tot democratische ontwikkeling en zelfbeschikking in de kiem had gesmoord," merkt de in Washington gevestigde Raad voor Zaken van het Westelijk Halfrond op in een overzicht van de gebeurtenissen rond de coup. Zijn overwinning "was het resultaat van meer dan tien jaar burgerengagement en scholing," geleid door lokale activisten van de Kerk, kleine grass-roots gemeenschappen en andere burgerorganisaties die de basis vormden van de Lavalas ("stroom") beweging die hem aan de macht bracht, "een schoolvoorbeeld van een participatoire, 'bottom-up' en democratische politieke ontwikkeling." Met deze brede populaire basis was zijn regering toegewijd "de armen kracht te geven," een "populistisch model" met internationale consequenties die Washington angst aanjoegen. In het model voor "democratie" dat Washington voorstaat is geen plaats voor burgerbewegingen toegewijd aan "sociale en economische rechtvaardigheid, politieke participatie van de bevolking en openheid in alle regeringszaken" maar veel meer aan "de internationale markt of andere hedendaagse codewoorden." Bovendien bracht Aristide de financiën in evenwicht, en leidde zijn "afslanken van het uitgedijde overheidsaparaat" tot een "verbluffend succes" waar de beleidsmakers van het Witte Huis "zeer ongemakkelijk" van werden: hij wist meer dan een half miljard dollar aan steun te krijgen van de internationale gemeenschap. Washington droeg hier weinig aan bij, wat betekende "dat Haïti zich aan het onworstelen was uit de financiële invloedssfeer van Washington" en "in haar politieke aangelegenheden een zekere mate van soevereiniteit tentoonspreidde." Er was een rotte appel in de maak.11

Washington was er beslist niet over te spreken. Met het vertrek van hun bondgenoot Duvalier hadden de VS de gebruikelijke vorm van democratie in gedachten, die vorm waarbij de rijken op de eerste plaats komen, en dan met name de Amerikaanse investeerders. Om deze uitkomst te bevorderen gaf het Nationaal Instituut voor Democratie NED (National Endowment for Democracy), een door democraten en republikeinen gesteund instituut ter bevordering van democratie, haar subsidies "voor democratische opbouw" aan het Haïtiaanse Internationale Instituut voor Onderzoek en Ontwikkeling (IHRED) en twee conservatieve vakbonden. De IHRED was gelieerd aan Bazin en andere politieke figuren die nauwelijks enige steun onder de bevolking hadden, maar werd door de NED afgeschilderd als een democratische beweging. Het ministerie van Buitenlandse Zaken benaderde de AIFLD – die aangesloten is bij de Amerikaanse vakbond AFL-CIO en berucht vanwege zijn anti-vakbondsactiviteiten in de Derde Wereld – voor steun in Haïti "vanwege de aanwezigheid van radicale vakbonden en het grote risico dat andere vakbonden radicaliseren." De AIFLD stemde in en breidde de hulp verder uit die ze al vanaf 1984 gaf aan een vakbondsgroep die deels gerund werd door Duvaliers veiligheidspolitie. In voorbereiding op de verkiezingen breidde de NED haar steun uit naar verschillende andere organisaties, waaronder een mensenrechtenorganisatie geleid door Jean-Jacques Honorat, de voormalige minister van Toerisme onder Duvalier en latere tegenstander van zijn regime. Via het rechtse Puebla Instituut gaf de NED voorafgaand aan de verkiezingen ook subsidie aan Radio Soleil, dat anti-Duvalier was geweest maar volledig naar rechts opschoof onder druk van het hoogste conservatieve Katholieke gezag.

Na de overwinning van Aristide nam de Amerikaanse steun voor politieke activiteiten sterk toe, voornamelijk via USAID. Volgens Kenneth Roth, vice-directeur van Human Rights Watch, was die steun bedoeld om de conservatieve groepen "die konden optreden als institutionele belemmering voor Aristide" te versterken in een poging "het land meer naar rechts te krijgen." Nadat Aristide was omvergeworpen en de elite weer aan de macht gekomen, werd Honorat de de facto president onder het militaire regime. De burgerorganisaties die Aristide steunden werden gewelddadig onderdrukt, terwijl de organisaties die door NED en AID gesteund werden, gespaard bleven.12

Eén van de beste waarnemers van de gebeurtenissen in Haïti, Amy Wilentz, schrijft dat tijdens de korte ambtsperiode van Aristide "het de eerste keer was in het post-Duvalier tijdperk dat de Amerikaanse regering zo ernstig bezorgd om mensenrechten en gerechtigdheid was" (niet dat er onder Duvalier meer was dan alleen retoriek). Er wordt gemeld dat Buitenlandse Zaken "een dik dossier liet rondgaan met mogelijke mensenrechtenschendingen" onder Aristide – "iets dat nog nooit was voorgekomen ten tijde van de voormalige heersers, Duvalieristen en militairen," die geschikt waren om hulp te ontvangen, zoals militaire hulp, "gebaseerd op onbevestigde verhalen over verbeteringen in de situatie van de mensenrechten":

"Tijdens de vier regimes die voorafgingen aan Aristide hadden internationale mensenrechtenverdedigers en democratische waarnemers Buitenlandse Zaken erom gesmeekt hulp aan de democratische oppositie in Haïti te overwegen. Maar de Verenigde Staten namen geen enkele stap iets anders te steunen dan de regering en de militairen totdat Aristide het presidentschap won. Toen opeens begonnen de Verenigde Staten na te denken over hoe ze steun konden geven aan Haïtianen die de macht van de regering wilden inperken of die op grondwettelijke wijze vervangen."

Het enorme project "voor versterking van de democratie" van USAID was "speciaal ontworpen om die delen van het Haïtiaanse politieke spectrum te financieren waar oppositie tegen de regering van Aristide kon worden gestimuleerd."13

Dit is allemaal volstrekt normaal, en bewijst simpelweg opnieuw dat "democratie" en "mensenrechten" alleen maar worden gezien als machtsinstrumenten die op zichzelf geen enkele waarde hebben. Ze worden zelfs gezien als gevaarlijk en ongewenst, en dat is precies wat iedere rationele persoon met een beetje kennis van geschiedenis en instituten zou verwachten.

Voordat hij besloot om aan de verkiezingen mee te doen, had Aristide opgemerkt dat "de VS hier uiteraard hun eigen agenda hebben"; hij voegde daar aan toe dat het niet meer dan natuurlijk was voor de rijken om investeringen te doen en de grootst mogelijke winst willen. "Dat is een normale, kapitalistische houding, en het kan me niet schelen dat de VS dat in hun eigen land willen... Maar het is schandalig om hierheen te komen en je wil op te leggen aan een ander volk," dat je niet begrijpt en waar je niets om geeft . "Ik accepteer niet dat Haïti naar de pijpen van de Verenigde Staten zou moeten dansen." Het is duidelijk waarom hij moest vertrekken.14

Het is allemaal nauwelijks verrassend te noemen, in het post-Koude Oorlog- tijdperk met haar luid verkondigde Nieuwe Wereldorde.

Direct na op 30 september 1991 de macht te hebben gegrepen, begon het leger "een systematische en continue campagne om de levendige volksbeweging uit te roeien die in Haïti is opgekomen sinds de val van de diktatuur van Duvalier," aldus het verslag van Americas Watch in december. Minstens 1000 mensen werden vermoord in de eerste twee weken van de coup en tegen het einde van het jaar waren daar nog honderden bij gekomen, is de schatting van "doorgaans betrouwbare Haïtiaanse mensenrechtengroepen," hoewel zij weinig informatie hadden over wat er gebeurt op het platteland, waar van oudsher de ergste wreedheden plaatsvinden. In de maanden daarop nam de terreur toe, met name nadat de heropgerichte Macoutes eind december werden losgelaten. Tien, mischien wel honderdduizenden zijn ondergedoken. Velen beschouwen de terreur als "erger dan Papa Doc." "Het doel van de repressie is tweeledig: ten eerste, om de politieke en sociale verworvenheden die sinds de val van de Duvalier-dynastie zijn veroverd te vernietigen; en ten tweede, om te garanderen dat wat ook de politieke toekomst van Haïti mag zijn, alle structuren die die verworvenheden zouden kunnen terugwinnen verwoest worden." Dus waren het vakbonden en andere breed gesteunde maatschappelijke organisaties die met name geconfronteerd werden met gewelddadige onderdrukking, net als de "levendige en strijdlustige radiostations – die de belangrijkste vorm van communicatie verzorgden voor de verspreide en grotendeels analfabete Haïtiaanse bevolking." De op hol geslagen kudde moet uiteen geslagen worden en verspreid blijven, zonder vakbonden of andere organisaties via welke het volk zijn belangenan verwoorden en uitdragen, en zonder onafhankelijke middelen van communicatie en informatie.

Als het bekend klinkt, komt dat omdat het bekend is. In de Haïti's van deze wereld worden er vaak geen doekjes om gewonden.

Jean Jacques Honorat, de de facto minster-president, rechtvaardigde de coup. "Er is geen relatie tussen verkiezingen en democratie," zei hij. Haïti wordt te schande gemaakt door buitenlandse "racisten" in de media en de Franse ambassade. Het is in orde om Duvalier's misdadigers weer aan de macht te brengen als bevelhebbers op het platteland, want "Geen enkele maatschappij kan bestaan zonder politie." Samen met de grootgrondbezitters "nemen zij wraak op degenen die hen vervolgden," met name priesters, Christelijke basisgemeenschappen en de geweldloze Papaye Boerenbeweging, die schuldig zijn aan "terrorisme". "De militairen werden systematisch vervolgd" door deze elementen, die geloofden "dat ze alles konden maken" onder de heerschappij van Aristide, zo liet Honorat een bezoekende mensenrechtendelegatie weten. Daarbij gaf hij Aristide de schuld van de coup. Toen een persconferentie van de Federatie van Haïtiaanse Studenten op de nationale universiteit werd aangevallen door gewapende soldaten, die deelnemers met knuppels in elkaar sloegen en arresteerden, bood Honorat's vrouw "vijftig studenten hun vrijheid aan als op ze band zouden verklaren dat ze in gevangenschap goed waren behandeld," aldus het verslag van Kenneth Roth.

"Toen de Haïtianen begin november dit geweld en deze vervolgingen massaal begonnen te ontvluchten," vervolgt Americas Watch, "veranderde de Bush-regering van een uitgesproken voorstander van mensenrechten en democratie in Haïti tot een schaamteloze verdediger van het regime." Buitenlandse Zaken "bracht een valse verklaring naar buiten, waarin ze beweerde dat de politieke vervolging van de aanhangers van Aristide gestopt was." Dat vormde een "retorische dekmantel voor de aanhoudende campagne van onderdrukking door het leger" en zo werd de basis gelegd voor het met geweld terugsturen van vluchtelingen naar de terreur van het coup-regime. "Klaarblijkelijk bang dat de aanhoudende eerlijke en onverbloemde kritiek op de militaire misstanden in Haïti het wettelijk rechtvaardigen van dit uizettingsbeleid, dat in Amerikaanse rechtbanken onder vuur was komen te liggen, in gevaar zou brengen, besloot de regering uiteindelijk geen openbare uitspraken meer te doen. Sinds eind oktober wordt er door Buitenlandse Zaken geen enkele kritiek meer geuit op Haïti op grond van de mensenrechtensituatie."15

De Bush-regering nam direct "afstand van" de afgezette president Aristide "in het licht van de zorg over zijn mensenrechtenreputatie," schreef de pers zonder ook maar een spoortje gêne; het Witte Huis "weigerde te stellen dat zijn terugkeer naar de macht voor het herstel van democratie in Haïti een noodzakelijke voorwaarde was voor Washington" (Thomas Friedman). Diezelfde dag verklaarde het hoofd van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS): "Wij zijn het eens over een extreem helder mandaat en dat is dat Aristide teruggeplaatst moet worden."

Het waren echter de geluiden vanuit Washington die doorklonken in de media. Aristide werd beschouwd als een "geïsoleerd en gevaarlijk leider die zijn eigen populariteit zag als substituut voor het spel van geven en nemen in de politiek," schreef Times-correspondent Howard French. Hij regeerde "met behulp van angst," daarbij "zwaar leunend op de Lavalas, een ongestructureerde beweging van welvarende idealisten en lang in ballingschap levende linkse types" die zich baseren op de Chinese Culturele Revolutie – dat is wat de Times maakt van "een schoolvoorbeeld van een participatoire, 'bottom-up' en democratische politieke beweging," zoals zij werd omschreven door de Raad voor Zaken van het Westelijk Halfrond (Council on Hemispheric Affairs, COHA). De machtshonger van Aristide leidde tot "problemen met de burgermaatschappij", nog een voorbeeld van Times-speak, waarbij het overgrote deel van de bevolking, die hem met gedrevenheid en moed bleven ondersteunen, is buitengesloten. Bovendien, "Haïtiaanse politieke leiders en diplomaten zeggen dat het klimaat van toenemende waakzaamheid en de steeds strijdvaardiger verklaringen van Vader Aristide, waarin hij de rijke klassen beschuldigde verantwoordelijk te zijn voor de armoede van de massa's, hebben bijgedragen" tot de coup; dat soort uitspraken zijn schandelijk en absurd, wordt ons duidelijk gemaakt. "Hoewel hij nog steeds de grote steun geniet die hem 67 procent van de stemmen opleverde in de verkiezingen van december 1990, werd Vader Aristide ten val gebracht. Dit kwam deels door bezorgdheid onder politiek actieve mensen over zijn toewijding aan de grondwet, en deels door groeiende angst voor politieke en op klassentegenstellingen gebaseerd geweld, waarvan velen geloven dat de president het goedkeurde."

Zoals deze goed-geïnformeerde correspondent weet, was het "politieke en op klassentegenstellingen gebaseerd geweld" vrijwel een monopolie van de militairen en de elite, wiens "toewijding aan de grondwet" niet merkbaar was en die zich direct toelegden op terreur en de vernietiging van de "politiek actieve mensen" en hun organisaties – die waren juist veel te "gestructureerd" en effectief naar de smaak van hen die volgens de maatstaven van de Times en regering behoren tot de "burgermaatschappij." De "burgermaatschappij" waar zij op doelen is erop gebrand de traditionele macht en privileges te houden, en het leger, zo verzekert French ons, "heeft duidelijk gemaakt dat zij geen enkele behoefte heeft om de macht te houden". Het leger staat de "burgermaatschappij" ook zeker met alle plezier toe te regeren zoals vroeger, op voorwaarde dat het zelf "de effectieve heerschappij over het land houdt en zijn lucratieve activiteiten kan hervatten, zoals het verschepen van drugs van Zuid-Amerika naar Noord-Amerika" (Financial Times).16

Peinzend over de dilemma's van het na-Koudeoorlogse tijdperk merkt de redacteur van Foreign Affairs, William Hyland, op: "In Haïti was het nog niet zo eenvoudig om een onderscheid te maken tussen democraten en diktators"; het verschil tussen Aristide, aan de ene kant, en Duvalier en zijn moderne klonen, aan de andere, is zelfs te subtiel voor een scherp oog. Nu moeten we niet denken dat Hyland niet in staat is zich als mens ergens druk over te maken. Onze nobele toewijding tot het "pragmatisme," waarschuwt hij, moet ingetoomd worden door erkenning dat de VS "een morele schuld hebben ten aanzien van de mensen van Israël"; daarom moeten we niet toestaan dat het beleid toegeeft aan het "virulente antisemitisme" dat schuilgaat "onder het dunne laagje vernis van steun voor Israël," en dat "naar boven begint te komen in de discussies over Israëlische nederzettingen." In Haïti, daarentegen, is het heel moeilijk om iemand te vinden die steun verdient.

Commentatoren die wel in staat waren Aristide te onderscheiden van Papa Doc en de generaals hoopten dat hij een manier zou vinden om op de een of andere manier het Witte Huis te overtuigen van zijn goede bedoelingen. Een bezoek aan Washington, schrijft Pamela Constable, zou misschien "een ondersteuning kunnen zijn voor zijn imago als een redelijk leider die begaan is met democratie, en zo duidelijke en openlijke steun opleveren van de Bush-regering".17 Dat die steun tot op heden is uitgebleven, is ongetwijfeld alleen vanwege onduidelijkheden op dit gebied aan de kant van de Bush-regering.

De OAS legde direct een embargo op. De VS deden mee en schortten op 29 oktober de handel op. Het embargo werd afgekeurd door de heersende elite, maar toegejuicht door degenen die er het meest onder te lijden hadden. In de sloppenwijken "was het nieuws van het O.A.S. embargo het enige dat de mensen hadden om blij mee te zijn, omdat ze zich met honderden tegelijk in bussen moesten persen om naar het platteland te vluchten voor het verwachte nachtelijke geweld van de soldaten," aldus Howard French op 9 oktober. De handel moest worden gestaakt, zeiden de "angstig uitziende bewoners" tegen verslaggevers: "Het maakt niets uit hoeveel ellende dit voor ons oplevert. We zijn bereid te sterven, als het moet." Maanden later was de stemming onveranderd. "Houd het embargo in stand" was de populaire leuze onder de armen: "Titid [Aristide] bracht ons waardigheid en hoop ... We zijn bereid te lijden als het betekent dat Titid terugkeert."

Het embargo werd slecht uitgevoerd en was niet effectief. Europa negeerde het en de leden van de "burgermaatschappij" konden onbelemmerd naar Miami en New York vliegen, of handel drijven met de Dominicaanse Republiek, een zaakje waaraan de Dominicaanse militairen ook nog een aardige grijpstuiver konden verdienen. Washington, dat heel goed druk weet uit te oefenen als er belangrijke machts- of winstbelangen op het spel staan, kon in dit geval geen enkele manier vinden om haar bondgenoten onder druk te zetten om de Haïtiaanse democratie te redden en de terreur te stoppen. Iedereen herinnert zich nog wel de fijngevoeligheid die Bush ervan weerhield steun te verlenen aan de Kuweitse democraten na de Golfoorlog. Die fijngevoeligheid was zo diepgaand dat zelfs in de privégesprekken met de Emir het woord "democratie" niet werd gebruikt, omdat, zoals functionarissen het uitlegden, "je niet van het ene land kunt vragen wat je niet ook van andere landen vraagt". Olietankers, voornamelijk uit Europa, arriveerden sneller "dan ze gelost kunnen worden," zei een hoge functionaris van Buitenlandse Zaken in april 1992.18

De regering was er niet toe overgegaan voor de hand liggende maatregelen te nemen als "het bevriezen van alle Amerikaanse tegoeden van de militaire officieren die deelnamen aan de coup, en van hun rijke Haïtiaanse sponsors," of zelfs "het tijdelijk intrekken van Amerikaanse visa's van deze personen, die regelmatig naar de VS reizen," schreef Washington-correspondent Robert Greenberger van de Wall Street Journal in januari 1992. Maar met reden: de tekortkomingen van Aristide. De liberale Democraat Robert Torricelli, voorzitter van de commissie voor Buitenlandse Zaken van het Huis van Afgevaardigden, maakte wat tijd vrij tijdens zijn door democratie geïnspireerde pogingen om het embargo ten aanzien van Cuba aan te scherpen, om uit te leggen: "Het democratische proces geeft niet altijd een perfect resultaat"; gezien "de ervaringen met de heer Aristide" is het niet eenvoudig steun te verwerven voor sterker optreden tegen Haïti. Cubaanse terroristen plaatsen ons niet voor dat soort problemen. Hoewel hij "met overweldigende meerderheid was gekozen in de eerste vrije verkiezingen van Haïti" en hij "oneindig populair was bij de armen," vervolgt Greenberger, "zette zijn felle retoriek soms aan tot geweld tussen klassen", iets dat zeer verontrustend is voor de Wall Street Journal wanneer hun scherpe oog daarvan ook maar een spoortje waarneemt in Haïti, Guatemala, Brazilië, Indonesië of waar dan ook.

Torricelli riep op tot het beëindigen van het Haïtiaanse embargo en steunde de gedwongen terugkeer van Haïtiaanse vluchtelingen op Guantanamo. Het illustreert des te duidelijker zijn passie voor democratie en mensenrechten, die zo'n belangrijke inspiratiebron vormen voor zijn initiatieven jegens Cuba.19

De moeilijke keuzes voor de Bush-regering zetten velen aan het denken. Time suggereerde dat Bush "het lijden van de Haïtianen zou kunnen verzachten door het embargo te verlichten voor assemblagefabrieken die aan Amerikaanse bedrijven leverden, waardoor zo'n 40.000 mensen weer aan het werk zouden kunnen" – en waarbij, hoe toevallig, ook de winst van Amerikaanse investeerders veilig gesteld zou zijn. Het motief kon uiteraard niets anders zijn dan "het lijden te verzachten van de Haïtianen" die nota bene de VS oproepen vooral "het embargo in stand te houden," zoals hetzelfde artikel vermeldt.

We zouden even kunnen stilstaan bij een ander standaard onderdeel van politiek correct woordgebruik. Het woord "banen" heeft een geheel nieuwe betekenis gekregen: "winsten." Dus als George Bush afreist naar Japan met in zijn kielzog een horde directeuren uit de autobranche staan "banen, banen, banen" hoog in het vaandel, maar een blik op zijn sociaal en economisch beleid laat duidelijk zien dat het in werkelijkheid gaat om "winsten, winsten, winsten". In de media blijft het nagalmen van de voorstellen voor meer "banen" door degenen die er alles aan doen om die banen over te brengen naar regio's met lage lonen en hoge maten van onderdrukking, en om wat er nog over is aan arbeids- en werknemersrechten te vernietigen. Alles in het belang van dat niet te noemen woord van vijf letters: winst.

Bush aarzelde geen moment om het advies van Time op te volgen. Op 4 februari werd het embargo opgeheven voor de assemblagefabrieken die goedkope Haïtiaanse arbeid gebruiken voor goederen bestemd voor export naar de VS, de meeste van die fabrieken in Amerikaanse handen. Een paar maanden later stond in kleine lettertjes te lezen dat terwijl "de regering de regels omtrent handel overzee met Haïti aanscherpt" in overeenstemming met een OAS-resolutie van 17 mei, "zij blijkbaar doorgaat met het versoepelen van de controle op goederen die naar Port-au-Prince gaan vanuit de Verenigde Staten," wat export van zaden, kunstmest en pesticiden van de VS naar Haïti mogelijk maakt. Allemaal voor "banen, banen, banen."

De regering kwam "onder zware druk van Amerikaanse bedrijven met belangen in Haïti," aldus de Washington Post. De redacteuren konden zich vinden in de beslissing van 4 februari: het embargo was een "fundamentele politieke misrekening" die "een groot lijden heeft veroorzaakt, maar niet onder de militairen. Omdat het doel niet is gediend, is het goed om het embargo los te laten" – niet om het strikter na te volgen zodat het gepropageerde doel bereikt kan worden, zoals degenen bepleiten die het meest van het embargo te lijden hebben. Maar de vluchtelingen met geweld tot terugkeer dwingen, is voor de VS in strijd met "de diepe begaanheid van het land met de mensenrechten" – zo vervolgen de redacteuren die die begaanheid overal waar ze kijken geopenbaard zien.20

Het eenzijdig verlichten van het OAS embargo werd veroordeeld door de secretaris-generaal van de OAS, die er bij Buitenlandse Zaken op aandrong daartegen op te treden. Gedwongen terugkeer van vluchtelingen werd veroordeeld door de VN Hoge Commissie voor de Vluchtelingen (UNHCR) die zich slechts zelden uitspreekt tegen de VS, omdat ze weet wat daarvan de gevolgen zouden zijn. In november 1991 had de UNHCR de VS opgeroepen om alle vluchtelingen toe te laten "ter bepaling van hun vluchtelingenstatus." De UNHCR wees erop dat de VN Conventies voor vluchtelingen hun terugkeer "op wat voor manier dan ook" verbieden als dat is naar gebieden waar hun leven of vrijheid gevaar loopt , en dat op die regel "geen uitzondering" mogelijk is. In mei 1992 verklaarde de UNHCR nogmaals dat de gedwongen terugkeer in strijd was met internationale afspraken; de New York Times citeert in een column ernaast een conservatieve zakenman met nauwe banden met de VS, die schrijft over een "gigantische toename" in doodseskader-achtige moorden: "Mensen worden geterroriseerd, en een hele groep mensen wordt vermoord, een "golf van geweld" die samenviel met Washington's beslissing om Haïtianen die proberen de VS te bereiken "direct terug te sturen."21

De verlichting van het embargo "werd enthousiast ontvangen door de eigenaren van de assemblagefabriek" volgens het verslag van Lee Hockstader, maar niet door "veel van de arbeiders die het meeste lijden onder de sancties"; zij "juichten ze toe als de beste manier om de terugkeer van Aristide tot stand te brengen." "Alles wijst erop dat de massale steun voor Aristide onder de arme meerderheid ... onveranderd is ... het is zowel in de hoofdstad als in de provincies moeilijk om iemand op straat te vinden die geen aanhanger is van de priester-politicus." Zijn medewerkers keurden de Amerikaanse zet verbitterd af. Een priester die nabije adviseur is van Aristide betichtte Washington ervan hem "van het begin af aan" en "volledig" verraden te hebben. Het Amerikaanse beleid, zei hij, is "het meest cynische dat je in de hele wereld kunt vinden ... Ik denk niet dat de VS Aristide terugwillen," omdat hij "niet onder hun controle staat. Hij is niet hun marionet."22

Deze inschatting klinkt aannemelijk. Dat de VS zouden proberen om het "Duvalierisme zonder Duvalier" te vestigen, kan alleen degenen verrast hebben die opzettelijk blind zijn geweest. Om dezelfde redenen probeerde de Carter-regering wanhopig het "Somozisme zonder Somoza" in te stellen nadat een poging om de tiran te redden op een fiasco was uitgelopen, en Reagan overging tot nog gewelddadigere methoden om dat doel te bereiken, met de algemene instemming van het beschaafde deel der natie, los van tactische meningsverschillen.23

Het is misschien overbodig te vermelden, maar de inschatting van de priester werd bevestigd door een uitgelekt geheim document waarschijnlijk geschreven door een stafmedewerker van de Amerikaanse ambassade in Port-au-Prince op verzoek van minister-president Honorat en andere Haïtiaanse functionarissen. De authenticiteit van het document werd betwist door de Raad voor Zaken van het Westelijk Halfrond (COHA) en ontkend door Buitenlandse Zaken, maar "nader onderzoek heeft nu vastgesteld dat het volledig betrouwbaar is," concludeerde de COHA. In het document wordt een plan geschetst om Aristide symbolisch "in ere te herstellen" als een pr-truc, om hem later volledig te verwijderen, wanneer de aandacht eenmaal verslapt zou zijn.

Tegen de tijd dat het document boven water kwam in januari 1992, waren de meest geschikte aanbevelingen al doorgevoerd, merkt COHA op. Andere zouden snel daarna volgen. Het embargo werd op 4 februari nog verder uitgehold. Drie weken later accepteerde Aristide wat de COHA beschreef als "een vrijwel totaal verlies voor de Haïtiaanse democratie," "een tragische nederlaag van een wanhopig man" die gedwongen is akkoord te gaan met een "regering van nationale eenheid" waarin hij slechts een symbolische rol zou vervullen. Aristide "restte in feite geen enkele andere keuze dan zijn eigen positie te ondermijnen door al zijn macht af te staan in ruil voor een onzeker vooruitzicht op, in het beste geval, een marionet-presidentschap", verklaarde de COHA. De regering "van nationale eenheid" bracht twee partijen bij elkaar: één groep geleid door René Thédore, die 1,5 procent van het electoraat representeert, de Haïtiaanse militairen en elite en de Amerikaanse regering; de andere groep geleid door Aristide, met 67 procent van het electoraat maar geen andere middelen. Gezien het evenwicht zal de uitkomst geen verrassing zijn; en het mag dan ook geen verbazing wekken dat de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Bernard Aronson zijn tevredenheid uitsprak over het verdrag.

De COHA wierp een voor de handligende vraag op. Stel dat "na een hypothetische coup [in Nicaragua] waarbij [president Violeta Chamorro] gedwongen werd om te vluchten voor haar leven, zij gedwongen zou worden om een belangrijke figuur van de Sandinisten te accepteren als minister-president die de werkelijke macht zou uitoefenen als voorwaarde voor haar terugkeer. Zou Aronson tevreden zijn geweest met zo'n formule als de FSLN haar ten val had gebracht en weggejaagd, veel van haar aanhangers had mishandeld en 2000 van hen vermoord, en haar overgehaald had om haar echte macht op te geven als voorwaarde om terug te keren?" Of om de analogie iets nauwkeuriger te maken, als bovendien de FSLN een partij zou zijn geweest zonder basis in de bevolking en met een geschiedenis van terreur in de stijl van cliënten van de VS? Niemand nam de moeite deze vragen te beantwoorden.

De militairen in Haïti juichten de overeenkomst toe, evenals de "burgermaatschappij" Een Haïtiaanse senator reageerde tevreden, "het is surrealistisch om te geloven of te schrijven dat [Aristide] zou kunnen terugkeren op 30 juni, of welke specifieke datum dan ook." "De militaire moordenaars hier begijpen ... dat ze een schouderklopje en een knipoog van de Amerikaanse regering hebben gekregen," zei congreslid John Conyers.

Het enige dat restte was om Théodore te vervangen door Marc Bazin de oorspronkelijke favoriet van de VS. Dat werd bereikt in juni 1992 toen Bazin werd geïnstalleerd als minister-president. "Het Vaticaan en de Haïtiaanse conferentie van bisschoppen ... liepen het Nationale Paleis binnen en zegenden de nieuwe door het leger gesteunde regering van Haïti," merkt de National Catholic Reporter (NCR) op, hoewel het Vaticaan alleen stond in het verlenen van een formele erkenning. Het Vaticaan had gewacht met het vervullen van de positie van papal nuncio (pauselijke vertegenwoordiger) totdat Aristide verbannen was. De formele erkenning "toont dat ze er echt op uit zijn Aristide te pakken en zich te scharen aan de zijde van de traditionele machthebbers in Haïti – het leger en de bourgeousie," vertelde een westerse diplomaat aan NCR. Bevrijding en mensenrechten waren verheven doelen in Oost-Europa; in het Caraïbisch gebied en Midden-Amerika moeten zij verpletterd worden, in dienst van traditionele privileges, en "het kiezen voor de armen" is zéker niet welkom. Bazin gaf zijn inaugurele rede in het Frans ten overstaan van een "zeer stijve officiële samenkomst van mannen in donkere pakken en geparfumeerde vrouwen in jurken," schrijft Howard French; Aristide had de zijne in het Creools gegeven, de taal van de bevolking, en de presidentiële sjerp was hem daarbij uitgereikt door een boerenvrouw.24

De democratie dendert door.

Een adviseur van de Bazin-regering zei, in navolging van Aristide, dat "alles wat nodig is, één telefoontje is" van Washington om het militaire leiderschap weg te sturen. "Vrijwel alle waarnemers zijn het eens" dat er niet veel meer noodzakelijk is, schrijft Howard French. Maar "de diepgewortelde ambivalentie van Washington jegens de progressieve nationalist wiens stijl volgens diplomaten soms zorgwekkend grillig is" sluit iedere betekenisvolle druk uit. "Ondanks al het bloed aan de handen van het leger, beschouwen Amerikaanse diplomaten het essentieel als tegenwicht tegen Vader Aristide, wiens retoriek van klassenstrijd ... de traditionele machtscentra in binnen- en buitenland bedreigde of irriteerde." Het "tegenwicht" zal daarom aan de macht blijven met de "grillige" nationalist in ballingschap, de retoriek van klassenstrijd en terreur zullen daarom doorgaan met steun van de traditionele machtscentra.25

De New York Times probeerde de juiste toon te vinden over de beslissing het anti-Aristide beleid voort te zetten, met de daaraan gekoppelde voordelen voor het Amerikaanse bedrijfsleven. Met de titel "VS plannen om sancties tegen Haïti aan te scherpen," doet Barbara Crosette verslag vanuit Washington, "De Bush-regering zei vandaag dat ze haar embargo tegen de militaire regering van Haïti zou aanpassen om de anti-democratische krachten te straffen en om de hopeloze toestand te verlichten van de arbeiders, die hun baan hebben verloren door het verbod op handel." Buitenlandse Zaken probeerde om de economische boycot "fijner af te stemmen," de "laatste stap" in de pogingen van de regering om "efficiëntere manieren te vinden om de ineenstorting tot stand te brengen van wat door de regering een illegaal bestuur van Haïti wordt genoemd." De naïeven onder ons zouden deze logica misschien wat vreemd vinden: het blijft een raadsel hoe dit beleid enerzijds de antidemocratische krachten afstraft die het toejuichten, terwijl het anderzijds de toestand verlicht van arbeiders die zich er juist tegen hadden verzet. Maar als we de politiek correcte taal vertalen naar gewoon Nederlands wordt alles duidelijk.26

Een eerlijker verslag verscheen een paar dagen later vanuit Port-au-Prince onder de titel: "Democratisch offensief in Haïti afgezwakt: coupleiders blij dat VS embargo verlichten en vluchtelingen terugsturen." Howard French schrijft dat "de vrees in het leger en in politieke kringen omsloeg naar het vertrouwen dat de Verenigde Staten hen met rust zouden laten, doordat daar nu nauwelijks binnenlandse druk werd gevoeld in verband met de problemen in Haïti." Diezelfde dag, de verjaardag van Aristide's inauguratie, stond het verkeer in New York vast door een grote protestmars tegen het Amerikaanse beleid, net als in Miami. Maar dat is niet precies wat er wordt bedoeld met "binnenlandse druk". De demonstranten, in meerderheid zwart, kregen weinig aandacht. In de pers van Alaska werd overigens wél verslag gedaan van deze acties, en daar was ook de verklaring te lezen van Haïti's consul-generaal in New York. Hij zei "Er is een stilzwijgende samenwerking tussen de Haïtiaanse militairen en Buitenlandse Zaken. De Amerikanen hebben het laatste woord. En de Amerikanen willen niet dat Aristide terugkeert." Time citeerde een "gedesillusioneerde Republikeins stafmedewerker" die zei, "Het witte Huis gaat er vanuit dat het mensen niets kan schelen. Politiek, niet principes, vormt de doorslaggevende overweging."27

Daarover bestaat geen enkele twijfel. Voor hen die het willen horen: de cursief gedrukte woorden vertellen het verhaal dat wordt ondersteund door twee eeuwen geschiedenis. Zonder brede steun in ons deel van de wereld zal Toussaint's boom van de vrijheid diep onder de grond begraven blijven, of, in het beste geval, een droom zijn – en dat geldt niet alleen voor Haïti.

 

Hyper-Noten

1   Lowenthal, Reviews in Anthropology, 1976, geciteerd in Farmer, AIDS and Accusation, dit is de bron voor veel dat volgt, tezamen met Schmidt, US Occupation. Het klassieke verslag van de revolutie is C.L.R. James, The Black Jacobins. De hoge bevolkingsschatting is van Sherburne Cook en Woodrow Borah, Essays in Population History: Mexico and the Caribbean (California, 1971) (zie Farmer, Stannard, American Holocaust).
2   Sued-Badillo, Monthly Review, juli/augustus 1992. COHA persverklaring, 18 februari; Anne-Marie O'Connor, Cox News Service, 12 april 1992. Over het IMF-programma, zie McAfee, Storm Signals; DD, 7.3.
3   Farmer, AIDS, 153; Las Casas, passages in Chicago Religious Task Force, Dangerous Memories, Stannard, American Holocaust, Sale, Conquest. Zie ook Koning, Columbus. Smith, Wealth, Bk. IV, Hfdst. VII, Pt. I (ii, 70).
4   Hfdst. 1, noot 29. Sterilisatie, Churchill-biograaf Clive Ponting, Sunday Age (Australia), 21 juni 1992. Racisme van beleidsmakers, DD, 52-3.
5   TTT, 46. Stivers, Supremacy, 66-73.
6   Ulysses B. Weatherly, "Haiti: an Experiment in Pragmatism," 1926, geciteerd door Schmidt.
7   Trouillot, geciteerd door Farmer, AIDS. Blassingame, Caribbean Studies, juli 1969. Times redactionelen, DD, 280. Landes, NR, 10 maart; Ryan, CSM, 14 februari 1986. Voor meer over deze en andere wetenschappelijke analyses, zie PI, 68-9, TTT, 153f.
8   Deere, Shadows, 144, 35, 174-5 (fragment van Josh DeWind en David Kinley, Aiding Migration [Westview, 1988]). McAfee, 17; PI, 68; Wilentz, Rainy Season, 272ff. Refugees, PEHR, II 50, 56 (1970s); Wilentz, NR, 9 maart; Bill Frelick, NACLA Report on the Americas, juli 1992; Pamela Constable, BG, 21 augustus 1992.
9   PI, 69f.; WSJ, 10 februari 1986. NR, zie hfdst. 7, paragraaf 9.
10   Wilentz, Rainy Season, 341, 55, 326, 358. Wilentz geeft een levendig ooggetuigenverslag van de jaren 1986-89.
11   COHA, "Sun Setting on Hopes for Haitian Democracy," 6 januari 1992.
12   The NED Backgrounder, Inter-Hemispheric Education Resource Center (Albuquerque), april 1992.
13   Wilentz, Reconstruction, vol. 1.4 (1992).
14   Wilentz, Rainy Season, 275.
15   Americas Watch, National Coalition for Haitian Refugees, en Physicians for Human Rights, "Return to the Darkest Days," 30 december 1991. Roth, "Haiti: the Shadows of Terror," NYRB, 26 maart 1992.
16   Friedman, French, NYT, 8 oktober 1991. French, NYT, 22 oktober 1991; 12 januari 1992. Canute James, FT, 10 maart 1992.
17   Hyland, "The Case for Pragmatism," Foreign Affairs, America and the World, 1991-92. Constable, BG, 13 maart 1992.
18   Americas Watch, "Return." French, NYT, 10 oktober 1991. Time, 10 februari; FT, 3 april 1992. Bush-Kuwait, Andrew Rosenthal, NYT, 3 april 1991.
19   Greenberger, WSJ, 13 januari 1992. COHA press release, 5 februari 1992.
20   Time, 10 februari; Barbara Crossette, NYT, 28 mei; Lee Hockstader, WP weekly, 17 februari; editorial, WP weekly, 10 februari 1992.
21   Frelick, op. cit.; Lee Hockstader, WP weekly, 10 ferbuari; Barbara Crossette, French, NYT, 28 mei 1992.
22   Hockstader, WP weekly, 10 februari; WP-MG, 16 februari 1992.
23   DD, hfdst. 8 en 10; NI, 61-6; Sklar, War.
24   COHA press release, 10 januari, 25 februari 1992. Barbara Crossette, NYT, 26 februari; French, NYT, 27 februari, 21 juni; James Slavin, NCR, 14 augustus 1992.
25   French, NYT, 27 september 1992.
26   Barbara Crossette, NYT, 5 februari 1992.
27   French, NYT, 7 februari, mijn nadruk; Pierre-Yves Glass, AP, Anchorage Times, 17 februari; Time, 17 februari 1992.


Met dank aan Noam Chomsky.

Inhoud
Bibliografie en Afkortingen
NoamChomsky.com
Noam Chomsky Archive




Terug