Macht en Mening

Van Noam Chomsky

Dit artikel vormt het laatste hoofdstuk uit Chomsky's Deterring Democracy. De gehele versie met voetnoten verscheen in twee delen als bijlage bij Extra! nr. 4 en 5. Het is in papiervorm te bestellen door € 2,50 (incl. verzendkosten) over te maken op 52.85.56.304 t.n.v. Extra! onder vermelding van Macht en Mening.

Inhoudsopgave

1. De grimmige werkelijkheid
2. De verwarde kudde en haar herders
3. Geweldloze onderdrukking
4. Het pragmatisch criterium
5. Vele wegen leiden naar Rome
6. Het gepeupel

In zijn studie naar de Schotse intellectuele traditie stelt George Davie vast dat haar belangrijkste thema de erkenning van de fundamentele rol van de "aangeboren cognitieve concepten (natural beliefs) oftewel de principes van het gezonde verstand is, zoals het concept van een onafhankelijke buitenwereld, het concept van oorzaak en gevolg, het concept van absolute normen en het concept van de onafhankelijkheid van het bewustzijn." Aangenomen wordt dat deze principes een regulerend karakter hebben; hoewel ze nooit rotsvast zijn gefundeerd, verschaffen ze de basis voor het denken en het begrijpen. Davie wijst er op dat sommigen beweren dat ze een "een onherleidbaar mysterieus element" bevatten terwijl anderen hoopten ze rationeel te kunnen onderbouwen. Hierover is het laatste woord nog niet gesproken.1

Deze ideeën werden voor het eerst geopperd door 17e eeuwse filosofen als reactie op de door het scepticisme veroorzaakte crisis van die tijd, door weliswaar te erkennen dat er geen absolute basis is voor kennis maar dat we niettemin over methoden beschikken die kunnen leiden tot betrouwbare inzichten in de wereld en dat we deze inzichten kunnen verbeteren en toepassen - in wezen het standpunt van de moderne wetenschapper. Ieder weldenkend mens vertrouwt in het dagelijkse leven eveneens op de principes van het gezond verstand, zonder echter uit het oog te verliezen dat ze hun beperkingen kunnen hebben of misleidend kunnen zijn en hij hoopt ze te verfijnen of te wijzigen als zijn inzichten toenemen.

Dat de Schotse filosofie deze wending heeft genomen en de filosofie over het algemeen heeft geleerd de juiste vragen te stellen is volgens Davie te danken aan David Hume. Een vraagstuk dat Hume bezig hield is speciaal van belang voor het thema van dit hoofdstuk. Nadenkend over de 'Eerste Principes van het Regeren' vond Hume niets verbazingwekkender dan "het gemak waarmee de meerderheid wordt geregeerd door de minderheid en de stilzwijgende onderwerping waarmee mensen hun eigen verlangens en gevoelens ondergeschikt maken aan die van hun meesters. Als we onderzoeken op welke manier dit wonder tot stand wordt gebracht dan zullen we er achter komen dat, aangezien de geregeerden de machtsmiddelen tot hun beschikking hebben, de regenten geen andere steun hebben dan opinievorming. Regeringsmacht is om deze reden alleen op opinievorming gebaseerd en deze stelregel is ook geldig voor de meest despotische en gewelddadige regeringsvormen alsook voor de meest vrije en democratische."
Hume was een scherpzinnige waarnemer en met zijn paradox van het regeren slaat hij de spijker op zijn kop. Zijn inzicht verklaart waarom elites zo zijn gepreoccupeerd met indoctrinatie en gedachtecontrole, een belangrijk en grotendeels verwaarloosd thema in de moderne geschiedenis. "De burgers moeten hun plaats kennen," schreef Walter Lippmann zodat we "niet gestoord worden door het gestamp en het lawaai van de verwarde kudde" wiens enige "functie" het is om "langs de kantlijn geïnteresseerd toe te kijken" echter niet om deel te nemen. En als de staat niet de macht heeft om de kudde in bedwang te houden en de burgers hun stem verheffen dan is het noodzakelijk er voor te zorgen dat ze de juiste dingen roepen precies zoals gerespecteerde intellectuelen al vele jaren adviseren. 2

Naar aanleiding van Hume's analyse rijzen er een aantal vragen. Zijn vaststelling dat het volk de machtsmiddelen (waaronder geweld) tot zijn beschikking heeft is nogal dubieus. De werkelijkheid is een stuk grimmiger. Het grootste deel van de geschiedenis ondersteunt de tegenovergestelde these zoals deze een eeuw eerder werd geformuleerd door de voorstanders van de parlementaire democratie tegenover de monarchie maar, nog belangrijker, tegenover het volk: dat "De macht van het zwaard de grondslag is en altijd is geweest van iedere (aanspraak op) regeringsmacht."3 Geweld op basis van macht kent ook subtielere vormen waaronder een heel scala aan middelen om schade aan toe te brengen als men weigert zich te onderwerpen. Desondanks is Hume's paradox waar. Zelfs despotische macht is gewoonlijk gebaseerd op een zekere mate van instemming, maar het uit handen geven van rechten is het kenmerk van vrijere samenlevingen - een gegeven dat nader geanalyseerd dient te worden.

1. De grimmige werkelijkheid

Dat de waarheid ook een grimmiger kant heeft, wordt geïllustreerd door het lot van de sociale bewegingen gedurende de laatste tien jaar. In de satellietstaten van de voormalige Sovjet Unie regeerden de machthebbers door onderdrukking en niet door opinievorming. Toen de onderdrukking werd stopgezet stortten deze breekbare repressieve machtsstructuren snel en bijna zonder bloedvergieten in. Deze opmerkelijke successen hebben tot enige euforie geleid over de kracht van "liefde, tolerantie, geweldloosheid, de menselijke spiritualiteit en vergevingsgezindheid," aldus Vaclav Havel in een poging te verklaren waarom de politie en het leger er niet in zijn geslaagd om de Tsjechische opstand neer te slaan.4 Hoewel een troostende is dit een illusoire gedachte zoals zelfs de meest vluchtige blik op de geschiedenis laat zien. De belangrijkste oorzaak was niet een of andere nieuwe vorm van liefde en geweldloosheid. Van dat front was er geen nieuws. Het was veeleer het gevolg van het feit dat de Sovjet-Unie zich uit de regio terugtrok waardoor de door haar ingestelde dwangregimes ineenstortten. Zij die iets anders geloven kunnen hun licht opsteken bij de geest van aartsbisschop Romero en talloze anderen die hebben getracht het hoofd te bieden aan terreur door middel van spiritualiteit.

De recente gebeurtenissen in Oost- en Midden Europa staan in schril contrast met de historische norm. Gedurende de hele moderne geschiedenis hebben burgers, geïnspireerd door radicale democratische waarden, zich georganiseerd om onderdrukkende regimes te bestrijden. Soms slaagden deze volksbewegingen er in om hun vrijheden en rechten uit te breiden totdat ze tot staan werden gebracht. Vaak genoeg echter worden ze doodgewoon vermorzeld. Maar het is moeilijk een ander voorbeeld te verzinnen waarin de gevestigde orde zich zo gemakkelijk door het volk aan de kant liet zetten. Niet minder opmerkelijk is het gedrag van de heersende supermacht die deze ontwikkelingen niet alleen niet met geweld een halt heeft toegeroepen zoals in het verleden, maar ze, te samen met belangrijke interne veranderingen zelfs heeft aangemoedigd.

Illustratief voor de historische norm is het voorbeeld van Midden-Amerika waar iedere poging van het volk om de wrede dictaturen van de oligarchieën en de militairen omver te werpen stuitte op moorddadig geweld. Geweld dat werd gesteund of rechtstreeks werd georganiseerd door de dominante macht in dit werelddeel. Tien jaar geleden was er door de opkomst van zelfhulpgroepen, vakbonden, boerenorganisaties, christelijke basisgroepen en andere organisatieverbanden van burgers, die de voorhoede vormden op weg naar democratie en sociale hervormingen, nog enige hoop dat er een eind zou komen aan de inktzwarte tijden van terreur en ellende. Dit vooruitzicht leidde tot een keiharde reactie van de Verenigde Staten en haar cliënten die over het algemeen werd gesteund door de Europese bondgenoten. Deze reactie bestond uit een campagne van moord, marteling en algehele wreedheid waardoor samenlevingen overbleven die "getekend zijn door terreur en paniek", door "collectieve intimidatie en algehele angst" en door een "geïnternaliseerde acceptatie van de terreur," aldus een kerkelijke mensenrechtenorganisatie uit El Salvador (zie verderop). De eerste schreden om in Nicaragua de situatie van de arme meerderheid door middel van herverdeling van land en rijkdommen te verbeteren, beantwoordde Washington met economische en ideologische oorlogvoering en openlijke terreur om deze misdaden te bestraffen en de economie en het sociale leven te verwoesten.

De verlichte westerse publieke opinie beschouwt zulke resultaten als een succes als hierdoor het gevaar voor de heersende elites de kop in wordt gedrukt en er geschikte doelen worden uitgekozen: het en plein publique doden van vooraanstaande priesters is niet zo snugger, maar voorvechters van landbouwhervormingen en vakbondsleiders zijn daarentegen vogelvrij - en natuurlijk gewone boeren, indianen, en studenten. Kort na de moord op de Jezuïeten in El Salvador in november 1989, verstuurde AP correspondent Douglas Grant Mine een verslag met de titel "Tweede bloedbad in El Salvador maar nu onder burgers." Het bericht hoe soldaten een arbeidersbuurt binnentrekken, zes mannen oppakken, ze tegen een muur zetten en ze, nadat ze er voor de goede orde ook nog een 14-jarige jongen aan hadden toegevoegd, vermoordden. Zij "waren geen priesters of mensenrechtenactivisten," schreef Mine, "dus is hun dood bijna onopgemerkt voorbijgegaan" - net als zijn verslag overigens dat werd doodgezwegen. Wel beschouwd was dit gewoon weer een nieuwe episode in de wrede uitbarsting van marteling, verwoesting en moord die minister van buitenlandse zaken James Baker de volgende dag op een persconferentie prees als "zonder meer gepast" - hetgeen geen enkel commentaar uitlokte, het zoveelste bewijs van ons beschavingsniveau.
Mine vergist zich echter als hij denkt dat er wel aandacht wordt besteed aan de moord op geestelijken en mensenrechtenactivisten. Dit strookt niet met de werkelijkheid, hoewel men een al te brutale moord als onverstandig beschouwd.5
"In dezelfde week dat de Jezuïeten werden vermoord," schrijft Midden-Amerika correspondent Alain Nairn, "werden tenminste 28 andere burgers op vergelijkbare wijze vermoord." Onder hen bevonden zich de leider van de vakbond van het waterbedrijf, de leider van de organisatie van vrouwelijke academici, negen leden van een indiaanse landbouwcoöperatie en tien studenten. Bovendien leidt grondig onderzoek naar de moorden in El Salvador direct naar Washington.6 Dit alles is echter "zonder meer gepast" en is daarom niet de moeite waard om te vermelden of om je zorgen over te maken. En zo blijven de wreedheden zich week na week opstapelen.
Het verschil tussen de satellietstaten van de Sovjet-Unie en de VS is zo opvallend dat het een fikse dosis toewijding vereist om het niet te zien en buiten westerse intellectuele kringen beschouwt men het dan ook als een gemeenplaats. Een schrijver in het Mexicaanse dagblad Excelsior die beschrijft hoe de relaties tussen de VS en Latijns-Amerika verslechterden gedurende de jaren '80 becommentarieert het "opvallende verschil" tussen het gedrag van de Sovjet-Unie jegens haar satellietstaten en "het beleid van de VS op het westelijk halfrond waar starre onverdraagzaamheid, interventies en de toepassing van methoden die typisch zijn voor politiestaten van oudsher de acties van Washington kenmerken": "In Europa worden de Sovjet-Unie en Gorbatsjov geassocieerd met de strijd voor vrijheid van reizen, politieke rechten en respect voor de publieke opinie. In de Latijns-Amerikaanse landen worden de VS en Bush geassocieerd met willekeurige bombardementen op burgers, het opzetten, trainen en financieren van doodseskaders en met beleidsmatige massamoord" - een heel ander verhaal dan het verhaal dat wordt verteld in New York en Washington, waar de Verenigde Staten wordt gelauwerd als de "bron van inspiratie achter de triomf van de democratie in onze tijd" (New Republic).7 In El Salvador merkt de krant van de Jezuïtische universiteit op dat:

"Het zogenaamde 'democratische proces' in El Salvador veel kan leren van het vermogen tot zelfbeheersing waar de socialistische landen blijk van geven. Als Lech Walesa zijn vakbondswerk in El Salvador had gedaan dan zou hij reeds zijn toegevoegd aan de lijst van verdwenen mensen - door toedoen van 'tot de tanden toe gewapende mannen in burgerkleding' of aan stukken zijn gereten door een bomaanslag op het hoofdkwartier van de vakbond. Als Alexander Dubcek politicus in ons land zou zijn geweest dan zou hij zijn vermoord net als Héctor Oquel¡ [leider van de sociaal-democraten die in Guatemala werd vermoord door Salvadoraanse doodseskaders volgens de regering van Guatemala]. Als Andrej Sacharov zich hier had ingespannen voor de mensenrechten dan zou hij hetzelfde lot hebben ondergaan als Herbert Anaya [een van de vele vermoorde leiders van de onafhankelijke Salvadoraanse Mensenrechten Commissie CDHES]. Als Ota-ik of Vaclav Havel hun intellectuele arbeid in El Salvador hadden verricht dan zouden ze op een lugubere ochtend aangetroffen worden, liggend op een binnenplaats van het universiteitsterrein, hun hoofden verminkt door de kogels van een elite-eenheid van het leger."8

De vergelijking werd verder doorgetrokken tijdens een seminarie over het christelijke perspectief en de christelijke roeping die was georganiseerd door de Latijns-Amerikaanse Raad van Kerken in San José, Costa Rica en waar verslag van werd gedaan in Mexico's toonaangevende dagblad. De deelnemers vergeleken de positieve ontwikkelingen in de Sovjet-Unie en Oost-Europa met de situatie in Midden-Amerika, "die wordt gekenmerkt door VS-interventie en een politieke ruk naar rechts." De pastorale brief "Met de moed der wanhoop" die openbaar werd gemaakt aan het eind van de bijeenkomst voegde hier aan toe dat er in deze context in Midden-Amerika nog krachtiger militaire, institutionele, financiële, politieke en culturele machtsmiddelen zullen worden aangewend en de invloed van sommige kerken die 'onverschillig staan tegenover sociale problemen' zal toenemen 'met ernstige gevolgen voor de arme meerderheid.'" Er wordt waarschijnlijk verwezen naar de fundamentalistische en door de VS gesteunde kerken die de arme bevolking ervan proberen te weerhouden zich te ontworstelen aan dit uitzichtloze leven op aarde. De jaren tachtig "gaven in deze regio een opvallende groei te zien van de kloof tussen arm en rijk, een politieke ruk naar rechts en een conservatief economisch offensief." Het doel van het vredesplan voor Midden-Amerika was om "de Nicaraguaanse revolutie in een neoliberale democratie om te buigen en om regeringen zoals die in El Salvador in stand te houden." Als men hierin is geslaagd zullen de VS en de door de VS gesteunde regimes "de eisen" met betrekking tot mensenrechten en sociale rechtvaardigheid "hebben begraven".9

Dezelfde vergelijking werd gemaakt door de Guatemalteekse journalist Julio Godoy na een kort bezoek aan Guatemala. Hij was een jaar eerder gevlucht nadat het kantoor van zijn krant La Epoc was opgeblazen door staatsterroristen - een daad waaraan geen enkele aandacht werd besteed in de Verenigde Staten; hoewel de feiten bekend waren werd er geen aandacht aan geschonken. In dezelfde periode besteedden de media zeer veel aandacht aan het feit dat de door de VS gesponsorde krant La Prensa, die zich openlijk schaarde achter de door de VS geleide Contra-troepen die Nicaragua aanvielen, een artikel niet had kunnen publiceren door een gebrek aan krantenpapier, een misdaad die leidde tot heftige kritiek op het totalitarisme van de Sandinisten. Geconfronteerd met deze misdaad kan men van westerse commentatoren niet verwachten dat ze melding maken van het feit dat de door de VS gesteunde nationale veiligheidstroepen de enige onafhankelijke stem in Guatemala op de gebruikelijke manier het zwijgen hebben opgelegd. Dit is het zoveelste voorbeeld van de totale minachting voor persvrijheid in westerse kringen die verder wordt geïllustreerd door het stilzwijgen rondom de gewelddadige onderdrukking van de onafhankelijke pers in El Salvador eveneens door middel van staatsterreur, het routinematig verbieden van kranten onder absurde voorwendsels en het arresteren en martelen van journalisten in de door Israël bezette gebieden en soms in Israël zelf, het bestormen van het hoofdkantoor van een belangrijk radiostation in Zuid-Korea door de oproerpolitie om een vakbondsleider te arresteren op beschuldiging van het organiseren van arbeidersprotesten en andere bijdragen aan orde en goede manieren.10

Oost-Europeanen zijn "eigenlijk beter af dan de mensen in Midden-Amerika," schreef Godoy: "terwijl het door Moskou opgelegde regime in Praag hervormers degradeerde en vernederde, werden ze door de door Washington in het leven geroepen regering in Guatemala vermoord. Dit gebeurt nog steeds en heeft inmiddels de vorm aangenomen van een genocide die aan meer dan 150.000 mensen het leven heeft gekost (...) [wat door Amnesty International wordt omschreven als] een 'regeringsprogramma voor politieke moorden'." Dat is volgens hem "de belangrijkste verklaring voor de onbevreesdheid van de studenten tijdens de recentelijke opstanden in Praag: Het Tsjechoslowaakse leger volgt geen shoot to kill beleid.(...) In Guatemala, om maar te zwijgen van El Salvador, wordt ongebreidelde terreur toegepast om te voorkomen dat vakbonden en organisaties van boeren hun eigen weg gaan" - en om er zeker van te zijn dat de pers zich conformeert of verdwijnt, zodat de westerse liberalen zich niet hoeven te ergeren aan censuur in de "prille democratieën" die zij steunen. Er bestaat "een belangrijk onderscheid tussen de rol van de legers in het Oostblok en van de Sovjet-Unie enerzijds en die van de legers in Midden-Amerika en van de VS anderzijds." In de satellietstaten van de Sovjet-Unie zijn de legers "apolitiek en gehoorzamen ze de regering," terwijl in de satellietstaten van de VS "het leger de feitelijke macht heeft," en doen waarvoor ze decennia lang zijn getraind door hun buitenlandse voogd. "Men is geneigd te denken dat een aantal personen in het Witte Huis de goden van de Azteken aanbidden en aan hen het bloed van Midden-Amerikaanse burgers offert." Zij steunden regimes in El Salvador, Guatemala, en Nicaragua die "het makkelijk kunnen opnemen tegen Nicolae Ceausescu's Securitate bij het dingen naar de Wereld Wreedheidsprijs."

Godoy citeert een Europese diplomaat die zei dat "zo lang de Amerikanen hun houding jegens de regio niet veranderen er daar geen ruimte is voor de waarheid of voor hoop." En zeker geen ruimte voor geweldloosheid en liefde.

Men moet lang zoeken om dergelijke gemeenplaatsen in westerse commentaren aan te treffen. Hier vleien wij ons liever met betekenisloze vergelijkingen tussen Oost en West. Ook de afschuwelijke kapitalistische catastrofe van de afgelopen jaren is hier geen serieus onderwerp van discussie, een catastrofe die dramatische vormen aanneemt in Latijns-Amerika en andere door het rijke Westen gedomineerde gebieden, in de "interne Derde Wereld" in de Verenigde staten en in de "geëxporteerde sloppenwijken" van Europa. Noch is het verbazingwekkend dat er niet veel aandacht wordt besteedt aan het moeilijk te negeren feit dat het economische succesverhaal zoals gewoonlijk het resultaat is van de nauwe samenwerking tussen de staat en financieel-industriële conglomeraten, nog een teken van het failliet van het kapitalisme in de afgelopen 60 jaar. Alleen de Derde Wereld moet worden onderworpen aan de verwoestende krachten van het vrije markt kapitalisme opdat zij efficiënter kan worden geplunderd en uitgebuit door de machtigen der aarde.

Niet Oost-Europa maar Midden-Amerika vertegenwoordigt de historische norm. De observatie van Hume behoeft deze correctie. Desondanks is het belangrijk vast te stellen dat overheidsmacht is gebaseerd op onderwerping zonder geweld, ook al is geweld beschikbaar als laatste hulpmiddel.

2. De verwarde kudde en haar herders

In de afgelopen periode is Hume's inzicht nieuw leven ingeblazen en verder uitgewerkt, maar wel op grond van een belangrijk nieuw inzicht: het beïnvloeden van het denken (gedachte-controle) is belangrijker voor regeringen die vrij zijn gekozen dan voor despotische en militaire regimes. De logica hierachter is simpel. Een despotische staat kan haar binnenlandse vijanden onderdrukken met geweld. Als de staat echter dit wapen verliest dan zijn er andere middelen vereist om te voorkomen dat het onwetende volk zich gaat bemoeien met politieke zaken. Deze belangrijke aspecten van onze huidige politieke en intellectuele cultuur verdienen nader onderzoek.

Het probleem om "het volk op zijn plaats te houden" werd actueel naar aanleiding van wat een historicus "de eerste grote uitbarsting van het democratische gedachtegoed in de geschiedenis" heeft genoemd, de Engelse revolutie van de 17e eeuw.11 Het ontwaken van het volk leidde tot de vraag hoe men aan deze bedreiging het hoofd kon bieden.

De gevestigde orde beschouwde de libertaire ideeën van de radicale democraten als schandalig. Zij waren namelijk voorstander van onderwijs voor iedereen, van collectieve gezondheidszorg en van democratisering van de grondwet die door een van hen werd omschreven als een vos die het heeft gemunt op de ganzen, waarbij de armen de plaats van de ganzen innemen. Zij ontwikkelden een soort "bevrijdingstheologie" die, zoals historicus Clement Walker zo onheilspellend opmerkte, "het volk predikt in opstand te komen" met als doel "het rapaille op te zetten tegen alle mensen van goede stand en zich op allerlei manieren te organiseren tegen de adel, de gegoede burgerij, politici en juristen, kortom tegen alle welgestelde en vredelievende mensen." Vooral beangstigend waren de arbeiders die overal in het land toespraken hielden en om vrijheid en democratie vroegen, de populisten en de verspreiders van pamfletten waarin de heersende macht ter discussie werd gesteld. "Macht kan niet bestaan zonder mystificaties," waarschuwde Walker, mystificaties die "verborgen" moeten blijven voor het gewone volk: "Onwetendheid en de daaruit voortvloeiende adoratie zijn de bron van burgerlijke toewijding en gehoorzaamheid," een gedachte die later zou worden verwoord door Dostojevski's Grootinquisiteur. De radicale democraten "wezen het volk op de mystificaties en de geheime aspecten van macht," aldus Walker en hebben hierdoor "het volk zo nieuwsgierig en arrogant gemaakt dat het nooit meer genoeg nederigheid zal kunnen opbrengen om zich te onderwerpen aan een beschaafde vorm van macht." Het is gevaarlijk, was het angstige commentaar van een ander, wanneer "het volk zich bewust is van zijn kracht." Het gepeupel wilde niet meer worden geregeerd door een koning of door het parlement maar "door mensen zoals wijzelf die onze noden kennen." In hun pamfletten verklaarden ze verder "dat er nooit een betere wereld zal komen als ridders en de rijken wetten maken met de bedoeling om ons angst in te boezemen en ons te onderdrukken en niet geïnteresseerd zijn in de problemen van het volk."

Natuurlijk waren de mensen van goede stand ontzet door dit soort ideeën. Ze waren best bereid het volk meer rechten te geven mits binnen redelijke grenzen en volgens het principe dat "als we het over het volk hebben we niet de verwarde en ongedisciplineerde meerderheid van de mensen bedoelen." Nadat de radicale democraten waren verslagen schreef John Locke dat "dagloners en handwerkslieden, spinsters en melkmeisjes" moest worden verteld wat te geloven; "De meesten kunnen niet nadenken en moeten in plaats daarvan geloven."12

Net als John Milton en andere vrijdenkers uit die tijd had Locke een zeer beperkte opvatting over de vrijheid van meningsuiting. Op grond van de door hem opgestelde grondwet van Carolina was het voor iedereen verboden "om tijdens religieuze bijeenkomsten iets oneerbiedigs of opruiends over de regering, over bestuurders of over staatsaangelegenheden te zeggen." Volgens de grondwet had men de vrijheid om over "religieuze zaken te speculeren," maar mocht men geen politieke meningen verkondigen. Leonard Levy merkt op dat "Locke zelfs niet toestond dat men over staatsaangelegenheden discussieerde". De grondwet bepaalde verder dat "alle vormen van commentaar op en interpretatie van enig onderdeel van de grondwet of van enig onderdeel van het gewoonte- of geschreven recht van Carolina volstrekt verboden is." In zijn ontwerp voor het parlement over het afschaffen van de censuur in 1694 verdedigde Locke niet de vrijheid van meningsuiting maar beperkte hij zich tot de voor- en nadelen voor economische belangen.13 Toen de democratische dreiging was overwonnen en het vrijheidslievende gespuis uiteen was gedreven kon de censuur in Engeland worden afgeschaft omdat "de opiniemakers (...) zichzelf censureerde. Er werd niets gepubliceerd dat de rijken angst zou kunnen aanjagen," schrijft Christopher Hill. In een goed functionerende staatskapitalistische democratie zoals de Verenigde Staten wordt over het algemeen alles waar de elite vrees voor heeft angstvallig buiten de publieke arena gehouden - en soms met verbluffende resultaten.

Dergelijke ideeën vinden nog steeds veel weerklank, inclusief Locke's strenge dogma dat het gewone volk zelfs niet het recht heeft om over staatsaangelegenheden te discussiëren. Dit dogma is nog steeds een basisprincipe van moderne democratische staten en vindt tegenwoordig zijn uitdrukking in een heel scala aan middelen om de activiteiten van de staat te ontrekken aan nieuwsgierige blikken: de geheimhouding van documenten om staatsveiligheidsredenen die grotendeels zijn verzonnen, clandestiene operaties en andere maatregelen om het rapaille buiten de politieke arena te houden. Dit soort methoden krijgt vooral nieuwe impulsen tijdens een reactionair en op een geleide economie gebaseerd bewind zoals dat van Reagan en Thatcher. Dezelfde ideeën bepalen het werk en de verantwoordelijkheid van de intellectuelen. Zij dienen het beeld van de geschiedenis en het heden zo vorm te geven dat het in overeenstemming is met de belangen van de machtigen, en dat het volk zich niet roert maar doet wat het moet doen.

Tussen 1650 en 1660 werd het voor hen die aan de kant van het parlement en leger stonden overduidelijk dat het gepeupel niet te vertrouwen is. Dit bleek uit haar sluimerende gevoelens voor de monarchie en uit de onwil haar belangen te laten behartigen door de gegoede burgerij en het leger die zeiden "het echte volk te vertegenwoordigen", hoewel het gepeupel het daar uit onwetendheid niet mee eens was. Het gewone volk is een "onbezonnen menigte," en bestaat uit "beesten in de gedaante van mensen." Het is gerechtvaardigd ze te onderdrukken net zoals het gerechtvaardigd is "om het leven te redden van een krankzinnige of een verward persoon, zelfs tegen zijn wil." Als de mensen zo "verdorven and corrupt" zijn dat ze "macht en vertrouwen schenken aan slechte en incapabele personen, dan zullen ze hun macht moeten afstaan aan de weinige mensen die wel capabel zijn."14

De zinsnede 'weinige mensen die wel capabel zijn' kan verwijzen naar de gegoede burgerij of de industriëlen, of naar de Communistische Partij en het Centraal Comité, of naar de intellectuelen die te boek staan als "experts" omdat zij de consensus onder de machthebbers onder woorden brengen (om een van Henry Kissinger's inzichten te parafraseren).15 Zij leiden de grote bedrijven, de ideologische instituten en domineren de politieke instellingen of verlenen hen op verschillende niveaus hun diensten. Het is hun taak de verwarde massa's te leiden en ze in een toestand van stilzwijgende onderwerping te houden om zodoende het gevreesde verlangen naar vrijheid en controle over het eigen lot te onderdrukken.

Het waren dezelfde ideeën op grond waarvan de Spanjaarden in Amerika na 1492 begonnen aan wat Tsvetan Todorov "de grootste genocide uit de geschiedenis van de mensheid" noemt. Zij rechtvaardigden hun terreurdaden en onderdrukking met de argumenten dat de inboorlingen niet "beter in staat zijn zichzelf te regeren dan krankzinnigen of beesten, dat hun voedsel niet smakelijker en nauwelijks gezonder is dan dat van wilde beesten" en dat hun stompzinnigheid "veel groter is dan die van kinderen en gekken in andere landen" (Aldus professor/theoloog Francisco de Vitoria, "een van de kopstukken van het Spaanse humanisme in de zestiende eeuw"). Op grond hiervan is ingrijpen gerechtvaardigd "om zodoende het recht van voogdijschap te kunnen uitoefenen," aldus Todorov, die daarmee Vitoria's centrale gedachte samenvatte.16

Toen Engelse barbaren enige jaren later de taak overnamen, hanteerden zij vanzelfsprekend dezelfde ideeën tijdens het 'temmen van de wolven in mensengedaante' zoals George Washington de objecten omschreef die het oprukken der beschaving in de weg stonden en voor hun eigen bestwil moesten worden geëlimineerd. De Engelse kolonisten hadden de Schotse "wildemannen" al een soortgelijke behandeling gegeven, bijvoorbeeld toen Lord Cumberland, die bekend stond als "de slager," vernietigend te keer ging in de Schotse hooglanden, waarna hij zijn werk in Noord-Amerika zou voortzetten. 17

150 jaar later hadden hun afstammelingen Noord Amerika gezuiverd van deze inheemse plaag en hun aantallen, volgens sommige recente schattingen, van 10 miljoen tot 200,000 gereduceerd. Hierna begonnen zij aan hun beschavingsmissie op de Filippijnen. De bestrijders van de indianen, die president McKinley de taak had toebedeeld deze ongelukkige wezens te "kerstenen" en te "beschaven", ontdeden de bevrijde eilanden van enige honderden duizenden van hen en versnelden aldus hun hemelvaart. Ook zij waren bezig "misleidde wezens" te redden van hun ondergang door "naar Engels voorbeeld de inboorlingen af te slachten," zoals the New Yorkse pers hun pijnlijke verantwoordelijkheid omschreef, er aan toevoegend, dat we, "totdat ze geleerd hebben onze wapens te respecteren, de twijfelachtige eer in ontvangst moeten nemen die verbonden is met deze omvangrijke moordpartijen." Hierna volgt de "lastigere taak om ze te leren onze goede bedoelingen te respecteren."18 Dit is in grote lijnen de koers die de geschiedenis heeft genomen. En deze heeft er toe geleid dat een groot deel van de wereld is verwoest door de Europese plaag die wij beschaving noemen.

Aan het thuisfront werd het altijd actuele probleem duidelijk geformuleerd door de 17e eeuwse politieke denker Marchamont Nedham. De voorstellen van de radicale democraten zouden volgens hem tot gevolg hebben dat "incapabele personen, die kennis noch rijkdom bezitten aan de macht komen." Als je de mensen hun vrijheid geeft zal de "arrogante massa de minst ontwikkelde mensen" verkiezen. Deze zullen zich gaan toeleggen op het "uitmelken en castreren van de rijken," en de "kortste weg inslaan" naar "losbandigheid, rampspoed, anarchie en chaos."19 Deze sentimenten lopen als een rode draad door het politieke en intellectuele debat van de afgelopen eeuwen en zij worden steeds heviger aangezien sociale bewegingen er door de eeuwen heen door middel van strijd in zijn geslaagd de eisen van de radicale democraten te verwezenlijken. Hierdoor moesten er steeds geraffineerdere methoden ontworpen worden om het effect van deze bewegingen tot een minimum te beperken.

Na de Amerikaanse revolutie moest de opstandige en onafhankelijke boeren door middel van geweld worden geleerd dat ze de idealen zoals die waren geformuleerd in de pamfletten van 1776 niet serieus dienden te nemen. Het gewone volk mocht niet worden vertegenwoordigd door mensen als zijzelf die op de hoogte zijn van hun problemen. Dat was de taak van gegoede burgers, zakenmensen, juristen en andere machtige lieden, en hun dienaren. Jefferson en Madison geloofden dat de macht in handen moest zijn van de "natuurlijke leiders," schrijft Edmund Morgan, "mannen als zijzelf" die het eigendomsrecht zouden verdedigen tegen Hamilton's "papieren aristocratie" en tegen de armen; zij "beschouwden slaven, paupers en verarmde arbeiders als een continue bedreiging voor vrijheid en bezit."20 De heersende doctrine, zoals die werd geformuleerd door de 'Founding Fathers', luidt dat "de mensen die het land bezitten het ook moeten regeren" (John Jay). De opkomst van de grote bedrijven in de 19e eeuw en het maken van wetgeving waardoor zij het particuliere en openbare leven konden domineren, betekenden op een nieuwe en krachtige wijze de overwinning van de tegenstanders van een democratie door en voor het volk.

Revolutionaire strijd leidt regelmatig tot concurrentie tussen diegenen die streven naar de macht ondanks het feit dat ze gelijkgestemd zijn in hun verzet tegen radicale democratische aspiraties van het volk. Vlak nadat zij in 1917 de macht hadden gegrepen begonnen Lenin en Trotski met het ontmantelen van fabriekscomités en arbeidersraden met als doel socialistische tendensen een halt toe te roepen en af te schrikken. Aangezien Lenin een orthodoxe marxist was beschouwde hij het socialisme niet als een levensvatbare optie in dit achtergebleven en onderontwikkelde land. Tot aan zijn dood bleef het voor hem een "elementaire marxistische waarheid dat alleen de gemeenschappelijke inspanning van de arbeiders in een aantal ontwikkelde landen kan leiden tot de socialistische overwinning," in het bijzonder in Duitsland.21 In zijn wat mij betreft beste boek (Homage to Catalonia) beschrijft George Orwell hoe zich tijdens de Spaanse burgeroorlog een soortgelijk proces afspeelde, waar de fascisten, communisten en de Westerse democratieën waren verenigd in hun verzet tegen de libertaire revolutie die over een groot deel van het land raasde, en die pas met elkaar daadwerkelijk onderling de strijd aangingen nadat de volksbewegingen volledig waren onderdrukt. En zo zijn er nog veel meer voorbeelden te geven, waarbij op de achtergrond de verschillende grootmachten heel vaak een rol spelen.

Dit geldt met name voor de derde wereld. Een voortdurende zorg van Westerse elites is dat volksbewegingen de basis zouden kunnen leggen voor echte democratie en sociale hervormingen en zodoende de privé-belangen van de elite in gevaar brengen. Zij die er op uit zijn "om het rapaille te mobiliseren" en het volk te verleiden "zich te organiseren en een vuist te maken" tegen "de meest capabele mensen" moeten daarom worden onderdrukt of uit de weg geruimd. Het is dus geen verrassing dat aartsbisschop Romero moest worden vermoord vlak nadat hij er bij president Carter op had aangedrongen de militaire hulp aan de Salvadoraanse junta stop te zetten die, zo waarschuwde hij, de hulp zal gebruiken om "de onrechtvaardigheid en de repressie van burgers en hun organisaties te vergroten", burgers die strijden "voor de erkenning van de meest elementaire mensenrechten."

Ondanks de krampachtige pogingen deze feiten te verdoezelen had Romero de vinger precies op de zere plek gelegd. Het zou dan ook niemand moeten verbazen dat het dringende verzoek van Romero aan de Amerikaanse regering om "direct noch indirect te interveniëren op militaire, economische, diplomatieke of op enige andere wijze invloed uit te oefenen op lot van het Salvadoraanse volk" werd afgewezen. Wel kreeg Romero de belofte dat steun aan de militaire junta opnieuw zou worden bekeken, mocht er bewijs van 'misbruik bekend worden'. De aartsbisschop werd geliquideerd, en de veiligheidstroepen zetten zich aan hun taak om de volksbewegingen met allerlei mensonterend geweld te vernietigen. Het Rio Sumpul-bloedbad, dat door de loyale media werd verzwegen, was nog maar het begin.

Het zal ook geen verbazing schetsen dat de zelfbenoemde 'mensenrechten regering' van Carter naarmate de wreedheden toenamen geen enkel 'misbruik bekend' zag worden. Het verkrachten, martelen en vermoorden van Amerikaanse nonnen was de enige uitzondering die echter snel in de doofpot moest worden gestopt. Bovendien besteedden de media en de intelligentsia nauwelijks aandacht aan de moord op aartsbisschop Romero (een gebeurtenis die in de New York Times van geen enkel commentaar werd voorzien), en ze verdoezelden daarbij de medeplichtigheid van de gewapende troepen en de door de VS ingestelde burgerregering, - die als een dekmantel dient. Ze verzwegen de rapporten van kerkelijke groeperingen en mensenrechtenorganisaties over de groeiende staatsterreur, en beweerden zelfs dat 'Er geen duidelijk bewijs [is] dat de meeste van de naar schatting 10.000 politieke slachtoffers in 1980 het slachtoffer waren van regeringstroepen of van aan hen gelieerde ongeregelde troepen.' (Washington Post)22

Wanneer er een klus moet worden geklaard, dienen we ons daar zonder enig sentiment aan te wijden. Mensenrechtenkwesties komen vooral van pas als ze gebruikt kunnen worden als ideologisch wapen om vijanden te beschadigen of om het geloof in de edelmoedigheid van de staat te herstellen. Maar ze mogen niet interfereren met belangrijke zaken, zoals het uiteendrijven en in de pan hakken van het gepeupel dat georganiseerd in opstand komt tegen de privileges van de rijken.
Dezelfde toegewijde betrokkenheid bij de noodzakelijke terreur werd een decennium later onthuld, in maart 1990, toen de moord op aartsbisschop Romero in El Salvador werd herdacht met een indrukwekkende, drie dagen durende ceremonie. Via de telex kwam het bericht binnen dat "de armen, de nederigen en de vromen met duizenden toestroomden" om tijdens een mis in de kathedraal waar hij werd vermoord Romero's nagedachtenis te eren. Ze vulden het plein en de straten eromheen na een mars die werd geleid door 16 bisschoppen, waarvan er drie afkomstig waren uit de Verenigde Staten. Aartsbisschop Romero was door de Salvadoraanse kerk formeel voorgedragen voor heiligverklaring - het eerste vergelijkbare geval sinds Tomas à Becket meer dan 800 jaar geleden op het altaar werd vermoord.
Americas Watch publiceerde een rapport over het mensonterende decennium, dat heel symbolisch wordt begrensd door "deze twee gebeurtenissen - de moord op aartsbisschop Romero in 1980 en het afslachten van de Jezuïeten in 1989" - deze tien jaar "leggen op wrange wijze getuigenis af van de aanhoudende wreedheid van de machthebbers in El Salvador", mensen voor wie "het doden van priesters nog steeds de voorkeur heeft" omdat zij "de roep om verandering en rechtvaardigheid van een samenleving die van beide te weinig heeft simpelweg niet horen." In zijn preek zei Romero's opvolger, aartsbisschop Arturo Rivera y Damas, dat Romero als "spreekbuis van hen die monddood zijn, gewelddadig het zwijgen was opgelegd".23
De slachtoffers blijven zonder stem, en Romero wordt nog steeds verzwegen. Geen enkele hooggeplaatste functionaris van de regering Cristiani of van diens ARENA-partij woonde de mis bij, zelfs niet hun leider Roberto d'Aubuisson, van wie wordt aangenomen dat hij samen met de door de VS gesteunde veiligheidstroepen, verantwoordelijk is voor de moord. Ook de regering van de VS schitterde door afwezigheid. De ceremonie in El Salvador ging bijna onopgemerkt voorbij aan het land dat de moordenaars financiert en traint; ook herdenkingsbijeenkomsten in de Verenigde Staten zelf ontsnapten aan de aandacht van de nationale pers.24
Men zal zich niet meer hoeven schamen - als dat al gebeurde. Dit zal het laatste openbare religieuze eerbetoon aan Romero voor de komende decennia zijn, want de doctrine van de kerk verbiedt herdenking van kandidaten voor heiligverklaring. De algemene afkeer die er was voor de moord op Thomas à Becket noodzaakte koning Hendrik II, die indirect verantwoordelijk werd gehouden, tot boetedoening bij zijn graf. Men kan lang wachten op een gepaste herhaling van deze boetedoening, hetgeen symptomatisch is onze morele ontwikkeling sindsdien.
Georganiseerde burgers vormen een reële bedreiging voor de privileges van de elite, daarover is geen twijfel mogelijk. Erger nog, "het bederf kan zich verspreiden", in de terminologie van de politieke elite. Het succes van een onafhankelijke ontwikkeling die de noden van de mensen lenigt, zou wel eens een navolging kunnen krijgen.
Zoals eerder aangegeven, onthullen interne en zelfs openbare documenten dat de vrees dat het "virus" zich zou kunnen verspreiden en andere regio's zou kunnen "infecteren", een hoofdzorg is geweest van Amerikaanse beleidsmakers.
Op zich is dat niets nieuws. Europese staatslieden vreesden al dat de Amerikaanse revolutie "nieuwe kracht zou verlenen aan rebelse apostelen van de revolte" (Metternich), en dat de "invasie van en besmetting met verdorven principes" zich zouden verspreiden, zoals "de verderfelijke denkbeelden van republikanisme en zelfbestuur door het volk", zoals een diplomaten van de Tsaar waarschuwde. Een eeuw later waren de rollen omgedraaid. Woodrow Wilsons minister van binnenlandse zaken, Robert Lansing, vreesde dat het "onwetende en onbekwame deel van de mensheid zou heersen op aarde" als de bolsjewistische ziekte zich zou verspreiden. De bolsjewieken, vervolgde hij, deden een beroep "op het proletariaat aller landen, op de onnozelen en zwakzinnigen, die geïnspireerd door de macht van hun getal zelf de macht willen grijpen, (…) een zeer reëel gevaar gezien de toename van de sociale onrust over de hele wereld."
Wederom is het de democratie die een ontzaglijke bedreiging vormt. Toen in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog korte tijd soldaten- en arbeidersraden werden gevormd, vreesde Wilson dat "de Amerikaanse neger [soldaten] die uit den vreemde terugkeren" hierdoor op gevaarlijke ideeën zouden kunnen worden gebracht. Hij had reeds vernomen dat zwarte wasvrouwen meer eisten dan het gangbare loon met het argument: "dat geld is net zoveel van mij als van jou". Naast allerlei andere rampen, vreesde hij dat zakenlieden zich zouden moeten neerleggen bij het feit dat er arbeiders in de raad van bestuur zouden deelnemen, als het Bolsjewistische virus niet zou worden uitgeroeid.
Met deze onheilspellende mogelijke gevolgen in het achterhoofd werd de Westerse inval in de Sovjet-Unie gerechtvaardig als zelfverdediging tegen "het gevaar die de Revolutie vormde (…) voor het absolute voortbestaan van de kapitalistische orde" (John Lewis Gaddis). Het lag voor de hand dat na de inval in de Sovjet-Unie, 'de verdediging' van de Verenigde Staten zich zou uitbreiden naar het binnenlandse Rode Gevaar. Er moest, zoals Lansing verklaarde, geweld worden gebruikt om te voorkomen dat "de leiders van het bolsjewisme en de anarchie" doorgingen met "het volk op te zetten of het te organiseren tegen de regering van de Verenigde Staten"; de regering mag niet toestaan dat "deze fanatici de vrijheid genieten die zij proberen te vernietigen." De repressie die door de regering van Wilson werd toegepast, was succesvol in het ondermijnen van democratische principes, vakbonden, persvrijheid en onafhankelijk denken, in het belang van de macht van het bedrijfsleven en de regeringen die haar belangen behartigen. Dit gebeurde met brede instemming van de media en de elites in het algemeen, en dat allemaal als zelfverdediging tegen de "onnozele en zwakzinnige" meerderheid. Na de Tweede Wereldoorlog werd in grote lijnen hetzelfde verhaal opgedist, opnieuw onder het voorwendsel van een Sovjet dreiging, terwijl het er in werkelijkheid om ging om de onderwerping aan de heersers te herstellen.25
Men beseft zich vaak niet hoe fundamenteel en diepgeworteld de verachting en de angst voor democratie zijn in de elitecultuur.
Toen in de jaren '60 het politieke leven en het onafhankelijke denken opleefden, was de reactie dezelfde. De Trilaterale Commissie, een initiatief dat de liberale elites van Europa, Japan en de Verenigde Staten samenbracht, waarschuwde voor een dreigende "crisis van de democratie", doordat maatschappelijke groepen probeerden om de politieke arena te betreden. Deze "overdaad aan democratie" vormde een bedreiging voor de ongehinderde heerschappij en privileges van de elites - voor datgene wat in de politieke theologie 'democratie' wordt genoemd. Het was het aloude probleem van het gepeupel dat probeerde haar eigen zaken te regelen, door zeggenschap te verkrijgen over haar gemeenschappen en haar politieke eisen door te drukken. Aangemoedigd door de strijd voor vrijheid en onafhankelijkheid van de onverlichte massa's elders in de wereld, waren jongeren, etnische minderheden, vrouwen, maatschappelijke organisaties en anderen bezig zich te organiseren. De democratie moet "meer matiging betrachten," concludeerde de Commissie. Misschien moesten we wel terug naar de tijd dat "Truman in staat was het land te regeren met de medewerking van een relatief klein aantal advocaten en bankiers van Wall Street", zoals de Amerikaanse afgevaardigde opmerkte.26
Irving Kristol voegt daaraan toe dat "onbelangrijke landen, net als onbelangrijke mensen, snel overmoedig worden en denken dat ze wat voorstellen." Maar als vooraanstaand neoconservatief heeft hij niet het geduld om met zachte hand een draagvlak te creëren. De zachte hand is hoe dan ook niet bedoeld voor de onbelangrijke mensen buiten de grenzen van de Westerse samenlevingen. Dus moet het waanidee dat ze wat voorstellen met geweld uit hun hersens verdreven worden: "In werkelijkheid is de tijd van de 'kanonneerbootdiplomatiek' nooit voorbij. (…) Kanonneerboten zijn net zo noodzakelijk voor de internationale orde als politieauto's dat zijn voor de binnenlandse orde."27

Dit soort opvattingen brengen ons bij de regering Reagan, die een bureau voor staatspropaganda in het leven riep (Office of Public Diplomacy), verreweg het meest zorgvuldig voorbereide en uitgewerkte in haar soort uit de Amerikaanse geschiedenis. De voorstanders van een machtige en interveniërende staat, waren daar zeer over te spreken. In het huidige politieke discours zijn zij de 'conservatieven', hetgeen een staaltje taalmisbruik van de eerste orde is. Toen het bureau bekend werd, omschreef een hoge functionaris het als een instituut dat opereert in "vijandelijk gebied - hetgeen duidelijk de heersende mening van de elite over de bevolking verraad. De 'vijand' moest volledig onderworpen worden. Het toenemende succes van maatschappelijke bewegingen had zelfs tot gevolg dat de overheid gedwongen werd ondergronds te gaan en gebruik moest maken van illegale terreur. Dit in tegenstelling tot de presidenten Kennedy en Johnson die de toepassing van geweld gewoon in het openbaar konden aankondigen en uitvoeren, hetgeen natuurlijk veel efficiënter is.
De zorgen zoals die door 'mensen van de hoogste stand, in de zeventiende eeuw al tot uitdrukking werden gebracht, zijn een hoofdthema geworden in het hedendaagse intellectuele discours, in kringen van het bedrijfsleven en binnen de sociale wetenschappen. Deze zorgen werden onder andere verwoord door de invloedrijke moralist en adviseur buitenlandse zaken Reinhold Niebuhr die zeer werd bewonderd door George Kennan, de Kennedy-intellectuelen en vele anderen. Hij schreef dat "rationaliteit toebehoort aan koele waarnemers", terwijl de gewone mens niet de rede volgt, maar het geloof. De koele waarnemers, zo legt hij uit, moeten de "domheid van de gewone mens" onderkennen en zorgen voor de "noodzakelijke illusies" en "emotioneel krachtige oversimplificaties", zodat de onnozelen der aarde op het rechte pad blijven. Net als in 1650 blijft het ook nu noodzakelijk om de "idioot of verwarde persoon", het onwetende gespuis, te beschermen tegen hun "verderfelijke en onbetrouwbare" oordeel, zoals je een kind de straat niet laat oversteken zonder begeleiding.28

De heersende mening is dat de democratie niet in het gedrang komt wanneer het systeem voor informatievoorziening door slechts enkele bedrijven beheerst wordt: sterker nog, dat is de essentie van de democratie. Edward Bernays, een vooraanstaand persoon uit de public relationssector, brengt dat zo onder woorden: "de essentie van het democratisch proces" is "de vrijheid om te overtuigen en te suggereren", of zoals hij het noemt "het construeren van instemming" (het 'creëren van draagvlak', zoals wij dat in Nederland noemen, noot vertalers). Wanneer die vrijheid om te overtuigen toevallig rust in slechts enkele handen, dan moeten we accepteren dat dat inherent aan een vrije samenleving is. Om het juiste klimaat voor het bedrijfsleven in stand te houden heeft de public relationssector vanaf het begin van de twintigste eeuw kosten noch moeite gespaard, om "het Amerikaanse volk te scholen in economisch onomstotelijke feiten". Het is de taak van die sector om "het openbare denken" te beheersen, hetgeen "de enige serieuze bedreiging vormt voor het bedrijfsleven", zo merkte een directeur van AT&T tachtig jaar geleden op. En momenteel beschrijft de Wall Street Journal vol enthousiasme de "gezamenlijke inspanningen" van het Amerikaanse bedrijfsleven om op grote schaal "de houding en de waarden van de arbeiders te veranderen" door middel van "New Age-workshops" en andere hedendaagse methoden van indoctrinatie en afstomping die werden ontworpen om de "apathie van de arbeider" te veranderen in "loyaliteit aan het bedrijf".29 Dit is vergelijkbaar met het werk dat de volgelingen van de Moon-sekte en christelijke evangelisten verrichten om te verhinderen dat de boeren in Latijns-Amerika zich organiseren en dat de kerk opkomt voor de armen. Hierin worden zij bijgestaan door inlichtingendiensten en de daarmee nauw verbonden internationale ultra-rechtse organisaties.

Bernays gaf in een pr-handboek uit 1928 precies aan waar het om gaat: "De bewuste en intelligente manipulatie van de gewoonten en denkbeelden van de massa is een belangrijk onderdeel van een democratische samenleving. (…)De intelligente minderheid moet continu en systematisch gebruik maken van propaganda." Gezien haar enorme en beslissende macht is de in hoge mate klassenbewuste economische elite van de Verenigde Staten in staat geweest deze lessen effectief toe te passen. Bernay's pleidooi voor propaganda wordt aangehaald door Thomas McCann, hoofd public relations van de United Fruit Company, waarvoor Bernays hand- en spandiensten leverde toen de basis werd gelegd voor de omverwerping van de Guatamalteekse democratie in 1954, een belangrijke overwinning voor de bedrijfspropaganda dankzij de bereidwillige medeplichtigheid van de media.30

'De intelligente minderheid' heeft reeds lang begrepen dat dit haar functie is. Walter Lippmann beschreef de "revolutie" die "heeft plaatsgevonden in de democratische praktijk" waardoor "het creëren van draagvlak" zich heeft ontwikkeld tot "een volwassen discipline en nu een gangbaar instrument is geworden binnen de democratie." Dit is de normale ontwikkeling wanneer men niet kan vertrouwen op de publieke opinie:

"Door de afwezigheid van instituten en scholing die een correct beeld van de maatschappij geven en zodoende een duidelijk onderscheid maken tussen de belangrijke zaken en zelfzuchtig eigenbelang, raakt het algemene belang volledig ondergesneeuwd in de publieke opinie. Het algemene belang moet gestuurd worden door een gespecialiseerde klasse wier persoonlijke belangstelling verder reikt dan de lokale belangen"

en die aldus in staat is te zien wat 'werkelijk van belang is'. Dit zijn de mensen van hogere stand, die als enigen in staat zijn om vorm te geven aan sociaal en economisch beleid.

Daaruit volgt dat, als het om verantwoordelijkheid gaat, er onderscheid moet worden gemaakt tussen twee politieke groepen, vervolgt Lippmann. Ten eerste is er de verantwoordelijkheid van de gespecialiseerde klasse, de 'insiders', de 'verantwoordelijke mensen', zij die toegang hebben tot informatie en beschikken over inzichten. In het ideale geval hebben zij een speciale opleiding gevolgd voor een openbare functie, en zich de richtlijnen voor het oplossen van maatschappelijke problemen eigen gemaakt; "Voor zover deze richtlijnen nauwkeurig en objectief bepaald kunnen worden, wordt politieke besluitvorming feitelijk in verband gebracht met de belangen van mensen." De "mensen met een openbare functie" moeten verder "het voortouw nemen in de opinievorming" en zorgen dat er "een deugdelijke publieke opinie tot stand komt. (…) Zij sturen, zij beheren, zij regelen" en moeten worden beschermd tegen "onwetende en bemoeizuchtige buitenstaanders", te weten de gewone bevolking, die niet in staat is "de essentie van de problemen te bevatten." De voor het regeren noodzakelijke richtlijnen zijn het bevredigen van materiële en culturele noden, en niet het "zelfzuchtig eigenbelang dat op toevallige wijze de aandacht opeist van de mensen." Wanneer ze zich eenmaal de richtlijnen voor politieke besluitvorming hebben eigen gemaakt, zal de gespecialiseerde klasse, afgeschermd van openbare bemoeizucht, het algemene belang dienen - middels een web van mystificaties gesponnen door sociale wetenschappers en politiek-analisten en dat ook wel het 'nationale belang' wordt genoemd.

Ten tweede is er de verantwoordelijkheid van de bevolking. "De taak van het volk", zoals Lippmann dat noemt, is een stuk bescheidener. Het is niet aan de bevolking om "een oordeel te geven over de intrinsieke waarde" van een bepaalde kwestie, noch om een analyse of een oplossing te geven, maar louter om zo nu en dan "haar macht ter beschikking te stellen" van de ene of de andere groep "verantwoordelijke mensen." Het volk "denkt niet logisch, onderzoekt niet, vindt niet uit, overtuigt niet, komt niet tot akkoorden en regelt niet." Nee, "het volk handelt slechts". Nadat het zich op oppervlakkige wijze op de hoogte heeft gesteld, "mag het zich ter ondersteuning aansluiten bij een persoon die in een positie verkeert om leiding te geven". Om deze reden "moet het volk in het gareel gehouden worden." De verwarde kudde, trappelende en luidruchtig, "heeft haar functie": die van "de geïnteresseerde toeschouwers van het gebeuren". Deelnemen is de taak van "de verantwoordelijke mensen".31

Deze opvattingen, die door de uitgever van Lippmann werden bestempeld als een progressieve "politieke filosofie van de liberale democratie", komen onmiskenbaar overeen met het leninistische concept van de voorhoedepartij die het volk moet leiden naar een beter leven, waarvan het zich geen voorstelling kan maken, en die zij al helemaal niet in staat is te realiseren. Het is inmiddels duidelijk dat de ene doctrine vloeiend overgaat in de andere. Het belangrijkste verschil ligt in de beoordeling van de kansen om macht te vergaren: ofwel door gebruik te maken van de strijd van de volksmassa's, of door middel van dienstbaarheid aan de huidige heersers.
Het is zonneklaar dat er achter de voorstellen van Lippmann en anderen, een verzwegen aanname zit: namelijk dat de gespecialiseerde klasse de gelegenheid krijgt om het maatschappelijk leven te bestieren op voorwaarde dat ze zich onderwerpen aan degenen met de werkelijke macht - in een samenleving als de onze is dat het bedrijfsleven. Dit is een belangrijk gegeven dat zij die uitverkorenen zijn, in hun zelfverheerlijking het liefst negeren.

Lippmann's ideeen over deze kwesties dateren van vlak na de Eerste Wereldoorlog, toen de liberale intellectuelen erg onder de indruk waren van hun rol als "de loyale en hulpvaardige vertolkers van een van de grootste waagstukken, die ooit door een Amerikaanse president werd ondernomen" (New Republic). Dit waagstuk bestond in het misbruik dat Woodrow Wilson maakte van zijn electorale mandaat. Hij greep zijn verkiezingszege, die hij dankte aan de leuze een 'vrede zonder overwinning', aan om een 'overwinning zonder vrede' na te streven. Dit gebeurde met behulp van de liberale intellectuelen die zichzelf later lof toezwaaiden omdat ze, door middel van propagandaverhaaltjes over Attilla de Hun-achtige wreedheden, "hun wil hadden opgelegd aan een terughoudende of onverschillige meerderheid". Zij dienden, vaak ongewild, als instrumenten van het Britse Ministerie van Informatie, dat zich in het geheim tot doel had gesteld: "het denken te beïnvloeden van het grootste deel van de wereld."32

Vijftien jaar later verklaarde de invloedrijke politieke wetenschapper Harold Lasswell in de Encyclopaedia of the Social Sciences dat wanneer het de elite ontbreekt aan het vereiste geweld om gehoorzaamheid af te dwingen, de machthebbers gebruik moeten maken van "een nieuwe vorm van bestuur, die voornamelijk gebaseerd is op propaganda". Hij voegde er de gangbare rechtvaardiging aan toe, dat we doordrongen moeten zijn van de "onwetendheid en de domheid van de massa", en niet moeten toegeven aan "democratische dogma's, zoals het dogma dat de mensen zelf het beste weten wat belangrijk voor hen is." Dat weten ze namelijk niet, en daarom moeten wij ze leiden voor hun eigen bestwil. Dezelfde principes vindt men terug in het bedrijfsleven. Soortgelijke ideeën zijn ontwikkeld door vele anderen, en het is in de praktijk gebracht in de ideologische instituten: scholen, universiteiten, de media, de elitebladen, enzovoort.
Het bekritiseren van dit soort ideeën wekt verwarring en soms woede. Dit gebeurde onder andere toen de studenten in de jaren zestig allerlei kritische vragen begonnen te stellen en op onderzoek uitgingen buiten de voor hen uitgestippelde paden, in plaats van zich simpelweg neer te leggen bij de heersende machtsverhoudingen. De pretentie dat het bolwerk te beschermen tegen de woeste aanvallen van barbaren, momenteel een geliefde pose, is nauwelijks meer dan een komisch bedrog.

De lessen van Lippmann, Lasswell en anderen zijn volkomen natuurlijke in samenlevingen waar sprake is van grote machtsconcentraties, maar waarin gewone mensen in theorie formele democratische mechanismen ter beschikking staan die hen de mogelijkheid bieden een rol te spelen in het vormgeven van de maatschappij - een gevaar dat zonder meer moet worden verijdeld.
De technieken waarmee draagvlak wordt gecreëerd zijn het verst ontwikkeld in de Verenigde Staten. Deels omdat de VS in sterkere mate wordt beheerst door het bedrijfsleven dan welk van haar bondgenoten ook. Maar ook omdat de VS in een aantal opzichten veel vrijer is dan welke andere samenleving ook, als gevolg waarvan de onwetende en domme massa potentieel gevaarlijker is dan elders in de wereld. Maar net als in het verleden zien we hetzelfde gebeuren in Europa, nu geïntensiveerd doordat de Europese varianten van het staatskapitalisme nog niet zo zijn gevorderd als VS, in het uitschakelen van vakbonden en andere obstakels voor het bedrijfsleven. Het steeds terugkerende probleem is dat als de staat het vermogen verliest om de bevolking met geweld te beheersen, de beschaafde delen van de maatschappij andere methoden moeten bedenken om ervoor te zorgen dat het gepeupel uit de openbare arena verwijderd wordt.

De onbelangrijke landen moeten aan de methoden worden onderworpen als de onbelangrijke mensen. De Liberale duiven houden vol dat mensen vrij en onafhankelijk moeten zijn, maar niet zo vrij om een keuze te maken die zij als onverstandig of schadelijk voor hun belangen beschouwen,33 een equivalent dus van het heersende idee waarbij democratie een vorm van beheersing van de bevolking is. Aan het andere eind van het spectrum vinden we de 'conservatieven' die wat sneller geneigd zijn de methoden van Kristol toe te passen: kanonneerboten en politieauto's.

Een goed functionerend indoctrinatiesysteem heeft een veelheid aan taken, waarvan sommige nogal complex zijn. Een van de doelwitten is de domme en onwetende massa. De mensen moeten dom en onwetend gehouden worden door ze af te leiden, te marginaliseren, te isoleren en aan het lijntje te houden, door middel van 'emotioneel krachtige oversimplificaties. In het ideale geval zitten alle mensen alleen voor de buis en laten zich vermaken door sportprogramma's en soapseries, zonder enige vorm van organisatie. Voor een persoon met beperkte middelen, is een organisatie het belangrijkste middel om in interactie met anderen te ontdekken wat men zelf denkt en vindt, onder woorden te brengen wat de zorgen en problemen zijn en om op basis daarvan een alternatief te formuleren en te handelen. Bij het ontbreken van organisaties is het toegestaan, en wordt het zelfs gestimuleerd, om de besluiten van hun leiders in periodieke verkiezingen goed te keuren. Het gepeupel is het eigenlijke doel van de massamedia en van een openbaar onderwijssysteem dat is gericht op gehoorzaamheid en op het aanleren van de noodzakelijke vaardigheden, waaronder de vaardigheid om zo nu en dan patriottische leuzen na te bouwen.

Om van onderworpenheid een betrouwbare gewoonte te maken, moet ze zich in elk domein van de samenleving verankeren. Het volk moet toeschouwer zijn, geen deelnemer. Het volk moet zowel de consument van de heersende ideologie zijn als het product ervan. Eduardo Galeano schrijft dat "de meerderheid wordt gedwongen te berusten in de consumptie van een een fantasie. Illusies van rijkdom worden verkocht aan de armen, illusies van vrijheid worden verkocht aan de onderdrukten , de droom van de overwinning aan de verslagenen en de droom van macht aan de zwakken."34 Niets anders volstaat.

Het indoctrinatieprobleem ligt wat anders voor degenen van wie verwacht wordt dat ze zich bezighouden met serieuze besluitvorming en beleid: dat wil zeggen voor de bedrijfs-, staats- en cultuurmanagers en anderen die hun steentje bijdragen aan de publieke meningsvorming. Zij moeten de normen en waarden van het systeem internaliseren en de noodzakelijke illusies delen die het hen mogelijk maken te functioneren in het belang van de elites en hun privileges - op zijn minst moeten zij cynisch genoeg zijn om te doen alsof, een kunst die niet iedereen zich eigen kan maken.

Maar zij moeten ook iets van de werkelijke gebeurtenissen in deze wereld begrijpen, anders zijn ze niet in staat hun taken effectief uit te voeren. De media en het onderwijssysteem moeten tussen deze dilemma's door laveren. Dat is geen makkelijke opgave, gezien de interne tegenstellingen. Hoewel het fascinerend is om te zien hoe dit wordt aangepakt, ligt het buiten de reikwijdte van deze tekst.

In eigen land is een grote verscheidenheid aan technieken nodig om 'instemming te construeren', afhankelijk van het beoogde publiek en de plaats in de rangorde. Voor de laagste klasse en voor de onbelangrijke volkeren in het buitenland zijn andere middelen beschikbaar. Een vooraanstaand Amerikaanse socioloog van rond de eeuwwisseling, Franklin Henry Giddins, noemde dat "instemming zonder instemming": "Wanneer in de toekomst [de gekolonialiseerden] inzien en toegeven dat de omstreden relatie in het algemeen belang was, kan men gevoeglijk stellen dat de macht werd opgelegd met instemming van de onderworpenen", zoals wanneer een ouder een niet-begrijpend kind disciplineert. Giddings verwees naar de "misleide schepselen" die wij voor hun eigen bestwil maar met tegenzin op de Filipijnen aan het uitmoorden waren.35

Zoals eerder aangegeven zijn de bolsjewistische ondertonen overduidelijk. Er zijn belangrijke verschillen tussen de twee politieke systemen, maar ook treffende overeenkomsten. Lippmann's "gespecialiseerde klasse" en Bernays' "intelligente minderheid" die het volk volgens de liberale democratische theorie moeten besturen, corresponderen met de leninistische voorhoede van revolutionaire intellectuelen. Het "creëren van draagvlak" zoals Lippmann, Bernays, Niebuhr, Lasswell anderen dat voorstonden, is de Agitprop van hun leninistische tegenhangers.

Geheel volgens het scenario zoals dat meer dan een eeuw geleden door Bakoenin werd geschetst, beschouwt het seculiere priesterdom in deze beide hiërarchische en repressieve systemen de massa als dom en incompetent, als een verwarde kudde die naar een betere wereld moet worden geleid - een wereld die wij, de intelligente minderheid, wel voor hen zullen ontwerpen ofwel door de staatsmacht zelf te over te nemen zoals in het leninistische model, ofwel door de eigenaars en bestuurders te dienen in het staatskapitalisme wanneer het onmogelijk blijkt om een volksrevolutie te misbruiken om zelf de topposities te bezetten.

Hoewel Bakoenin het al lang daarvoor had voorspeld, ging de leninistische "Rode bureaucratie" meteen over tot het ontmantelen van democratische bestuursorganen, in het bijzonder van alle structuren waardoor de werkende klasse als producent of burger enige invloed zou kunnen uitoefenen op haar eigen zaken. Alexander Gerschenkron, die de bolsjewistische ontwikkelingsprogramma's vanuit een vergelijkend en historisch perspectief bestudeerde, merkt op dat het "marxisme, of om het even welke andere socialistische ideologie, een zeer geringe relatie had, als die er al was, met de grote industriële hervormingen die de Sovjetregering doorvoerde", waaronder "de in volume ongeveer verzesvoudigde industriële productie" tot midden jaren vijftig, "de grootste en meest langdurige groeispurt in de geschiedenis van de industriële ontwikkeling van het land," en die ten koste ging van onwaarschijnlijke hoeveelheden menselijke offers, met name van de plattelandsbevolking.36 Dat hetzelfde geldt voor de organisatie van de productie en van het sociale en politieke leven in het algemeen behoeft geen commentaar.

Het zal geen verbazing wekken dat de onmiddellijke vernietiging van ontluikende socialistische tendensen tijdens de revolutionaire ontwikkelingen van de volksstrijd in 1917, door 's werelds beide grote propagandasystemen werd gezien als een overwinning voor het socialisme. Voor de bolsjewieken was het doel van deze schijnvertoning om zoveel mogelijk voordeel te halen uit het morele prestige van het socialisme; voor het Westen ging het erom het socialisme in diskrediet te brengen en haar eigen systeem van eigendom en bestuur in alle geldingen van het economische, politieke en sociale leven te verankeren. De ineenstorting van het leninistische systeem kan geen overwinning voor het socialisme genoemd worden, net zo min als dat je in deze termen zou praten over de val van Hitler of Mussolini. Maar zoals in de eerder beschreven gevallen, verwijdert het wel een barrière die de realisering van de libertaire socialistische idealen - van de volksbewegingen die werden vermorzeld in 1917 in Rusland, in Duitsland kort daarna, in Spanje in 1936, en elders, - in de weg stonden. En dat vaak onder leiding van een leninistische voorhoede die het voortouw nam in het temmen van de verwarde massa met haar libertair-socialistische en radicaal-democratische aspiraties.


3. Geweldloze onderdrukking

Hume poneerde zijn paradox zowel voor despotische als voor vrijere samenlevingen. Het laatste geval is verreweg het belangrijkste. Zodra een maatschappij meer vrijheid en verscheidenheid kent, wordt het moeilijker om meningen op te leggen en wordt het ontwarren van de mechanismen van indoctrinatie een grotere uitdaging. Maar afgezien van het intellectuele aspect zijn vrije samenlevingen menselijk gezien van groter belang omdat we het hier over onszelf hebben en kunnen handelen naar wat we ervan leren. Juist om deze reden zal de heersende cultuur altijd proberen de maatschappelijke problemen toe te schrijven aan het onvermogen van en misbruik door anderen. Als Amerikaanse plannen in een of andere uithoek van de Derde Wereld mislopen, gaat onze aandacht uit naar de gebreken en specifieke problemen van deze culturen en hun sociale wanorde - niet naar die van ons. Zij die de daden van officiële vijanden aan het daglicht brengen, worden als helden vereerd; wie de veel belangrijkere taak op zich neemt om de eigen maatschappij een spiegel voor te houden kan rekenen op een geheel andere behandeling. George Orwell is beroemd vanwege Animal Farm en 1984, twee boeken die zich richten op de officiële vijand. Als hij de interessantere en belangrijkere vraag naar thought control in betrekkelijk vrije en democratische samenlevingen had aangesneden, zou men dat niet gewaardeerd hebben en zou hij zijn geconfronteerd met afkeuring of smaad. Laten we ons desondanks toespitsen op de belangrijkere en impopulaire vragen.

Waarom laten mensen in vrije en democratische samenlevingen zich onderwerpen terwijl ze in theorie de macht aan hun kant hebben? Allereerst moeten we kijken naar een vraag die daaraan vooraf gaat: in hoeverre staat de macht aan de kant van het volk? Hier moeten we voorzichtig zijn. Samenlevingen worden als vrijer en democratischer beschouwd naarmate de macht van de staat om zaken af te dwingen beperkter is. De Verenigde Staten zijn in dit opzicht ongewoon: de burger is hier misschien vrijer van staatsdwang dan waar dan ook ter wereld, tenminste, de burger die redelijk welgesteld is en van de juiste kleur, een aanzienlijk deel van de bevolking.

Maar het is een open deur om te zeggen dat de staat slechts één onderdeel vormt van de machtstructuur. Controle over investeringen, productie, handel, financiën, werkomstandigheden, en andere cruciale aspecten van sociaal beleid zijn in particuliere handen. Wie niet bereid is zich neer te leggen bij deze machtsstructuren, betaalt een hoge prijs, die kan variëren van staatsgeweld tot armoede; zelfs een onafhankelijk denkend individu zal het niet moeilijk vinden om dit af te wegen de voordelen, hoe gering ook, van onderwerping. Wezenlijke keuzes worden aldus flink ingeperkt. Vergelijkbare factoren beperken het spectrum aan ideeën en meningen. De heersende opinies worden gevormd door dezelfde krachten die de economie beheersen. De media zijn het eigendom van grote bedrijven die het publiek verkopen aan andere grote bedrijven in de vorm van adverteerders, het is logisch dat hun belangen overheersen. De mogelijkheid om eigen meningen, zorgen en belangen te verwoorden en over te brengen - of ze zelfs maar te ontdekken - is dus eveneens zeer beperkt.

Het ontkennen van deze gemeenplaatsen over wie de werkelijke macht bezit is de essentie van het bedrog. In plaats daarvan krijgen we de 'noodzakelijke illusies' voorgeschoteld. Zo heeft een mediadeskundige die in de New York Times een boek over de pers recenseert, het zonder enige onderbouwing over de "traditionele Jeffersoniaanse rol" van de pers "als tegenwicht tegen de regeringsmacht." Deze passage bevat drie aannames, namelijk een historische, een beschrijvende en een ideologische. De historische aanname is dat Jefferson een fervent aanhanger van persvrijheid was, wat niet klopt. De tweede is dat de pers in feite als een tegenwicht tegen de regering werkt, in plaats van als een trouwe dienaar. Door hier zonder meer van uit te gaan hoeft de schrijver niet in te gaan op de overvloed aan bewijzen die dit dogma overtuigend weerleggen. De ideologische aanname is dat vrijheidsgezindheid á la Jefferson (abstract gezien, los van hoe deze in de praktijk functioneert) zou eisen dat de pers een tegenwicht biedt aan regeringsmacht. Dat is onjuist. Het libertaire denkbeeld gaat uit van een pers die onafhankelijk is, dus een tegenhanger vormt tegen elke vorm van centraal gezag. In Jeffersons tijd domineerden de staat, de kerk en feodale structuren. Korte tijd later ontstonden nieuwe vormen van gecentraliseerde macht in de wereld van het bedrijfskapitalisme. Iemand in de traditie van Jefferson zou dan beweren dat de pers een tegenwicht moest bieden aan staats- of bedrijfsmacht, en in het bijzonder wanneer de staat en het bedrijfsleven innig samenwerken. Maar als we hierop ingaan, begeven we ons op verboden terrein.37

Afgezien van de algemene beperkingen van keuze en meningsuiting die inherent is aan de machtsconcentratie van het bedrijfsleven, beperkt deze ook de ruimte voor het handelen van de regering. De Verenigde Staten zijn ook in dit opzicht uitzonderlijk in vergelijking met de andere industriële democratieën, ofschoon de andere landen meer en meer opschuiven richting het Amerikaanse model. De Verenigde Staten kent zeer verregaande bescherming tegen staatsdwang, maar heeft eveneens een uiterst armoedig politiek spectrum. In feite bestaat er één politieke partij, de partij van het bedrijfsleven, met twee facties. Schuivende coalities van investeerders bepalen voor een groot deel de politieke geschiedenis. Vakbonden en andere burgerbewegingen die het grote publiek een rol zouden kunnen laten spelen in het beïnvloeden van programma's of politieke keuzes, hebben een zeer beperkte speelruimte. Het ideologische systeem wordt ingekaderd door de heersende opvatting van de elite. Verkiezingen zijn grotendeels een ritueel. Na congresverkiezingen keren praktisch alle kandidaten terug op hun plaats, een toonbeeld van de leegheid van het politieke systeem en de keuzes die het biedt. Bij de campagnes van de presidentskandidaten krijgt men nauwelijks het idee dat er belangrijke punten op de agenda staan. De verwoorde programma's zijn niet veel meer dan een middel om stemmen te winnen en kandidaten passen hun boodschap op advies van hun pr-adviseurs aan het publiek. Journalisten concentreren zich op de vraag of Reagan zijn tekst zal onthouden, of Mondale er niet te somber uitziet en of Dukakis de modder kan ontwijken die de schrijvers van George Bush' toespraken hem naar het hoofd slingeren. In de verkiezingen van 1984 verwisselden de twee politieke kampen in wezen hun traditionele politiek. De republikeinen presenteerden zichzelf als de partij van Keynesiaanse groei en staatsinmenging in de economie, de democraten als voorstanders van fiscaal conservatisme; het werd nauwelijks opgemerkt. De helft van de bevolking neemt niet eens de moeite om te stemmen, en degenen die het wel doen, stemmen vaak bewust tegen hun eigen belangen in.
Het volk wordt de mogelijkheid geboden om beslissingen goed te keuren die elders worden gemaakt, geheel in overeenstemming met de voorschriften van Lippmann en andere democratische theoretici. Het mag kiezen uit persoonlijkheden die naar voren worden geschoven in een symbolisch politiek spelletje dat alleen naïevelingen nog serieus nemen. En als ze dat doen, worden ze door de slimmeriken bespot. Kritiek op het pleidooi van president Bush voor "verhoging van de staatsinkomsten" nadat hij de verkiezing had gewonnen met de plechtige en veelzeggende belofte om de belastingen niet te verhogen, is "politiek gezien erg goedkoop," schrijft Harvards politicoloog en mediaspecialist Marty Linsky onder de kop "Campagnebeloftes - gedaan om gebroken te worden." Toen Bush de verkiezingen won met het "read my lips - no new taxes" deuntje, maakte hij enkel zijn "wereldvisie" kenbaar en gaf hij "blijk van zijn hoop." Degenen die denken dat hij geen nieuwe belastingen beloofde, begrijpen niet dat "verkiezingen en regeren verschillende spelletjes zijn die met verschillende doelen en regels worden gespeeld (…) Het doel van verkiezingen is om te winnen," observeert Linsky terecht en verwoordt daarmee het cynisme van de meer ontwikkelden; en "de intentie van regeren is om het beste te doen voor het land," voegt hij er aan toe, de noodzakelijke illusies herkauwend die het fatsoen vereist.38

Deze ontwikkelingen geraakten in een stroomversnelling onder Reagan. Het overgrote deel van de bevolking was gekant tegen zijn politiek, en zelfs degenen die in 1984 op hem hadden gestemd hoopten, met ongeveer 3 tegen 2, dat zijn programma niet zou worden uitgevoerd. Bij de verkiezingen van 1980 stemde vier procent van de kiezers op Reagan omdat ze hem beschouwden als een "echte conservatief." In 1984 zakte dit percentage naar één procent. Dat is wat in politieke retoriek "een verpletterende overwinning voor het conservatisme" wordt genoemd. Verder was Reagans populariteit, in tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen, nooit bijzonder groot en veel burgers leken te begrijpen dat hij een schepping van de media was, en dat hij slechts een vaag benul had van wat een regering behoort te doen.39

Het is opmerkelijk dat dat nu stilzwijgend wordt toegegeven. Op het moment dat de "great communicator" als symbool niet meer nodig was, verdween hij door een achterdeur. Na acht jaar schijn ophouden over de "revolutie" die Reagan teweegbracht, zou niemand op het idee komen de goede man te vragen naar zijn mening over enig onderwerp, omdat men altijd al had begrepen dat hij die niet heeft. Toen Reagan als oud staatsman in Japan werd uitgenodigd, waren zijn gastheren verbaasd - en gezien het vette honorarium, een beetje geïrriteerd - toen ze ontdekten dat hij geen voordrachten of persconferenties kon houden over welk thema dan ook. Hun verwarring veroorzaakte enige geamuseerde opmerkingen in de Amerikaanse pers: de Japanners geloofden wat zij over deze opmerkelijke persoonlijkheid hadden gelezen. Ze konden maar niet begrijpen hoe de mysterieuze Westerse geest werkte.

Het bedrog dat door de media en de intellectuele gemeenschap werd gepleegd, is van enig belang voor Hume's paradox over onderwerping aan autoriteit. Een staatskapitalistische democratie kent een zekere spanning als het gaat om de exacte locatie van de macht: in principe regeert het volk, maar de werkelijke macht bevindt zich grotendeels in particuliere handen, met de nodige gevolgen voor de samenleving. Een manier om de spanning te verminderen is om de bevolking uit het blikveld te verwijderen, behalve pro forma. Het fenomeen Reagan leverde een nieuwe manier om dit fundamentele doel van de kapitalistische democratie te bereiken. De functie van president werd in feite geëlimineerd ten behoeve van een symbolische figuur die door de pr-afdeling was gecreëerd om bepaalde rituele taken uit te voeren: zoals het verschijnen op officiële gelegenheden, het ontvangen van gasten, het voorlezen van regeringsverklaringen, enzovoorts. Dit is een flinke stap vooruit in het marginaliseren van de bevolking. Als de meest geperfectioneerde staatskapitalistische democratie hebben de Verenigde Staten vaak nieuwe wegen bewandelt om de vijand aan het thuisfront te beheersen, en deze laatste truc zal zonder enige twijfel elders, maar met de gebruikelijke vertraging, naleving vinden.

Zelfs als er discussies ontstaan binnen het politieke systeem, zorgt de concentratie van macht ervoor dat deze niet bepaalde grenzen te buiten gaat. Het probleem is in de VS eigenlijk meer academisch omdat het politieke en ideologische systeem ondergeschikt zijn aan zakelijke belangen, maar in de Latijns-Amerikaanse democratieën bijvoorbeeld, waar botsende ideeën en benaderingen op de politieke agenda staan, is de situatie anders. Zoals bekend zullen beleidsmaatregelen die de elite niet bevallen, leiden tot kapitaalvlucht, het terugtrekken van investeringen en toenemende armoede totdat het vertrouwen van het bedrijfsleven is hersteld door de belangen van de elite veilig te stellen; deze gebeurtenissen zijn van doorslaggevende invloed op het politieke systeem (met militair geweld achter de hand als de zaken alsnog uit de hand dreigen te lopen, gesteund of toegepast door de politieagent uit het Noorden). Scherp gesteld, zolang de rijken en machtigen niet tevreden zijn, zal iedereen lijden, aangezien zij het op sociaal-economisch gebied voor het zeggen hebben; zij bepalen wat geproduceerd en geconsumeerd wordt en welke kruimels overblijven voor de onderdanen. Voor de paupers in het Zuiden is dus het devies ervoor te zorgen dat de rijken zorgeloos kunnen leven in hun villa's. Deze belangrijke factor, in combinatie met de controle over de grondstoffen, beperkt de macht van het volk aanzienlijk en verzwakt de geldigheid van Hume's paradox in een goed functionerende kapitalistische democratie waarin het grote publiek verstrooid en geïsoleerd is.

Begrip van de randvoorwaarden van de democratie - impliciet of expliciet - is sinds lange tijd leidraad voor politiek beleid. Wanneer burgerbewegingen uiteen geslagen of vernietigd zijn en de besluitvorming stevig in handen van het zakenleven is, dan is een formele democratie acceptabel, en zelfs te prefereren als een middel om oekazes van de elite in een door het bedrijfsleven gerunde 'democratie' te legitimeren. Het model werd beproefd door Amerikaanse planners bij de wederopbouw van de industriële samenlevingen na de Tweede Wereldoorlog, en het is standaard in de Derde Wereld, ofschoon het daar veel moeilijker is zonder terreur de gewenste stabiliteit te garanderen. Zodra bepaalde maatschappelijke verhoudingen stevig zijn verankerd, zal een individu om te overleven, een (betrekkelijk geïsoleerde) plek innemen. De persoon zal ertoe neigen de conventionele gedachten, waaronder de heersende aannames over de onvermijdelijkheid van bepaalde vormen van autoriteit, overnemen en zal zich over het algemeen neerleggen bij de beoogde doelen. De kosten voor het volgen van een andere weg of voor het uitdagen van de macht zijn hoog, de middelen zijn ontoereikend en de kans op succes is gering. Deze factoren gelden zowel in op slavernij gebaseerde - als in feodale maatschappijen - de doeltreffendheid ervan heeft terecht indruk gemaakt op de theoretici van de 'opstandsbestrijding'. In vrije samenlevingen manifesteren ze zich op andere manieren. Als het vermogen om het gedrag te beïnvloeden begint af te brokkelen, moet er naar andere middelen worden gezocht om het gepeupel er onder te houden.

Als het geweld aan de kant van de machthebbers staat, kunnen ze vertrouwen op vrij brute middelen om draagvlak te creëren en hoeven ze zich niet al te druk te maken over wat de massa denkt. Toch krijgen ook gewelddadige staten te maken met Hume's probleem. De verschillende vormen van staatsterrorisme die de VS voor hun satellietstaten hebben bedacht, omvatten over het algemeen op zijn minst een gebaar in de richting van "winning hearts and minds," ofschoon experts waarschuwen voor overdreven gevoeligheden op dit vlak, met het argument dat "alle dilemma's van praktische aard zijn en in ethisch opzicht net zo neutraal als natuurwetten.40 " Nazi-Duitsland kende soortgelijke problemen, zoals Albert Speer in zijn autobiografie schrijft, en hetzelfde geldt voor Rusland onder Stalin. In zijn bespreking van deze kwestie merkt Alexander Gerschenkron op

"Hoe sterk het leger en hoe alomtegenwoordig de geheime politie ook is welke een staat tot haar beschikking heeft, het zou naïef zijn om te geloven dat dergelijke mogelijkheden tot fysieke onderdrukking volstaan. Een dergelijke staatsvorm kan alleen functioneren als ze er in slaagt om mensen te doen geloven dat er een belangrijke maatschappelijke taak is die zonder haar niet kan worden volbracht. In het geval van de machthebbers in de Sovjet-Unie was dit de industrialisatie (...), [die] volbracht wat geen enkele op de instemming van de bevolking gebaseerde regering had kunnen doen (...) Maar ook al klinkt het paradoxaal, dit beleid leidde tevens tot een zekere brede berusting van het volk. Als alle krachten in de bevolking gebundeld kunnen worden in het industrialisatieproces en als die industrialisatie kan worden gerechtvaardigd met de belofte van geluk en overvloed voor toekomstige generaties en - veel belangrijker - door de dreiging van militaire agressie vanuit het buitenland, dan hoeft het dictatoriale bewind niet te vrezen voor stormen van protest."41


Deze stelling klinkt des te overtuigender als we kijken naar het snelle verval van het sovjetsysteem toen het niet in staat bleek om een hoger niveau van industriële en technologische ontwikkeling te bereiken.

4. Het pragmatisch criterium

Het is belangrijk zich te realiseren hoe diep de onderdrukking van vrijheid en democratie, desnoods met geweld, geworteld is in de Westerse publieke opinie. Om onze eigen cultuur te begrijpen moeten we onder ogen zien dat het goedpraten van terreur als een rode draad door het hele politieke spectrum heen loopt. Het is overbodig om te wijzen op het gedachtegoed van Jeane Kirkpatrick, George Will, en anderen. Maar er verandert slechts weinig als we "het gevestigde linkerkamp" bekijken, om de uitgever van Foreign Policy Charles William Maynes te citeren die dit begrip gebruikt in een ode aan Amerika's kruistocht "om de democratische zaak te verbreiden."42

Neem bijvoorbeeld de politieke commentator Michael Kinsley die 'links' vertegenwoordigt in politieke commentaren en televisiedebatten. Toen het ministerie van Buitenlandse Zaken openlijk uitkwam voor haar steun aan terroristische aanvallen op landbouwcoöperaties in Nicaragua, schreef Kinsley dat we deze officiële politiek niet te snel moesten veroordelen. Hij gaf toe dat zulke internationale terroristische acties ongetwijfeld "veel burgerleed" veroorzaakten. Maar als men er in slaagt "het moreel te breken en het vertrouwen in de regering" te ondermijnen dan kunnen deze wel eens "volledig legitiem" zijn. Het beleid is "zinvol" als een "kosten-batenanalyse" laat zien dat "het bloed dat vloeit en de ellende die wordt aangericht" resulteert in "democratie," in de eerder besproken betekenis van het woord.43

Als woordvoerder van gevestigd links houdt Kinsley vast aan het pragmatisch criterium voor terreur; geweld mag geen doel op zichzelf zijn, enkel omdat we het leuk vinden. Saddam Hoessein, Abu Nidal en de ontvoerders van de Hezbollah hanteren hetzelfde criterium. Ook zij achten terreur zinloos tenzij deze hun doelen dient. Met deze redenering kunnen we het verlichte Westerse denken een plaats geven binnen het internationale gedachtegoed.

Een dergelijke rationele discussie over de rechtvaardiging van terreur is bepaald niet ongebruikelijk. Daarom wekt het ook geen reacties op in gerespecteerde kringen en komt er evenmin enig commentaar van links-liberale schrijvers en lezers wanneer de New Republic, lange tijd beschouwd als het bolwerk van het Amerikaans liberalisme, militaire steun aan "fascisten van het Latijns-Amerikaanse stempel [verdedigt...] ongeacht hoeveel mensen daarbij worden vermoord" omdat "Amerika hogere prioriteiten kent dan de mensenrechten in El Salvador".

Waardering voor de "heilzame doeltreffendheid" van terreur, om John Quincy Adams' uitspraak te gebruiken, was een standaard kenmerk van het verlichte Westerse denken. Het vormt grofweg het kader voor de propagandacampagne met betrekking tot het internationale terrorisme in de jaren '80. Uiteraard wordt het terrorisme tegen ons en onze vrienden fel afgekeurd als een uiting van barbaarsheid. Maar de veel extremere terreur die wij en onze bondgenoten uitoefenen, wordt of als constructief beschouwd of, in het ergste geval, als onbeduidend wanneer het voldoet aan het pragmatisch criterium. Zelfs de groots opgezette internationale terroristische campagne die de regering Kennedy tegen Cuba lanceerde en die alles wat in dit opzicht aan officiële vijanden wordt toegeschreven overtreft, bestaat gewoonweg niet in de gebruikelijke academische discussies of in de mainstream media. In zijn alom geprezen standaardwerk over internationaal terrorisme schildert Walter Laqueur Cuba af als een sponsor van deze misdaad, louter op grond van insinuaties en gebrekkige bewijsvoering. Terwijl hij de campagne van internationaal terrorisme tegen Cuba met geen woord noemt; sterker nog, Cuba wordt gerekend tot de landen die "niet gebukt gaan onder terreur." Latijns-Amerika-specialist Robert Wesson van het Hoover Instituut schrijft dat na de Varkensbaaicrisis, toen de terreur op zijn hoogtepunt was, "enkel niet-gewelddadige (...) maatregelen getroffen werden tegen het Cubaans communisme," namelijk diplomatieke en economische isolatie.44

Het uitgangspunt is duidelijk en onverbloemd: hun terreur is terreur en het minste bewijs is voldoende om het af te keuren en om onschuldige burgers te bestraffen die toevallig in de weg staan; onze terreur, zelfs als die veel extremer is, is enkel politiek beleid, en vormt derhalve geen onderdeel van de discussie over deze moderne plaag. Deze gang van zaken is begrijpelijk in het licht van de eerder genoemde principes.45

Soms kan het aanpassingsvermogen van het systeem zelfs de meest doorgewinterde toeschouwer nog verbazen. Niets wekte zoveel woede in de Amerikaanse publieke opinie als het neerschieten van de KAL 007 door de Russische luchtmacht in september 1983; de klein gedrukte New York Times index wijdde alleen al in die maand zeven volledige pagina's aan deze gruweldaad. Het bleef niet geheel onopgemerkt dat de reactie nogal anders was toen het Amerikaanse marineschip Vincennes voor de kust van Iran een Iraans passagiersvliegtuig neerhaalde - volgens marinebevelhebber David Carlson vanwege "de noodzaak om de werking van Aegis te testen," een high-tech raketsysteem. Deze liet "hardop zijn ongeloof blijken" toen hij vanaf een nabijgelegen marineschip de gebeurtenissen waarnam. Het voorval werd afgedaan als een ongelukkige vergissing, gemaakt onder moeilijke omstandigheden die de Iraniërs uiteindelijk aan zichzelf te wijten hadden. Het laatste wapenfeit in dit veelzeggende drama vond plaats in april 1990 toen de bevelhebber van de Vincennes, evenals de officier die het gezag voerde over de luchtafweertroepen, de Legion of Merit kreeg uitgereikt voor "uitzonderlijk verdienstelijk gedrag en de uitstekende uitvoering van zijn taak" en voor de getoonde "rustige en professionele sfeer" onder zijn commando ten tijde van het neerschieten van de Iraanse airbus waarbij 290 personen omkwamen. "In de teksten van de eervolle vermeldingen wordt de tragedie niet genoemd," aldus AP. De media vonden het blijkbaar niet de moeite waard hier iets over te schrijven - ofschoon Iraanse veroordelingen van het neerhalen van het vliegtuig hier en daar zijn opgemerkt om ze vervolgens "door het hele politieke spectrum heen" spottend van de hand te wijzen.46

Men kan zich de reactie voorstellen als Iran van "kritiek op de Verenigde Staten in haar kranten" zou overgaan tot het dreigen met militaire vergelding - daarvoor misschien inspiratie puttend uit een hoofdartikel in de Boston Globe van Yossi Melman en Dan Raviv over hoe men Saddam Hoessein zou moeten aanpakken: "Een strategische aanval op Irakese olievelden of een luchtmachtbasis is waarschijnlijk gerechtvaardigd - vooral nadat de Amerikaanse geheime dienst geluiden opving dat de Irakese president de piloot beloonde die "per abuis" de USS Stark aanviel tijdens de Golfoorlog."47

Westerse lezers moeten veel moeite doen om iets te weten te komen over de uitreiking van de Legion of Merit voor de bevelhebber van de Vincennes, maar het ging niet onopgemerkt voorbij aan de Derde Wereld, waar journalisten ook meteen de conclusies trokken die binnen de Westerse intellectuele cultuur verboden zijn. In zijn commentaar op "Amerikaanse imperialistische politiek" plaatst de Third World Resurgence (Maleisië) het neerschieten van de Iraanse airbus in het lijstje van Amerikaans terrorisme in het Midden-Oosten. De krant citeert de woorden bij de uitreiking en voegt er aan toe dat "de Westerse bevolking, mede door toedoen van de media, de situatie in simplistische zwart-wit termen ziet," en niet in staat is om te bevatten wat overduidelijk is voor hen die ontsnappen aan de greep van het Westerse propagandasysteem.48

Moordpartijen op grote schaal worden veelal gemeten aan dezelfde criteria: hun terreur en geweld zijn misdaden, die van ons zijn politiek beleid of begrijpelijke fouten. In een studie naar Amerikaanse macht en ideologie van tien jaar geleden namen Edward Herman en ik een groot aantal voorbeelden van twee soorten gruweldaden opnieuw onder de loep, "goedaardige en constructieve bloedbaden" die acceptabel of zelfs gunstig zijn voor de heersende belangen, en "schandelijke bloedbaden" uitgevoerd door officiële vijanden. De reacties volgen hetzelfde stramien als de behandeling van terrorisme. Eerstgenoemde bloedbaden worden genegeerd, ontkend of soms zelfs toegejuicht; de laatstgenoemde leiden tot woedende reacties en vaak op grote schaal tot bedrog en falsificaties als het beschikbare bewijs niet overtuigend genoeg is.49

Eén vergelijking die we gedetailleerd uit de doeken deden, was bijzonder verhelderend: het "goedaardige bloedbad" dat Indonesië aanrichtte na de invasie van Oost-Timor in 1975, en het "schandalige bloedbad" van de Rode Khmer toen deze in hetzelfde jaar Cambodja innam. We bekeken vrijwel al het beschikbare materiaal (van dat moment, met name het tijdvak 1975-77), en lieten zien dat het bewijsmateriaal omtrent deze twee vreselijke bloedbaden - aangericht in hetzelfde deel van de wereld, in dezelfde tijd - vergelijkbaar was. We toonden aan dat de twee slachtpartijen vergelijkbaar waren in omvang en aard. Er waren ook verschillen. Een daarvan was dat voor het Indonesische bloedbad belangrijk materieel en diplomatieke steun kwamen van de Verenigde Staten en hun bondgenoten, en dat het gemakkelijk gestopt had kunnen worden door er ruchtbaarheid aan te geven en de steun op te zeggen, terwijl niemand een serieuze poging ondernam om de wreedheden van Pol Pot goed te praten. Om die reden was het bloedbad in Oost-Timor voor het Westen veel belangrijker, als we ten minste uitgaan van elementaire morele principes. Een tweede verschil lag in de reactie op de twee bloedbaden. Een overzicht van alle artikelen die we bekeken laat zien dat de wreedheden op Timor, en de cruciale bijdrage daaraan van de VS en hun bondgenoten, genegeerd of ontkend werden; de media meden zelfs getuigenissen van vluchtelingen, net als bij de Amerikaanse terreurbombardenten op Cambodja een paar jaar daarvoor. In het parallelle geval van de Rode Khmer vonden we daarentegen een staaltje van bedrog waar zelfs Stalin van onder de indruk zou zijn geraakt, inclusief het massaal vervalsen van bewijsstukken, het weglaten van 'nutteloos' bewijs (zoals daar zijn: de conclusies van Cambodja-waarnemers van het ministerie van Buitenlandse Zaken, de bron met de meeste kennis maar te sober voor het gewenste doel), etc.

De reactie op onze onthullingen is trouwens ook leerzaam: over het Timor-gedeelte van het vergelijk, verder stilzwijgen, ontkenning en verdediging; over Cambodja een groot protestkoor dat beweerde dat we de wreedheden van Pol Pot ontkenden of bagatelliseerden. Dit was pertinent onjuist ofschoon het inderdaad voor een gemiddelde volkscommissaris niet makkelijk is om een onderscheid te maken tussen iemand die probeert bij de waarheid te blijven en iemand die wreedheden bagatelliseert. Zeker niet als deze van nature op tilt slaat bij elke uiting van twijfel over het recht te liegen in dienst van de staat, met name als deze twijfel gepaard gaat met bewijzen voor het feit dat momenteel nog steeds hulp wordt verleend aan bepaalde wreedheden.50

Vaak genoeg worden slachtingen op grote schaal welwillend bekeken, en wekt het onthullen van directe betrokkenheid van de Amerikaanse regering hiebij geen bijzondere belangstelling, zolang de gebruikte middelen ons dichter bij het doel brengen.51 Ook is het niet onredelijk de dilemma's van de 'opstandsbestrijding' af te doen als "functioneel" en "in ethisch opzicht neutraal." Het is simpelweg een kwestie van het vinden van de juiste mix van de verschillende technieken om de bevolking te controleren. Daarvoor zijn in de praktijk B-52 bombardementen, napalm, marteling, verminking en verdwijning beschikbaar, en vriendelijker methoden als het uithongeren en het opsluiten van de bevolking in concentratiekampen, ook wel "strategische nederzettingen" of "modeldorpen" genoemd. Vooraanstaande theoretici met betrekking tot deze vorm van internationaal terrorisme leggen rustig uit dat ofschoon het een "wenselijk doel" is om "de loyaliteit [te winnen] van de burger" aan de regering die we steunen of in het zadel hebben geholpen, dit duidelijk een overweging van secundair belang is, en dat deze geen gepast "conceptueel kader [biedt] voor programma's om verzet te bestrijden." Het "centrale thema" zou "het beïnvloeden van het gedrag moeten zijn en niet zozeer van de overtuigingen" (Charles Wolf, hoofdeconoom van de RAND Corporation). Hume's probleem doet zich dan niet voor; men hoeft zich er geen zorgen over te maken dat de macht in handen van de geregeerden zou liggen. Om het gedrag te beïnvloeden zijn technieken als "in beslag nemen van kippen, verwoesten van huizen en dorpen" tamelijk doeltreffend zolang "duidelijkheid heerst over het feit dat de wreedheid waarmee de regeringskrachten te werk gaan, een bewuste reactie is op het gedrag van de bevolking die bijdraagt aan de verzetsbeweging." Als dat niet het geval is, zal de terreur zinloos zijn. "De crux," aldus deze gerenommeerde wetenschapper, zit hem erin om alle programma's te koppelen aan "het soort gedrag van de burgers dat de regering wil stimuleren." Wolf wijst op nog een voordeel van deze wetenschappelijke benadering die meer de nadruk legt op het controleren van gedrag dan van overtuigingen: het moet het imago van de opstandsbestrijding in de Verenigde Staten opvijzelen; we zijn tenslotte een verlichte samenleving die wetenschap en technologie respecteert en niet veel op heeft met mystieke beschouwingen over geest en ideeën. Let wel dat we ons in de VS zelf, waar geweld jegens de bevolking geen optie is, wel moeten richten op het controleren van overtuigingen en meningen.

Zelfs het massaal laten verhongeren is volledig legitiem zolang als het voldoet aan het pragmatisch criterium, zoals dat wordt uitgelegd door professor David Rowe, directeur postdoctorale studies op gebied van internationale betrekkingen aan de universiteit van Yale. In een toespraak tot het Congres in de tijd voordat China een gewaardeerde bondgenoot werd, adviseerde Rowe dat de VS alle graanoverschotten van Canada en Australië moesten opkopen om op die manier "algehele honger" onder een miljard mensen in China te veroorzaken, een effectieve methode, merkte hij op, om de "interne stabiliteit van dat land" te ondermijnen. Als ingewijde in het Aziatische denken verzekerde hij het Congres dat deze politiek met name begroet zou worden door de Japanners omdat die een demonstratie hadden gehad "van het geweldige krachtige optreden van de Verenigde Staten...[en]...onze macht aan den lijve hebben ondervonden" middels de brandbommen op Tokyo en in Hiroshima en Nagasaki. Het zou "het Japanse volk [dus] ten zeerste alarmeren en hun vriendelijke banden met ons doen wankelen" als we niet bereid zouden blijken "om de macht waarvan ze weten dat we die hebben, [in Vietnam en China] te gebruiken".52

Los van het gewicht van zijn visie bewandelde Rowe een plat getreden weg. Als directeur van het humanitaire programma om voedsel te leveren aan uitgehongerde Europeanen na de Eerste Wereldoorlog liet Herbert Hoover president Wilson weten dat hij voorzag in "een kleine voedselstroom" om te garanderen dat anti-bolsjewistische elementen aan de macht bleven. In reactie op geruchten over "een ernstige opstand op 1 mei" in Oostenrijk, waarschuwde Hoover de bevolking dat een dergelijke actie de schaarse voedselvoorziening van de stad in gevaar zou brengen. Onder de communistische regering van Bela Kun kreeg Hongarije geen voedsel, met de belofte dat het zou worden geleverd als deze werd vervangen door een regering die de VS acceptabel achtten. De economische blokkade, in combinatie met Roemeense militaire druk, dwong Kun de macht op te geven en naar Moskou te vluchten. Gesteund door Franse en Engelse troepen sloot het Roemeense leger een verbond met Hongaarse contra-revolutionairen. Ze zaaiden een hoop reactionaire terreur en installeerden een extreem-rechtse dictatuur onder admiraal Horthy die collaboreerde met Hitler in de volgende fase van de strijd tegen het bolsjewistische monster. De dreiging met hongersnood werd ook gebruikt om de kritieke verkiezingen in Italië in 1948 te beslechten en om in Nicaragua in 1990 een loyaal bewind aan de macht te helpen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Dijken werden gebombardeerd in Zuid-Vietnam om de voedselvoorziening voor Zuid-Vietnamese boeren te vernietigen die zich verzetten tegen de Amerikaanse agressor. In heel Indochina werden oogsten vernietigd, evenals recentelijk in Midden-Amerika. Deze praktijk gaat terug tot de eerste Indiaanse oorlogen, en was uiteraard geen uitvinding van de Engelse kolonisten.53

Een terugblik op Midden-Amerika gedurende de afgelopen tien jaar laat de doorslaggevende rol van het pragmatisch criterium zien. Guatemala was nooit een thema omdat massamoord en onderdrukking effectief bleken. In het begin veroorzaakte de kerk enige problemen, maar, zoals Kenneth Freed schrijft in de Los Angeles Times, toen "14 priesters en honderden medewerkers van de kerk tijdens een militaire campagne werden gedood vanwege de steun van de kerk voor sociale hervormingen als hogere lonen en stopzetting van de uitbuiting van indianen," was de kerk geïntimideerd en werd ze "vrijwel tot zwijgen gebracht." "De fysieke intimidatie nam af," aan het pragmatisch criterium was immers voldaan. De terreur nam opnieuw toe toen de VS werk begonnen te maken van wat zij "democratie" plegen te noemen. "De slachtoffers," beschreven door een Europese diplomaat, "zijn bijna altijd mensen wier ideeën of activiteiten gericht zijn op het helpen van anderen bij het zichzelf losmaken van de beperkingen die hen worden opgelegd door degenen die de economische of politieke macht hebben," zoals "een dokter die zich voor de gezondheid van babies inzet" en daarom wordt "gezien als iemand die een aanval pleegt op de gevestigde orde."54 De veiligheidsdiensten van de "prille democratie," en de daaraan gelieerde doodseskaders bleken de situatie redelijk in de hand te hebben zodat er geen reden was voor al te grote bezorgdheid in de VS, en die was er dan ook vrijwel niet.

De media maakten nauwelijks melding van de grove schendingen van mensenrechten in Guatemala toen Washington president Cerezo en zijn christen-democraten onder druk begon te zetten om de meer rechtse elementen naar voren te schuiven, om het gewenste resultaat te bereiken. Het hoeft niemand te verbazen dat Kenneth Freed nadruk legt op Washingtons "afkeer" van de extreme mensenrechtenschendingen door de veiligheidskrachten die het zelf ondersteunt. En in de New York Times bericht Lindsey Gruson dat Washington zijn vertrouwen in het Guatemalteekse leger vergroot, de bron van alle misstanden, inclusief het vertrouwen in de Guatemalteekse Militaire Inlichtingendienst G-2, die berucht is om zijn vooraanstaande rol in staatsterreur. Maar hij stelt de lezer gerust dat mensenrechten hoog op de "Amerikaanse politieke agenda" voor Guatemala staan, een dogma dat elk feit weerstaat.55

Freed voegt eraan toe dat generaal Hector Gramajo "begin jaren '80, toen het Guatemalteekse leger de dood van tienduizenden mensen, met name burgers, werd verweten, een hoge bevelhebber was." Maar, vervolgt hij, Gramajo "wordt als gematigd gezien door de Amerikaanse ambassade" - het bekende patroon. Freed citeert een Westerse diplomaat die betwijfelt of Gramajo zelf middels doodseskaders die gelieerd zijn aan de veiligheidskrachten, "al deze moorden in gang zet" ofschoon hij "zodra hij merkt dat links zich probeert te organiseren, harde actie tegen hen toestaat, zoniet beveelt" en "geen enkele overtreder over het hoofd ziet."

El Salvador en Nicaragua zijn ook illustratief voor het pragmatisch criterium. De media deden alsof ze niet op de hoogte waren van de massamoorden die de Salvadoraanse regering vanaf 1979 beging, en hielden de ergste wreedheden verborgen. Begin jaren '80 leek het erop dat de VS betrokken raakten bij een interventie die hun belangen schaadde; bijgevolg groeide de zorg en waren er zelfs een paar maanden van tamelijk eerlijke berichtgeving. Maar toen de terreur dankzij Amerikaanse steun zijn doel leek te bereiken, verdween alle wroeging en raakte men opgetogen over de "democratie", terwijl de regering zijn programma van terreur en intimidatie voortzette.
De enige reden dat men zich zorgen maakte over Nicaragua was dat terreur en economische oorlogsvoering maar een beperkt succes hadden. Dit bleek overduidelijk toen de bevolking uiteindelijk, na een decennium van terreur en vernietiging in een land dat al zoveel te lijden had gehad van het gewelddadige regime onder Somoza, gehoorzaamde aan de VS. Deze gebeurtenis leidde tot "unanieme vreugde" onder het weldenkend deel van de bevolking.

Gedurende dit door barbarij en onderdrukking getekende decennium hebben liberale humanisten zichzelf opgeworpen als critici van de door de VS gesteunde terroristische staten in Midden-Amerika. Dat dit slechts een façade was blijkt uit het feit dat men in gerespecteerde kringen welhaast zonder uitzondering eiste dat in Nicaragua een zelfde moorddadig regime werd geïnstalleerd als in de overige Midden-Amerikaanse landen. Dat wil zeggen een regime dat net als in El Salvador en Guatamala is gebaseerd op doodseskaders en dat het dolende bewind van de Sandinisten moet vervangen.56

Dieper onderzoek bevestigt de geldende normen. Uit de beschikbare documentatie blijkt dat de oppositie tegen de Sandinisten bijna unaniem was en dat men slechts van mening verschilde over de wijze waarop zij ten val moesten worden gebracht. In schril contrast hiermee staan de gangster-regimes die reeds voldoen aan de "regionale normen." In honderden onderzochte politieke commentaren uit de nationale pers blijft het feit onvermeld dat de Sandinisten zich, in tegenstelling tot de door de liberale duiven gesteunde regimes, ondanks hun tekortkomingen niet aan massamoorden, terreur en marteling hebben schuldig gemaakt. Deze commentaren onthullen dat dergelijke zaken volstrekt onbelangrijk zijn voor de verlichte Westerse pers. In het verlengde hiervan is men het er unaniem mee eens dat het enige leger dat moet worden ontmanteld, het leger is dat zich niet regelmatig schuldig maakt aan massale terreur tegen de eigen bevolking. Edward Herman merkte op dat aangezien er "achtenswaardige en niet-achtenswaardige slachtoffers zijn" (waarbij de achtenswaardige diegenen zijn die door officiële vijanden worden vervolgd en de niet-achtenswaardige diegenen die aan ons ten prooi vallen en wier lot ons onverschillig laat) er ook "achtenswaardige en niet-achtenswaardige legers" zijn. Wij hoeven ons niet te bemoeien met achtenswaardige legers zoals dat van o.a. Somoza, El Salvador, Guatemala en Indonesië omdat zij doen wat er gedaan moet worden: zij moorden en martelen in ons belang. De niet-achtenswaardige legers voldoen niet aan deze kwaliteitseisen en hebben zelfs het lef om de eigen bevolking te beschermen tegen de moordenaars die wij op haar loslaten. Daarom moeten zij worden vervangen door legers die meer sympathie hebben voor onze behoeften en morele waarden. Dit alles is zo triviaal dat er geen aandacht aan wordt besteed.

Dezelfde politieke commentaren over Nicaragua besteden tevens vrijwel geen aandacht aan de sociale en economische hervormingen die in gang waren gezet en die door internationale organisaties als opmerkelijk succesvol werden beschouwd, totdat de VS er halverwege de jaren tachtig van de 20e eeuw in slaagde om deze ongewenste vooruitgang te keren. Opvallend genoeg was het na de overwinning voor de VS bij de verkiezingen van 1990 en dus nadat het gevaar voor de rijken en machtigen was bezworen, ineens wel toegestaan om kennis te nemen van deze feiten. Steeds weer verraadt de verlichte pers waar haar prioriteiten liggen.

Als we terugkeren naar Hume's principes van het regeren dan is het duidelijk dat ze moeten worden verfijnd. Het is waar dat het, wanneer er een gebrek aan machtsmiddelen is en gewone straffen niet meer voldoen, noodzakelijk is toevlucht te nemen tot het 'creëren van draagvlak'. Het gebruik van geweld tegen de bevolkingen in Westerse democratieën is taboe, in ieder geval tegen hen die in de positie verkeren dat ze zich kunnen verdedigen. Anderen echter zijn een legitiem doelwit van repressie en in de Derde Wereld is zelfs grootschalige terreur toegestaan mits hiermee, volgens het liberale denken, het gewenste doel wordt bereikt. Anders dan de ideologische fanaticus zal een beschaafd staatsman begrijpen dat er op verantwoorde wijze en gedoseerd van geweld gebruik moet worden gemaakt, net genoeg om de gewenste doelen te verwezenlijken.

5. Vele wegen leiden naar Rome

Het pragmatisch criterium schrijft voor dat het gebruik van geweld alleen is toegestaan als er gaan andere middelen meer zijn om het gepeupel in bedwang te houden. Vaak echter kunnen andere wegen worden bewandeld. Een specialist op het gebied van opstandsbestrijdng van het RAND instituut was onder de indruk van "de relatieve volgzaamheid van de armere boeren en van het ontzag dat ze hebben voor de landeigenaren in overwegend 'feodale' gebieden...[waar] de landeigenaar nog aanzienlijke invloed heeft op het gedrag van de pachter en onmiddellijk gedrag kan ontmoedigen dat in strijd is met zijn eigen belangen."57 Pas als de volgzaamheid wankelt, bijvoorbeeld door toedoen van bemoeizuchtige geestelijken, zijn hardere maatregelen nodig.

Een van de geweldloze opties is de introductie van onderdrukkende wetgeving. In Costa Rica waren de Verenigde Staten bereid een sociaal-democratische regering te tolereren. De voornaamste reden hiervoor was dat vakbonden werden onderdrukt en de belangen van de investeerders alle bescherming genoten. De grondlegger van de Costaricaanse democratie, José Figueres, was een vurig pleitbezorger van Amerikaanse bedrijven en van de CIA. Hij werd door het ministerie van Buitenlandse Zaken beschouwd als "de meest ideale public relations instantie die de United Fruit Company zich in Latijns-Amerika kan wensen." Maar de meest prominente figuur van de Midden-Amerikaanse democratieën viel in de jaren tachtig uit de gratie vanwege zijn kritiek op de door de VS geïnitieerde oorlog tegen Nicaragua en op Washingtons pogingen om ook Costa Rica weer in het 'geprefereerde Midden-Amerikaanse gelid' te laten lopen. Dat was de reden waarom hij door vrije pers volledig werd doodgezwegen." Zelfs het uitbundige hoofdartikel en het zeer uitgebreide in memoriam in de New York Times, waarin hij naar aanleiding van zijn dood in juni 1990 werd geprezen als een 'voorvechter van de democratie,' vermeden zorgvuldig iedere verwijzing naar deze pijnlijke slippertjes.

Jaren daarvoor, toen hij nog niet zo onbeschaamd was, zag Figueres in dat de Costa Ricaanse Communistische Partij, die vooral veel aanhang had onder de plantagearbeiders, een onacceptabel gevaar vormde. Hij liet daarom haar leiders arresteren, verklaarde de partij illegaal en intimideerde haar leden. Dit beleid werd gedurende de hele jaren zestig volgehouden en de autoriteiten verijdelden alle pogingen om een soort arbeiderspartij op te richten. Figueres heeft deze maatregelen heel openhartig toegelicht: het was "een teken van zwakte. Ik geef het toe, als men relatief zwak staat tegenover een krachtige vijand dan moet je ook de moed hebben om dat onder ogen te zien." In het Westen vond men dat deze maatregelen in overeenstemming waren met het liberale concept van democratie en zij waren feitelijk de enige reden waarom de VS "de Costa-Ricaanse uitzondering" tolereerde.58

Soms echter volstaat onderdrukkende wetgeving niet; het vijandelijk volk wordt steeds machtiger. Wanneer de dominante rol in het politieke systeem van de landeigenaren, ondernemers en militairen die het gewenste respect hebben voor de Amerikaanse belangen, in gevaar dreigt te komen dan kun je er vergif op innemen dat er wat alarmbellen gaan rinkelen. Geringe tekenen van een afwijkende koers vragen om sterke maatregelen. Dat was het geval in El Salvador. Na de brute onderdrukking van allerlei geweldloze activiteiten "stonden de massa's [in 1980] aan de kant van de guerrilla's" was het oordeel van José Napoleón Duarte, de door de VS aan de macht geholpen stroman. Om het hoofd te bieden aan de dreiging van een vorm van nationalisme die open stond voor de eisen en druk van de bevolking, was het noodzakelijk om over te gaan tot een "uitroeiingsoorlog en genocide tegen een onbeschermde burgerbevolking," zoals het een paar maanden na de moord op aartsbisschop Romero door diens opvolger onder woorden werd gebracht. In diezelfde periode roemde Duarte, bij zijn beëdiging als president van de militaire junta, het leger voor "haar moedige strijd zij aan zij met het volk tegen de opstandelingen". Als niet-militair president kon hij als dekmantel dienen voor de uitgebreide steun van de VS aan de moordpartijen en aldus een door het Westen gerespecteerde persoon worden.59

Relevante achtergronden werden geschetst door Pater Ignacio Martin-Baró, een van de jezuïtische priesters die in november 1989 werden vermoord en een vermaard Salvadoraans sociaal-psycholoog. Een aantal maanden voor zijn dood hield hij in Californië een lezing over de "De Psychologische Gevolgen van Politiek terrorisme" een aantal maanden voordat hij werd vermoord.60 Hij benadrukte een aantal relevante punten. Ten eerste dat staatsterrorisme verreweg de belangrijkste vorm van terrorisme is, dat wil zeggen, "het terroriseren van de gehele bevolking door systematisch optreden van de eenheden van de staat." Ten tweede is dit terrorisme een cruciaal onderdeel van het door de "regering opgelegde sociaal-politiek project", ontworpen om aan de behoeften van de elite tegemoet te komen. Om het te implementeren moet de gehele bevolking "geterroriseerd worden door een geïnternaliseerde angst." Martin-Baró zinspeelt alleen op een derde punt, een punt dat voor een Westers publiek het meest belangrijk is: het sociaal-politieke project en het voor de implementering ervan benodigde staatsterrorisme zijn niet voorbehouden aan El Salvador, maar zijn kenmerkend voor de derdewereldlanden die binnen de invloedssfeer van de VS vallen. De redenen hiervoor zijn diep geworteld in de Westerse cultuur, instituties en beleidsplanning, en volkomen in overeenstemming met de waarden van het verlichte denken. Deze cruciale factoren verklaren veel meer dan alleen het lot van El Salvador.

In dezelfde lezing refereert Martin-Baró aan de "grootscheepse campagne van het politiek terrorisme" in El Salvador tien jaar daarvoor op initiatief en met ondersteuning van de VS. Bovendien merkt hij op dat het er "sinds 1984, met de komst van de zogenaamde democratische regering in El Salvador onder Duarte, op leek dat er iets zou veranderen," maar in werkelijkheid "veranderde er niets. Wat anders was, was dat de geterroriseerde bevolking nog maar de keuze had uit twee opties: naar de bergen te gaan om zich aan te sluiten bij de rebellen of zich neer te leggen - in ieder geval naar buiten toe - bij het beleid van de regering." De moordpartijen namen toen in hoeveelheid af, een ontwikkeling die bij ons leidde tot veel hulde aan onszelf voor de goede invloed die wij uitoefenen. De reden voor de afname, aldus Martin-Baró, "was dat de noodzaak voor extreme gevallen minder was omdat de mensen zo geterroriseerd en verlamd waren."

Het doel bleef hetzelfde: "het elimineren van alle oppositie en protest van betekenis." De "smerige oorlog is nooit tot een einde gekomen en is de belangrijkste methode waarmee de Verenigde Staten in El Salvador hun sociaal-politieke project proberen te bereiken," zelfs nadat er een "formele democratie" werd ingevoerd om vanuit Westers oogpunt "de oorlog te legitimeren." Deze methoden hebben er voor gezorgd dat "volksorganisaties werden ontmanteld," omdat "het bestaan van organisaties die negatief ten opzichte van de regering staan, niet acceptabel was en de strijdbare personen die nog niet waren vermoord, naar het buitenland vluchtten of onderdoken of verlamd door angst de strijd staakten." Door "het verzwakken van de basis van de revolutionaire beweging in alle geledingen van de bevolking, …is er geen twijfel dat de smerige oorlog een succes was - een griezelig succes laat daar geen twijfel over bestaan, maar desalniettemin een succes."61

Gedurende de jaren tachtig en lang na de invoering van de "democratie" hebben kerkelijke groeperingen en mensenrechtenorganisaties herhaaldelijk beschreven hoe de veiligheidstroepen van de "prille democratie" met de volledige ondersteuning van de Verenigde Staten, "door middel van aanhoudende schendingen van de mensenrechten een regime van terreur en angst," oplegden aan het Salvadoraanse volk dat is getekend door "collectieve intimidatie en alomtegenwoordige angst enerzijds en de geïnternaliseerde acceptatie van de terreur als gevolg van dagelijkse en veelvoorkomende confrontatie met geweld aan de andere kant." "In het algemeen wordt het herhaaldelijk opduiken van gemartelde lichamen door de maatschappij geaccepteerd omdat het recht op leven, een van de basisrechten, in onze maatschappij absoluut geen vanzelfsprekende waarde is." (Socorro Juridico, december 1985). Deze laatste opmerking geldt ook voor de toezichthouders, zoals een aantal maanden later nog werd onderstreept door de minister van Buitenlandse zaken George Shultz in een van zijn klaagzangen over terrorisme, een rede die hij hield juist toen de VS een luid geprezen terreurbombardement uitvoerde op Libië waarbij vele burgers werden gedood. In El Salvador, verklaarde hij, "hebben we iets bereikt waar alle Amerikanen trots op kunnen zijn" - dat wil zeggen, alle Amerikanen die genieten van het schouwspel van gemartelde lichamen, stervende kinderen, terreur en paniek en alomtegenwoordige angst.62

In een essay over massamedia en publieke opinie in El Salvador dat hij zou voordragen op een Internationaal Congres in december 1989, de maand nadat hij werd vermoord, schreef Martin-Baro dat het opstandsbestrijdingsproject van de VS de "nadruk legt op een formele vorm van een democratie" en dat de massamedia moeten worden gezien als een instrument voor "psychologische oorlogvoering". De kleine onafhankelijke kranten in El Salvador, hoewel mainstream en pro-bedrijfsleven, werden door de machthebbers als te eigenzinnig beschouwd en waren tien jaar daarvoor al door de veiligheidstroepen op de gebruikelijke wijze onder handen genomen - middels ontvoeringen, moordpartijen en bomaanslagen, gebeurtenissen die voor ons geen nieuwswaarde hebben. In zijn nimmer voorgedragen essay doet Martin-Baro verslag van een opinieonderzoek dat laat zien dat minder dan 20% van de arbeiders, de lage middenklasse en de armen zich vrij voelt om in het openbaar hun mening te geven, een percentage dat voor de rijken opliep tot 40% - nog een eerbetoon aan de heilzame doeltreffendheid van terreur, en nog zo'n resultaat "waar alle Amerikanen trots op kunnen zijn."63

De continuïteit van het Amerikaanse beleid wordt goed geïllustreerd door de staat van dienst van het Atlacatl Bataljon "wiens soldaten op professionele wijze gehoorzaamden aan hun officieren die hen de opdracht hadden gegeven om de Jezuïeten in koelen bloede te vermoorden," zoals bij de tiende verjaardag van de moord op aartsbisschop Romero wordt opgemerkt door Americas Watch. Deze organisatie doet verslag van een aantal prestaties van deze elite-eenheid, die "gecreëerd, getraind en opgeleid werd door de Verenigde Staten." Het Atlacatl Bataljon werd samengesteld in maart 1981, toen 15 opstandsbestrijdingsspecialisten van de US Army School of Special Forces naar El Slavador werden gestuurd. Van het begin af aan was het bataljon "betrokken bij de moord op grote hoeveelheden burgers." Een professor van de US Army School of the Americas in Fort Benning, Georgia, beschrijft de soldaten als "uitzonderlijk wreed". "Het is altijd moeilijker geweest hen mensen gevangen te laten nemen dan oren af te laten snijden." In december 1981 nam het bataljon deel aan een operatie waarbij honderden burgers werden vermoord in een orgie van moord, verkrachting en brandstichting. Volgens het juridisch bureau van de kerk vielen er meer dan 1000 doden. Later was het betrokken bij het bombarderen van dorpen en het vermoorden van honderden burgers, onder andere door middel van executies en verdrinking, van wie de overgrote meerderheid bestond uit vrouwen, kinderen en bejaarden. Dit is het vaste patroon van bijzondere oorlogvoering in El Salvador die begon met een belangrijke militaire operatie in mei 1980, waarbij 600 burgers werden vermoord en verminkt bij de Sumpul rivier, een gezamenlijke operatie van het Hondurese en Salvadoriaanse leger. Een slachting die aan het licht werd gebracht door de kerk, mensenrechtenonderzoekers en de buitenlandse pers, maar waaraan door de Amerikaanse media, die ook zo hun functie hebben in de psychologische oorlogvoering, geen aandacht werd besteed.64

Het Lawyers Committee for Human Rights beweerde in een brief aan de minister van Defensie, Dick Cheney, dat de moordenaars van de Jezuïeten door de US Special Forces nog tot drie dagen voor de moorden waren getraind. Pater Jon de Cortina, hoofd van de Bouwkundefaculteit op de Jezuïtische Universiteit in El Salvador waar de priesters werden vermoord, beweerde bovendien dat de Amerikaanse militaire instructeurs dezelfde waren als de Amerikaanse soldaten die een paar dagen later in de val liepen in een hotel in San Salvador, bij een incident dat veel aandacht kreeg. Een aantal van de ergste door het Atlacatl Bataljon aangerichte slachtingen in de eerste jaren na de oprichting ervan vond plaats wanneer ze juist waren teruggekeerd van hun Amerikaanse training.65

De aard van de Salvadoraanse legertraining werd beschreven door een deserteur die politiek asiel verwierf in juli 1990 in Texas nadat de rechter het verzoek van het ministerie van Buitenlandse Zaken om de man geen asiel toe te kennen en terug te sturen naar El Salvador had verworpen. In deze prille democratie zijn de rijken immuun voor de dienstplicht; het zijn de tieners uit de sloppenwijken en vluchtelingenkampen die worden samengedreven tijdens razzia's. Volgens de deserteur, wiens naam om voor de hand liggende redenen niet door de rechtbank werd vrijgegeven, werden de jonge soldaten gedwongen om honden en gieren te vermoorden door ze de strot door te bijten en hun kop eraf te draaien. Ze moesten ook toekijken hoe soldaten verdachte dissidenten martelden en vermoorden, bij het uitrukken van vingernagels, afhakken van hoofden, en het in stukken hakken van lichamen "alsof het speelgoed was en bij het gespeel met hun wapens," of bij het laten verhongeren en het martelen tot de dood er op volgt. De rekruten werd verteld dat zij hetzelfde moesten doen, dat het martelen van mensen en dieren "een echte man van je maakt en je moedig maakt."66

Bij een ander recent geval legde César Vielman Joya Martinez, een erkend lid van een Salvadoraans doodseskader dat banden heeft met het Atlacatl Bataljon, getuigenis af van zijn persoonlijke ervaringen met staatsterreur. Hij verschafte gedetailleerde informatie over de betrokkenheid van Amerikaanse inlichtingendienst en adviseurs van de regering tot op het hoogste niveau, alsmede belangrijk bewijsmateriaal over de moord op de Jezuïeten. Zijn verklaringen worden bevestigd door uitlatingen van een eveneens gedeserteerde collega tegenover een Mexicaanse mensenrechtencommissie. Na een aanvankelijke belofte dat het verhaal van Martinez zou worden onderzocht, deed de regering van Bush er alles aan om hem het zwijgen op te leggen, en om hem terug te sturen naar El Salvador waar hij zijn waarschijnlijke dood zou vinden, ondanks het feit dat mensenrechtenorganisaties en het Congres bepleitten dat hij beschermd zou moeten worden en dat zijn getuigeverklaring gehoord zou worden. De behandeling van de belangrijkste getuige van de moord op de Jezuïeten was vergelijkbaar.67

Er moet worden opgemerkt dat de moord op de Jezuïtische intellectuelen op ongeveer dezelfde wijze in het nieuws kwam. Hun moord en het gerechtelijk onderzoek voor zover er sprake van was, kregen enige aandacht, maar niet waarom ze werden vermoord. Daarover is vrijwel niets te vinden, zelfs niet toen het op een presenteerblaadje werd aangeboden. Bijvoorbeeld, in augustus 1990 bij de conferentie van de American Psychological Association in Boston waren er een reeks panels en symposia over het werk van pater Martin-Baró. Er werd onder andere een videotape vertoond van zijn speach in California vlak voordat hij werd vermoord. De conferentie werd uitgebreid behandeld door de Boston Globe, maar deze sessies niet. Op de betreffende dag gaf de Boston Globe de voorkeur aan een essay over gelaatsuitdrukkingen van mannen die aantrekkelijk zijn voor vrouwen.68 First things first, after all.

Toen Antonio Gramsci na de machtsovername in Italië door de fascisten gevangen werd genomen, werd het oordeel over zijn geval geveld door de regering met de volgende opmerking: "We moeten het functioneren van dit brein voor de komende twintig jaar stoppen."69 Onze huidige gunstelingen laten minder aan het lot over: het functioneren van hersenen moeten voor altijd gestopt worden, en we zijn het er over eens dat hun gedachten over zaken als staatsterrorisme beter maar niet te beluisteren zijn.

De resultaten van de Amerikaanse militaire trainingen blijken overduidelijk uit de overvloed aan documenten van mensenrechten groepen en de Salvadoraanse kerk. Ze worden uitvoerig beschreven in het Jezuïtische blad America, door de in El Salvador werkende katholieke priester, Daniel Santiago. Hij doet verslag van het verhaal van een boerin, die op een dag thuis komt en haar moeder, zuster en drie kinderen aantreft aan de tafel, het afgehakte hoofd van allen zorgvuldig op de tafel geplaatst voor het lichaam, de handen zo geplaatst "alsof ieder lichaam zijn eigen hoofd aaide." De moordenaars van de Salvadoraanse Nationale Garde hadden moeite om het hoofdje van de baby van 18 maanden op zijn plaats te houden, dus hebben ze met spijkers de handjes aan het hoofd bevestigd. Een grote plastic schaal gevuld met bloed was op smaakvolle wijze in het midden van de tafel geplaatst.70

Een ander voorbeeld is veelzeggend door de achtergronden, toen in januari 1988 de VS de vredesakkoorden voor Midden-Amerika op doeltreffende wijze van tafel veegden door hun moorddadige cliënten uit te zonderen van de in het vredesakkoord bepaalde voorwaarden voor "rechtvaardigheid, vrijheid en democratie," "respect voor de mensenrechten," en voor het waarborgen van "de onschendbaarheid van alle vormen van leven en vrijheid." Op het moment dat dit 'succes' werd opgetekend, werd op een bekende dump-plek van de doodseskaders de lichamen gevonden van twee mannen en een jongetje. Ze waren geblinddoekt, hun handen waren op de rug gebonden en ze droegen de sporen van martelingen. De onafhankelijke mensenrechtencommissie, die ondanks het uitmoorden van haar oprichters en directeuren blijft functioneren, deed verslag van 13 gevonden lichamen in de twee weken daarvoor, waarvan de meesten waren gemarteld. Hieronder bevonden zich twee vrouwen die aan hun haar aan een boom waren opgehangen, hun borsten afgesneden en hun gezichten rood geverfd. De rapporten werden uit angst voor de staatsterreur anoniem afgegeven. De informatie werd door de [wire services] door gegeven en door de Canadese media prominent gebracht, maar niet door de Amerikaanse nationale pers.71

Eerwaarde Santiago schrijft dat de gruwelijkheden waarvan hij verslag doet, bedacht zijn door de gewapende troepen met het doel om te intimideren. "Mensen worden niet simpelweg vermoord door een doodseskader in El Salvador - ze worden onthoofd en hun hoofden worden op spiesen geplaatst en gebruikt om het landschap te versieren. Mannen worden niet alleen opengereten door de Salvadoran Treasure Police; hun afgehakte genitaliën worden in hun mond gestopt. Salvadoraanse vrouwen worden niet gewoon verkracht door de Nationale Garde; hun baarmoeders worden uit hun lichaam gesneden en gebruikt om hun gezicht te bedekken. Het volstaat niet om kinderen te vermoorden; ze worden over prikkeldraad getrokken totdat het vlees van hun botten valt terwijl de ouders moeten toekijken." "De esthetiek van de terreur in El Salvador is religieus." Het doel is om het individu ervan te doordringen dat het volledig ondergeschikt is aan het Vaderland, dat is de reden dat de doodseskaders soms het "Leger van Nationale Redding" wordt genoemd, door de regerende partij ARENA, wiens leden (waaronder President Cristiani) een [blood oath] doen aan de "leider-voor-het-leven" Roberto d'Aubuisson.

De gewapende strijdkrachten "ronselen recruten" van 13 jaar oud, en indoctrineren ze met de van de Nazi SS overgenomen rituelen, waaronder onmenselijke behandeling en verkrachting, zodat ze er klaar voor zijn om te moorden met seksuele [overtones], zoals in een religieuze rite. De verhalen van de trainingen "zijn geen sprookjes"; het wordt "onderstreept door het harde bewijs van lijken, toegetakelde lichamen, verpletterde schedels en ooggetuigen." Deze "sado-masochistische moorden creëren angst," en "angst creëert passiviteit ondanks de onderdrukking. Een passieve bevolking is gemakkelijk te beheersen," zodat er voldoende slaafse arbeiders zijn, en waardoor het sociaal-politieke project doorgevoerd kan worden, zonder al te veel problemen/in berusting.

Eerwaarde Santiago herinnert ons eraan dat de golf van geweld een reactie is op de pogingen van de kerk in de 70-er jaren om de armen te organiseren. De staatsterreur bereikte een hoogtepunt toen de kerk boeren-associaties en zelfhulp groepen ging opzetten, die samen met andere volksorganisaties, "als een lopend vuur door de Latijns-Amerikaanse gemeenschappen gingen," schrijft Lars Schoultz. Dat de VS direct overging tot massale repressie, met behulp van locale elites, is alleen een verassing voor hen die willens en wetens onwetend zijn van de geschiedenis en de relevante beleidsstukken.72

Pater Ignacio Ellacuria, rector van de Jezuïtische universiteit voordat hij samen met Father Martin-Baro werd vermoord, beschreef El Salvador als "een verscheurde werkelijkheid, bijna tot dodens toe verwond." Hij was naaste medewerker van Aartsbisschop Romero en was bij hem toen de Aartsbisschop een brief schreef aan President Carter, waarin hij smeekte om het stopzetten van de hulp aan de junta. Te vergeefs. De Aartsbisschop sprak tot pater Ellacuria dat zijn brief het gevolg was van "het nieuwe concept van speciale oorlogsvoering, die er uit bestond om iedere poging van burgers om zich te organiseren op moorddadige wijze uit te roeien onder de beschuldiging van communisme of terrorisme."73 Speciale oorlogsvoering, of het nu eufemistisch opstandsbestrijding [counterinsurgency], of low intensity conflict wordt genoemd, is eenvoudigweg internationaal terrorisme - en is al sinds lange tijd officieel Amerikaans beleid, een van de wapens in het arsenaal dat wordt gebruikt om het gewenste sociaal-politieke project te verwezenlijken.

Hetzelfde geldt voor buurland Guatemala. Latijns-Amerika wetenschapper Piero Gleijeses schrijft dat in de traditionele "cultuur van angst," wrede onderdrukking volstond om rust en orde op te leggen; "Zoals indianen gebrandmerkt werden als wilde beesten om hun uitbuiting te rechtvaardigen, zo worden zij die sociale verandering zochten gebrandmerkt als communisten om eveneens hun vervolging te rechtvaardigen." De periode tussen 1944 en 1954 vormde de enige uitzondering, en werd gekenmerkt door een "politieke democratie, de sterke communistische invloed op de regering van President Jacobo Arbenz (1951-54), en de landbouwhervormingen van Arbenz" - "jaren van lente in het land van de eeuwige tirannie," zoals een Guatemalteekse dichter het onder woorden bracht. Een half miljoen mensen kreeg het stukje land dat ze zo ontzettend nodig hadden, de eerste keer in de geschiedenis van Guatemala dat "de indianen land werd aangeboden, in plaats dat het van hen werd gestolen."

Er blies een nieuwe wind over het Guatemalteekse boerenland. De cultuur van angst verloor haar grip op het grootste deel van de Guatemalteekse bevolking. In de nabije toekomst, zou ze volledig verdwijnen, als een vage nachtmerrie.
De leiders van de communistische partij maakten zich volgens de Amerikaanse ambassade als enigen niet schuldig aan corruptie en eerzucht. Ze "waren zeer eerlijk, erg toegewijd," "de enigen die hard werkten," aldus een medewerker van de ambassade. "Het was een tragedie," voegde hij eraan toe, dat zij "onze ergste vijanden" waren en moesten worden verwijderd en de veranderingen die ze tot stand hadden gebracht moesten worden teruggedraaid.

De nachtmerrie werd hersteld door middel van een coup die werd georganiseerd door de CIA, met behulp van Guatemalteekse officieren die hun land verraadden uit angst voor de regionale supermacht, is de conclusie van Gleijeses. Met de voortdurende steun van de VS, werd het regime van terreur, martelingen en verdwijningen in stand gehouden, dat aan het einde van de jaren '60 culmineerde in directe deelname van de Amerikaanse regering. Toen de terreur enigszins afzwakte, ontstond er een golf van concientización (toename van politiek bewustzijn), voornamelijk onder de vleugels van de kerk. Hetgeen de gebruikelijke reactie uitlokte: het leger "verhevigde de terreur, vermoordde de leiders van coöperaties, leraren, gemeenschapsleiders, en activisten" - op dezelfde wijze als in El Salvador en Nicaragua. In het begin van de jaren '80 bereikte de terreur in de Indiaanse hooglanden het niveau van grootschalige slachtpartijen. De regering van Reagan was niet alleen ondersteunend, maar zelfs enthousiast over de door hun vrienden geboekte resultaten.

Bedenk dat de Guatemalteekse generaals de gematigden zijn die het pragmatisch criterium in acht nemen. Toen de indianen, die naar de bergen waren gevlucht om te overleven, weer voorzichtig terugkwamen omdat ze niet in staat waren om de barre omstandigheden te overleven en om vergeving vroegen, "was het leger ruimhartig," merkt Gleijeses op: "Afgezien van een enkele uitzondering als herinnering werden de smekende indianen niet meer vermoord."

Toen de orde weer was hersteld, namen de generaals het advies van de VS over en installeerden de generaals de door de VS bepleitte democratische façade, van waarachter zij en hun vrienden van de oligarchie hun heerschappij konden voortzetten. Dezelfde terreur die de kerk in bedwang hield, bracht ook de roep om hervorming tot zwijgen; "zeldzaam is de Guatemalteek die zijn politieke overtuiging hardop durft uit te spreken," merkt Gleijeses op. Boeren zeggen dat ze voorstanders van landhervormingen niet zullen steunen, want ze "willen geen problemen" met het leger. "Arbenz heeft ons geleerd een huis te bouwen," vertelde een antropoloog, "maar niet hoe we het sterk kunnen maken, en met de eerste wind is het boven op ons gevallen." Onder dit soort omstandigheden heeft democratie onze voorkeur.74

Het fundamentele probleem van de "jaren van lente" was de overmaat aan vrijheid en democratie. De CIA waarschuwde in 1952 dat met het "radicale en nationalistische beleid" van de regering de "openlijke of stilzwijgende steun van vrijwel alle Guatemalteken" was verworven, een feit op grond waarvan de CIA later zou spreken van het "lage niveau van intellectuele ontwikkeling". Erger nog, de regering was bezig om de "tot dan toe politiek onbewogen boerenbevolking te mobiliseren" en om "massale steun voor het huidige regime" te verwerven. De regering kreeg dit voor elkaar door het organiseren van arbeid en landbouw en door andere sociale hervormingen. Een nationalistisch beleid "dat sympathiek stond tegenover de Guatemalteekse revolutie van 1944." De revolutie had een "sterke nationale beweging" tot stand gebracht "om Guatemala te bevrijden van de militaire dictatuur, sociale achterstand en 'economisch kolonialisme." "Het inspireerde tot loyaliteit en sprak tot de verbeelding van de meeste politiek bewuste Guatemalteken." De democratische agenda van de regering gaf de bevolking een middel om deze doelen te verwezenlijken, die direct tegengesteld waren aan de belangen van de oligarchie en de Amerikaanse agrarische industrie. Nadat door de CIA-coup de zaken weer tot normale proporties waren teruggebracht, was het commentaar in een geheim rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken dat het democratische bewind, dat gelukkig omver was geworpen, zo had "vastgehouden aan het in standhouden van een open politiek systeem," als gevolg waarvan de communisten "hun activiteiten eenvoudig konden uitbreiden en op effectieve wijze van zich konden doen spreken in de verschillende sectoren van de bevolking." Noch de militairen, "noch zelfzuchtige politici" waren in staat dit gebrek te bedwingen, hetgeen eindelijk door middel van de coup werd opgelost.75

Een terugkerend probleem voor de VS: politiek zwak, maar militair en economisch sterk. Hieruit volgt het beleid haast van nature. Van de zijde van de Amerikaanse regeringsambtenaren is een constante jammerklacht te horen over de Latijns-Amerika landen die te weinig repressief zijn, te open, toegewijd aan het beschermen van burgerlijke vrijheden, niet van zins om adequaat op te treden tegen vrij reizen en het verspreiden van informatie, en in het algemeen terughoudend om zich te houden aan Amerikaanse sociale en politieke normen, waardoor een toestand wordt geaccepteerd waarin afwijkende meningen kunnen gedijen en een groot publiek bereiken.76

In ons eigen land worden zelfs kleine groeperingen onderworpen aan zware onderdrukking als hun mogelijke invloed te groot dreigt te worden. Tijdens de campagne die de FBI voerde tegen de Black Panters - die bestond uit moord, het uitlokken van rellen in ghetto's en allerlei andere methoden - schatte de FBI dat de "harde kern" van de organisatie die onder vuur lag, niet groter was dan 800 leden, maar voegt er onheilspellend aan toe dat "in een recent opinieonderzoek ongeveer 25% van de zwarte bevolking veel respect bleek te hebben voor de Black Panther Party, en van de zwarten jonger dan 21 jaar zelfs 43%." De repressieve intriges van de staat vervolgden met een campagne van geweld en intimidatie om er voor te zorgen dat de Panthers niet succesvol zouden zijn in het opzetten van een aanzienlijke sociale en politieke macht - met groot succes. De organisatie werd gedecimeerd en zij die overbleven van de partij werden aan hun lot overgelaten om het karwei zelf af te maken. In verband met de FBI operaties in dezelfde periode gericht tegen 'Nieuw Links' werden dezelfde beweegredenen aangevoerd. Hetzelfde inlichtingenrapport waarschuwt dat "de beweging van opstandige jongeren die bekend staat als 'New Left' bestaat uit en invloed heeft op een flink aantal studenten, een aanzienlijke invloed heeft op de huidige maatschappij en zeer waarschijnlijk grote maatschappelijke onrust kan veroorzaken." Nieuw Links heeft "revolutionaire doelen" en "identificeert zich met het Marxisme-Leninisme." Er zijn pogingen ondernomen om "de arbeidersbeweging te infiltreren en te radicaliseren," en nadat ze er niet in slaagden om "de massamedia op te ruien en te beheersen," hebben ze "een wijdvertakt netwerk van ondergrondse publicaties [opgezet] met een tweeledig doel, als intern communicatienetwerk en als extern propagandaorgaan." Dit netwerk vormt een bedreiging voor "de burgers van onze maatschappij," en moet door het veiligheidsapparaat van de staat in bedwang worden gehouden.77 Vrijheid is mooi, maar wel binnen bepaalde grenzen.

In het internationale strijdperk worden de tactische keuzemogelijkheden sterk beperkt door de diepgewortelde institutionele verplichtingen. De posities die men inneemt binnen dit spectrum liggen niet van tevoren vast. Dus Henry Kissinger was ten aanzien van China een duif, waar hij het eens was met Richard Nixon dat een beleid van de harde lijn niets zou opleveren en dat andere maatregelen er toe zouden kunnen leiden dat China opgenomen zou kunnen worden in het door de VS gedomineerde wereldsysteem. Tegelijkertijd was Kissinger een havik ten aanzien van het Midden-Oosten, waar hij Israëlisch verzet ondersteunde om het door Egypte en Jordanië begin 1971 voorgestelde algehele vredesverdrag niet te accepteren. Het beleid van Buitenlandse Zaken om tot een diplomatieke oplossing te komen voor het Arabisch-Israëlisch conflict werd door hem tegengehouden. Het toen ingestelde beleid overheerst nog steeds en verklaart veel van wat er tegenwoordig in die regio gebeurt.78 Zijn opvolger, Zbigniew Brzezinski, staat bekend als een extreme havik, maar was tijdens de tweede golfoorlog in 1990 sterk gekant tegen de strategische voorstellen van de regering en sloot zich aan bij hen die aandrongen op sancties in plaats van het dreigen met of gebruik van militair geweld dat nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor de belangen van de VS in het Midden-Oosten en daarbuiten. En zo zijn er nog meer voorbeelden te geven.

Het is leerzaam om de aandacht te richten op de draagwijdte van de keuze. Laten we ons tot Latijns-Amerika beperken en de pogingen onder de loupe nemen die er werden ondernomen om van het Allende regime in Chili af te komen. Er waren twee parallelle operaties. Methode II, de harde lijn, mikte op een militaire coup. Dit werd verborgen gehouden voor ambassadeur Edward Korry, een Kennedy liberaal, wiens taak het was om Methode I uit te voeren, de zachte lijn; die er in de woorden van Korry zelf uit bestond "om er binnen onze macht alles aan te doen om Chili en de Chilenen te veroordelen tot de uiterste armoede, een beleid dat al lang daarvoor is ontwikkeld om de harde eigenschappen van een communistische maatschappij in Chili te versnellen." De zachte lijn was een uitvloeisel van het CIA-beleid over een lange periode om de Chileense democratie te domineren. Een indicatie voor de omvang van die bemoeienis is af te lezen aan de verkiezingen van 1964. De CIA besteedde tweemaal zoveel geld per Chileense stemgerechtigde om Allende tegen te houden, dan de republikeinen en democraten per stemgerechtigde uitgaven tijdens de Amerikaanse verkiezingsstrijd van hetzelfde jaar.79

Iets vergelijkbaars gebeurde in het geval van Cuba, waar de regering van Eisenhower een directe aanval aan het voorbereiden was, terwijl vice-president Nixon zich aan de zachte lijn hield. Dit blijkt uit een geheime discussie in juni 1960, waarin hij zijn bezorgdheid uitte over de resultaten van een CIA-onderzoek waaruit bleek dat "de economische situatie in Cuba sinds de omverwerping van Batista niet beduidend was verslechterd." Er waren speciale maatregelen nodig "om grotere economische druk op Cuba" uit te oefenen.80

Veelzeggend ook zijn de "twee instabiele landen" in Latijns-Amerika, die de CIA in 1949 naar voren brengt: Bolivia en Guatemala.81 De regering van Eisenhower volgde de harde lijn om de kapitalistische democratie in Guatemala omver te werpen, maar koos de zachte lijn ten aanzien van de Boliviaanse revolutie die met steun van de communistische partij en de radicale tinmijnwerkers tot stand was gebracht. Die had geleid tot onteigening en nationalisatie en er was zelfs een begin gemaakt met de "criminele opruiing van de Indiaanse arbeiders op de boerderijen en in de mijnen" en het organiseren van een vredesconferentie, zoals een rechtse aartsbisschop waarschuwde. Het Witte Huis kwam tot de conclusie dat de beste strategie zou zijn om de minst radicale elementen te ondersteunen, en men hoopte dat druk vanuit de VS, en haar dominantie op de tinmarkt, zou volstaan om de ongewenste ontwikkelingen tot staan te brengen. Minister van Buitenlandse Zaken, John Foster Dulles, benadrukte dat dit de beste manier was om de "communistische besmetting van Zuid-Amerika" tegen te houden. Volgens de standaard beleidsrichtlijnen namen de Verenigde Staten het Boliviaanse leger onder haar hoede en leverden de modernste wapens. Bovendien kregen honderden officieren een opleiding aan de "school der coups" in Panama en op andere plaatsen. Al snel stond Bolivia onder Amerikaanse invloed en overheersing. In 1953 merkt de Nationale Veiligheidsraad (NSC) op dat het "investeringsklimaat" is verbeterd, hetgeen bleek uit "een overeenkomst die een Amerikaans bedrijf toestaat om twee oliegebieden te exploiteren."82

Er vond een militaire coup plaats in 1964. In 1980 werd er een coup uitgevoerd met behulp van Klaus Barbie, die naar Bolivia was gehaald omdat hij in Frankrijk -waar hij onder Amerikaanse bescherming had gewerkt om het antifascistische verzet te onderdrukken, zoals hij dat ook onder de Nazi's had gedaan - niet langer beschermd kon worden. Volgens een recente UNICEF studie sterft een op de drie Boliviaanse zuigelingen in het eerste levensjaar, zodat Bolivia de laagste bevolkingsgroei in Latijns-Amerika heeft met het hoogste geboortecijfer. De Wereld Voedselhulp Organisatie [FAO] schat dat de gemiddelde Boliviaan slechts 78% van het dagelijks benodigde minimum aan calorieën en proteïnen tot zich neemt en dat meer dan de helft van de Boliviaanse kinderen leidt aan ondervoeding. Van de beroepsbevolking is 25% werkloos en is 40% werkzaam in de "informele sector", bijvoorbeeld smokkel en drugs. De situatie in Guatemala hebben we hiervoor al bekeken.83

Verschillende punten verdienen onze aandacht. Op de eerste plaats zijn de gevolgen van de harde lijn in Guatemala en de zachte lijn in Bolivia hetzelfde. Ten tweede waren beide beleidsstrategieën succesvol in het realiseren van hun belangrijkste doel: het stoppen van het "communistische virus," en het voorkomen van "ultra-nationalisme." Ten derde worden beide beleidsvormen gezien als heel gepast. Dit blijkt zowel ten aanzien van Bolivia uit het volledige gebrek aan interesse voor de gevolgen van het beleid sindsdien (los van de mogelijke kosten voor de VS als gevolg van drugs); en ten aanzien van Guatemala, uit de succesvolle interventie onder Kennedy om de democratische verkiezingen te blokkeren, de directe steun in de moorddadige contrarevolutionaire campagnes onder Lyndon Johnson, de voortdurende steun aan Guatemala aan het einde van de jaren '70 (in tegenstelling tot wat valselijk wordt beweerd), het teruggrijpen op de Israëlische huurlingenstaat om in de bres te springen wanneer het congres niet wil meewerken, de enthousiaste Amerikaanse steun in de jaren '80 voor slachtingen die zelfs ver boven de al ongelofelijke Guatemalteekse norm liggen, alsmede uit het applaus voor de "prille democratie" die de heersende militaire elite nu tolereert als een methode om geld van het congres af te troggelen. Dit mag alleen maar gezien worden als "rommelige episodes" en als "blunders" (waarmee in feite de belangrijkste doelstellingen werden bereikt), maar niet als iets anders (Stephen Kinzer).84 Ten vierde de zachte lijn en de harde lijn werden gevolgd door dezelfde mensen in dezelfde periode, hetgeen laat zien dat de geschilpunten alleen maar tactisch zijn, en niet principieel. Dit alles geeft inzicht in de aard van het beleid en in de politieke cultuur waarbinnen het wordt gevormd.

In feite worden steeds dezelfde methoden toegepast, zoals blijkt uit de besproken gevallen en uit vele andere. Het standaardverhaal luidt dat de democratie wordt ondermijnd uit zelfverdediging tegen de dreiging van de Sovjets, we hadden geen keuze, zoals de redacteur van Foreign Affairs uitlegt. John Lewis Gaddis komt daarentegen aardig in de goede richting met zijn opmerking dat "het toenemende succes van de communistische partijen in West-Europa, het oostelijke Middellands-Zeegebied en China" het toegenomen "wantrouwen jegens de Sovjet-Unie rechtvaardigde," ondanks het feit dat haar populariteit "in de eerste plaats het gevolg was van haar doeltreffendheid als verzetsstrijders tegen de As-mogendheden." Het opstandige volk is het probleem, en dat moet worden tegengehouden als het democratische proces er geen gepast antwoord op heeft.85

6. Het gepeupel

Hume's paradox van het regeren komt alleen maar aan de orde als we aannemen dat vrijheidsdrang een essentieel aspect is van de menselijke natuur, dat wat Bakoenin "een instinct voor vrijheid" noemt. Het nalaten om volgens dit instinct te handelen was waar Hume zich over verwonderde. Dezelfde tekortkoming was de inspiratie voor Rousseau's klassieke klaagzang dat de mensen vrij worden geboren maar overal geketend zijn, verleid door de illusies van de burgerlijke maatschappij die gecreëerd is door de rijken om hun roofbuit te waarborgen. Men zou het vrijheidsinstinct kunnen aannemen als een van de "aangeboren cognitieve concepten" die richting geven aan ons handelen en denken. Er zijn pogingen ondernomen om het vrijheidsinstinct te onderbouwen door middel van een onafhankelijke theorie over de menselijke natuur. Die zijn zeker niet zonder belang, maar het komt niet in de buurt van een goede oplossing. Zoals andere dogma's over gezond verstand, de overtuiging is niet meer dan een ordenend principe dat we aannemen of verwerpen op basis van geloof. De keuze die we maken kan grote gevolgen hebben voor onszelf en anderen.

Zij die op basis van het gezonde verstand ervan uitgaan dat vrijheid een natuurlijk recht en een wezenlijke behoefte is, zullen het eens zijn met Bertrand Russel dat het anarchisme "het uiteindelijke doel van de maatschappij", zal moeten zijn. Alle structuren van hiërarchie en overheersing zijn in de basis onrechtmatig. Het in stand houden van dit soort structuren is alleen gerechtvaardigd op basis van argumenten voor de eventuele noodzaak, hetgeen slechts zelden het geval blijkt te zijn bij een nauwgezette beoordeling. Zoals Russel 70 jaar geleden opmerkte, "de traditionele autoriteitsverhoudingen" hebben geen waarde in zichzelf. Er zijn redenen nodig voor mensen om afstand te doen van hun rechten, "en de redenen die worden voorgehouden zijn drogredenen, die alleen hen overtuigen die een egoïstisch belang hebben om overtuigd te worden." Hij vervolgde: "De voorwaarden voor opstand bestaan voor vrouwen ten opzichte van mannen, voor onderdrukte landen ten opzichte van hun onderdrukkers, maar bovenal voor arbeid ten opzichte van kapitaal. Het is een toestand vol gevaren, zoals de geschiedenis laat zien, maar ook vol hoop."86

Volgens Russell was de gewoonte van onderdanigheid voor een deel te herleiden tot de praktijk op school. Zijn denkbeelden herinneren aan de 17de en 18de eeuwse denkers die stelden dat de geest niet gevuld moet worden met kennis "van buiten, zoals een vat," maar dat hij "ontvlamd en wakker gemaakt" moet worden." "De groei van kennis komt overeen met de groei van fruit; hoewel externe factoren tot op zekere hoogte een bijdrage kunnen leveren, zijn het de interne vitaliteit, en de goede eigenschappen van de boom, die de sappen rijp moeten maken voor een volwaardige groei." Hetzelfde gedachtegoed ligt ten grondslag aan het verlichtingsdenken over politieke en intellectuele vrijheid en aan de vervreemding van arbeid die van de arbeider een verlengstuk van iets anders maakt, in plaats van een menselijk wezen dat zijn innerlijke behoeften bevredigt - een grondbeginsel van het klassieke liberale gedachtegoed, dat al lang is vergeten, wegens de revolutionaire consequenties ervan. Deze ideeën en waarden behouden hun kracht en toepasselijkheid, alhoewel de verwezenlijking waar dan ook nog heel ver weg is. Zolang dit het geval is, blijven de onvoltooide libertaire revoluties van de 18de eeuw een leidraad voor de toekomst.87

Men zou dit aangeboren cognitieve concept bevestigd kunnen zien in het feit dat ondanks alle pogingen om het te bedwingen, het gepeupel nog immer vecht voor haar fundamentele mensenrechten. En in de loop der tijden zijn enkele van die libertaire idealen gedeeltelijk verwezenlijkt of zelfs gemeengoed geworden. Vele van de schandelijke ideeën van de radicale democraten uit de 17de eeuw zijn bijvoorbeeld tegenwoordig niets bijzonders meer, terwijl andere van deze vroege inzichten buiten het bereik van de huidige morele en intellectuele inzichten blijven.

De strijd voor de vrijheid van meningsuiting is een interessant en zeer belangrijk geval omdat deze de kern vormt van een hele reeks vrijheden en rechten. De belangrijke vraag in de moderne tijd is wanneer, als dat al is toegestaan, de staat mag ingrijpen om hetgeen gecommuniceerd wordt te verbieden. Zoals al eerder werd opgemerkt hebben zelfs vooraanstaande vrijdenkers niet al te ruime en beperkende ideeën over dit onderwerp.88 Een belangrijk thema was opruiende smaad, het idee dat een verbale aanval op de staat een misdrijf zou kunnen zijn, "het kenmerk van gesloten samenlevingen in de wereld," zoals rechtshistoricus Harry Kalven opmerkt. Een maatschappij die wetten tolereert tegen smaad is niet vrij, wat haar andere deugden ook mogen wezen. In het laat 17de eeuwse Engeland werden mannen gecastreerd, opengereten, gevierendeeld en onthoofd voor deze misdaad. In de 18de eeuw was het de algemene overtuiging dat de gevestigde macht zich alleen in stand kon houden door het tot zwijgen brengen van subversieve discussies, en dat "iedere denkbeeldige of daadwerkelijke bedreiging van de goede naam van de regering" met geweld moest worden tegengehouden (Leonard Levy). "Gewone mensen moeten niet hun meerderen gaan beoordelen…" want, "dit zou iedere regering onmogelijk maken," schreef een redacteur. Dat een uitspraak waar was werd niet geaccepteerd als verdediging: ware beschuldigingen zijn zelfs misdadiger dan onware beschuldigingen, omdat ze de autoriteiten nog meer in opspraak brengen.89

De omgang met afwijkende meningen in onze tijd, alhoewel veel vrijer, is vergelijkbaar. Onware en belachelijke beschuldigingen zijn geen enkel probleem; de maatschappij moet beschermd worden tegen onredelijke critici die ongewenste waarheden onthullen.
Het dogma van opruiende smaad werd ook in de Amerikaanse koloniën gehandhaafd. De onverdraagzaamheid tegenover afwijkende meningen ten tijde van de revolutionaire periode was berucht. De vooraanstaande Amerikaanse vrijdenker, Thomas Jefferson, onderstreepte dat "een verader in gedachten, maar niet in daden," straf verdiende en gaf opdracht tot de internering van politieke verdachten. Hij en de andere Founding Fathers waren het erover eens dat "verraderlijke en oneerbiedige woorden" gericht tegen de autoriteiten van de federale overheid of tegen een van de afzonderlijke staten een misdaad waren. "Tijdens de Revolutie," merkt Leonard Levy op,

"vond Jefferson, net als Washington, Adams en Paine dat er geen belangrijke verschillen in politieke overtuigingen konden bestaan met betrekking tot de onafhankelijkheid, en geen alternatief buiten de volledige onderwerping aan de patriottische zaak. Overal was er onbelemmerde vrijheid om de revolutie toe te juichen, nergens om haar te bekritiseren."

Vanaf het allereerste begin van de Revolutie drong het congres er bij de staten op aan om verordeningen op te nemen om te voorkomen dat de mensen worden "bedrogen en overgehaald tot een verkeerde mening." Pas toen Jefferson en de zijnen een aantal jaren later zelf werden onderworpen aan onderdrukkende maatregelen ontwikkelden ze een veel meer libertair gedachtegoed om zichzelf te beschermen - wat ze vervolgens weer loslieten toen ze zelf aan de macht kwamen.90

Tot de Eerste Wereldoorlog was de basis voor de vrijheid van meningsuiting zeer mager. Het duurde tot 1964 voordat de wet van opruiende smaad door de Hoge Raad werd vernietigd. In 1969 wordt uiteindelijk de meningsuiting beschermd door de Raad, met als uitzondering het "aanzetten tot wetteloze daden, die direct op dat moment een bedreiging vormen." Twee eeuwen na de revolutie wordt door de Raad de positie ingenomen die al in 1776 door Jeremy Bentham werd verdedigd, die redeneerde dat een vrije regering "ontevredenen" moest toestaan "hun overtuigingen te uiten, plannen te maken, en iedere vorm van oppositie te voeren op een daadwerkelijke opstand na, voordat de uitvoerende macht wettelijk is gerechtvaardigd tegen hen op te treden." Met de beslissing van de Hoge Raad in 1969 werd een libertaire grondregel vastgelegd die, naar mijn idee, uniek is in de wereld. In Canada bijvoorbeeld, worden nog steeds mensen gevangen gezet voor het verspreiden van "onwaar nieuws," op grond van een wet uit 1275 ter bescherming van de Koning.91

In Europa is de toestand zelfs nog primitiever. Frankrijk is daarvan een goed voorbeeld, wegens de veelzeggende tegenstelling tussen de zelfgenoegzame retoriek en de onderdrukkende praktijk die zo gewoon is, dat het zelfs niet eens wordt opgemerkt. Engeland kent slechts een zeer beperkte bescherming van de vrijheid van meningsuiting, en handhaaft zelfs nog zulk een schande als de wet op godslastering. De reactie op de Salman Rushdie-affaire was bijzonder opmerkelijk, vooral van de kant van hen die zichzelf 'conservatief' noemen. Rushdie werd bij de rechtbank aangeklaagd voor opruiende smaad en godslastering, maar de Hoge Raad bepaalde dat de wet op godslastering alleen van toepassing was op het christendom, niet op de islam. En dat alleen een verbale aanval "op Hare Majesteit of de regering van Hare Majesteit of een ander staatsinstituut" als opruiende smaad geldt. Dit betekent dat de Raad hetzelfde principe hanteert als Ayatollah Khomeini, Stalin, Goebels en andere vijanden van de vrijheid door te erkennen dat de Engelse wet alleen de eigen macht vrijwaart van kritiek. Ongetwijfeld zullen velen het met Conor Cruise O'Brien eens zijn die toen hij als minister voor Post en Telegrafie in Ierland een wijziging aanbracht in de omroepwet [Broadcasting Authority Act] zodat de autoriteiten de mogelijkheid kregen om iedere uitzending te verbieden die naar het oordeel van de minister "mogelijkerwijze het gezag van de staat zou kunnen ondermijnen."92

Laten we niet vergeten dat het recht op de vrijheid van meningsuiting in de Verenigde Staten niet tot stand is gekomen door het eerste Amendement op de Grondwet, maar door de langdurige en vasthoudende inspanningen van de arbeidersbeweging, de burgerrechtenbeweging, de anti-oorlogsbeweging van de jaren '60 en andere sociale bewegingen. James Madison opperde dat een "slagboom van perkament" nooit genoeg zal zijn om tirannie te voorkomen. Rechten worden niet verkregen door woorden maar veroverd en gehandhaafd door middel van strijd.

Het is ook goed om in gedachten te houden dat de overwinningen voor de vrijheid van meningsuiting meestal behaald worden ter bescherming van de meest verdorven en afschuwelijke ideeën. De uitspraak in 1969 van de Hoge Raad kwam tot stand ter bescherming van de Ku Klux Klan, na een bijeenkomst met gemaskerde personen, geweren, en een brandend kruis, met oproepen om "de negers te begraven" en de "joden terug naar Israël te sturen." Als het gaat om de vrijheid van meningsuiting zijn er feitelijk gezien maar twee mogelijkheden: je beschermt haar met kracht ook met betrekking tot ideeën die je haat, of je verwerpt haar ten gunste van stalinistische/fascistische normen.93

Of het 'instinct voor vrijheid' echt bestaat of niet, is onbekend. Als het echt bestaat, dan leert ons de geschiedenis dat het kan worden onderdrukt, maar nog niet dat het kan worden vernietigd. De moed en de toewijding van de mensen die voor vrijheid strijden, hun wilskracht om door te gaan ondanks ongelofelijke staatsterreur en geweld, is opmerkelijk. In de loop van vele jaren is het bewustzijn hierover enigszins toegenomen en zijn er doelen bereikt die vroeger als utopisch werden gezien of waarover zelfs nauwelijks werd nagedacht. Een onverbeterlijke optimist kan hier naar verwijzen en de hoop uitspreken dat de mensheid in de nabije toekomst in staat zal zijn om een aantal van de maatschappelijke tekortkomingen te overwinnen; anderen trekken een andere conclusie uit het recente verleden. Het is moeilijk om op basis van rationele overwegingen het ene of het andere perspectief te bevestigen. Het is net als met de vele andere aangeboren cognitieve concepten die een richtsnoer zijn in ons leven, we kunnen niet veel meer doen dan te kiezen volgens onze intuïtie en onze hoop.

De gevolgen van dit soort keuzes zijn wel duidelijk. Door het ontkennen van het vrijheidsinstinct wordt alleen maar bewezen dat de menselijke soort een dodelijke mutatie is, evolutionair gezien een doodlopende weg; door het vrijheidsinstinct te koesteren en te verzorgen zijn er, als het bestaat, misschien mogelijkheden om te leren omgaan met de vreselijke menselijke tragedies die ontzagwekkend in omvang zijn.

Hyper-Noten

1   Davie, The Democratic Intellect (U. of Edinburgh, 1961), p. 274f.
2   Zie mijn "Intellectuals and the state," 1977, herdrukt in Towards a New Cold War; Necessary Illusions. Clinton Rossiter en James Lare, eds., The Essential Lippmann: a Political Philosophy for Liberal Democracy (Harvard, 1982), pp. 91-2.
3   Marchamont Nedham, 1650, geciteerd door Edmund S. Morgan, Inventing the People (Norton, 1988), p. 79; Hume, 1, geciteerd in Davie.
4   Met instemming geciteerd door Timothy Garton Ash, New York Review of Books, 18 januari 1990, en William Luers, Foreign Affairs, voorjaar 1990.
5   Mine, AP, 28 november; Rita Beamish, AP, 29 november 1989. Over de reactie op het vermoorden en martelen van priesters en mensenrechtenactivisten, zie Manufacturing Consent, hoofdstuk 2; Necessary Illusions, p. 138f. Over de mislukte pogingen om de feiten weg te verklaren en de voor de handliggende consequenties te ontlopen, zie ibid., pp. 145-8.
6   Nairn, "Murder bargain," Cleveland Plain Dealer, 16 februari 1990.
7   John Saxe-Fernandez, Excelsior, 21 november 1989, in Latin America News Update, januari 1990; TNR, 19 maart 1990.
8   Geciteerd door Jon Reed, Guardian (New York), 23 mei 1990.
9   Guillermo Melendez, Excelsior, 7 April 1990; Central America NewsPak, 9 april 1990. Over de geslaagde ondermijning van het vredesplan door de Amerikaanse regering en media, en de rol van Oscar Arias in deze onderneming, zie Culture of Terrorism, hoofdstuk 7; Necessary Illusions, 89ff. en Appendix IV, paragraaf 5. Alsmede hoofdstuk 2, pp. 77f; hoofdstuk 8, paragraaf 6; hoofdstuk 9, pp. 297f.
10   Zie Necessary Illusions, 41-2, 123-30; Appendix V, paragraaf. 6, 7. Godoy, Nation, 5 Maart. Korea, AP, 5 Mei 1990
11   Margaret Judson, geciteerd door Leonard W. Levy, Emergence of a Pree Press (Oxford, 1985), 91.
12   Christopher Hill, The World Turned Upside Down (Penguin, 1975). Over Locke, zegt Hill nog dat, "Locke hiermee niet bedoelde dat geestelijken het volk moesten voorlichten; dat was de taak van God."
13   Levy, Emergence, pp. 98-100. Over de "verregaande intolerantie" van Milton’s Areopagitica, dat doorgaans wordt beschouwd als een baanbrekend liberaal geschrift, zie John Illo, Prose Studies (mei 1988). Volgens Milton was de strekking van zijn traktaat dat "het bepalen van waarheid en bedrog en van wat kan worden gepubliceerd en wat niet geen taak kan zijn van ongeschoolde mensen met een beperkt beoordelingsvermogen" maar uitsluitend van een "hiervoor aangestelde ambtenaar" met de juiste overtuigingen en het gezag om publicaties te weren die hij als "schadelijk of lasterlijk," "misleidend en schandalig," "goddeloos of kwaadaardig en absoluut in strijd met het geloof of de goede zeden," alsmede als "pausgezind of bijgelovig" beschouwd.
14   Morgan, Inventing the People, pp. 75-6.
15   Zie Deterring Democracy, hoofdstuk 8, p. 253
16   Todorov, The Conquest of America (Harper & Row, 1983), pp. 5, 150.
17   Francis Jennings, Empire of Fortune (Norton, 1988), hoofdstuk 1. Indianen hebben "behalve hun vorm niets menselijks," schreef Washington: "...de geleidelijke uitbreiding van onze nederzettingen zal zonder twijfel tot gevolg hebben dat de wilde en de wolf zich moeten terugtrekken; beide zijn roofdieren hoewel ze verschillen in uiterlijk." Ibid., p. 62; Richard Drinnon, Facing West, 65, een brief van Washington uit 1783 citerend.
18   Zie Turning the Tide, pp. 162-3.
19   Morgan, op. cit., p. 79, nadruk overgenomen uit origineel.
20   Ibid., pp. 168f.
21   Lenin, 1922, Geciteerd door Moshe Lewin, Lenin’s Last struggle (Pantheon, 1968). Lewin’s interpretatie van Lenin’s doeleinden en politieke activiteiten is echter ver verwijderd waar ik hier op doel.
22   James R. Brockman, America, 24 maart 1990. Over de gruweldaden van 1980 en de verdringing ervan door de media, zie Towards a New Cold War, inleiding; Turning the Tide. Over de moord op Romero en de reactie van de VS: ibid., p. 102 e.v..; Manufacturing Consent, p. 48 e.v.
23   Douglas Grant Mine, AP, 23 maart, p. 24; Americas Watch, A Year of Reckoning, maart 1990.
24   Ik zag één aankondiging van de herdenking, op de pagina’s over religie in de Boston Globe, door Richard Higgins, die werkt aan een boek over Romero: "Religion Notebook". BG, 24 maart 1990, p. 27
25   Voor verwijzing hier en verder, waar niet al geciteerd, zie Turning the Tide; Necessary Illusions. Voor Lansing and Wilson, Lloyd Gardner, Safe for Democracy (Oxford, 1987), pp. 157, 161, 261, 242. Gaddis, p. 14 f.
26   Samuel Huntington, in Crozier, Huntington and Watanuki, Crisis of Democracy (zie: Deterring Democracy, Inleiding, noot 1)
27   Wall Street Journal, 13 december 1973.
28   Zie mijn bespreking in: Grand Street, winter 1987.
29   Aangehaald door Herbert Schiller, The Corporate Takeover of Public Expression (Oxford, 1989).
30   McCann, An American Company (Crown, 1976), p. 45. Over de potsierlijke vertoning van de media, zie ook: Turning the Tide, p. 164f. Ook: William Preston en Ellen Ray, "Disinformation and mass deception: democracy as a cover story," in Richard O. Curry, ed., Freedom at Risk (Temple, 1988).
31   Rossiter & Lare, The Essential Lippmann.
32   Aangehaald uit geheime documenten door R.R.A. Marlin, "Propaganda and the Ethics of Persuasion," International Journal of Moral and Social Studies, Voorjaar 1989. Voor meer over deze kwesties, zie "Intellectuals and the State."
33   Zie Deterring Democracy, hoofdstuk 8, p. 261; hoofdstuk 11, p. 346f.
34   Galeano, Days and Nights of Love and War (Monthly Review, 1983).
35   Zie: Turning the Tide, pp. 162f.
36   Gerschenkron, Economic Backwardness in Historical Perspective, pp. 146, 150.
37   Ron Rosenbaum, recensie van Ellis Cose, The Press, NYT Book Review, 9 april 1989. De volledige tekst is zelfs nog misleidender, waarin de schrijver de nadruk legt op "de relatie tussen de marktgerichte structuur van de pers en haar traditionele Jeffersoniaanse rol (…)" Over de onwaarschijnlijke wijze waarop kritiek op het beschrijvende dogma wordt ontdoken, zelfs in de wetenschappelijke wereld, zie Necessary Illusions, Appendix I, sectie 2. Over Jefferson en de pers, zie Leonard Levy, Jefferson and Civil Liberties: the Darker Side (Harvard, 1963; Ivan Dee, 1989); Levy, Emergence.
38   Linsky, Boston Globe, 7 juli 1990.
39   Zie Turning the Tide, hoofdstuk 5; Thomas Ferguson en Joel Rogers, Right Turn (Hill & Wang, 1986); Michael Benhoff, Z Magazine, maart 1989 (letters); Ferguson, Socialist Review 19.4, 1989
40   George Tanham en Dennis Duncanson, "Some dilemmas of counterinsurgency," Foreign Affairs 48.1, 1969
41   Gerschenkron, Economic Backwardness in Historical Perspective, pp. 28-9.
42   Maynes, Foreign Policy, Spring 1990. Zie mijn Deterring Democracy, hoofdstuk 9, p. 309.
43   Voor verder details, zie mijn Culture of Terrorism, 77-8; en over het begrip democratie zoals begrepen door Kinsley en zijn collega’s, zie Deterring Democracy, hoofdstuk 10.
44   Voor details over Laquer’s onwaarschijnlijke goedpraterij van terreur in wat wordt beschouwd als serieuze wetenschap, zie mijn Necessary Illusions, 113, 277f. Wesson, "Historical Overview and Analysis," in Jan Triska, ed., Dominant Powers and Subordinate States, 58-9. Over de Amerikaanse terreur-operaties gericht tegen Cuba, zie Necessary Illusions, 274f., en de daar aangehaalde bronnen. Over dit en andere maatregelen, waaronder economische blokkade’s over de hele wereld, zie Morris Morley, Imperial State: The United States and Revolution and Cuba, 1952-1986 (Cambridge, 1987).
45   Voor een recente bespreking, zie mijn Pirates and Emperors; Necessary Illusions, 269f.; Edward Herman en Gerry O’Sullivan, The "Terrorism" Industry (Pantheon, 1990); Alexander George, ed., Western State Terrorism (Polity press, 1991).
46   Carlson, U.S. Naval Institute Proceedings, September 1989; Los Angeles Times, 3 sept. 1989; AP, 23 April 1990; Philip Shenon, NYT, 6 juli 1990.
47   Melman en Raviv, BG, 5 augustus 1990.
48   Third World Resurgence (Maleisië), Oktober 1990.
49   Chomsky en Herman, Political Economy of Human Rights.
50   Voor een overzicht en verdere bespreking, zie Manufacturing Consent, hoofdstuk 6, sectie 2; Necessary Illusions, 154ff.
51   Een treffend voorbeeld was de reactie op de slachtingen in 1965, en op het nieuwe bewijsmateriaal over de Amerikaanse deelname daaraan zoals die in 1990 werd onthuld. Voor een bespreking ervan, zie mijn artikel in Z magazine, Sept. 1990. Zie ook Ellen Ray en William Schaap, en Ralph McGehee, in Lies of our Times (augustus 1990), over de New York Times coverup
52   Zie mijn "Responsibility of Intellectuals," herdrukt in American Power and the New Mandarins en Chomsky Reader (Rowe); en "Objectivity and liberal scholarship," in American Power (Wolf).
53   Gardner, Safe for Democracy, 244f., 255.
54   Freed, LAT, 14 April 1990
55   Freed, LAT, 7 mei 1990; Lindsey Gruson, NYT, 5 juli 1990. Voor een analyse van de observaties van Gruson over de "tekortkomingen" van de Guatemalteekse democratie in eerdere artikelen, zonder de verantwoordelijkheid van de VS of haar hang naar democratie aan de orde te stellen, zie Edward Herman, "Gruson on Guatemala," Lies of Our Times, augustus 1990.
56   Voor uitgebreide bronnen over de hier besproken zaken, zie Necessary Illusions.
57   Edward Mitchell, Asian Survey, augustus 1967.
58   Zie Necessary Illusions, 62f., 111f., 263ff.; mijn "Letter from Lexington" in Lies of Our Times (juli, 1989); Winson, Coffee & Modern Costa Rican Democracy, 54-5.
59   Zie mijn Turning the Tide, 106f., 109ff.; Necessary Illusions, 78-9.
60   Martin-Baró, Symposium, Berkeley, California, 17 januari 1989, gesponserd door de Mental Health Committee of the Committee for Health Rights in Central America (CHRICA, San Francisco), die het transcript beschikbaar stelde.
61   Martin-Baró, "From Dirty War to Psychological War," essay dat werd voorgedragen op het 21st Congress van de Interamerican Psychological Society, Havana, 1987; herdrukt in Adrianne Aron, ed., Flight, Exile, and Return, CHRICA, 1988.
62   Socorro Juridico, opereerde onder de jurisdictie van het bisdom van San Salvador, essay werd voorgedragen op een International Seminar on Torture in Latin America in Buenos Aires. Shultz, voordracht van 14 april 1986. Zie voor meer details mijn Necessary Illusions, 69f.
63   Martin-Baró, "Mass Media and Public Opinion in El Salvador," aangehaald in Interamerican Public Opinion Report, januari 1990. Over de vernietiging van de Salvadoraanse media, en de reacties daarop in de Amerikaanse media, zie Necessary Illusions, 41-2.
64   Americas Watch, A Year of Reckoning. Over de slachting aan de Sumpul rivier, zie mijn Towards a New Cold War, en Turning the Tide.
65   Lawyers Committee, brief van 20 april aan de Minister van Defensie Richard Cheney; El Salvador on Line (Washington), 30 april ; Alexander Cockburn, Nation, 14 mei 1990. Pater de Cortina, Cape Codder (Orleans, Mass.), 1 mei 1990.
66   Robert Kahn, Pacific News Service, 9-13 juli; Mary Cabezas, Guardian (London), 1 augustus, 1990.
67   COHA News and Analysis, 21 juni; Andrew Blake, BG, 12 juli, 16 maart; Lawrence Ross, San Francisco Chronicle, 12 juli; Alexander Cockburn and Richard McKerrow, In These Times, 1 augustus 1990. Getuigeverklaring van Martinez van 18 augustus 1989, met de uitvoerige beschrijvingen van de doodsescaders waarvan hij onderdeel was, is beschikbaar bij het Marin Interfaith Task Force on Central America, 25 Buena Vista, Mill Valley CA 94941. Over de eerste reacties op de onthullingen van Martinez, voordat de Jesuiten werden vermoord, zie hoofdstuk 10 van mijn Deterring Democracy, p. 292f. Zijn eigen zaak is op het moment van schrijven nog onbeslist.
68   Boston Globe, 14 augustus 1990.
69   Giorgio Amendola, Storia del PCI (Riuniti, Rome, 1979), 142, geciteerd door Kelly, The Anti-Fascist Resistance, 10.
70   Daniel Santiago, "The Aesthetics of Terror, the Hermeneutics of Death," America, 24 maart 1990.
71   Toronto Globe & Mail, 3 februari; AP, 2 en 3 februari 1988. Zie mijn artikel in Z Magazine, maart1988, voor veel meer details hierover en over andere gevallen.
72   Schoultz, National Security and United States Policy, 88f.
73   Ellacur¡a, "The UCA Regarding the Doctorate given to Monsignor Romero," maart 1985; herdrukt in het Nicaraguaanse Jesuitenblad Env¡o, januari 1990; Brockman, op. Cit.
74   Gleijeses, Politics and Culture in Guatemala (Michigan, 1988), onder auspiciën van het ministerie van buitenlandse zaken.
75   Zie Necessary Illusions, 263f.; en mijn Culture of Terrorism, 127.
76   Ibid. Voor nog meer voorbeelden, zie mijn On Power and Ideology, 22f.; Necessary Illusions, 67-8, Appendix V, sec. 1.
77   Special Report of Interagency Committee on Intelligence (Ad Hoc), Voorzitter J. Edgar Hoover, samen met de directeuren van de CIA, DIA, and NSA, samengesteld voor de president, 25 juni 1970, aangeduid als "Top Secret." Een gecensureerde versie werd later vrijgegeven. Citaten komen uit Book 7, Part 1: Summary of Internal Security Threat. Voor een uitgebreide discussie, zie mijn inleiding op N. Blackstock, ed., COINTELPRO (Vintage, 1976); Kenneth O’Reilly, Racial Matters (Free Press, 1989).
78   Zie de referenties in Deterring Democracy hoofdstuk 1, noot 85.
79   Gregory Treverton, Covert Action (Basic Books, 1987), 18.
80   Memorandum for Assistant to the President for National Security Affairs, 25 juni 1960, Secret.
81   CIA, Review of the World Situation, 17 augustus 1949.
82   Bryce Wood, The Dismantling of the Good Neighbor Policy (U. of Texas, 1985). NSC 141/1, "Progress Report," 23 juli 1953.
83   Turning the Tide, 198f; Latinamerica press (Lima), 24 december 1987.
84   Kinzer, NYT, Jan. 10, 1988. Er is geen twijfel aan dat Kinzer op de hoogte is van de feiten, hij was co-autheur van een belangrijk boek over het onderwerp: Stephen Schlesinger and Stephen Kinzer, Bitter Fruit (Doubleday, 1982).
85   Gaddis, Long Peace, 37.
86   Voor een uitgebreide discussie, zie mijn Problems of Knowledge and Freedom, memorial lectures for Russell delivered at Trinity College, Cambridge (Pantheon, 1971).
87   James Harris, Ralph Cudworth. Zie mijn Cartesian Linguistics (Harper & Row, 1966), en voor aanvullende discussie, "Language and Freedom," herdrukt in For Reasons of State en de Chomsky Reader.
88   Voor een uitgebreide discussie en verwijzingen, zie Necessary Illusions, appendix V, sec. 8.
89   Levy, Emergence of a Free Press, xvii, 9, 102, 41, 130.
90   Ibid., 178-9, 297, 337ff.; Levy, Jefferson and Civil Liberties, 25f.
91   Levy, Emergence, 6, 167.
92   Voor een paar van de velen voorbeelden die genoemd kunnen worden in het geval van Frankrijk, zie Necessary Illusions, 344. Over de Rushdie affaire, zie Christopher Frew, "Craven evasion on the threat to freedom," Scotsman, 3 augustus 1989, waarin wordt gerefereerd aan het schandalige gedrag van Paul Johnson en Hugh Trevor-Roper – niet de enigen. High Court, NYT, 10 april 1990. O’Brien geciteerd in British Journalism Review, Vol. 1, No. 2, Winter 1990.
93   Levy, Emergence, 226-7; Harry Kalven, A Worthy Tradition (Harper & Row, 1988), 63, 227f., 121f. In een kort commentaar zoals dit is het onmogelijk om alle aspecten over de vrijheid van meningsuiting uitputtend te behandelen. Zoals opgemerkt komen er meer ingewikkelde vragen aan de orde zoals bijvoorbeeld uitingen die oproepen tot handelen (bijvoorbeeld, een gewapende moordenaar opdracht geven om te schieten), of bijvoorbeeld het recht op bescherming van de privesfeer in overweging nemen, en andere zaken.



 

Terug