De Vloek van Columbus

Van Kolonialisme tot de Nieuwe Wereldorde

Het Jaar 501, De Verovering Gaat Door
Noam Chomsky, Copyright © 1993

Vertaling van het eerste hoofdstuk van "The Year 501"
Verscheen als bijlage bij Extra! nr. 8 en 9.

Deel 1: Oude Wijn, Nieuwe Zakken

Hoofdstuk 1: De Verheven Missie van Onderwerping en Verovering


1. "De Beestachtige Onrechtvaardigheid van de Europeanen"
2. "Het Vellen van Bomen en Indianen"
3. Ongeëvenaarde goedertierendheid

Het jaar 1992 plaatst de Westerse elites die de wereld domineren voor een belangrijke morele en culturele uitdaging. Deze uitdaging is des te groter aangezien in de Westerse samenlevingen de bevolking, door middel van eeuwenlange strijd een grote mate van vrijheid heeft veroverd, die vele mogelijkheden biedt tot onafhankelijk denken en engagement. Dit geldt met name voor de eerste Europese kolonie die zich heeft ontworsteld aan imperialistische overheersing, de Verenigde Staten. De manier waarop deze uitdaging in de komende jaren wordt aangegaan zal vérstrekkende gevolgen hebben.

Op 11 oktober 1992 is er een einde gekomen aan het 500ste jaar van de Oude Wereldorde, die ook wel het Columbus-tijdperk of het Vasco da Gama-tijdperk van de wereldgeschiedenis wordt genoemd, afhankelijk van waar de plunderende avonturiers als eerste voet aan wal zette. Of "het 500-jarige Reich", zoals de titel luidt van een herdenkingsbundel waarin een vergelijking wordt gemaakt tussen de methoden en ideologie van de Nazi's en die van de Europese veroveraars die het grootste gedeelte van de wereld aan zich onderwierpen. 1 Het belangrijkste thema van deze Oude Wereldorde was de mondiale confrontatie tussen veroveraars en veroverden.

Het begrip "Europa" omvat ook de door de Europeanen gestichte koloniën, waarvan er nu één de 'kruistocht' leidt. Op grond van aan de apartheid ontleende conventies werden de Japanners toegelaten als 'honorary whites', ere-blanken die zo rijk zijn dat ze als bijna volwaardig kunnen worden beschouwd. Japan was een van de weinige Oosterse landen die nooit zijn veroverd en waarschijnlijk om die reden mochten toetreden tot de kern. Dat er een samenhang bestaat tussen onafhankelijkheid en (economische) ontwikkeling bewijst de geschiedenis van West-Europa: die gebieden die zijn gekoloniseerd hebben een ontwikkeling doorgemaakt die te vergelijken is met die van de Derde Wereld. Een treffend voorbeeld is Ierland dat op gewelddadige wijze werd veroverd en daarna werd onderworpen aan een 'vrije markt' doctrine die het uitsloot van verdere ontwikkeling. De selectieve toepassing van deze doctrine dient er toe de onderwerping van het Zuiden te continueren. Tegenwoordig noemt men dat "structurele aanpassing", "neoliberalisme" of "onze nobele idealen", zaken waarvan wijzelf overigens blijven gevrijwaard. 2

"De ontdekking van Amerika en van de doorgang naar Oost-Indië langs Kaap de Goede Hoop zijn de twee grootste en belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis van de mensheid," schreef Adam Smith in 1776: "Welke heilzame dan wel rampzalige gevolgen deze belangrijke gebeurtenissen voor de mensheid zullen hebben kan geen mens voorzien". Maar het was voor een integer persoon wel mogelijk om te zien wat er al was gebeurd. "De ontdekking van Amerika... is van doorslaggevende betekenis geweest voor de "toestand van Europa," schreef Smith. "Het ontsluiten van een nieuwe en schier onbeperkte markt" leidde tot een enorme toename van de "productiekrachten" en "van winsten en rijkdom." In theorie zouden "de nieuwe handelsomstandigheden... net zo gunstig moeten zijn voor het nieuwe als voor het oude continent." Het heeft niet zo mogen zijn.

"De onmenselijke onrechtvaardigheid van de Europeanen veranderde een gebeurtenis, waarvan eigenlijk iedereen had moeten profiteren in een verwoestende ramp voor veel van die betreurenswaardige landen," schreef Smith, een uitspraak waarmee hij zich, in de retoriek van het hedendaags cultureel management, begeeft op het criminele pad van de 'politieke correctheid'. "Voor de oorspronkelijke bewoners... van West- en Oost-Indië", vervolgt Smith, "zijn alle commerciële voordelen, die van een dergelijke gebeurtenis het gevolg hadden kunnen zijn, tenietgedaan door de vreselijke rampspoed die over hen is gekomen." Doordat de Europeanen over "superieure wapens" beschikten , "konden ze in deze afgelegen landen straffeloos iedere willekeurige misdaad begaan."

Smith maakt geen vermelding van de oorspronklijke inwoners van Noord-Amerika: "Er waren maar twee volkeren in Amerika, die in ieder opzicht superieur waren aan wilden [Peru, Mexico], en deze werden direct na ontdekking vernietigd. De rest bestond louter uit wilden" - een idee dat de Britse veroveraars zeer gelegen kwam en dat de hardnekkigheid ervan, zelfs in de wetenschap, verklaart. Pas in de jaren 60 kwam hier eindelijk verandering in.

Meer dan een halve eeuw later hield Hegel gezaghebbende verhandelingen over dezelfde onderwerpen in zijn 'lezingen over de filosofie van de geschiedenis' in de volle overtuiging dat we de laatste "fase van de Wereld-Geschiedenis" naderen waarin de Geest "zijn volle rijpheid en kracht" bereikt in "de Duitse wereld." Van duizelingwekkende hoogte neerkijkend oreert hij dat het oorspronkelijke Amerika "in fysiek en geestelijk opzicht krachteloos" was en haar cultuur zo beperkt dat "het de laatste adem moest uitblazen bij de eerste toenadering van de Geest." Vandaar "dat de inheemsen... geleidelijk verdwenen onder invloed van de stormachtige Europese dadendrang." "Een zacht en van iedere hartstocht gespeend karakter, gebrek aan geestkracht en een kruiperige onderdanigheid... zijn de belangrijkste eigenschappen van de oorspronkelijke Amerikanen" die zo "lui" waren dat er, onder het vriendelijke "gezag van de Broeders," "om middernacht een bel moest worden geluid om hen aan hun echtelijke verplichtingen te herinneren." Ze waren zelfs nog minder dan een neger, te weten "de natuurlijke mens in volledig wilde en ongetemde toestand," die geen flauw benul heeft van "respect en moraliteit - van al datgene wat we gevoel noemen"; "deze wezens hebben niets menselijks." "Bij negers is moreel besef zeer slecht ontwikkeld, of om het precieser uit te drukken, niet aanwezig." "Ouders verkopen hun kinderen en omgekeerd kinderen hun ouders als ze daartoe de kans krijgen" en "polygamie heeft onder negers meestal het krijgen van veel kinderen tot doel om ze vervolgens allemaal als slaven te verkopen." Het zijn wezens op het niveau van "een Ding - een object zonder waarde," die iedereen "als vijand" behandelen die probeert de slavernij af te schaffen, aangezien de slavernij "heeft geleid tot een toename van menselijke gevoelens onder de negers" en hun de mogelijkheid bood om "deel te nemen aan een hogere zedelijkheid en de daarmee verbonden cultuur."

De verovering van de Nieuwe Wereld heeft twee gigantische demografische catastrofes veroorzaakt die hun weerga in de geschiedenis niet kennen: de bijna volledige vernietiging van de oorspronkelijke bevolking van Noord- en Zuid-Amerika en de verwoesting en onderwerping van Afrika als gevolg van de zich snel uitbreidende slavenhandel. Ook grote delen van Azië hebben geleden onder de "verschrikkelijke rampspoed." Hoewel de methoden zijn veranderd, behouden de oorspronkelijke thema's van de verovering hun vitaliteit en veerkracht, en zullen niet veranderen totdat de werkelijkheid en oorzaken van de "beestachtige onrechtvaardigheid" op eerlijke wijze onder ogen worden gezien.3


1. "De Beestachtige Onrechtvaardigheid van de Europeanen"

De Spaans-Portugese veroveringen hadden hun binnenlandse tegenhanger. In 1492 werd de joodse gemeenschap uit Spanje verdreven of gedwongen zich tot het christendom te bekeren. Miljoenen Moren ondergingen hetzelfde lot. Met de val van Granada in 1492 kwam een einde aan acht eeuwen Moorse overheersing en kon de Spaanse Inquisitie ongestoord haar barbaarse heerschappij uitbreiden. De veroveraars vernietigden uiterst waardevolle boeken en manuscripten die een rijke schat aan klassieke kennis bevatten. Zij verwoestten de beschaving die onder de Moorse overheersing had gebloeid, een beschaving die veel verfijnder en toleranter was. De weg was vrij voor de neergang van Spanje en voor het racisme en de wreedheden van de veroveringen - "de vloek van Columbus," zoals Afrika-historicus Basil Davidson het uitdrukt. 4

Spanje en Portugal werden al snel uit hun leidende posities verdrongen. De eerste belangrijke concurrent was Holland, dat meer kapitaal tot zijn beschikking had dan zijn rivalen. Dat was voornamelijk te danken aan het feit dat Holland de controle had over de Baltische handel die het in de 16e eeuw had verkregen en die door middel van geweld in stand werd gehouden. De in 1602 opgerichte Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) kreeg feitelijk alle machtsprivileges van een staat, waaronder het recht om oorlog te verklaren en verdragen af te sluiten. Formeel gezien was het een onafhankelijke onderneming, maar dat is misleidend. "De ogenschijnlijke zelfstandigheid van de VOC ten opzichte van de machthebbers in het moederland," schrijft M.N. Pearson, was het resultaat van het feit dat "de VOC met de staat samenviel," die op haar beurt werd gecontroleerd door Hollandse handelaren en investeerders. In sterk vereenvoudigde vorm zien we hier al de structurele contouren van de moderne politieke economie die wordt gedomineerd door een netwerk van transnationale financiële en industriële instituten die intern beslissen over investeringen en handel en die hun rijkdommen en macht tot stand brengen en in stand houden door het mobiliseren (en het in belangrijke mate beheren) van de staatsmacht.

"De VOC integreerde de functies van een soeverein gezag met de functies van een ondernemingsvennootschap," schrijft een historicus van het Nederlandse kapitalisme: "Politieke besluitvorming en zakelijke besluitvorming vonden plaats binnen dezelfde hiërarchie van bedrijfsmanagers en ambtenaren, en mislukking of succes werden in laatste instantie altijd afgemeten aan de winst." De Hollanders vestigden versterkte handelsposten in Indonesië, India, Brazilië en in het Caraïbisch gebied, ze veroverden Sri Lanka op de Portugezen en reikten tot aan de periferie van Japan en China. Nederland werd echter het slachtoffer van wat later de "Hollandse ziekte" werd genoemd: onvoldoende centralisatie van de staatsmacht. Hierdoor werden de mensen misschien wel "rijk als individu, maar bleef de staat zwak," zoals de Britse Lord Sheffield in de 18e eeuw opmerkte en daarmee Engeland waarschuwde niet dezelfde fout te maken. 5

De Iberische imperia kregen nog meer slagen toegediend toen Engelse piraten, plunderaars en slavenhandelaren de zeeën onveilig begonnen te maken. De beruchtste van hen was waarschijnlijk Sir Francis Drake. De buit die Drake naar Engeland sleepte "kan worden beschouwd als de oorsprong van de Britse buitenlandse investeringen," schreef John Maynard Keynes: "Elizabeth betaalde uit de opbrengsten haar volledige buitenlandse schulden en investeerde een deel van het geld... in de Levant Company; voornamelijk van de winsten van de Levant Company werd de East India Company opgericht. De winsten hiervan... vormden de belangrijkste basis van de Engelse buitenlandse betrekkingen. Tot 1630 bestond de gehele Engelse onderneming op de Atlantische Oceaan uit "rooftochten van gewapende handelaren en plunderaars die goedschiks of kwaadschiks een aandeel wilden in de Atlantische rijkdommen van de Iberische landen" (Kenneth Andrews). De avonturiers die aan de basis stonden van de handelsimperia van de 17e en 18e eeuw "zetten de oude Europese traditie van de combinatie oorlogsvoering en handel voort ," voegt Thomas Brady toe, en als gevolg van "de groei van de Europese staat als militaire onderneming" kwam de "typisch Europese figuur van de soldaat-handelaar" tot bloei. Later werden de "rooftochten van de Elizabethaanse kaapvaarders" en hun "oorlogen voor markten" door een nu sterkere Engelse staat overgenomen (Christopher Hill). De Britse East India Company verkreeg haar charter in 1600 dat in 1609 voor onbepaalde tijd werd verlengd. Het gaf de compagnie op gezag van de Britse Kroon het monopolie op de handel met de Oost. Hierop volgden wrede oorlogen tussen de Europese rivalen die veelal werden gevoerd met onvoorstelbare barbaarsheid en waarin inheemse bevolkingsgroepen werden betrokken die vaak ook nog met elkaar in strijd waren gewikkeld.

In 1622 verdreven de Britten de Portugezen uit de straat van Hormuz, "de sleutel tot geheel India," een trofee die ze uiteindelijk ook nog zouden bemachtigen. Het grootste deel van de rest van de wereld werd uiteindelijk op deze wijze verdeeld.

De toegenomen staatsmacht stelde Engeland in staat zijn eigen Keltische periferie te onderwerpen om vervolgens de hierdoor nieuw ontwikkelde technieken met zo mogelijk nog meer wreedheid toe te passen op de nieuwe slachtoffers aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. De minachting voor "de smerige, veehoudende Kelten aan de grenzen van Engeland" maakte voor de "beschaafde en welvarende Engelsman" de weg vrij om een leidende positie in te gaan nemen in de slavenhandel doordat "deze minachting zich als een inktzwarte schaduw uitbreidde over de overzeese volkeren", schrijft Thomas Brady.

In het midden van de 17e eeuw was Engeland sterk genoeg om de zg. Navigatiewetten op te leggen (1651, 1662) waarmee buitenlandse handelaren werden geweerd uit de koloniën en de Britse schepen "het monopolie op de handel naar Engeland hadden" (import). Dit deed men zowel "door middel van absolute verboden" als door het opleggen van "zeer hoge belastingen" aan derden (Adam Smith bespreekt deze maatregelen met gemengde gevoelens; enerzijds heeft hij zijn bedenkingen anderzijds stemt hij er mee in). Het "tweeledige doel" van deze initiatieven was "strategische macht en economische rijkdom door scheepvaart en koloniale monopolies," aldus Cambridge Economic History of Europe. In de Brits-Hollandse oorlogen van 1652 tot 1674, was het doel van Engeland om de Hollandse handel en scheepvaart te beperken of te vernietigen en om controle te krijgen over de lucratieve slavenhandel. Het draaide allemaal om de gebieden aan de andere kant van de Atlantische Oceaan waar de koloniën van de Nieuwe Wereld enorme rijkdommen boden. Door middel van de Navigatiewetten en oorlogen werden de door de Engelse handelaren gedomineerde handelsgebieden uitgebreid, hetgeen hen de mogelijkheid bood zich te verrijken aan de slavenhandel en aan hun "roofhandel met Amerika, Afrika en Azië" (Hill) hierin gesteund door "de door de staat gesponsorde koloniale oorlogen" en verschillende vormen van economisch management waarbij de staat de weg vrijmaakt voor het vergaren van private rijkdommen en voor een daarmee samenhangende speciale vorm van ontwikkeling die hiervan in dienst staat. 6

Zoals Adam Smith opmerkt was het Europese succes een eerbetoon aan de beheersing van de middelen en de ontwikkeling van de cultuur van geweld. "Oorlogsvoering in India was nog steeds een sport,' merkt John Keay op: "in Europa was het een wetenschap geworden." Vanuit Europees perspectief waren de veroveringen over de gehele wereld "kleine oorlogen," en zo werden ze ook gezien door de militaire autoriteiten, schrijft Geoffrey Parker. "Cortes veroverde Mexico met zo'n 500 Spanjaarden; Pizarro bracht het Inca-Rijk ten val met minder dan 200 man en het gehele Portugese imperium werd bestuurd en verdedigd door minder dan 10.000 Europeanen." Tijdens de beslissende slag bij Plassey in 1757, die de weg werd vrijmaakte voor de verovering van Bengalen door de East India Company en voor de latere Britse heerschappij over India, had Robert Clive tien keer zo weinig manschappen tot zijn beschikking als de vijand. Een aantal jaren later waren de Britten in staat om de numerieke ongelijkheid recht te trekken door inheemse huurlingen te mobiliseren die 90 procent uitmaakten van de Britse troepen die India bezetten. Zij vormden ook de kern van de Britse legers die in het midden van de 19e eeuw China binnenvielen. Het feit dat de Noord-Amerikaanse koloniën geen "militare troepen leverden ter behoud van het Imperium", was voor Adam Smith een van de belangrijkste redenen om ervoor te pleiten dat Engeland zich van deze koloniën zou "bevrijden".

De Europeanen "vochten om te doden," en ze hadden de middelen om hun bloeddorstigheid te bevredigen. In de Amerikaanse koloniën waren de inheemsen verbijsterd over de wreedheid van de Spanjaarden en de Britten. "Ondertussen waren aan de andere kant van de wereld de volkeren van de Indonesische archipel net zo geschokt door de alles-vernietigende razernij van de Europese manier van oorlog voeren," voegt Parker toe. De Europeanen hadden de tijd zoals die door een 12e eeuwse Spaanse pelgrim op weg naar Mekka werd beschreven ver achter zich gelaten: "De krijgers voeren hun oorlogen, terwijl de mensen vrede hebben." De Europeanen kwamen misschien om handel te drijven, maar ze bleven om te veroveren: "handel kan niet in stand worden gehouden zonder oorlog, noch oorlog zonder handel," schreef een van de Hollandse veroveraars van Oost-Indië in 1614. Alleen China en Japan waren in staat om het Westen buiten de deur te houden, omdat "zij toen al door de wol geverfd waren." De Europese overheersing van de wereld "was altijd in belangrijke mate afhankelijk van het constante gebruik van geweld," schrijft Parker: "Het was dankzij hun militaire superioriteit, veel meer dan welk sociaal, moreel of natuurlijk overwicht dan ook, dat de blanke volkeren van de wereld in staat waren om, hoe kortstondig dan ook, de eerste wereldomvattende hegemonie te creëren en in stand te houden." 7 Over de duur ervan kun je van mening verschillen.

"Twintigste eeuwse historici zijn het er over eens dat het over het algemeen de Europeanen waren die op gewelddadige wijze binnendrongen in de Aziatische handelssystemen die daarvoor relatief vreedzaam waren," schrijft James Tracey, daarmee een door hem geredigeerde wetenschappelijke studie over handelsimperia samenvattend. Ze introduceerden door de staat ondersteunde handel in een gebied met relatief vrije markten, "die open stonden voor een ieder die in vrede kwam onder voorwaarden die algemeen bekend en aanvaard waren." Hun gewelddadige inbreuk op deze wereld bracht een "karakteristieke, zo niet uniek Europese combinatie van staatsmacht en handelsbelangen, hetzij in de vorm van een onderdeel van de staat dat handel drijft, hetzij in de vorm van een handelsbedrijf dat zich gedraagt als een staat." "Een belangrijk kenmerk waarin de Europese ondernemingen zich onderscheidden van inheemse handelsnetwerken in verschillende delen van de wereld" concludeert hij, is dat de Europeanen "hun belangrijkste commerciële ondernemingen organiseerden ofwel als een verlengstuk van de staat... ofwel als een autonome handelsmaatschappij... die vele overeenkomsten vertoont met een staat," en dat ze gesteund werden door de gecentraliseerde staatsmacht van het thuisland.

Portugal baande de weg door het opleggen van schattingen aan de Aziatische handel, "allereerst door het dreigen met geweld tegen Aziatische schepen." Vervolgens werd bescherming verkocht tegen de door henzelf in het leven geroepen dreiging zonder verdere dienstverlening: "tegenwoordig zou men dit omschrijven," merkt Pearson op, "als maffia-afpersingspraktijken." De veel machtigere Europese concurrenten van Portugal namen het over. Zij waren veel effectiever in het gebruik van geweld en pasten veel geraffineerdere management- en controletechnieken toe. De Portugezen hadden "de traditionele handelsstructuren niet radicaal veranderd," maar deze werden "aan diggelen geslagen" door de Hollanders. De Hollandse en Britse bedrijven "gebruikten geweld op een veel selectievere, in feite rationelere manier" dan hun Portugese voorgangers: "het werd uitsluitend toegepast voor commerciële doeleinden... winst was de moraal van het verhaal." Met het geweldspotentieel dat zij tot hun beschikking hadden, en hun organisatorische basis in het thuisland, waren zij verreweg de meerdere van de Portugezen. Uiteindelijk waren het de Britten die niet bezweken aan de "Hollandse ziekte", en die op grote schaal hun belangrijkste rivalen verdrongen. De vooraanstaande rol van staatsmacht en geweld is karakteristiek voor zowel de "essentiële" bijdrage van de koloniën aan de "toestand van Europa" die Adam Smith beschrijft, als voor haar eigen interne ontwikkeling. 8

Engeland wordt beschouwd als een uitzondering als het gaat om de cruciale rol van staatsmacht en geweld in de economische ontwikkeling; de Britse liberale traditie stond zich er op voor dat dit de sleutel van het succes was. Deze veronderstellingen werden door John Brewer in een waardevolle herinterpretatie van de opkomst van Engeland als wereldmacht tegen het licht gehouden. De Britse verschijning "als het militaire Wunderkind van die periode", dat wil zeggen eind 17e en begin 18e eeuw, en die op veelal wrede en barbaarse wijze zijn gezag deed gelden over de onderworpen volkeren in verre landen, viel samen met een "verbazingwekkende transformatie in de Britse regering, die ruggengraat gaf aan het Britse politieke systeem." Tegengesteld aan wat de liberale traditie wil doen geloven, werd Engeland in deze periode een "sterke staat," "een fiscaal-militaire staat," dankzij "een radicale toename van inkomsten uit belastingen" en "een enorm openbaar bestuur dat erop was gericht de fiscale en militaire activiteiten van de staat te organiseren." De Engelse natie werd "de belangrijkste afzonderlijke partij in de economie," een van Europa's meest machtige staten "beoordeeld naar het vermogen geld uit de zak van de bevolking te kloppen, soldaten en zeelui te recruteren." "Handelsorganisaties, groepen handelaren en financiers streden onderling en vormden coalities om voordeel te behalen uit de bescherming van het grootste economische lichaam, de staat."

In deze periode lagen de Engelse belastingtarieven tweemaal zo hoog als die in Frankrijk (van oudsher beschouwd als de over-gecentraliseerde al-machtige staat), en het verschil nam toe. De overheidsschuld nam evenredig snel toe. Aan het einde van de 18e eeuw werd bijna een kwart van het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking geïnd en dit nam toe tot een derde van het inkomen tijdens de Napoleontische oorlogen. "Of men het nu absoluut of relatief beoordeelt, in Engeland werd zeer veel belasting betaald." In de periode van de opkomst van het militaire wunderkind was de toename van de belastinginkomsten meer dan vijf maal zo groot als de economische groei. Gedeeltelijk kan dit worden verklaard door efficiency; de belastingen werden centraal geïnd door de regering, in een mate die ongekend was in Europa. Een andere factor was de legitimiteit van een meer democratische staat. De rol van de "grootste economische macht in het 18e eeuwse Engeland, de staat" was niet enkel en alleen het veroveren: veel belangrijker was haar rol in het ondersteunen van de export en het beperken van import. In het algemeen het toepassen van een protectionistisch beleid van import-substitutie, dat de weg heeft bereid voor de industriële ontwikkeling van Engeland tot Zuid-Korea. 9

Overdadig economisch liberalisme heeft duidelijk bijgedragen aan de ineenstorting van het Spaanse imperiale systeem. Het was té open. Er werd toegestaan dat "handelaren, vaak niet-Spanjaarden, konden opereren binnen de grenzen van het Imperium" en "dat de opbrengsten Spanje konden verlaten." De Hollanders daarentegen hielden de opbrengsten "op alle mogelijke manieren in eigen land," omdat "Hollandse handelaren het imperium en de staat waren," is de conclusie van Pearson. Engeland volgde een vergelijkbaar beleid van economisch nationalisme, door het verlenen van staatsoctrooien aan handelsmonopolies, de eerste (1581) voor Turkije en het gehele Midden-Oosten, later voor de rest van Azië en Noord-Amerika. Als tegenprestatie voor het verlenen van deze rechten, werden op geregelde basis betalingen aan de Kroon gedaan door de quasi-staatsondernemingen, later werd deze regeling vervangen door een directere betrokkenheid van de staatsmacht. Terwijl de Britse handel en winsten in de 18e eeuw snel toenamen bleef de regulering door de overheid van belang: "minder regulering in de negentiende eeuw was het gevolg van de Engelse overheersing, niet de oorzaak," merkt Pearson op.

Adam Smith mag dan op zeer welsprekende wijze hebben opgesomd wat de schadelijke gevolgen zijn voor de mensen in Engeland van de "verachtelijke geest van het monopolie," in zijn scherpe veroordeling van de East India Company, maar deze theoretische analyse was niet de oorzaak van haar ondergang. De "eerbiedwaardige Company" werd het slachtoffer van het zelfvertrouwen van de Britse industriëlen, met name de textielfabrikanten die werden beschermd tegen "onredelijke" concurrentie van de uit India afkomstige textiel. Ze waren er van overtuigd dat ze zouden profiteren van een "eerlijke concurrentie," nadat ze hun rivalen in de koloniën hadden uitgeschakeld door middel van staatsinvloed en geweld. Ze vroegen om deregulatie en gebruikten hun nieuwe rijkdommen en macht voor het mechaniseren en het verhogen van de aanvoer van katoen. In hedendaagse terminologie, na het verkrijgen van een 'level playing field', onbetwistbaar in hun voordeel, is er niets grootmoediger dan het propageren van een "open wereld" zonder irrationele en willekeurige belemmeringen voor de eerlijke ondernemer, die werkt aan de welvaart voor ons allen. 10

Zij die verwachten dat ze het spel zullen winnen, zullen zich zeker kunnen vinden in een lofzang op de regels van "vrije concurrentie"-, hoewel ze er altijd voor zullen zorgen dat de toepassing ervan overeenkomt met hun eigen belangen. Om maar de meest voor de hand liggende tekortkoming te noemen, de apostelen van het economisch liberalisme hebben nog nooit in overweging genomen om "de vrije verspreiding van arbeid ... van plaats tot plaats" toe te staan, één van de fundamenten van de vrijheid van handel, zoals Adam Smith benadrukte.

Er is weinig historisch bewijs voor de heersende overtuiging over de impact van de stellingen van Adam Smith; bijvoorbeeld de bewering van George Stigler, van de Chicagoschool, dat Smith "Engeland overtuigde" van 1850 tot 1930 "van de voordelen van de internationale vrijhandel." Wat "Engeland overtuigde"- meer precies die Engelsen die macht hadden - was het inzicht dat "internationale vrijhandel" (binnen bepaalde grenzen) in hun voordeel zou werken. "Het duurde tot 1846, toen de Britse fabrikanten machtig genoeg waren, dat het Parlement bereid was voor de revolutie" van de vrije handel, merkt Richard Morris op. Wat Engeland van het tegenovergestelde overtuigde, was dat in 1930 die tijd voorbij was. Omdat het niet in staat was om de concurentie aan te gaan met Japan, sloot Engeland Japan op effectieve wijze uit van handel met het Gemenebest, waaronder India. De VS sloten zich hierbij aan in hun kleinere imperium, evenals de Hollanders. Dit waren de belangrijke factoren die zouden leiden tot de Pacifische oorlog. Japan volhardde in zijn wedijver met zijn machtige voorgangers en had zich op naïeve wijze de liberale doctrines eigengemaakt, om er later achter te komen dat het bedrog was, opgelegd aan de zwakken, geaccepteerd door de sterken zolang ze van belang zijn. Zo is het altijd geweest. 11

Stigler zou er daarentegen wel eens gelijk in kunnen hebben dat Smith "in ieder geval alle daaropvolgende economen heeft overtuigd." Als dat zo is dan blijkt maar weer wat het gevaar is van het onterecht idealiseren, waardoor bepaalde factoren die voor een kwestie van cruciaal belang zijn, in de overwegingen niet worden meegenomen, een bekend probleem in de wetenschap. In dit geval, de scheiding tussen de vragen naar de welvaart van landen en de vragen naar de macht: Wie neemt beslissingen, en voor wie? We komen later terug op hoe Adam Smith zelf hierover dacht.

De rijkdommen uit de koloniën die naar Engeland werden gebracht, creëerden enorme fortuinen. Rond 1700 nam de East India Company "meer dan de helft van de handel van het land" voor haar rekening, aldus een criticus van die tijd. In de daaropvolgende vijftig jaar, schrijft Keay, werden haar aandelen "beschouwd als fondsen met een gouden randje, veel gevraagd door trustees, liefdadigheidsinstellingen en buitenlandse investeerders." De snelle groei van rijkdommen en macht baande de weg voor totale verovering en imperiale overheersing. Britse ambtenaren, handelaren en investeerders "vergaarden gigantische fortuinen," en "rijkdommen waar geen van had durven dromen" (Parker). Dat gold met name voor Bengalen, vervolgt Keay , dat "was vervallen en verarmd door een rampzalig experiment in 'regeren onder auspiciën' "- een van die vele "experimenten" in de Derde Wereld waarbij niet veel overbleef voor de proefpersonen zelf. Twee Engelse India-historici, Edward Thompson and G.T. Garret, beschrijven de vroege geschiedenis van Brits-India als "mischien wel het hoogtepunt van politiek gekonkel en corruptie": "een goudkoorts beheerste het Engelse denken, met niets te vergelijken, sinds de hysterie bezit nam van de Spanjaarden in de tijd van Cortes en Pizarro. Met name Bengalen zou geen vrede meer kennen tot het was leeggebloed." Het is veelzeggend, merken zij op, dat een van de Hindoestaanse woorden dat in het Engels is opgenomen, het woord "loot" (buit, roof, plundering) is. 12

Het lot van Bengalen laat zien wat de essentiële elementen van de wereldverovering zijn. Calcutta en Bangladesh zijn nu dé symbolen van ellende en wanhoop. De Europese krijgshandelaren zagen Bengalen daarentegen als een van de rijkste schatten in de wereld. Een vroege Engelse bezoeker beschrijft Bengalen als "een prachtig land, welks rijkdom en overvloed, door oorlog en verderf noch door onderdrukking zou kunnen worden vernietigd." En lang daarvoor had de Marokkaanse reiziger Ibn Battuta Bengalen beschreven als "een land van grote mogelijkheden, en waar rijst is in grote overvloed. Sterker nog, ik heb nog geen gebied op aarde aanschouwd waar de voorraden zo overvloedig zijn." In 1757, hetzelfde jaar waarin de cruciale slag bij Plassey plaatsvond, beschrijft Robert Clive het textielcentrum van Dacca als "uitgebreid, dichtbevolkt en rijk als de stad London"; in 1840 was de bevolking teruggelopen van 150.000 tot 30.000, aldus de verklaring van Sir Charles Trevelyan voor een Speciale Commissie van het Hogerhuis, "en de jungle en malaria winnen veld ... Dacca, het Manchester van India, is van een zeer bloeiende stad vervallen tot een zeer arme en kleine stad." Het is nu de hoofdstad van Bangladesh.

Bengalen stond bekend om zijn fijne katoen, nu verdwenen, en om zijn voortreffelijke textiel, nu geïmporteerd. Na de Britse overname pasten de Britten "iedere denkbare vorm van schurkenstreken" toe, schrijft de Engelse handelaar William Bolts in 1772: "Uitgebreid en ontelbaar zijn de methoden voor het onderdrukken van de arme wevers ... zoals door middel van boetes, gevangenschap, geseling, het afdwingen van contracten, enzovoorts." "De onderdrukking en de monopoliën," door de Engelsen opgelegd, "zijn de oorzaak van de neergang van de handel, afname van inkomsten, en de huidige rampzalige handelstoestand in Bengalen."

Zich wellicht baserend op Bolts, wiens boek zich in zijn bibliotheek bevond, schreef Adam Smith vier jaar later dat in het dunbevolkte en "vruchtbare land" Bengalen "jaarlijks drie- of vierhonderdduizend mensen sterven van de honger." Dit is het gevolg van de "onjuiste maatregelen" en "onverstandige beperkingen" die de heersende Company oplegde inzake de rijsthandel en die van "schaarste hongersnood" hebben gemaakt. "Het was niet ongebruikelijk" voor functionarissen van de Company om "een rijstveld of andere granen" om te ploegen "om ruimte te maken voor een opium plantage ...wanneer de chef voorzag dat er enorme winsten konden worden gemaakt met opium". De erbarmelijke toestand in Bengalen "en in enkele andere Engelse nederzettingen" is te wijten aan het beleid van "de handelsmaatschappij die Oost- Indië onderdrukt en beheerst." Dit staat in scherp contrast, benadrukt Smith, met "de engelbewaarder van de Britse grondwet die Noord-Amerika beschermt en bestuurt"- een beschermming die alleen gold voor de Engelse kolonisten, niet voor de "louter wilden", vergeet hij eraan toe te voegen.

De bescherming van de Engelse kolonisten was in werkelijkheid een nogal vreemd instrument. Zoals Smith elders opmerkt, had Groot-Brittanië "een totaal verbod voor het opzetten van molens opgelegd, in al zijn Amerikaanse plantages" en werd de binnenlandse handel "van Amerikaanse producten" aan zeer nauwe banden gelegd: "een maatregel waarmee het opzetten van fabrieken voor [hoeden, wol, wolproducten] voor handel buiten de regio effectief wordt voorkomen en waarmee de bedrijvigheid van de kolonisten beperkt wordt tot inferieure en huisnijverheid, tot de dingen die families gewoonlijk alleen voor zichzelf maken" of voor de naaste buren. Dit is een "duidelijke overtreding van de meest heilige rechten van de mensheid," standaard in de koloniale gebieden.
Onder de Britse Permanente Vestiging van 1793 in India, werd land geprivatiseerd, hetgeen rijkdom opleverde voor de lokale heren en belastingen voor de Britse heersers terwijl "de vestiging, die met grote zorg en overleg werd vormgegeven, tot ons pijnlijk ongenoegen vrijwel de gehele lagere klassen heeft overgeleverd aan de meest afschuwelijke onderdrukking," was de conclusie van een Britse onderzoekscommissie in 1832, die daarmee nóg een kant liet zien van het experiment. Drie jaar later komt de directeur van de Company met zíjn verslag: "De ellende is met niets in de geschiedenis van de handel te vergelijken. De botten van de katoenwevers kleuren de vlaktes van India wit." Het experiment was echter niet geheel mislukt. "Als bescherming tegen volkstumult en revoluties," merkt de Gouverneur-Generaal van India, Lord Bentinck, op, "is het mijn overtuiging dat de 'Permanente Vestiging', hoewel een mislukking in vele andere opzichten én in de meest essentiële, toch het grote voordeel heeft opgeleverd dat een grote groep rijke grondbezitters heeft gecreëerd, die sterk afhankelijk is van de continuiteit van het Britse Dominium en die volledig heerst over de bevolking, "wier toegenomen ellende daarom minder een probleem is dan het zou kunnen zijn." Terwijl de plaatselijke nijverheid wegkwijnde, werd Bengalen overgeschakeld op exportlandbouw, eerst indigo, later jute; Bangladesh produceerde meer dan de helft van de wereldoogst in 1900, maar niet één molen ter verwerking ervan werd ooit gebouwd tijdens de Britse overheersing. 13

Terwijl Bengalen werd geplunderd, bleef de Britse textielindustrie beschermd tegen concurrentie uit India; een zaak van groot belang, omdat de producenten in India een comperatief voordeel hadden in bedrukte katoenen stoffen op de groeiende markt in Engeland. Een Britse Koninklijke Industrie Commissie van 1916-1918 memoreerde dat de Indiase industriële ontwikkeling "niet inferieur was aan de meer ontwikkelde Europese landen", toen "handelsavonturiers uit het Westen" arriveerden; het zou zelfs zo kunnen zijn "dat de industrieën in India tot het begin van de industriële revolutie veel verder ontwikkeld waren dan die in het Westen," merkt Frederick Clairmonte op, citerend uit Britse studies. Regeringswetten uit 1700 en 1720 verboden de import van bedrukte stoffen uit India, Perzië en China; alle goederen in strijd met dit bevelschrift dienden in beslag te worden genomen, per opbod verkocht en geherexporteerd. Alle bedrukte katoen uit India werd geweerd, inclusief "alle soorten kledingstukken of doeken ... die te maken hadden met bedden, stoelkussens, gordijnen, of wat voor huishoudelijke zaken of meubels dan ook." Later werd de Britse wet aangescherpt tegen lokale stoffen in India zelf, om de Britse inferieure textiel op te dringen.

Zulke maatregelen waren onvermijdelijk, schrijft Horace Wilson in zijn History of British India uit 1826: "Was dit niet gebeurd, dan zouden de molens van Paisley en Manchester al bij voorbaat zijn stopgezet, en die zouden nauwelijks nog in beweging te brengen zijn, zelfs niet met stoomkracht. Ze zijn ontstaan door het offer van de fabrikanten uit India." Economisch historicus J.H. Clapham concludeerde dat "deze restrictieve maatregel een belangrijke, en men kan betogen een nuttige, stimulans voor de bedrukte textiel in Groot-Brittannië was," de belangrijkste sector van de industriële revolutie. In de 19e eeuw bekostigde India meer dan tweevijfde van het handelstekort van Groot-Brittannië, voorzag in afzetgebied voor de Britse producten, alsmede troepen voor de koloniale veroveringen en de opium die het middelpunt vormde voor de handel met China. 14

"Een veelzeggend feit dat direct naar voren komt, is dat die delen van India die het langste onder Britse heerschappij zijn geweest, tegenwoordig de allerarmste gebieden zijn," schreef Jawaharlal Nehru: "Het is zeker dat men een een soort tabel zou kunnen maken die de nauwe band laat zien tussen de duur van de Britse heerschappij en de toenemende groei van de armoede." India was halverwege de 18e eeuw in vergelijking met andere landen een ontwikkeld land, en niet alleen op textielgebied. "De scheepsbouwindustrie kende een bloeiende periode en één van de vlaggenschepen van een Engelse admiraal ten tijde van de Napoleontische oorlogen was gebouwd door een Indiaas bedrijf." Niet alleen textiel, maar ook andere traditionele industrietakken zoals "scheepsbouw, metaalbewerking, glas, papier, en talloze ambachten," gingen erop achteruit tijdens de Britse overheersing waardoor de ontwikkeling van India stagneerde. De opkomst van nieuwe industrieën werd geblokkeerd en India werd "een landbouwkolonie van het industriële Engeland." Terwijl Europa urbaniseerde, ging de bevolking van India "in toenemende mate op het platteland wonen", het deel van de bevolking dat afhankelijk was van de landbouw nam snel toe, "dat was de daadwerkelijke, fundamentele reden voor de afschuwelijke armoede van de Indiase bevolking," schrijft Nehru. In 1840 kon een Brits historicus voor de Parlementaire Onderzoekscommissie nog de volgende verklaring afleggen: "India is in dezelfde mate een industrieel als een boerenland; en hij die probeert het te reduceren tot een boerenland, probeert het terug te plaatsen op de ladder van de beschaving," precies wat er is gebeurd onder de Britse "despotische leiding," merkt Nehru op. 15

De Braziliaanse economisch historicus José J. De A. Arruda die "de koloniën als handelsinvestering," beoordeelt, komt tot de conclusie dat de investeringen inderdaad zeer winstgevend waren, voor sommigen: voor de Hollanders, de Fransen en met name de Engelsen, die bovendien de aan de Portugese koloniale bezittingen gekoppelde aanwinsten verwierven; voor de slavenhandelaren, de kooplui, de fabrikanten; en voor de koloniën in Nieuw-Engeland wier ontwikkeling op gang werd gebracht door de driehoekshandel tussen Engeland en de suikerkoloniën van West-Indië. De koloniale wereld... was de belangrijkste schakel in de vroege accumulatie van kapitaal, doordat hij voorzag in een economische groeimarkt." Deze situatie bevorderde "een transfer van koloniale rijkdommen naar de moederlanden, die vervolgens onderling vochten voor de toeëigening van koloniale overschotten," hiermee in belangrijke mate bijdragend aan de economische groei van Europa. "DEZE KOLONIËN BETAALDEN," is zijn conclusie. Maar, voegt hij eraan toe, deze berekeningen gaan voorbij aan het meest essentiële punt: "winsten gingen naar individuen en de kosten werden gedragen door de bevolking." De "kern van het systeem" is "maatschappelijke verliezen" in combinatie met "de mogelijkheid van voortdurende vooruitgang voor het kapitalisme" en voor de "particuliere schatkist van de handelsbourgoisie." Kort samengevat, kosten voor de samenleving, winsten particulier; dit is de te verwachten koers als de architecten van het systeem dezelfden zijn als degenen die de verwachte winsten zullen opstrijken.

Pearson stelt de hypothetische vraag, of er een "alternatieve ontwikkeling mogelijk zou zijn geweest die zou hebben geleid tot weerbaarheid tegen de overheersing van de Europeanen," en de daarmee gepaard gaande onderontwikkeling. Anders gezegd, hadden China, India en de overige landen die zuchtten onder het Europese juk, iets kunnen uitrichten tegen "de aan hen opgedrongen rol in de marge van de wereldeconomie, tegen onderontwikkeling en tegen het leed van de handelsimperia die later overgingen in nog veel erger onheil brengende koloniale imperia die werden gesteund door het economisch dominante West-Europa." 16

In zijn klassieke veroordeling van monopoliemacht en kolonisatie geeft Adam Smith nuttig commentaar op het Britse beleid waarbij hij soms hetzelfde te berde brengt als Arruda. Hij beschrijft dit beleid met enige ambivalentie en komt uiteindelijk tot de conclusie dat ondanks de grote voordelen die Engeland genoot door zijn koloniën en het monopolie op handel met hen, de praktijk zich op de lange termijn niet uitbetaalde, in Azië noch in Noord-Amerika. Zijn stelling is voornamelijk theoretisch; geschikte feiten waren niet voorhanden.

Maar hoe overtuigend argumenten voor de stelling ook zouden zijn, Smith's betoog maakt ook duidelijk waarom het daar niet om draait. Het opgeven van de koloniën mag dan "gunstiger zijn voor de overgrote meerderheid van de bevolking" van Engeland, is zijn conclusie "maar minder gunstig voor de handelaren dan het monopolie waarvan zij thans de vruchten plukken." Het monopolie, "hoewel een afschuwelijke belasting voor de koloniën, en hoewel het gunstig is voor de inkomsten van een bepaalde klasse mensen in Groot-Brittanië, verhoogt voor het overgrote deel van de bevolking de belasting in plaats van dat het deze verlaagt." De militaire kosten alleen al zijn een zware last, los van de effecten op investering en handel.

Voor een grote meerderheid van de Engelse bevolking zou het zo kunnen zijn dat het monopolie op Oost-Indië en de Noord-Amerikaanse koloniën inderdaad "dwaasheden" waren, zoals Smith beweert, die zelfs "afschuwelijke" gevolgen hadden voor de Engelse kolonisten. Maar voor "de bedenkers van dit hele handelssysteem," was het absoluut niet dwaas. "Onze handelaren en fabrikanten zijn verreweg de belangrijkste architecten geweest," en met hun belangen is in het systeem "op uitzonderlijke wijze rekening gehouden", en niet met de belangen van de consumenten en de werkende mensen. Met de belangen van de eigenaren van de 'aandelen met een gouden randje' van de Company en van anderen die rijkdommen verwierven die hun stoutste dromen te boven gingen, werd ook "op uitzonderlijke wijze rekening gehouden." De kosten werden gedragen door de samenleving, de winsten vloeiden in de schatkisten van de "belangrijkste architecten". Het beleid dat zij nastreefden was uitgaande van hun duidelijk omlijnde zelfbelang rationeel, hoe groot de schade voor anderen dan ook mocht zijn, bijvoorbeeld voor de algemene bevolking van Engeland. 17

De conclusie van Smith, dat "onder het huidige managementsysteem,… de heerschappij die Groot-Brittanië heeft over zijn koloniën het land niets dan verlies," oplevert, is uitermate misleidend. Als men kijkt vanuit de mogelijke beleidskeuzes dan was Groot-Brittannië geen eenheid. "De rijkdom van landen" is niet van belang voor de "architecten van het beleid," die, zoals Smith benadrukt, op hun eigenbelang uit zijn. De gevolgen voor het gewone volk zijn voor hen van net zo groot belang als het lot van de "louter wilden" die in de weg lopen. Als een "onzichtbare hand" in sommige gevallen ook voor anderen gunstig uitpakt, dan is dat bijzaak. Door zich in de discussie te richten op de "rijkdom van landen" en wat het "voor Engeland oplevert" gaat Smith voorbij aan de kern van het probleem, en mist hij de veel crucialere vragen over macht, alhoewel Smith er in zijn uitvoerigere discussie beperkingen en correcties aan toevoegt.
Deze cruciale beperkingen worden in de huidige ideologie in de handen van de moderne Smith-discipelen simpelweg weggelaten. Zo schrijft George Stigler in zijn inleiding van de 200-jarige herdenkingsuitgave van Smith's klassieker, dat "Amerikanen zijn ideeën over de Amerikaanse koloniën zeer leerzaam vinden. Het was zijn overtuiging dat er inderdaad sprake van uitbuiting was - maar van de Engelsen door de kolonisten." Waar Smith in werkelijkheid van overtuigd was, was dat de Engelsen werden uitgebuit door een "bepaalde klasse van mensen" in Engeland die de architecten van het beleid vormde ten behoeve van hun eigen belangen, en tevens een "afschuwelijke belasting" voor de koloniën. Door Smith's nadruk op de fundamentele klassentegenstellingen alsmede de cruciale gevolgen voor het beleid te veronachtzamen, worden zijn ideeën vervalst, en wordt een volledig verkeerde voorstelling gegeven van de feiten, alhoewel er een bruikbaar instrument wordt gecreëerd ter misleiding, in dienst van rijkdom en macht. Dit zijn de algemene kenmerken van het huidige debat over internationale zaken. En dat geldt voor veel meer kwesties: de veroordeling van de schadelijke effecten van het Pentagonsysteem op de economie, bijvoorbeeld, is op zijn best zeer misleidend als er geen nadruk op wordt gelegd dat voor de architecten van het beleid en de belangen die zij vertegenwoordigen (met name geavanceerde industrieën), de effecten nauwelijks schadelijk zijn geweest.
Het zou niet moeten verbazen dat maatschappelijk beleid heel vaak een steunproject voor de rijken en machtigen blijkt te zijn. Met name het imperiale systeem is één van de vele trucs waarmee de gewone bevolking haar meesters financieel begunstigt. En hoewel de studies over de kosten-effectiviteit van imperium en overheersing voor de rijkdom van "het land" academisch gezien interessant kunnen zijn, ze zijn van zeer marginaal belang voor de studie van beleidsvorming in maatschappijen, waarvan van het gewone volk wordt verwacht dat het zich niet met dit soort zaken bemoeit - dat wil zeggen, in alle bestaande maatschappijen.

Deze conclusies hebben echter een nog veel bredere toepasbaarheid. Zoals al aangegeven door het voorbeeld van het Pentagonsysteem, dezelfde overwegingen zijn toepasbaar op zowel binnenlands als internationaal beleid. Staatsmacht werd niet alleen aangewend om sommigen rijkdommen te verschaffen die hun stoutste dromen te boven gaan terwijl ze funest waren voor de onderworpen buitenlandse gemeenschappen, maar staatsmacht was ook van doorslaggevend belang voor het verankeren van een systeem van privileges in het eigen land. In het begin van het moderne Holland en Engeland legden de regeringen de infrastructuur voor de kapitalistische ontwikkeling, werden cruciale en kwetsbare industrieën (wol, visserij) beschermd en onderworpen aan nauwe regulering, en werd het geweldsmonopolie toegepast om een loon- en arbeidscultuur op te leggen aan voorheen onafhankelijke boeren. Eeuwen geleden "werden Europese gemeenschappen ook gekoloniseerd en geplunderd, minder catastrofaal dan in Noord- en Zuid-Amerika maar erger dan in Azië," (Thomas Brady): "De snelle economische ontwikkeling die op de Engelse manier werd bereikt, bleek extreem destructief, zowel voor de traditionele eigendomsrechten in Engeland als voor organisatiestructuren en culturen in de gehele wereld." Er voltrok zich een proces van "rurale pacificatie" in de zich ontwikkelende landen van Europa. "De massale onteigening van boeren, die in de meest extreme vorm eigenlijk alleen in Engeland plaatsvond," vormde waarschijnlijk de basis voor de snellere economische ontwikkeling aldaar. De Engelse boeren werden eigendomsrechten afgenomen, die ze in Frankrijk konden behouden, en werden gedwongen de arbeidsmarkt op te gaan; "het was juist de afwezigheid van [vrijheid en eigendomsrechten] die het begin van daadwerkelijke economische ontwikkeling in Engeland vergemakkelijkte," stelt Robert Brenner in zijn diepgravend onderzoek naar de bronnen van het Europese kapitalisme. Het gewone volk had redenen te over om zich te verzetten tegen de "mars van de vooruitgang," of om deze af te wenden in een andere richting ter bescherming of ter uitbreiding van andere waarden: "ideeën van gemeenschap, van samenzijn, van het geheel dat meer is dan de delen en van het algemeen welzijn dat het welzijn van slechts enkelen overstijgt." (Brady).

Dit soort ideeën bezielde de "enorme volksbewegingen" van het voor-kapitalistische Europa, schrijft Brady, en "bracht elementen van zelfbestuur in handen van de Gewone Man." Het veroorzaakte daarmee "minachting en soms angst bij de traditionele elites." De gewone mensen die streefden naar vrijheid en het algemene belang waren "ambachtslieden van stront," "gespuis" ("canaille"), die zouden moeten "sterven van de honger." Ze werden veroordeeld door Keizer Maximiliaan als "verdorven, grove, domme boeren, bij wie men geen deugden zal aantreffen, noch edel bloed, noch gepaste gematigdheid, maar slechts ongematigd vertoon, onbetrouwbaarheid, en vijandschap tegenover de Duitse natie"- de "anti-amerikanen" van die tijd. De democratische opleving in het Engeland van de 17e eeuw leidde tot een felle afkeuring van het "schorem van de grote massa," "de beesten in de vorm van mensen," "verdorven en corrupt." De theoretici van democratie in de twintigste eeuw adviseren dat "het volk zijn plaats gewezen moet worden," opdat de "verantwoordelijke mensen" "geen last hebben van het getrappel en het gebrul van een verwarde kudde," van "onwetende en bemoeizieke buitenstaanders" die enkel mogen fungeren als "geïnteresseerde toeschouwers van de gebeurtenissen", geen deelnemers. Zo nu en dan mogen ze zich uitspreken voor één van de leden van de leidersklasse (verkiezingen), om zich vervolgens weer met hun eigen zaakjes bezig te houden (Walter Lippmann). Het overgrote deel van de "onwetende en zwakzinnige" bevolking, moet zijn plaats kennen in het belang van allen, gevoed met "noodzakelijke illusies" en "emotioneel krachtige simplificaties" (Wilson's minister van Buitenlandse Zaken Robert Lansing, Reinhold Niebuhr). Hun "conservatieve" tegenhangers zijn slechts wat extremer in hun verering van de Verstandige Mensen die de rechtvaardige heersers zijn - in dienst van de rijken en machtigen, iets wat maar al te vaak wordt vergeten. 18

Het gepeupel moet de waarden der ondergeschiktheid en een bekrompen zucht naar persoonlijk gewin worden bijgebracht, binnen de door de instituten van de meesters bepaalde grenzen. Daadwerkelijke democratie, met georganiseerde burgers en participatie, is een gevaar dat moet worden bestreden. Ook dit zijn eeuwige thema's, die alleen van vorm veranderen.

De genuanceerde interpretatie van Adam Smith over de rol van de staat in de internationale handel is ook van toepassing op het thuisfront. Zijn lofzang op de "arbeidsdeling" in zijn inleidende woorden zijn overbekend: deze is de bron van "de grootste toename van de arbeidsproductiviteit en zij is dit des te meer naarmate zij met meer bekwaamheid en verstand wordt voorgeschreven of toegepast". Zij vormt de basis van de "rijkdom der landen." De belangrijkste verdienste van de vrije handel, stelt hij, is dat deze hieraan bijdraagt. Veel minder bekend is zijn afkeuring van de onmenselijke gevolgen van de arbeidsdeling wanneer deze haar natuurlijke grens bereikt. "Het geestelijk kunnen van de meeste mensen is een noodzakelijk gevolg van hun alledaagse werkzaamheden," schrijft hij, "de man die zijn leven vult met het verrichten van enkele eenvoudige handelingen, waarvan waarschijnlijk de resultaten eveneens altijd hetzelfde of bijna hetzelfde zijn, heeft geen gelegenheid om zijn verstand te gebruiken... en wordt gewoonlijk zo dom en onwetend als een menselijk wezen maar kan zijn... Maar in iedere hogere en beschaafde samenleving zal dit de toestand zijn, waarin de werkende armen, dat wil zeggen, de meerderheid van de mensen, noodzakelijkerwijze zullen vervallen tenzij de regering moeite doet dit te voorkomen." De maatschappij moet manieren zien te vinden om de duivelse gevolgen van de "onzichtbare hand" te vermijden.

Andere belangrijke personen uit de klassieke liberale traditie gaan veel verder. Wilhelm von Humboldt, die een grote invloed had op John Stuart Mill, beschrijft het "voornaamste grondbeginsel" van zijn denken, als "het absolute en essentiële belang van de ontwikkeling van de mens in zijn meest rijke diversiteit," een grondbeginsel dat niet alleen ondermijnd wordt door de beperkte zucht naar efficiency middels arbeidsdeling, maar bovenal door het begrip loonarbeid. "Al wat niet ontspringt aan de vrije wil van een persoon, of wat het resultaat is van instructie en begeleiding, maakt geen deel uit van zijn eigen natuur; hij vervult het niet met echte menselijke energie, maar slechts met mechanische juistheid"; als een arbeider werkt als gevolg van externe dwang, dan "kunnen we bewonderen wat hij maakt, maar we verachten wat hij is." 19

De bewondering van Smith voor de individuele ondernemer werd nog meer getemperd door zijn minachting voor "het verachtelijke principe van de heersers van de mensheid": "Alles voor onszelf, en niets voor andere mensen." Ofschoon het "lage" en "gierige" winstbejag van de meesters incidenteel iets kan opleveren is het slechts mysticisme om daarop te vertrouwen. Dit staat dan nog volledig los van een veel dieper geworteld onvermogen om het "voornaamste grondbeginsel" van het klassiek liberale gedachtegoed te begrijpen, dat door Humboldt benadrukt wordt. Wat van dit gedachtegoed in de hedendaagse ideologie overblijft, is een lelijk en misvormd beeld, uitgebroed in het belang van de meesters. 20

Centraliseren van de staatsmacht, toegespitst op de verrijking van enkelen en de uitoefening van gezag, en het rationeel en georganiseerd toepassen van geweld zijn twee van de blijvende kenmerken van de Europese verovering. Andere kenmerken zijn de kolonisatie van de eigen bevolking, als gevolg waarvan de armen de rijken ondersteunen, en de minachting voor democratie en vrijheid. Even hardnekkig zijn de zelfrechtvaardigingen waarmee plunderingen, slachtingen en onderdrukking in een mooi jasje worden gestoken.

Een vooraanstaand liberaal, die in 1840 in Oxford college gaf en bekend was met wat zich in Bengalen en de rest van India afspeelde, prees het "Britse beleid der koloniale verlichting," dat "contrasteert met dat van onze voorouders," die hun koloniën "onderwierpen om er bepaalde financiële voordelen voor henzelf aan over te houden," waar wij "hen financiële voordelen geven, en onszelf belastingen opleggen voor hun welzijn met als doel het voor hen interessant te maken om onder onze heerschappij te blijven, zodat wij het genoegen hebben hen te besturen." We "besturen hen louter door de kracht van ons karakter, zonder het gebruik van geweld," verklaarde Lord Cromer, de feitelijke bestuurder van Egypte van 1883 tot 1906: wij zijn hiertoe in staat omdat de Engelsen "het goed ontwikkelde vermogen bezitten om de sympathie en het vertrouwen te winnen van ieder primitief ras waarmee ze in contact zijn gekomen." Zijn collega, Lord Curzon, onderkoning van India, verkondigde: "In het Imperium hebben we niet alleen de sleutel gevonden voor roem en rijkdom, maar tevens het plichtsbesef en de middelen om de mensheid te dienen." De vroege Hollandse veroveraars waren er zeker van dat handelaren uit alle landen in groten getale bij de VOC zouden komen, omdat "de goede oude vrije levensgewoonten van ons land zeer geroemd worden." Het Zegel van de Gouverneur en de Company van Massachusetts Bay in 1629 wordt uitgebeeld door een Indiaan die smeekt "Kom en help ons." De geschiedenis puilt uit van de beschavingsmissies, liefdadigheidswerken, de goede zaak, humanitaire interventies, de wil van god etcetera. Als we de meesters van de onbaatzuchtigheid op hun woord moeten geloven dan is de hemel tot de nok toe gevuld. 21

En alle inspanningen zijn niet tevergeefs. Onder de welopgevoede klassen hebben de sprookjes over rechtvaardige missies en liefdadigheid het niveau bereikt van heilige waarheden en bij grote delen van de gewone bevolking lijkt dit eveneens het geval te zijn. In 1989 geloofde de helft van de Amerikaanse bevolking dat buitenlandse hulp het grootste deel van de overheidsbegroting besloeg. In werkelijkheid besteden de VS van alle geïndustrialiseerde landen hieraan het minste. In de begroting is buitenlandse hulp nauwelijks te bespeuren, een krenterige 0,21% van het Bruto Nationaal Product. Zij die hun oren laten hangen naar hun leermeesters zouden zelfs kunnen geloven dat "Cadillacs voor bijstandsmoeders" als eerstvolgende uitgave op de begroting staat. 22

De onderworpen volkeren hebben vreemde manieren om hun dankbaarheid te tonen. Voor de belangrijkste persoon van het moderne Indiase nationalisme, zou de "enige passende vergelijking" voor de Onderkoning "die met Hitler zijn." De ideologie van de Britse overheersing "was er een van het Herrenvolk en het heersersras," een idee dat "inherent is aan het imperialisme" en dat "door de autoriteiten in ondubbelzinnige taal werd uitgedragen". En zij bleek duidelijk in de dagelijkse praktijk. De Indiase bevolking werd onderworpen aan belediging, vernedering en minachtende behandeling." Nehru, schrijvend vanuit een Britse cel in 1944, ging niet voorbij aan de goede bedoelingen van de overheersers:

De bezorgdheid van de Britse industriëlen en economen om de Indiase boer was een ware zegening. Dit in overweging nemende, alsmede de liefhebbende zorg van de Britse Regering in India, kan men enkel en alleen tot de conclusie komen dat een almachtig en kwaadaardig lot, een bepaalde bovennatuurlijke instantie, hun goede bedoelingen en maatregelen heeft gedwarsboomd en van de boer in India een van de armste en meest beklagenswaardige wezens op aarde heeft gemaakt. 23

Nehru was een soort gentleman. Anderen hebben zich over dit soort dingen een stuk minder genuanceerd uitgelaten, hoewel de Westerse cultuur hiervoor grotendeels immuun is gebleven.
Het is niet helemaal eerlijk om te beweren dat er over gruweldaden nooit iets wordt gezegd. Een van de meest beruchte massamoordenaars was koning Leopold van België, verantwoordelijk voor de dood van misschien wel 10 miljoen mensen in de Kongo. Zijn bijdragen en gebreken zijn nauwkeurig vastgelegd in de Encyclopaedia Britannica. Hierin wordt geschreven over het "gigantische fortuin" dat hij vergaarde door "dit reusachtige gebied te exploiteren." In de laatste regel van het lange artikel staat: "maar hij was streng voor de inboorlingen van zijn verre bezit." Vijftig jaar later tikt Richard Cobban, in zijn History of Modern France, bij verstek Lodewijk XVI op zijn vingers omdat hij te kort schoot in het beschermen van de Franse belangen in West-Indië. Over de slavenhandel, waarop deze belangen berustten, wordt zo tussen haakjes ook nog een opmerking geplaatst: "de morele kant daarvan is tot op heden nog nauwelijks onderwerp van discussie." Daar valt geen speld tussen te krijgen. 24
De voorbeelden liggen voor het oprapen.

Verder naar Deel 2:

    2. "Het Vellen van Bomen en Indianen"
    3. Ongeëvenaarde goedertierendheid



Hyper-Noten

1   Höfer, Fünfhundert-järiche Reich. Zie Stannard, American Holocaust.
2   Stavrianos, Global Rift, 276.
3   Smith, Wealth of Nations, Bk. IV, Ch. VII, Pt. III (ii, 141); Bk. IV, Ch. I (i,470). Hegel, Philosophy, 108-9, 81- 2, 93-6; "de Duitse wereld" omvat vermoedelijk ook Noord-West Europa. Over het lot van de Geest-arme louter wilden, en de verdraaiingen, zie Jennings, Invasion; Lenore Stiffarm met Phil Lane in Jaimes, State; Stannard, American Holocaust.
4   Jan Carew, Davidson, Race & Class, Jan.-March 1992
5   Pearson, in Tracy, Merchant Empires, citeert Niels Steensgaard. Brewer, Sinews, xv, 64.
6   Keynes, A Treatise on Money, geciteerd door Hewlett, Cruel Dilemmas. Pearson, Brady, in Tracy, Merchant Empires (Andrews en Angus Calder (over de Kelten) geciteerd door Brady); Brewer, Sinews, 11, 169 (Brits-Hollandse oorlogen). Hill, Nation. Smith, Wealth, Bk. IV, Ch. II (i, 484f.); Bk. IV, Ch. VII, Pt. III (ii, 110ff.). Over de overdracht van de in de Keltische randgebieden ontwikkelde vaardigheden naar Noord-Amerika, zie Jennings, Invasion, Empire. Voor een levendige beschrijving van de Brits-Hollands-Portugese oorlogen, zie Keay, Honorable Company.
7   Ibid., 281; Parker, K.N. Chaudhuri (citeert Ibn Jubayr), in Tracy, Merchant Empires. Smith, Wealth, Bk. V, Ch. III (ii, 486). Zie ch. 1.2.
8   Tracy, Pearson, in Tracy, Merchant Empires.
9   Brewer, Sinews, xiiif., 186, 89f. 100, 127, 167.
10   Pearson, op. cit. Smith, Wealth, Ch. VII, Pt. III (ii, 110ff.); Bk. IV, Ch. II (i, 483).
11   Ibid., Bk. I, Ch. X, Pt. II (i, 150). Stigler, preface. Morris, American Revolution, 34. Over de oorlog in de Pacific, zie ch. 10, hieronder.
12   Keay, Honorable Company, 170, 220-1, 321; Parker, op. cit. Thompson en Garrett, Rise and Fulfillment of British Rule in India, 1935, geciteerd door Nehru, Discovery, 297.
13   Hartman en Boyce, Quiet Violence, ch. 1. Bolts, Considerations on Indian Affairs, 1772, geciteerd door Hartman en Boyce en door de editor van Smith, Wealth, ii, 156n. Ibid., Bk. I, Ch. VIII (i, 82); Bk. IV, Ch. V (ii, 33); Bk. IV, Ch. VII, Pt. III (ii, 153); Bk. IV, Ch. VII, Pt. II (ii, 94-5). Trevelyan, Bentinck, geciteerd door Clairmonte, Economic Liberalism, 86n., 98. Nehru, Discovery, 285, 299, 304.
14   De Schweinitz, Rise and Fall, 120-1, citeert economisch historicus Paul Mantoux (over de Actes) en Clapham's "voorzichtige" economische geschiedenis van Groot-Brittanië. Clairmonte, Economic Liberalism, 73, 87 (Wilson). Jeremy Seabrook, Race & Class, July-Sept. 1992. Hewlett, Cruel Dilemmas, 7.
15   Nehru, Discovery, 296-9, 284. Zie Clairmonte, Economic Liberalism, ch. 2, voor veel ondersteunend bewijs.
16   Arruda, Pearson, in Tracy, Merchant Empires.
17   Smith, Wealth, Bk. IV, Ch. VII, Pt. III (ii, 131-3, 147); Bk. IV, Ch. VIII (ii, 180-1).
18   Brady, in Tracy, Merchant Empires. Brenner, in Aston and Philpin, Brenner Debate, 62; zie met name ch. 10. DD, ch. 12.
19   Smith, Wealth, Bk. I, Ch. I (i, 7); Bk. V, Ch. I, Pt. III, Art. II (ii, 302-3). In de gedetaileerde index wordt onder de ingang "division of labor" geen vermelding gemaakt van Smith's veroordeling van de gevolgen. Humboldt, zie FRS.
20   Smith, Wealth, Bk. III, Ch. IV (i, 437).
21   Herman Merivale, geciteerd door Clairmonte, Economic Liberalism, 92. Cromer, Curzon, geciteerd door de Schweinitz, Rise and Fall, 16. Nederlandse Gouverneur-Generaal J. P. Coen geciteerd door Tracy, in Tracy, Merchant Empires, 10-11. Zegel, Jenning, Invasion, 228.
22   David Gergen, Foreign Affairs, America and the World, 1991-92.
23   Nehru, Discovery, 293, 326, 301.
24   Britannica, 9th edition, 1910; Cobban's 1963 History (vol. 1, 74), cited by Edward Herman, Z magazine, April 1992


Met dank aan Noam Chomsky.

Inhoud
Bibliografie en Afkortingen
NoamChomsky.com
Noam Chomsky Archive





Terug